Log in

'Onze knelpunteconomie vereist andere accenten'

Interview met Fons Leroy (gedelegeerd bestuurder VDAB)

Pas in 2011-2012 zal de arbeidsmarkt zich herstellen van de huidige crisis, maar zelfs in deze moeilijke tijden zijn we verplicht creatief te blijven nadenken over het doorbreken van de grenzen van het arbeidsmarktbeleid, aldus Fons Leroy (gedelegeerd bestuurder VDAB). Nu is het ideale moment om extra te investeren in opleidingsbudgetten en begeleidingsmaatregelen. Onderwijs, bedrijven, sociale partners en de overheid moeten hun beleid versterken én aanpassen om te voldoen aan de noden van onze knelpunteconomie. Een deel van de oplossing kan bijvoorbeeld komen uit het actief rekruteren van talent uit het buitenland.

Het is op een warme nazomerdag dat Fons Leroy ons ontvangt op zijn kantoor aan de Keizerslaan te Brussel, waar de VDAB gevestigd is. Hij begon zijn professionele loopbaan echter bij de buren aan de overkant van de straat, als adjunct-adviseur bij de RVA. Vervolgens was hij jarenlang actief op verschillende kabinetten van Tewerkstelling. In 2005 ruilde hij zijn job van kabinetschef Werk bij de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming voor de functie van gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Fons Leroy is nu meer dan 4 jaar gedelegeerd bestuurder van de VDAB. Die overstap, van beleidsvorming op het kabinet naar het veld bij de VDAB, heeft hij zich nog geen seconde beklaagd. “Ik zie nu veel meer wat de effecten zijn van het beleid dat ik mee gestalte gaf en ben eigenlijk veel meer direct verantwoordelijk”. Fons Leroy leverde forse inspanningen om het empathisch vermogen bij het eigen personeel te verhogen. “Op het domein van de arbeidsmarkt draait alles rond mensen die heel empathisch en maatgericht met de problemen van die verschillende soorten werkzoekenden kunnen omgaan. Overheidsmaatregelen zijn van belang, maar als je geen goede consulent hebt die naar de 50plussers luistert, heb je niets aan ondersteunende maatregelen om hen terug aan het werk te krijgen. En ik toets de dienstverlening ook af voor mezelf. Zo heb ik een aantal werklozen in mijn portefeuille die ik zelf persoonlijk begeleid. Dat zijn dan de meest kritische gevallen. Op zo’n moment ondervind je zelf hoe moeilijk het is om voor die persoon werk op maat te vinden en leer je de grenzen van het beleid kennen.”

De werkloosheidsstatistieken vertonen, in vergelijking met vorig jaar, een spectaculaire stijging van het aantal werklozen. Zitten we eigenlijk aan een toppunt van die stijgende werkloosheidsgraad, of gaan we stilaan terug afbuigen?

“Ik hou me aan de prognoses van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid en de Nationale Bank. Die zeggen dat het ergste eigenlijk nog moet komen. En ik zie dat ook bij de collega’s van de RVA bij wie de tijdelijke werkloosheid, zowel die voor de arbeiders als het nieuwe crisis tijdskrediet voor bedienden, wordt gemeten en betaald. Dat is eigenlijk een buffer tegen volledige werkloosheid. Heel veel mensen zitten dus daar nog in afwachting van eventuele ontslagen. De werkgelegenheid reageert altijd met vertraging op de economische conjunctuur. Zelfs als de economie nu terug gaat aantrekken - wat ten vroegste eind 2010 echt wordt voorspeld - dan zal de arbeidsmarkt zich pas in 2011-2012 gaan herstellen. We hebben nog een paar moeilijke jaren voor de boeg.”

Het zijn vooral de allochtonen, jongeren en oudere werknemers die het zwaarst getroffen worden?

“Inderdaad. Bij een crisis worden de jongeren altijd het zwaarst getroffen. We zien vandaag dus weer een spectaculaire stijging van de jeugdwerkloosheid: vandaag is 1 op 4 van de werklozen in Vlaanderen jonger dan 25 jaar. Het zijn de jongeren die ook meestal als eersten via uitzendarbeid en andere kanalen terug aan het werk gaan, maar ze zijn dikwijls ook de eerste slachtoffers bij crisis. En dat zie je vooral vandaag in de werkloosheidscijfers. Voor de rest zijn de groepen die het moeilijk hebben en weinig kansen hebben inderdaad de allochtonen, de ouderen en de kortgeschoolden. Die hebben het eigenlijk altijd proportioneel veel moeilijker in economische hoog- en laagconjunctuur, en duiken veel zwaarder op in die werkloosheidscijfers. We zien dat we ook vaak te maken hebben met mensen die voor de eerste keer met werkloosheid geconfronteerd worden. Omdat je bijvoorbeeld heel wat herstructureringen met collectieve ontslagen krijgt in de industriële sectoren; sectoren die in het verleden nog niet getroffen zijn door een crisis. Die mensen komen nu eigenlijk ook voor de eerste keer op de arbeidsmarkt en zijn er eigenlijk de dwalers omdat ze de RVA of VDAB niet kennen. Heel wat van die arbeiders schrijven zich nu in als werkzoekende zonder dat ze goed weten welke capaciteiten ze verworven hebben en waar ze nog kansen hebben.”

Doen jullie speciale inspanningen naar die mensen die voor het eerst werkloos worden?

“Ja, we zitten nu in Vlaanderen met een actief herstructureringsbeleid, een EHBO-aanpak. We verlenen immers via onze sociale interventieteams de eerste hulp bij ontslagen en begeleiden de mensen eigenlijk al voordat ze werkloos worden. Op het moment dat er een aankondiging van herstructurering is en een sociaal plan is uitgetekend, treden we al op in samenwerking met de private outplacementkantoren om die mensen zo snel mogelijk op te vangen. Want dat is toch een les die we trekken. Hoe sneller je ze opvangt, hoe sneller je ze ook terug aan het werk krijgt. Vandaar dat we onze begeleidingsaanpak vervroegd hebben en eigenlijk al werknemers die in een herstructureringsfase zitten aan het begeleiden zijn.”

Komt het activeringsbeleid van de afgelopen jaren door die stijgende werkloosheid nu pas op de tweede plaats?

“Je kunt je inderdaad afvragen wat het nut is om bij een verminderd werkaanbod zoveel energie in het activeringsbeleid te steken maar persoonlijk denk ik dat we het moeten versterken en voortzetten. Een activeringsbeleid is immers het meest optimale instrument om mensen aan het werk te helpen. We weten dat het arbeidsaanbod in Vlaanderen, met de demografische evoluties, op lange termijn sterk gaat afnemen en dat er binnen 10 jaar maar 8 instromers voor 10 uitstromers zullen zijn. We zitten dus met een gigantisch probleem op langere termijn. We kunnen het ons dan ook niet veroorloven om mensen langdurig werkloos te laten worden, competenties te laten ondersneeuwen, bij wijze van spreken te laten verrotten en dan - als we ze nodig hebben - terug uit de kast halen, waardoor we dan veel méér moeten investeren om ze terug aan het werk te krijgen. Met een erg onzeker resultaat. Vandaar dat we zeggen: je moet de mensen warm houden qua competenties, laat ze een opleiding en voor sommige allochtonen een bijkomende taalcursus volgen, zodanig dat ze sterker staan. Als de economie dan herleeft, gaan ze niet alleen sneller, maar waarschijnlijk ook veel duurzamer aan het werk kunnen gaan. Terwijl ze nu dikwijls enkel via uitzendarbeid aan de slag kunnen. We mogen dus zeker niet de fout maken, zoals we vroeger deden, te gaan snoeien in opleidingsbudgetten en begeleidingsmaatregelen. Het is mijn overtuiging dat we het activeringsbeleid juist nu moeten verstevigen.”

Antwerps OCMW-voorzitter Monica De Coninck stelde onlangs dat bepaalde mensen niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt. Wat doe je met die groep langdurig werklozen?

“Ik ben het voor een groot stuk eens met de analyse van Monica De Coninck. Ik heb eerder ook al eens gezegd dat 20% van de langdurig werklozen niet meer kunnen worden toegeleid naar het normaal economisch circuit. Vooral naargelang de leeftijd toeneemt, dus voor de categorie van de 40-50 jarigen, zien we mensen met zware medische beperkingen, sociaal-psychische en verslavingsproblemen die in ieder geval niet direct integreerbaar zijn in het reguliere circuit. Die groep wordt ook door de VDAB geactiveerd, maar deze personen hebben ook het recht te weten wat het doel is van die activering. En dat doel moet dan meervoudig zijn: is het niet voor het normale circuit, dat zit er in ieder geval een groep tussen die in de wereld van de sociale economie arbeid op maat moeten kunnen krijgen. Dat kunnen beschermde en sociale werkplaatsen, invoegbedrijven, arbeidszorg, allerlei soorten creatieve formules zijn. Zo zijn ze actief bezig met een maatschappelijke beloning daar tegenover. En dan merken we toch ook wel dat in die groep van 20% mensen zitten die helemaal niet meer toeleidbaar zijn. Ik houd eigenlijk niet van dat begrip maar het gaat wel om een groep die met een dermate verre afstand zit tot de arbeidsmarkt dat we ze niet in de reguliere economie maar ook niet in de sociale economie binnenkrijgen. We hebben aan de RVA gezegd dat het geen zin heeft die mensen alsmaar te blijven activeren; wij willen dat die een beschermend statuut krijgen in het kader van de sociale zekerheid. Moet dat de werkloosheidsverzekering zijn of moet dat een deeltak of een aparte tak zijn - dat is aan de federale overheid om zich daarover uit te spreken. Maar we willen niet dat die mensen in die activeringsmolen blijven zitten als dat niks oplevert. Dat is een politiek ‘heikel’ probleem dat dringend moet worden opgelost.”

Je zegt: dat is de federale overheid die daarover moet beslissen. Er gingen de voorbije 2 jaar stemmen op om de arbeidsmarkt te regionaliseren. Ben je daar zelf een voorstander van?

“Alles op het vlak van sociale zekerheid wordt m.i. altijd best op het hoogst mogelijk niveau georganiseerd. Dus bij ons federaal, zelfs - als het kan - Europees. Zeker omdat we een goed systeem hebben qua sociale zekerheid. De mensen die ‘niet-toeleidbaar’ zijn, moeten ook een duidelijk federaal statuut binnen ons systeem van sociale bescherming krijgen. De collega’s van Brussel en Wallonië maken voor deze doelgroep dezelfde analyse - dat is dus een teken dat het overal voorkomt. De federale overheid moet zich daar over uitspreken. Dat neemt niet weg dat ik vind dat onze bevoegdheidsverdeling helemaal niet homogeen georganiseerd is. En dat stoort mij omwille van het feit dat de regionale overheden hun kernbevoegdheden - de Vlaamse overheid heeft een kernbevoegdheid van begeleiding en opleiding - niet ten volle kunnen uitoefenen. En dan werkt het activeringsbeleid nooit echt optimaal of betaalt de burger te veel voor zaken waar hij eigenlijk niet voor moet betalen. Zoals de facilitatoren van de RVA, die het zoekgedrag van werklozen controleren. Die doen eigenlijk dubbel werk met de bemiddelaars van de VDAB. Want wij activeren de werklozen, geven ze vacatures en opleiding, beïnvloeden hun zoekgedrag. En we doen dat, met alle respect, beter dan die facilitatoren van de RVA. Niet omdat die minder gevormd of gemotiveerd zijn, maar wel omdat ze omwille van hun institutionele inbedding in de RVA verder staan van de realiteiten van de arbeidsmarkt dan wij. Ze kennen de vacaturemarkt onvoldoende, kennen de stromen op de arbeidsmarkt minder dan onze consulenten. Je zit dus met twee soorten bemiddelaars. Dat vind ik verspild belastingsgeld en een weinig efficiënte staatsinrichting.”

Zie je nog iets dat prioritair geregionaliseerd moet worden?

“De plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA’s) zijn ook zo iets. Dat is een beschermd circuit voor bepaalde doelgroepen. Dat is nu geëvolueerd naar een beschermd circuit voor ouderen. Maar je kunt niet aan de ene kant zeggen dat je ouderen moet gaan activeren in het normaal economisch circuit, en dan tegelijkertijd daar een circuit naast plaatsen. Dat is ook een beetje de discussie met andere doelgroepen. Met leefloners bijvoorbeeld. Als wij in Vlaanderen iedereen nodig hebben om aan het werk te gaan - en dat debat zal na de crisis weer volop leven - dan vind ik dat iedereen datzelfde circuit moet volgen. Dan moet je geen parallelle circuits creëren. Dat is een discussie die ik bijvoorbeeld heb met de OCMW’s. Zij bemiddelen natuurlijk de leefloners, krachtens de leefloonwet. Maar die OCMW’s kennen de globale werking van de arbeidsmarkt niet. Dat is geen verwijt, louter een vaststelling. De leefloners doorlopen dan ook vaak langere circuits van integratie dan andere werkzoekenden met vergelijkbare kenmerken. Mijn visie is dat best alle werkzoekenden eerst door één en dezelfde ‘screeningssluis’, doorgangspoort passeren en dat men vanuit die poort het kortst mogelijke traject dat naar duurzaam werk leidt, organiseert. Ik vind dat we daar met open visies over moeten discussiëren, want dat gaat echt over een goede organisatie van het bestuurlijk apparaat. En als iedereen daar op zijn territorium blijft zitten, dan gaat de burger altijd te veel blijven betalen voor deze publieke diensten en verloopt de instroom in de arbeidsmarkt - zeker met de toekomstige structurele schaarste - nooit transparant en coherent.”

De inspanningen van de VDAB inzake interregionale mobiliteit beginnen stilaan hun vruchten af te werpen. Dat moet jullie plezieren?

“Ik vind die interregionale mobiliteit een heel boeiend iets. Het doet je nadenken over de manier waarop je jouw systeem hebt uitgebouwd door de regionalisering. De drie Gewesten hebben zich in eerste instantie op zichzelf teruggeplooid met hun eigen vacatures voor hun eigen werklozen. Terwijl de arbeidsmarkt globaliseert. De werkgever plaatst een vacature op het internet en internet kent geen grenzen. Dit staat natuurlijk wat haaks op de institutionele grenzen. Zo mag de VDAB in se geen vacatures van Brusselse werkgevers behandelen terwijl deze werkgevers nochtans volop vacatures op onze website plaatsen. Gelukkig is daarom het inzicht gegroeid zowel bij de publieke bemiddelingsdiensten als de diverse deelregeringen dat men door goede samenwerking van onderuit gemeenschappelijke problemen die voorkomen op de Belgische arbeidsmarkt, kan oplossen met een gemeenschappelijke en economische winst voor elk Gewest. De voorbije periode zaten we in Vlaanderen immers in een economische hoogconjunctuur met structurele tekorten, met soms een werkloosheid van minder dan 4%. Dan is het toch absurd dat wij vanuit Vlaanderen pleiten voor open grenzen binnen Europa, maar dat we de grenzen voor Brussel en Wallonië niet openstellen? Bij de Brusselse en Waalse collega’s was daar consensus over om hun vele werklozen toe te leiden naar Vlaanderen. Zo is die samenwerking begonnen. Die is dan ook politiek vertaald geweest met een samenwerkingsovereenkomst. En nu hebben we daar de bilan van opgemaakt: globaal genomen zijn er zo’n 5 à 6000 Brusselaars en Walen in Vlaanderen aan het werk gegaan. Is dat veel? Kwantitatief niet, als je ziet dat er vandaag op onze website circa 62.000 vacatures worden bekend gemaakt. Maar anderzijds, vroeger was er geen vorm van samenwerking op vlak van interregionale mobiliteit. We zijn nu echt gemengde teams aan het vormen, waar we geen onderscheid maken tussen Vlaamse en Waalse consulenten. Door te werken met gemengde teams kunnen onze organisaties nog beter samenwerken en hopelijk sterke resultaten afleveren."

Wat ervaren jullie als het grootste knelpunt?

"Het taalprobleem is gigantisch groot. Er moet echt geïnvesteerd worden in de kennis van de tweede taal vanuit Wallonië. En dan is er de schrik om in Vlaanderen te werken. Zo heet de sensibiliseringsmodule voor Waalse werkzoekenden ‘N’ayez pas peur’. Het feit dat de Forem via die slogan de Waalse werkzoekenden moet sensibiliseren om in Vlaanderen te werken, zegt toch wel iets over het imago dat Vlaanderen heeft. Er is een tastbare culturele kloof. Ik denk dat we door op onszelf terug te plooien te veel muurtjes rondom onze grenzen hebben gezet. Dat zijn, denk ik, drie zaken waar we echt nog vooruitgang kunnen boeken: ons imago van een open Vlaanderen versterken, meer investeren in taalopleidingen en een aantal kwalitatieve maatregelen nemen om de samenwerking tussen die publieke actoren te versterken.”

Naast interregionale mobiliteit is er de mobiliteit binnen en buiten de EU. Denk je echt dat we, door de krapte op de arbeidsmarkt, als het ware arbeidskrachten gaan moeten importeren voor bepaalde knelpuntberoepen?

“Ik geloof dat we geen andere keuze hebben op grond van de prognoses die voor mij duidelijk zijn. Migratie is een aanvullende component omdat we hier handen en hoofden tekort komen. Men staart zich in Vlaanderen nogal blind op de ervaring met de Poolse bouwvakarbeiders en schoonmaaksters, maar dat is vooral laaggeschoolde arbeid. Alle hooggeschoolde Polen zijn doorgestoken naar Groot-Brittannië of Ierland. Alleen in Nederland en België zijn de laaggeschoolden gekomen. Dat zegt veel over de wijze waarop migrerende werknemers naar ons en onze economie kijken. De hoger geschoolde migranten zoeken contexten op waar ze de meeste doorgroeimogelijkheden hebben. Die gaan dan niet naar een klein taalgebied of naar een land dat zeer hoog staat op de ranking van migrantonvriendelijkheid van de Internationale Arbeidsorganisatie. Als we in onze diensteneconomie, gesteund op innovatie, echt mensen nodig hebben, moeten we ons richten tot die hooggeschoolde segmenten. Maar die war on talent gaat internationaal met zo’n zwaar geschut gevoerd worden dat we ons moeten bewust zijn dat dat nooit alleen het antwoord kan zijn. Mijn antwoord is dus altijd: én, én. Ik zet me af tegen diegenen die zomaar zeggen ‘deuren open en het probleem is opgelost’. Die vergissen zich. Je moet kijken naar de realiteit van de migratiestromen en naar waar je naartoe wil met je economie. De binnenlandse arbeidsmarkt kan je zeker nog optimaliseren door met name kansengroepen te integreren en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt performanter te maken, maar puur kwantitatief gaat dat omwille van de demografie geen sluitend antwoord zijn. De Walen en de Brusselaars gaan in Vlaanderen ook nog een deel van de vacatures innemen, maar ook dat gaat de structurele tekorten niet volledig wegwerken. Bovendien gaan Wallonië en Brussel hun eigen economie ook willen stimuleren. En dan zit je met de Europese context, waar ik eigenlijk weinig beweging zie, omdat we in West-Europa allemaal in hetzelfde vergrijzingsbootje zitten maar ook omdat die vergrijzing zich in Oost-Europa nog veel scherper voordoet dan in West-Europa. Daar hebben we de laatste jaren wat geluk gehad, maar in de toekomst gaan we daar helemaal geen profijt meer halen. We moeten het bij migratie hebben van buiten Europa.”

En dat betekent dat we actief talent gaan moeten zoeken in ontwikkelings- of Aziatische landen om die naar hier te laten komen?

“Ja, ik geloof dat we dat zeker moeten doen. En mijn vraag is dan vooral: hoe kan je er een win-winsituatie van maken? Zowel voor de eigen economie als voor de economie van het land van herkomst. Er zijn nu wat experimenten bezig in andere landen waar men twee jaar gaat werken en na twee jaar - met eventueel een rusttijd - teruggaat naar het land van herkomst. Met méér competenties, ervaring, netwerken, kapitaal… We moeten op zoek naar dat soort van creatieve formules.”

Is dat een taak van de overheid of van instanties zoals de VDAB? Of zijn het de bedrijven die gestimuleerd of ondersteund moeten worden?

“De overheid gaat altijd een intermediaire rol moeten vervullen omdat er het probleem is van het respecteren van de arbeidsomstandigheden. Je mag geen sociale dumping organiseren, dus je hebt altijd een wettelijk kader nodig waarbinnen die migratie zich afspeelt. Als je win-winsituaties wil opbouwen, moeten er samenwerkingsverbanden zijn met het land van herkomst, dus bilaterale akkoorden. Binnen dat wettelijk kader moet men dan bedrijven aanmoedigen om die piste te bewandelen, maar ook altijd vanuit het feit dat ze in de eigen arbeidsreserve verder moeten blijven investeren.”

Zijn er bepaalde landen waar je aan denkt die in aanmerking zouden kunnen komen?

“Je hebt natuurlijk de IT-sector waar er grote tekorten zijn, en waar in India bijvoorbeeld een heel grote markt is. Maar ook daar, in India en ook China, staat men binnen 20-25 jaar voor een zeer zware vergrijzingsgolf die mondiale repercussies zal hebben.”

Jij spreekt in Vlaanderen van een ware knelpunteconomie. Wat betekent dat?

“Een tiental jaren terug waren er nauwelijks een honderdtal knelpuntberoepen; nu zijn er meer dan 200. Als je dit combineert met de demografische ontwikkelingen en de structurele mismatch tussen vraag en aanbod, dan kun je niet langer zeggen dat we met knelpuntberoepen zitten, maar eerder met een knelpunteconomie. Het wordt tijd dat we allemaal met dat inzicht gaan leven en dat we ons beleid daaraan gaan aanpassen. Dat betekent dat we vanuit het onderwijs daarover moeten beginnen nadenken, vanuit bedrijven moeten investeren in levenslange vorming - en niet minder investeren in vorming zoals nu te veel het geval is - en vanuit de overheid andere loopbaantrajecten moeten gaan opbouwen. Dat is het inzicht dat ik wil bijbrengen. Het is geen tijdelijk of functiegebonden probleem. In de toekomst geldt het over de ganse lijn: onze economie zit met tekorten. Zowel de overheid als de bedrijven moeten zich daarvan bewust zijn en moeten hun strategie aanpassen.”

Maar zijn mensen in staat genoeg competenties te verwerven die men op de huidige arbeidsmarkt nodig heeft?

“De economie is vrij grillig, maar globaal gezien vraagt men meer en meer competenties van mensen. Gelukkig gaan mensen zich alsmaar hoger vormen, maar dat proces verloopt langzamer dan het proces wat de arbeidsmarkt vraagt. Dat is eigenlijk de spanning. Maar je moet je wel wapenen om daar zomaar zwart-wit tegenaan te kijken. Want het is niet omdat de economie hogere competenties vraagt, dat je dat niet met lager geschoolden kunt bereiken. Daar laten we veel kansen liggen. Anderzijds zie je ook dat we kansen laten liggen doordat het scholingsniveau van de jongeren niet voldoende evolueert in functie van die hogere vraag van de economie. Het Pact van Vilvoorde dat een aantal jaren geleden werd afgesloten, had de doelstelling de ongekwalificeerde uitstroom tegen 2010 te halveren, van 12 naar 6%. Maar nu zitten we volgens een studie van het Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen op 15% ongekwalificeerde uitstroom. In het rijke Vlaanderen, met zo’n goede onderwijsreputatie, komt vandaag 1 op 5 jongens uit het secundair onderwijs met niks in de handen! Dat is iets om ons gigantisch ongerust over te maken, want dat is een enorm verlies aan toekomstig potentieel.”

Wat is daar volgens u de oorzaak van?

“Het is aan de onderzoekers en beleidsmakers om daar de redenen van te achterhalen en te erkennen. Zo toont een recente studie van de VUB over allochtone jongeren aan dat die een veel moeilijker onderwijstraject hebben en proportioneel meer ondergekwalificeerd uit het onderwijs komen. Naargelang die groep meer in de populatie aanwezig zal zijn, zal dat natuurlijk een toenemende rol spelen. Heeft dit te maken met een onderschatte culturele en/of sociaaleconomische kloof tussen leerlingen en hun gezinnen aan de ene kant en de onderwijsmakers en -verstrekkers aan de andere kant? Heeft dat te maken met de manier waarop je kennis overbrengt? Is dat nog veel te traditioneel en te weinig aangepast aan de leervraag van de nieuwe mensen die in het onderwijs komen? Waarderen we te weinig het technisch of beroepsgericht onderwijs? Dit zijn m.i. pertinente vragen waarover we ons heel ongerust moeten maken. Want volgens mij zijn het dikwijls jongeren met potentiële competenties. Alleen weet ons educatief en maatschappelijk systeem blijkbaar niet hoe ze die jongeren moet aanpakken.”

Uw mantra luidt: mensen kansen geven op basis van hun competenties in plaats van diploma’s. Wat zijn de consequenties daarvan naar beleid toe?

“Voor alle duidelijkheid, het is niet zo dat ik zeg dat jongeren niet meer moeten studeren. Een diploma is nog altijd beter dan geen diploma. Hoe hoger het diploma, hoe meer kansen op de arbeidsmarkt. Dit mantra is niet zozeer gericht op diegenen die nieuw op de arbeidsmarkt komen, maar wel op diegenen die op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, die al lang van school zijn, nooit de kans hebben gehad om langer te studeren en die nochtans dikwijls heel wat competenties op een andere manier hebben opgedaan. Een voorbeeld: voor een reeks recente herstructureringen moesten we werkzoekende 50plussers begeleiden en hadden we een manager nodig om die nieuwe actie te runnen. We vonden daarvoor een schitterende gast, personeelsdirecteur geweest bij een verzekeringsmaatschappij, maar de VDAB kon die man niet fatsoenlijk betalen omdat die maar tot zijn 14de naar school was geweest, maar wel carrière binnen een bedrijf had gemaakt. Als overheid zijn we de slechtste werkgever, want we betalen diplomagebonden. We moesten die man betalen als laaggeschoolde, terwijl hij hoogervaren was. Zo zijn er heel wat competente mensen die we mislopen doordat we enkel naar hun klassiek CV kijken. Ook met de vrijetijds- of huishoudelijke context, waar ook competenties worden opgedaan, houden we nauwelijks rekening, terwijl die voor de arbeidsmarkt dikwijls heel bruikbaar zijn.”

Springt de privé, zeker in tijden van krapte, daar niet iets flexibeler mee om dan de overheid die meer aan zijn regels en structuren vasthoudt waarin diploma’s doorslaggevend zijn?

“Bij de overheid werkt het wettelijk kader remmend, maar bij de privé geldt hetzelfde voor het sociologisch kader. Luc Sels, professor aan de KU Leuven, heeft een analyse gemaakt van de wervings- en selectieprocessen. Hij stelde vast dat de match tussen werkgever en werknemer vaak niet klopt: aan de kant van de selectiebedrijven zitten jonge blanke dertigers, die allemaal hooggeschoold zijn en aan de andere kant van de selectietafel zitten allochtonen, kortgeschoolden, mensen met een gekwetste levensbiografie en 50plussers. Dat fit heel moeilijk. Nochtans hebben die privébedrijven geen wettelijk kader dat hen remt. Veel heeft te maken met het feit dat de enen niet zien hoe de competenties van de anderen eruit zien. Als de generatie van mijn vader op de arbeidsmarkt komt, zou men zeggen: dat is een vastgeroeste arbeider. Hij heeft maar bij 1 fabriek gewerkt en is dus niet flexibel. Maar als je dan kijkt hoe die heeft gewerkt, zie je dat zijn jobinhoud 5 à 6 keer veranderd is, dat hij wel heel flexibel is geweest en bij een veranderde jobinhoud altijd opleidingen heeft gevolgd. Die heeft dus wel competenties opgedaan, maar die staan natuurlijk niet in een CV. Men kijkt te weinig naar die onderliggende kennis en vaardigheden.”

Hoe zou je een meer competentiegerichte rekrutering kunnen stimuleren?

“Omwille van de structurele tekorten moeten wij als overheid het voortouw nemen om die competenties zichtbaar te maken en die stereotypen te doorbreken. Niet door gewoon een discours daarover te ontwikkelen, maar door pragmatisch die competenties naar voren te trekken, zichtbaar te maken en te valideren. Herkennen en erkennen.”

Dat betekent dus dat je het kader voor de overheid moet aanpassen...

“Inderdaad. En daar moet de VDAB in haar begeleiding ook naar streven. Iemand die in de gevangenis heeft gezeten, en binnen een project terug begeleid wordt naar de arbeidsmarkt, zwijgt begrijpelijkerwijze over die 3 of 4 jaar in de cel. Maar in die 3-4 jaar zijn er gedetineerden die universitaire studies hebben gedaan, of hebben leren metsen of koken. Dus waarom zouden die moeten zwijgen? Je moet die competenties daar uit halen. Huismoeders hebben competenties die heel gegeerd zijn op de arbeidsmarkt: empathisch vermogen, luisterbereidheid, flexibiliteit, aanpassingsvermogen, risicovermijdend gedrag, enzovoort. Dat zijn bijvoorbeeld ook competenties die van een goede directiesecretaresse worden verwacht. Alleen zien we deze competenties niet wanneer zo’n herintreedster zich terug op de arbeidsmarkt aanbiedt. Haar periode als huismoeder wordt op haar CV vermeld als een ‘dode’ periode, terwijl ze dus juist heel wat nuttige competenties verworven heeft. Als we dus haar reële competenties gaan betrekken op de arbeidsmarkt, creëer je een win-winsituatie.”

Ondertussen is er een nieuwe Vlaamse regering samengesteld met nieuwe ministers op cruciale posten. Wat moeten de politieke prioriteiten voor de eerste komende maanden zijn van de nieuwe minister van Werk in de Vlaamse Regering, Philippe Muyters (N-VA)?

“Het antwoord ligt in het Regeerakkoord waarin de brug wordt geslagen tussen de prioriteiten op korte termijn, namelijk de crisis bestrijden, en die op langere termijn, namelijk de arbeidsmarkt wapenen tegen de toekomstige uitdagingen die verbonden zijn met de ontgroening en vergrijzing. Eén van die bruggen is de noodzaak om onze ‘sluitende begeleidingsaanpak van werklozen’, die we onder de vorige minister van Werk hebben kunnen uitbouwen, nu te kunnen ombouwen tot een ‘sluitend maatpak’. Door meer selectiviteit te brengen in onze dagdagelijkse begeleiding van werkzoekenden moeten we als VDAB garanderen dat de middelen zo efficiënt en effectief mogelijk worden ingezet. Werkzoekenden die zelfredzaam zijn of een gegeerd profiel op de arbeidsmarkt hebben, moeten we voornamelijk via elektronische kanalen ondersteunen. Dat maakt meer energie vrij voor werkzoekenden die behoefte hebben aan een intensieve menselijke begeleiding. Nog meer dan vroeger moeten we hierbij oog hebben voor werkzoekenden-in-armoede, alleenstaanden en mensen met sociaal-psychische problemen. De regering én de nieuwe voogdijminister hebben daarbij de intentie uitgedrukt om hierover zo snel mogelijk een werkgelegenheidsakkoord met de Vlaamse sociale partners af te sluiten. Dat zal een draagvlak van de gekozen opties enkel maar versterken. Het is daarbij een voordeel dat zowel de minister-president als de minister van Werk jarenlang actief hebben meegedraaid in het sociaal overleg én dus ook erg bekend zijn met de evoluties die het arbeidsmarktbeleid in Vlaanderen heeft doorgemaakt.”

foto’s: Bart De Waele

Samenleving en politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 7 (september), pagina 14 tot 24