Log in

'Etnische propaganda is de gemakkelijkste propaganda'

Interview met Marten Schalkwijk (Surinaams hoogleraar)

Suriname klinkt ons tropisch in de oren. Maar zelden kunnen we dit land in Latijns-Amerika goed situeren. Het is een boeiend land dat er in slaagt verschillende etnische groepen te laten samenwerken. Hoewel we dezelfde taal spreken, vertaalt dit zich niet in veel interesse uit Vlaanderen. Marten Schalkwijk, hoogleraar sociale verandering en ontwikkeling in Suriname, pleit voor een meerjarenplan tussen Vlaanderen en Suriname.

De naam Marten Schalkwijk doet in Nederland bij velen een belletje rinkelen; in onze contreien is hij relatief onbekend. Toch heeft hij in Suriname reeds heel wat kilometers op de teller staan, zowel in de politieke, ngo- als academische wereld. Hij startte zijn carrière bij buitenlandse zaken, waar hij tijd lang hoofd was van de afdeling Europa. In die periode onderhield hij de bilaterale relaties met o.a. Nederland en België, en voerde hij twee Lomé-onderhandelingen namens Suriname. Midden de jaren 1980 was Schalkwijk actief in de transitie naar de democratie. Hij schreef er de nota’s voor de president om met Nederland te heronderhandelen inzake ontwikkelingssamenwerking. Toen Schalkwijk vervolgens beschuldigd werd een revolutionair te zijn, zette hij de stap naar de academische wereld. Hij zegde de Surinaamse politiek - tijdelijk - vaarwel en ging doctoreren aan de Cornell University in de Verenigde Staten. Bij zijn terugkeer naar Suriname werd hij directeur van het Instituut van Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO), waar hij - vanwege het ontbreken van onderzoeksmiddelen - contractonderzoek introduceerde. Nadat het IMWO een stevige basis had gekregen, richtte hij in 1997 het NIKOS op, een instituut voor kaderontwikkeling en onderzoek naar de burgermaatschappij in Suriname (www.nikos.sr.org). Vanuit het NIKOS werd jarenlang samengewerkt met de Nederlandse donororganisatie CORD-AID en werd het ngo-veld versterkt. Schalkwijk was één van de oprichters en vanaf 2000 tevens voorzitter van DOE, een politieke partij opgericht om in eenheid met alle Surinamers - ongeacht geloof, ras of maatschappelijke status - een positieve verandering in het land te bewerkstelligen. In 2009 trad hij af als voorzitter. In 2006 werd Schalkwijk directeur van het Institute for Graduate Studies and Research van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (Adekus), waar hij in 2009 het hoogleraarschap voor de leerstoel Sociale Verandering en Ontwikkeling aanvaardde. Hij is dus de ideale man voor een gesprek over dat bizarre land, Suriname, dat bevolkt wordt door Hindoestanen (29%), Creolen (19%), bosnegers of Marrons (16%), Javanen (15%), Gemengd (13%), inheemse Indianen (4%), Chinezen (2%), en Europeanen (1%) waaronder natuurlijk een pak Nederlanders. “Suriname is een raar experiment”, beaamt Schalkwijk. “Verschillende religies, culturen, talen werden er op een hoopje gegooid in de hoop dat er iets goeds zou uitkomen. Het is opmerkelijk dat zo’n multi-etnische samenleving niet uit elkaar is gevallen. Er was natuurlijk de kolonisator Nederland die een tijdlang de orde handhaafde, maar toen dat in 1954 met de interne autonomie wegviel, kwam er een politiek proces op gang. De politieke partijen organiseerden zich toen langs religieuze en etnische lijnen. Dat van religie is niet blijvend gebleken, etniciteit wel.”

U heeft veel gepubliceerd over de rol van etnische politieke partijen. Uw standpunt is duidelijk: op het moment dat etnische groepen politiek geëmancipeerd zijn, moeten ze geïntegreerd worden om een goed functionerende samenleving te krijgen.

“De etnische politiek is er vanaf het ontstaan van de politieke partijen in 1954 meteen als stempel opgedrukt en het blijkt er moeilijk weer af te halen. De etnische politiek had binnen de Surinaamse context natuurlijk een welbepaalde rol. Er waren achterstandsgroepen, zoals de Hindoestanen - die met Jagernath Lachmon vijftig jaar lang dezelfde partijvoorzitter hadden en daarmee de Guinness World Records haalden - waar etniciteit werd gebruikt om de rurale groep uit een achterstand te halen en te begeleiden naar een meer urbane groep die uiteindelijk alle posities van de samenleving bekleedt, tot en met het presidentschap. Etniciteit is niet per definitie negatief; het kan ook positief zijn. Etnische mobilisatie via de politiek heeft de Hindoestanen als groep vooruit gebracht, maar ook bij hen zie je, op het moment dat de groep alles bereikt heeft, dat die etnische mobilisatie eigenlijk niet meer zo voor zichzelf spreekt, dat die politieke partijen uit elkaar vallen in andere Hindoestaanse partijen. Zeker nu de angst voor de Creolen - vroeger de samenbindende factor - er niet meer is.”

Welke etnische groepen zijn er in Suriname nog geëmancipeerd?

“In de koloniale situatie bekleedden de Nederlanders natuurlijk de topposities. Na de onafhankelijkheid in 1975 was het de beurt aan de Surinamers, maar daarvan bestaan er dus allerlei soorten. De Creolen waren als eerste geëmancipeerd en doorgedrongen tot de hoogste posities. De Hindoestanen als tweede. Ook de Javanen hebben nu zo’n beetje alles bereikt, al is het voor zo’n kleinere groep moeilijker om de president te leveren. Vervolgens heb je de bosnegers, ook de Marrons genoemd, en de indianen, de inheemse bevolking. Op dit moment zijn de bosnegers in die emancipatiefase beland en de Inheemsen beginnen net. De andere groepen zijn een beetje door dat proces heen. De bosnegers mobiliseren, als achterstandsgroep, momenteel ook zwaar etnisch. En het is frappant dat andere groepen dat accepteren. Blijkbaar herkennen ze dat. Van groepen die al alles bereikt hebben, wordt dat echter niet meer getolereerd. Blanken in Suriname kunnen geen blanke club meer openen, terwijl bosnegers zonder problemen een culturele bosnegervereniging mogen proclameren. Daar zie je dus wel dat er tolerantieverschillen zijn tussen etnische groepen. Politiek gezien is etnische propaganda natuurlijk de gemakkelijkste propaganda die er is. In Suriname zegt men: ‘stem op iemand op wie je lijkt’. Dat is heel racistisch, maar in feite ook heel eenvoudig. Je hebt er geen programma voor nodig, enkel een paar slogans.”

Dat klinkt ons bekend in de oren…

“Etniciteit kan mobiliserend en emancipatorisch werken. Maar wat als de groepen al geëmancipeerd zijn? Uiteindelijk ga je toch naar inhoud moeten gaan. Want waarom zouden we stemmen op een bepaalde groep mensen zonder programma? Dat is goed als je in een achterstandssituatie bent en je gelooft dat die groep jou vooruit kan brengen, maar als je alles al bereikt hebt, is er wat meer nodig.”

Op dat punt is Suriname nu gekomen?

“Wij botsen in Suriname momenteel op de grens van etnisch mobiliseren. Het gaat misschien nog een paar jaar goed, maar daarna vallen de groepen uit elkaar. En dat is goed. Dan krijg je andere combinaties. Anders krijg je situaties zoals in buurland Guyana, waar je met de zwarten en de Hindoestanen twee dominante etnische groepen hebt, en waar verkiezingen etnische referenda zijn. Hindoestanen winnen dat continu op basis van hun aantallen. Hoeveel heeft dat met democratie te maken? Die andere burgers voelen zich tweederangsburgers, waardoor je enorme etnische spanningen krijgt. Het zou dus goed zijn als die Guyanese groep Hindoestanen verder verdeeld wordt in meerdere politieke partijen, zodat er gemengde coalities komen. Dat zou in Guyana meer stabiliteit geven. In Suriname zie ik nog steeds de relevantie van etnische mobilisatie binnen het kader van emancipatie, maar je moet vervolgens die stukjes integreren in het geheel. En dat is niet zo gemakkelijk. Voor etnische mobilisatie heb je een bepaald leiderschap nodig dat een beetje demagogisch is, terwijl je voor integratie een ander soort leiderschap nodig hebt. We zitten op dit moment in Suriname in deze context: het integreren gaat niet zo gemakkelijk omdat de partijen andere type leiders naar voren moeten schuiven.”

Maar mensen in Suriname denken toch nog heel etnisch? Men huwt binnen de eigen etnische groep, de interculturele contacten blijven vrij beperkt en zijn vaak alleen maar op het professionele niveau aanwezig.

“Die etniciteit gaat natuurlijk verder dan politieke mobilisatie. Die verschillende groepen, met eigen cultuur en godsdienst, bestáán nu eenmaal. Die lijnen zijn heel scherp. Neem de Hindoes in Suriname. Dat zijn bijna 100% Hindoestanen. Die lijnen vallen bij Hindoeïsme en Hindoestanen samen, en dan is etniciteit natuurlijk veel meer dan gewoon een groep die op elkaar lijkt. Die groep heeft gemeenschappelijke waarden en normen. Voor de moslims in Suriname ligt het ietwat anders. Een klein deel van de Hindoestanen is moslim, maar niet alle moslims zijn Hindoestanen. Je hebt ook een grote groep Javanen. Daar zijn wel verschillen tussen religieuze en etnische groepen. De Hindoestaanse moslims identificeren zich als moslims én als Hindoestanen. Maar het klopt dat er nog steeds etnische groepen bestaan die afgebakend zijn met hun eigen cultuur en die de neiging hebben naar binnen te kijken. Zeker als andere etnische groepen hun grenzen vrij goed bewaken. En die bewaking heeft dan weer te maken met integratie in de samenleving.”

Waar lees je die integratie in de samenleving uit af?

“Niet alleen uit de doorstroom naar allerlei posities, maar ook hoe men met elkaar omgaat en hoe mensen zich identificeren. Ben je samen één natie, één volk? Dat verschilt per etnische groep. De Creolen, die als eersten emancipeerden, zien nu ook dat alle andere groepen etnisch bezig zijn, en gaan terug op zoek naar hun roots. Want diegenen die nu voorop lopen, moeten inleveren aan de nieuwe groepen. Dat betekent dat zij zich na een tijdje weer achtergesteld gaan voelen. In allerlei landen heeft men integratie op verschillende manieren geprobeerd. In Suriname hanteren we het model ‘eenheid in verscheidenheid’. Dat gaat langzamer, maar tot nu toe redelijk goed. Het is geen geforceerde natievorming geweest.”

Bestaat nog altijd het gevaar dat die tegenstellingen tussen etnische groepen in politieke en gewelddadige conflicten kunnen uitlopen?

“Vlak voor de onafhankelijkheid in 1975 hebben we etnische conflicten gehad tussen Creolen en Hindoestanen. Maar dat was voor een deel opgezweept uit angst voor de onafhankelijkheid. De Hindoestanen waren bang dat de Creolen permanent zouden regeren, zoals in buurland Guyana waar Forbes Burnham achtentwintig jaar lang de Hindoestanen tot tweederangsburgers maakte. We hebben in 1986 ook de binnenlandse oorlog gehad. Dat was een etnisch conflict tussen de bosnegers, of de Marrons, en het leger dat meer Creools was. Die binnenlandse oorlog heeft niet alleen een stuk bewustwording van de Inheemse en Marron-groepen teweeg gebracht, maar veroorzaakte ook een enorme urbanisatie. Mensen uit structureel achtergestelde gebieden in het binnenland trokken naar de hoofdstad Paramaribo en zijn er versneld geïntegreerd geraakt in de samenleving. En dat werkte ook politiek door. Plotseling hadden de bosnegers twee zetels in Paramaribo. De etnische mobilisatie van die groep, en ook het onderwijssysteem, heeft gemaakt dat zij nu aardig wat intellectuelen hebben die de groep niet alleen versneld willen doen emanciperen maar ook doen integreren.”

Zijn er vandaag nog etnische spanningen?

“Die zijn er, maar ze worden vooral in de periode van verkiezingen tijdelijk door de politici opgeklopt om de stemmen etnisch te mobiliseren. De bevolking zelf heeft geleerd om met elkaar om te gaan. Dat komt voor een deel omdat Suriname een vrij open samenleving is, met een behoorlijk stuk sociale en geografische mobiliteit. In Paramaribo heb je geen aparte wijken voor aparte groepen, zoals dat in andere landen wel het geval is. Ik ben niet bang voor etnische conflicten op een grote schaal. De gewone burger heeft voldoende respect voor de andere om dat niet te laten gebeuren.”

Vorig jaar werd Desi Bouterse door het parlement tot president verkozen. Hij was in de jaren tachtig de leidende militair die een coup pleegde en meer dan zes jaar aan de macht bleef. Toch lijkt hij veel krediet te hebben bij de Surinamers. Hoe kan iemand zo sterk terugkomen met zo’n zware last uit het verleden?

“Politici in Suriname zijn zoals katten, ze hebben negen levens. Men krijgt er meerdere kansen. Dat heeft voor een deel met die kleinschaligheid te maken, maar voor een deel ook met het feit dat er binnen de partijen relatief weinig interne democratie is. Mensen blijven lang op één post. Er is geen doorstroming. Bouterse is tevens de sterke man van de NDP, de Nationale Democratische Partij, en blijft dat waarschijnlijk tot hij zelf niet meer wil.”

Hoe komt het dat zijn partij het bij de verkiezingen van 2010 haalde van Het Nieuw Front?

“Het Nieuw Front, dat vanaf 1987 toch meerdere keren geregeerd heeft, zit met een sterk verouderd en weinig dynamisch leiderschap. Lijsttrekker en ex-president Ronald Venetiaan is 74. De Surinamers waren er na vier of vijf rondjes op uitgekeken. Als de partij had vernieuwd, won ze waarschijnlijk opnieuw de verkiezingen, maar deze keer was dus de NDP van Bouterse de winnaar. Die partij weekte vervolgens delen van Het Nieuw Front los door beloftes te doen voor meer ministeries. De NDP is deels zo sterk gegroeid door hun partijorganisatie, waarvoor een behoorlijke financiering nodig is. In Suriname moeten alle partijen zelf voor hun financiering zorgen. Dat maakt dat het niet altijd even transparant is wat er bij die partijen gebeurt.”

Bouterse is bij verstek veroordeeld in Nederland voor drugshandel. Heeft zijn presidentschap consequenties op de relaties tussen Suriname en Nederland? Want er is nog altijd een belangrijke geldstroom van Nederland naar Suriname.

"De Verdragsmiddelen, die na de onafhankelijkheid in 1975 door Nederland werden beschikbaar gesteld om Suriname te helpen in haar ontwikkeling, waren in 2010 net opgeraakt. In dat verdrag stond dat er een nieuw verdrag zou kunnen worden gesloten, maar daar heeft men geen gebruik van gemaakt. Dat is jammer omdat er toch een behoorlijke relatie bestaat tussen Suriname en Nederland, ongeacht wie toevallig de president is in Suriname of de minister-president in Nederland. Men had gedacht dat bij de onafhankelijkheid Suriname en Nederland uit elkaar zouden drijven, maar niets is minder waar. Het onderwijs is er nog in het Nederlands. Je zit ook met een grote groep Surinamers in Nederland. Bij huwelijk en overlijden is er veel over en weer gereis. Ook heel wat teams, muziekformaties, komieken, enzovoort, vliegen over en weer. De beste Surinaamse voetballers zitten in Nederland. De media en de politici in Nederland zijn geobsedeerd door Bouterse. En dat heeft zeker politieke consequenties. De politieke relaties zijn nu veel stroever dan voorheen. Maar het moet gezegd, ook Het Nieuw Front probeerde juist wat afstand van Nederland te nemen. De bevolking heeft echter geen afstand van elkaar genomen.”

Zoals in vele ontwikkelingslanden merken we ook in Suriname een steedse grotere Chinese invloed.

“Door het liberale beleid kwam er een invasie van Chinezen die een deel van de handel heeft overgenomen. China ziet in Suriname mogelijkheden, heeft het kapitaal om dat te financieren en heeft een kleine maar economisch steeds sterker wordende Chinese bevolkingsgroep in Suriname die dat mede faciliteert. Het Nieuw Front, met name de Nationale Partij Suriname (NPS), had trouwens altijd al een Chinese tak. Dat was een vrij bewuste politiek van toelating om de economische macht van de Hindoestanen terug te dringen. En de huidige regering-Bouterse zet deze politiek gewoon voort. Zij zien in China een nieuwe bondgenoot, juist omdat ze met Nederland heel weinig kunnen en willen. China heeft natuurlijk haar eigen economische en politieke agenda, en ik weet niet of deze situatie voor Suriname zo gezond is. Een andere grote groep die belangrijk aan het worden is, zijn de Brazilianen. Vooral via de goudsector. Suriname slaagde er in het verleden steeds in om allerlei groepen te absorberen, maar het gevaar bestaat dat als je geen goede ontwikkelingsvisie hebt, deze nieuwe groepen zelf in sectoren gaan zitten waarvan je dat misschien niet wilt of waar het niet nodig is. Mocht Suriname dat zelf beter aansturen, zou men nieuwe groepen kunnen inschakelen in sectoren waar de Surinamers zelf geen knowhow of kapitaal voor hebben.”

Tussen Vlaanderen en Suriname zijn er een aantal samenwerkingsverbanden, maar zou die band niet sterker kunnen worden aangehaald?

“Toen in de jaren 1980 de relaties tussen Nederland en Suriname gespannen waren, is gepoogd om Vlaanderen in te zetten als een soort buffer, maar dat is toen nooit echt goed opgepakt vanuit Vlaanderen. Men wilde zich daar blijkbaar niet in mengen. Dat was toch een gemiste kans. Vandaag is het voor Suriname en Nederland nog altijd moeilijk om uit die gespannen sfeer te komen. Het zou dus nog steeds een dankbare rol zijn voor Vlaanderen. Maar dat betekent natuurlijk wel dat je je meer moet interesseren in het wel en wee van zo’n samenleving. Op dit moment wordt er via de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking en Technische Bijstand (VVOB) wat gedaan op gebied van onderwijs. Ik stond daar aan de basis van. De VVOB is echter erg versmald tot basisonderwijs, terwijl dat oorspronkelijk breder was voorzien voor Vlaamse vrijwilligers in allerlei sectoren. Daar is veel meer mogelijk. De universiteit heeft via de VLIR ook een onderzoeksprogramma maar ik weet niet of, eens het VLIR-programma klaar is, er ook voldoende blijvende banden ontwikkeld zijn in de samenwerking tussen Vlaamse en Surinaamse universiteiten. Ook op economisch gebied zie je weinig beweging. Daar zou meer gedaan kunnen worden. Vlaanderen geeft een heel beperkte invulling aan de relatie met Suriname. Terwijl er, met die gezamenlijke taal die uniek is, veel meer mogelijk is. In Suriname wordt het Nederlands niet minder belangrijk, maar juist belangrijker. Veel meer mensen praten het nu als eerste taal dan bij de onafhankelijkheid in 1975.”

Op welke domeinen zouden wij een bijdrage kunnen leveren in Suriname? Welke mogelijke win-win-situaties zouden er kunnen ontstaan?

“Gezien de taal alleen al zijn er voor de burgersamenleving, het onderwijs en de cultuur meer uitwisselingsmogelijkheden mogelijk. Vaak moet je kennis van elkaars cultuur hebben om andere dingen mogelijk te maken. Via gezamenlijke projecten en programma’s leer je elkaar vaak goed kennen en heb je overdracht van kennis en technologie. Op gebied van de economie zijn er gewoon heel weinig contacten.”

Over welke domeinen binnen het economisch landschap heeft u het dan?

“We leven vandaag in een kenniseconomie. Het is zeker mogelijk om allerlei kennis en technologie te exporteren naar Suriname. Er zijn zeker bedrijven die willen investeren in bepaalde sectoren. En de sectoren zijn legio: goud, bauxiet, de natuurlijke hulpbronnen, maar ook schone energie, groene economie, biodiversiteit, toerisme, enzovoort. Op dat vlak gebeurt nog heel weinig. Guyana werkt bijvoorbeeld met Noorwegen in de bescherming van hun tropisch regenwoud. We zitten met die grote overlap in de gezamenlijke taal en dat maakt meer mogelijk dan je denkt. Men zou een meerjarenplan moeten hebben om te kijken hoe we meer zouden kunnen samenwerken. Waar de relatie met Nederland moeizamer gaat, is er meer ruimte voor Vlaanderen. Maar, toegegeven, ook de Surinaamse overheid benut de ontwikkelingspotentie onvoldoende. Suriname is een soort rentenierstaat geworden die leeft van de opbrengsten uit de mijnbouw, goud, olie en bauxiet. Daarmee betalen ze de ambtenaren, maar daardoor is een ministerie van landbouw geen dynamische organisatie meer die nieuwe mogelijkheden gaat benutten. En daarnaast er is geen subsidiesysteem om dat aan een particulier over te laten.”

Foto's: Wim Vermeersch

Samenleving en politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 5 (mei), pagina 42 tot 49