Log in

'Sociaaldemocratie is volksverheffing'

Interview met Ahmed Marcouch (Tweede Kamerlid PvdA)

Sociaaldemocratie is volksverheffing, maar dat lijken we de laatste jaren vergeten te zijn, aldus PvdA’er Ahmed Marcouch. De kritiek op zijn eigen beweging is snoeihard: we zijn doorgeslagen in het sociale vangnet; de verzorgingsstaat is verloederd. Hij is tevens duidelijk voor zijn medemoslims. Ze moeten onderling uitmaken wat ‘de’ islam voor hen nu eigenlijk betekent en moeten bij een keuze tussen een baan en een baard altijd voor dat eerste kiezen. Anders mogen ze ook geen beroep doen op onze sociale voorzieningen.

Ahmed Marcouch (1969) heeft recent een nieuw boek uit. Mijn Hollandse droom is een vlot geschreven autobiografisch werk, met als rode draad zijn motto ‘Wees architect van je eigen leven’. In het spanningsveld ‘voorbestemming of verdienste’ verzoenen vele moslims zich met het eerste, maar niet zo Marcouch. Hij nam zijn lot in eigen handen en doorliep - ondanks dat alle ‘parameters’ tegenzaten - een opmerkelijk parcours: afkomstig uit het weinig geletterde Rif-gebied in Marokko kwam hij op 10-jarige leeftijd quasi ongeschoold in Nederland toe. Hij legde zich toe op zijn studies, kende even een meer radicale periode waar religie zijn identiteit bepaalde, werkte bij de politie, was leraar maatschappijleer en ging vervolgens in de politiek om stadsdeelvoorzitter van de Amsterdamse deelgemeente Slotervaart te worden. Dat mandaat liep af en sinds juni 2010 is hij Tweede Kamerlid voor de PvdA. Eigenlijk zouden we hem moeten klonen omwille van zijn enthousiasme en drift om mensen in deze samenleving aan te zetten het goede te doen en het kwade te laten, zo maak ik me de bedenking tijdens het interview met Samenleving en politiek. Tijdens zijn periode in Slotervaart voerde hij een lik-op-stukbeleid in een gemeente met veel overlast en verkleuring. “Toen ik er stadsdeelvoorzitter werd, werd ik geconfronteerd met een aantal complexe maatschappelijke thema’s die al veel te lang aansleepten. Waarom duurt het toch zo lang, vroeg ik me af. Als we criminelen hebben, moeten we ze oppakken. Als het onderwijs niet goed genoeg is, moeten we dat verbeteren. Als er huizen gesloopt of gebouwd moeten worden, doen we dat.” Zijn no-nonsense beleid wierp zijn vruchten af. Toch kwam Marcouch vooral in het nieuws met voorstellen als het inzetten van lokjoden of lokhomo’s op straat om antisemieten of Marokkaanse homohaters te klissen, of het idee om gekende probleemjongeren tussen oud en nieuw preventief op te pakken. Maar Ahmed Marcouch is zoveel meer dan een inventieve boevenpakker. Hij heeft duidelijke meningen als het gaat over samenleven in diversiteit en het integratiebeleid van zijn partij, de PvdA. “Integratie lukt alleen als mensen ook de verantwoordelijkheid voelen het maximale uit zichzelf te halen. Je kunt van mij als politicus verwachten dat ik een routemap uitteken en voorzieningen voorzie, maar uiteindelijk moet jij als individu de plicht voelen om in het leven vooruit te geraken.”

Dat maakt u voor velen toch wat een atypische sociaaldemocraat. Sociaaldemocraten willen immers niet enkel de route uitstippelen, maar ook nog eens iedereen begeleiden en tot aan de eindmeet brengen.

“Ik vind het juist heel sociaaldemocratisch om te zeggen dat wij de voorzieningen voor iedereen toegankelijk maken, maar dat we tegelijk eisen dat je het maximale uit jezelf haalt. Die plicht is ook een vorm van solidariteit. Sociaaldemocratie is verheffing, dat unieke principe wil ik hoog houden. En de beste verheffing is een individu in staat stellen om zijn talenten maximaal te ontwikkelen, om zijn trots te behouden door te werken, door deel te nemen aan het onderwijs.”

Hoe komt het dat we die verheffingsgedachte wat zijn kwijtgespeeld?

“Sociaaldemocraten zijn in hun denken blijven vasthangen aan een ouderwetse onderklassegedachte. Maar die arbeider behoort inmiddels tot de middenklasse. Onze leiders zijn niet mee ontwikkeld. Vroeger hielden we de arbeider aan het handje omdat de voorzieningen nog niet goed waren. Nu zijn die echter toegankelijk. Het is tijd dat de arbeider iets terug doet, door dat verheffingsideaal te ondersteunen, door solidair te zijn. Maar tegelijkertijd moeten sociaaldemocraten een stap verder gaan en durven zeggen dat jij als individu niet alleen rechten maar ook plichten hebt. De plicht om ervoor te zorgen dat datgene wat wij als sociaaldemocraten hebben gerealiseerd voor iedereen toegankelijk blijft en verder ontwikkelt. Die solidariteit wil ik terug. Die arbeidersstrijd van toen is dus niet meer. Er is een nieuwe onderklasse ontstaan.”

Een nieuwe onderklasse waar de sociaaldemocratische elite misschien weinig voeling mee heeft.

“Die nieuwe onderklasse zijn de achtergebleven autochtone gemeenschappen in de achterstandswijken en de migrantengroepen. Die hebben wij als sociaaldemocraten jaren niet juist gezien. Integendeel, we hebben een soort welzijnsindustrie opgezet die een beetje te vergelijken is met wat de kerk vroeger deed en waar we een hekel aan hadden. We hebben een verzorgingsstaat opgebouwd die neutraal is - zodat mensen niet meer afhankelijk zijn van een kom soep van de kerk - en die iedereen waardig moet voorzien, maar die een industrie is geworden waarin het belang van de industrie prevaleert boven het belang van het individu.”

U noemt het in uw boek Frankenstein.

“Inderdaad. Dat apparaat is een vorm van hospitalisering en past niet in ons verheffingsideaal dat zegt dat wij er inderdaad voor moeten zorgen dat het onderwijs goed en het werk eerlijk is, maar dat ook zegt dat jij je best moet doen om te slagen.”

Dat durven we als sociaaldemocraten veel te weinig zeggen, dat je jezelf moet inzetten, dat je je kinderen naar school moet sturen, dat je op tijd op het werk moet zijn, terwijl we dat honderd jaar geleden tegen de arbeiders wel zeiden.

“Als ik die oude beelden zie van de voormannen en de massa erachter, zie ik een missie, een strijd ‘voorwaarts’, niet alleen tegen een externe vijand, maar ook tegen een innerlijke vijand als luiheid of die hospitalisering. Als mensen calculerend worden als het gaat om sociale voorzieningen, als ze liever 1000 euro krijgen van de sociale dienst dan door te werken, moeten wij als sociaaldemocraten zeggen dat het geen eer is om onze hand op te houden. We zijn arbeiders. Voor die 1000 euro gaan we werken.”

U zegt in uw boek dat het sociale vangnet is doorgeslagen.

“Begrijp me niet verkeerd, de verzorgingsstaat is een belangrijke verworvenheid. Maar als we zeggen dat arbeid lonend moet zijn, mis ik de ethische kant, het verheffingselement van arbeid. Een sociale uitkering, hoe hoog of laag ook, is nooit een alternatief voor werk. Het is een noodverband voor diegenen die niet kunnen werken. Sociaaldemocraten hebben verwaarloosd een pleidooi te houden voor die arbeider, die straatveger, die schoonmaker; hardwerkende mensen die waardig werk doen en daar goed voor moeten worden betaald.”

Je kan wel zeggen dat werken waardig is, maar moeten we er niet eerder voor zorgen dat het loon substantieel hoger is dan de sociale uitkering?

“Uiteraard, maar arbeidsethos is voor onze beweging essentieel. Ik gruwel van het beroepsonderwijs in Nederland dat een programma aanbiedt van 2,5 dag school en 2 dagen zelfstudie. We weten dat 15-jarigen dat meestal niet kunnen en dus tijdens die dagen zelfstudie vooral niets doen. Zo creëer je een ethiek waar die arbeidsethos niet in zit. Sociaaldemocraten moeten zeggen dat arbeidsethos en solidariteit centraal staan en dat je eigenwaarde te maken heeft met de mate waarop je niet afhankelijk bent van een sociale voorziening. Die vrijheidsnotie hebben de liberalen van ons gekaapt. Het is een ander soort verantwoordelijkheid dan iemand simpelweg overlaten aan de markt.”

Over onderwijs heeft u heel uitgesproken meningen. U hield een pleidooi voor het invoeren van godsdienstonderwijs binnen het Nederlands onderwijs. Hoe is die discussie afgelopen?

“Het is nog niet afgelopen. Het is een heel gevoelig onderwerp waar we snel moe van worden. Als je integratiepolitiek bedrijft heb je de kortetermijnpolitiek die te maken heeft met de werkelijkheid van nu - wat is ons antwoord op de boerka, op de hoofddoek, op radicale groepen -, maar tegelijkertijd moet je ook een langetermijnpolitiek ontwikkelen. En die begint bij de opvoeding. Ook dat is het verheffingsideaal: we gaan niet op de tiende verdieping in een toren zitten en naar de mensen beneden roepen dat ze hierboven moet zijn. Zo werkt het niet. Wij verheffen door te dalen naar de mensen en naar de context te kijken. Bij migranten gaat het erom wat de basissituatie is. Dat is sociaaleconomisch, maar soms ook cultureel of religieus, vandaar mijn pleidooi voor godsdienstonderricht.”

Op dit moment bestaat er in het Nederlandse onderwijssysteem geen enkel officieel onderwijs dat islamonderricht mee opneemt in het curriculum?

“In Nederland heb je het bijzondere en het openbare onderwijs, en daar is geen islamonderricht. Maar moslims hebben het artikel 23 van de Nederlandse Grondwet ontdekt dat de ruimte geeft om een school te stichten, en daar zien we een radicalisering. Hoe komt het dat een kind, dat hier geboren en getogen is, Iraanse en geen Nederlandse ideeën heeft? Volgens mij heeft het te maken met het probleem van zelfverloochening. Namelijk dat we een van de belangrijkste identiteiten van moslimjongeren, hun religie, niet willen herkennen. Die onverschilligheid heeft tot gevolg dat we als sociaaldemocraten geen goed antwoord hebben op populisten die zeggen dat het niet enkel een Marokkaan is maar ook een gevaarlijke moslim. Sociaaldemocraten hebben steeds proberen zeggen dat de moslim niet gevaarlijk is, maar onze kiezers zagen de moord op Van Gogh door Mohammed B., zien Sharia4Belgium. Het antwoord dat wij daarop moeten vinden, is er een van emancipatie en verheffing. Wij moeten zeggen dat jij er als moslim gerust mag zijn, dat dit jouw land is. Als je iemand op die manier vormt, als die op school zichzelf mag zijn, als we het godsdienstonderwijs in het openbaar onderwijs invoeren, kan zo’n kind zich op een positieve manier ontwikkelen.”

In Vlaanderen kan je in het Gemeenschapsonderwijs wel islamitische godsdienst krijgen, maar zitten we recent met een ander prangend probleem: het verbod op levensbeschouwelijke symbolen of uitingen, en dus ook een verbod op het dragen van de hoofddoek binnen dit onderwijsnet. Binnenkort volgt daarover de uitspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State. Stel dat de bal aansluitend in het kamp van het Vlaams parlement komt te liggen en dat dit parlement moet beslissen of kinderen een hoofddoek of andere levensbeschouwelijke symbolen mogen dragen in het onderwijs. Wat denkt u daarover?

“Mijn langetermijnvisie is dat je die hoofddoek moet toelaten. Dat past het best bij onze westerse beschaving als het gaat om individuele vrijheden. Het probleem is dat we de positieve, verheffende rol van de islamitische gemeenschap missen in deze discussie. De islamitische gemeenschap moet hier zelf publiekelijk een discussie over voeren. Wat is de norm, en wie bepaalt die? Het zou helpen als de islamitische gemeenschap daar uitsluitsel over geeft. Politici kunnen immers de inhoudelijkheid van die religie niet gaan bepalen. Dan komen we in het vaarwater van scheiding van kerk en staat. We moeten dus heel zorgvuldig met zo’n beslissing omgaan. Zeker als je gelooft in de emancipatie van het individu. Zo’n verbod kan leiden tot bitterheid en emotionele stagnatie in de integratie. Waar ik bang voor ben, is dat deze maatregelen die we op jonge leeftijd opleggen tot een radicaliteit zullen leiden waar we weer een hoop andere problemen mee veroorzaken.”

Maar ik hoor u wel zeggen: niet verbieden, maar het eventueel wel aan bepaalde voorwaarden qua vorm en lengte onderwerpen.

“Absoluut. De Commissie voor Gelijke Behandeling in Nederland stelde recentelijk dat we niet het recht hebben om de hoofddoek te verbieden, maar wel om er eisen aan te stellen. Toch moeten we het dragen van een hoofddoek ter discussie stellen. Dat is nu net een van de taken van het onderwijs: ervoor zorgen dat een individu zelfstandig nadenkt, twijfelt, zelfreflectie ontwikkelt om vervolgens keuzes te maken. Want nu gaat het over de hoofddoek, maar later gaat over de partnerkeuze. Mag ik als moslima met een Nederlander trouwen of niet? Dat zijn allemaal keuzes die wij als overheid niet voor dat individu maken. Ik heb liever dat we persoonlijkheden ontwikkelen die zelf vechten voor hun positie in die samenleving; en geen slachtoffertjes waar de overheid alles voor regelt.”

Maar het is toch eerder uitzondering dan regel dat een Nederlandse vrouw van Marokkaanse afkomst huwt met een Hollandse jongen die eruit ziet als Pieter Van den Hoogenband?

“Dat gebeurt steeds meer. Dat kan niemand tegenhouden, zelfs niet als de imam bij de vader gaat. In veel gevallen gaan vrouwen met succes het gevecht aan met ouders en familie; in sommige gevallen gaat het mis en worden alle banden verbroken. Als vervolgens de relatie stuk gaat, blijft ze alleen achter. Familie stuk, relatie stuk. Dat is een triest verhaal. Maar moslima’s maken dezelfde emancipatierevolutie mee als de babyboomers vroeger.”

Eigenlijk vertelt u een heel optimistisch verhaal. Binnen een paar decennia komt het allemaal wel goed.

“Neen, ik geloof niet dat het vanzelf goed gaat. We hebben wel mensen nodig die aan de kar trekken.”

Een van de zaken die er misschien voor zou kunnen zorgen dat het niet goed komt of dat het nog langer duurt, is de hele problematiek van de huwelijksmigratie.

“Ik weet niet hoe het exact in België zit, maar voor wat Nederland betreft wil ik daar een kanttekening bij maken. Kijk om je heen. De werkelijkheid is dat migrantenkinderen aan het vernederlandsen zijn. Je ziet nu Marokkaanse meisjes in de dertig die nog niet getrouwd zijn. Waarom? Omdat ze de ware nog niet gevonden hebben. Het probleem is alleen dat bepaalde opvattingen, zoals partnerkeuze, nog vastgeroest zijn. Kan ik met een Nederlander trouwen? Kan ik gewoon met iemand samenwonen in plaats van al die rituelen? Dat is niet uitgediscussieerd en daardoor stagneert dat ook. Maar feit is dat men steeds minder een partner uit Marokko of Turkije haalt. Die voldoet namelijk niet aan de eisen die deze jongeren stellen. Ik trouw niet met een boer uit het platteland waarmee ik niet kan praten, die een andere cultuur heeft. Het heeft dus helemaal niets te maken met de restricties die het migratiebeleid stelt, maar met het feit dat die jongeren zelf de huwelijksleeftijd uitstellen en andere eisen stellen aan hun huwelijkspartner dan vroeger. Door de emancipatiegolf zal dat steeds meer afnemen.”

In uw boek lezen we: ‘religie is een privéaangelegenheid waarover je in alle vrijheid mag discussiëren, maar die je niet aan een ander mag opleggen’. Dat is een mooi uitgangspunt, maar in de dagdagelijkse omgang worden we steeds meer geconfronteerd met botsingen in de publieke ruimte. Denk maar aan de problematiek van handen schudden, bidden op de werkvloer, halal voedsel. Hoe gaan we dat ooit kunnen uitkristalliseren? Of zijn dat zaken die van voorbijgaande aard zijn?

“Ik denk dat het in eerste instantie erger wordt. De volgende stappen zullen zich manifesteren als bijvoorbeeld Sharia4Belgium. Dat zijn mondige jongeren die zich op een andere manier manifesteren dan de traditionele. En juist die welbespraakte types jagen angst aan. Het probleem is echter niet zozeer dat die jongens zich zo verbaal agressief manifesteren, wel dat wij daar geen goed antwoord op hebben. We hebben in onvoldoende mate diepgang in onze debatten over de islam. Ons antwoord ligt meestal in de regelgeving. Kunnen we het verbieden? Maar onze beschaving is krachtig geworden door intellectuele confrontatie. Een moslim kan voor zichzelf uitmaken dat hij geen alcohol drinkt, maar mag dat een ander niet opleggen. Dat is een socialisatie die moslims zelf ook moeten doormaken. En daar is confrontatie en overtuiging voor nodig. Het is nodig hen te zeggen dat het ons gewoonterecht is dat wij elkaar een hand geven. Het probleem van deze discussie is dat het een incidentendiscussie is. Het publieke debat over hoeveel ruimte wij in onze samenleving aan de islam willen geven, voeren wij niet. De andere grote afwezige actor zijn de moslims zelf. Want ook daar zijn onderlinge verschillen. We moeten de moslims uitdagen om met mekaar, wat mij betreft publiekelijk, de discussie te voeren wat voor hen islam is.”

Maar die discussie gebeurt toch veel te weinig?

“Die gebeurt niet! Ik was de eerste moslim die op de televisie bij Pauw & Witteman met een imam - een hufter die me kanker verwenste - in confrontatie ging. Achteraf hoorde ik van een collega dat hij het moeilijk vond om me met een medemoslim in discussie te zien gaan. Die emotie is net het probleem. En dat heeft te maken met wij en zij. Dat zit diep. De idee bij de moslims dat alles binnenskamers moet blijven, moeten we doorbreken. Want dat is niet meer van de moslims alleen; het is inmiddels van ons allemaal.”

Het debat over de multiculturele samenleving is altijd een gefragmenteerd debat dat komt en gaat. Hebben we ook niet te maken met het onvermogen van de politiek om knopen door te hakken? De moslimgemeenschap snakt naar een beslissing of ze de hoofddoek moet op- of afzetten.

“Het probleem is dat politici vergeten wat de fundamenten van onze beschaving zijn. Dat zeg ik ook wel eens tegen Wilders: als we trots zijn op onze westerse beschaving, waarom hebben wij er dan geen vertrouwen in? Heb vertrouwen in de kracht van de westerse beschaving, in de moderniteit, dat die niet door moslims overwonnen en teniet gedaan wordt. De realiteit is dat deze moslims niet anders willen dan deze moderniteit omarmen. Als je dat vertrouwen in onze westerse beschaving hebt, kun je een heel andere houding aannemen. Dan zou zo’n school dat hoofddoekenprobleem moeten kunnen regelen - verbieden of toestaan - maar dan met argumenten die valide en niet racistisch van aard zijn. Maar nogmaals, het probleem is dat moslims zelf niet goed weten wat ze met de hoofddoek of de problematiek van het handen schudden aanmoeten. Omdat ze niet onderling met mekaar discussiëren. Het is aan de politiek om de moslimgemeenschap uit te dagen die discussie te voeren.”

En hoe moeten we dat doen? ‘De’ moslimgemeenschap bestaat niet.

“Het is inderdaad geen hechte gemeenschap. En toch zal het moeten gebeuren. Want als moslims onderling die discussies beginnen te voeren, zoals ik deed in Pauw & Witteman, laat je aan de samenleving, die bang is dat ze islamiseert, zien dat er verschillen zijn in dat geloof. Dat is een geruststelling. Wat wij in Europa moeten ontwikkelen, zijn gerenommeerde islamitische, theologische instituten. Gezaghebbend instituten, op het kaliber van de universiteiten, waar vanuit de wetenschap normerend onderzoek worden gedaan. Want het probleem is dat we onze discussies over de islam voeren met minderheden, die tot de gastarbeidersklasse behoren en die amper in staat zijn boven hun emoties te komen om de andere de hand te reiken. Die zijn ontzettend bang en zien alleen maar die machtige overheid, instituut, school die hen hun hoofddoek ontneemt. We moeten dus infrastructuur ontwikkelen waardoor de Europese moslim zich kan ontwikkelen en zich van de Marokkaanse, Indonesische of Saoedische moslim kan onderscheiden. Vergelijk het met de ontkerkelijking in Europa. Die is ontstaan doordat er op een gegeven moment een academische beweging van de grond kwam die iets anders zijn gaan zien.”

Maar je kan als overheid toch moeilijk de oprichting van een soort van theologisch instituut gaan instrumentaliseren? Het enige wat je zou kunnen doen, en daar slagen we nog veel te weinig in, is jongeren van allochtone afkomst meer en beter naar het hoger onderwijs leiden.

“Als overheid moet je goed onderwijs faciliteren, dan ontstaat een geletterde generatie die kenniscentra voor de westerse islam opricht maar het is ook een verantwoordelijkheid van de universiteiten om te kijken naar de samenleving en te zien dat er een nieuwe groep is met een behoefte waarin zij nog niet voorzien. Want waarom zou een moslimjongere zich tot de Al Azhar-universiteit in Caïro moeten wenden, als hij zich tot de universiteit hier kan wenden? Wij moeten, als politieke beweging en als overheid, de wetenschap uitdagen om niet alleen de doemscenario’s maar ook de positieve kant van de islam te laten zien. Laat al die dorstige moslimjongeren, die op zoek zijn naar ‘wat is de islam?’, hier hun weg vinden naar de universiteiten, om op lange termijn de Europese islamdragers te worden. De moslims hier zijn straks onze ambassadeurs van democratie en moderniteit en bruggenbouwers voor de Arabische wereld.”

Binnen de sp.a is er nog altijd geen uitgekristalliseerd standpunt over hoe we nu moeten kijken naar het samenleven in diversiteit. De PvdA is daar, minstens op papier, wel in geslaagd. Of zien we dat_ verkeerd

“Papier is niet onbelangrijk. Bij de PvdA zijn er momenten geweest van grote denkoefeningen, die in het archief gingen en we na een tijdje vergeten zijn. Ik heb in Slotervaart als stadsdeelvoorzitter een beleid uitgestippeld, waarvan Wouter Bos op een bepaald moment zei: ‘de lijn-Marcouch is onze lijn’.”

En wat was dat voor een lijn?

“Gewoon durven zeggen dat we criminaliteit niet accepteren. Wij zijn ook een partij van straffen en norm stellen. Als je een misdaad pleegt, sluiten we je op. Vervolgens kunnen we natuurlijk kijken hoe we je resocialiseren, maar we gaan niet zeggen ‘het is een dief, maar hij kan er niets aan doen want zijn IQ is laag’. Neen, we staan naast het recht tegen het onrecht. We moeten die diversiteit niet op een zodanige manier romantiseren waardoor we de problemen niet meer zien. Als we diversiteit een kans willen geven, moeten we een reële kijk hebben op de samenleving. Ten aanzien van veiligheid, zijn wij streng doch rechtvaardig. Ten aanzien van verheffing, moeten we goede scholen hebben, aan bildung doen. Ten aanzien van de burger, eisen we dat hij participeert en bijdraagt. Als moslims moeten kiezen tussen een baard en een baard, kiezen ze voor een baan. Dat is ons statement als beweging. Als individu heb je natuurlijk de vrijheid om daar een andere keuze in te maken, maar dat is wel de richting die wij willen.”

Op een bepaald moment zei Ahmed Aboutaleb, PvdA’er en burgemeester van Rotterdam, dat iemand met een boerka geen recht heeft op een uitkering.

“Natuurlijk. Wij accepteren niet dat jij je hand ophoudt als je in staat bent om zelf je geld te verdienen. Wij accepteren niet dat je jezelf zodanig manifesteert dat je nergens kunt participeren. Je kan niet van een hotelketen verwachten dat ze een receptionist met een hele lange baard aanneemt, terwijl die code in de business net een pak en een stropdas is en je representatief moet zijn. We laten ons ook niet gijzelen door boerka’s. En als je toch die keuze maakt, prima, maar dan doe je geen beroep op onze voorzieningen. Die eisen moeten we als sociaaldemocraten durven stellen.”

In het Brussels Parlement hebben een aantal meerderheidspartijen voorgesteld om de ambtenarij neutraal te maken. Niet alleen dat elke ambtenaar u op dezelfde manier te woord moet staan, maar ook dat je er neutraal moet uitzien.

“Dat is een andere, maar wel gevaarlijke discussie. De neutraliteit van de overheid zit in de wet. En voor de wet is iedereen gelijk. Het wegwerken van een aantal ornamenten verzekert mij geen neutrale dienstverlening. Dat je eisen stelt dat iemand representatief is, geen ontblote buikjes en dergelijke, kan ik begrijpen, maar het is een verkeerde evolutie dat je neutraliteit alleen nog in de uiterlijkheden meet. Politieagenten moeten een uniform dragen, akkoord, maar je kunt evengoed een receptioniste met haar hoofddoekje in het ministerie hebben die representatief en correct is. We moeten geen karikatuur maken van die neutrale overheid.”

De overheid is neutraal, politieke bewegingen zijn dat per definitie niet. Die hebben een ideaal.

“Zo kan je het stellen. Voor sociaaldemocraten is het belangrijk dat we niet alleen de moed opbrengen om vast te houden aan onze idealen, maar dat we die ook opnieuw bezielen. We hebben mensen nodig die het grote verhaal durven vertellen en mensen hoop geven. Met dezelfde bezieling als Obama. Als we daartoe in staat zijn, zullen de mensen zich ook compromitteren. Ik heb dat in Slotervaart op kleine schaal ervaren. Dat was een dagdagelijkse clash, maar sociaaldemocraten bestaan om te strijden. Ik hoop dat we die lange adem opbrengen om dat verhaal te blijven vertellen. En niet bang zijn omdat we op korte termijn doelen lijken te verliezen. In Nederland gaat het alleen nog maar om peilingen. Natuurlijk is macht belangrijk, maar het is nog veel belangrijker dat we ons grote verhaal vertellen. In Egypte is de revolutie begonnen met een aantal mensen en inmiddels is Moebarak vertrokken. Het is het mooiste voorbeeld van de kracht van een beweging die overtuigd is van haar missie en daartoe offers wil brengen. Onze voorouders hebben toch ook offers gebracht? Sociaaldemocraten moeten dat terugvinden. Niet letterlijk natuurlijk - voor mij hoeft niemand te sterven - maar een aantal jaren in de oppositie kan vruchtbaar zijn om met overtuiging de massa weer mee te krijgen. Liever dat dan dat we blijven hangen in het ondermijnen van onze beschaving door allerlei regels te bedenken waarvan we over een aantal jaren spijt van zullen krijgen en waarmee we zullen worden uitgelachen door de generaties na ons. Een hoofddoekenverbod, waar was men toentertijd mee bezig?”

foto's: Theo Beck

Samenleving en politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 3 (maart), pagina 68 tot 77