Log in

'Het machtige YOU verandert de politieke context'

Interview met David Van Reybrouck (auteur en G1000-bezieler)

David Van Reybroeck is een druk bezet man. Dat heeft hij zelf een beetje gezocht. Want in de loop van 2011, toen de federale politici er niet in slaagden een politiek akkoord uit te werken, haalde hij het in zijn hoofd de meest omvangrijke vorm van politieke participatie op poten te zetten die België ooit gezien heeft. Zijn liefde voor de democratie bracht 800 vrijwilligers op de been en gaf de aanzet tot een uniek experiment waar politici aanvankelijk met argusogen, maar later met bewondering naar keken.

David Van Reybrouck (1971) studeerde filosofie en archeologie en debuteerde in 2001 met De Plaag, waarvoor hij de Debuutprijs 2002 ontving. Daarna volgende toneelstukken en romans die steevast prijzen in de wacht sleepten. In 2010 verscheen Congo. Een geschiedenis, dat bekroond werd met de AKO Literatuurprijs en in meer dan zeven talen vertaald werd. Van Reybrouck mag dan wel een prehistorisch archeoloog zijn, hij kijkt met evenveel gemak in de toekomst. Die ziet er somber uit als we er niet in slagen de democratie van vitamines te voorzien. “Het belangrijkste boek dat ik heb mogen lezen toen ik De Plaag voorbereidde, was dat van Desmond Tutu over de Waarheidscommissie in 1995 in Zuid-Afrika. Zonder die Waarheidscommissie was Zuid-Afrika in een burgeroorlog beland. Ik vond het zeer indrukwekkend dat een vorm van democratische innovatie op het juridische vlak erin slaagde een nieuwe vorm van openbaarheid te brengen. Het is me bijgebleven hoezeer je democratie kan versterken door ze te vernieuwen. Toen ik voor mijn boek Congo bezig was met het democratiseringsproces, gestart vanuit de burgerbevolking tegen Mobutu in het begin van de jaren 1990, was ik ook erg onder de indruk van die fameuze CNS, la Conférence Nationale Souvereine. In het parlementsgebouw zijn gewone burgers maandenlang bijeen gekomen om te praten over alle grote dossiers voor een nieuw Congo: de naamsverandering, de nieuwe grondwet, het cultuurbeleid, het monetair beleid, enzovoort. Dat was een indrukwekkende beweging, hoewel die helaas niet helemaal slaagde. Mobutu bleef nog lang aan de macht en de door de CNS naar voor gedragen premier Tshisekedi stelde teleur. Zowel in Zuid-Afrika als in Congo zag je in dezelfde periode nieuwe vormen van openbaarheid ontstaan vanuit de burgerbevolking die input leverden aan bestuurlijke niveaus. Dat is mijn persoonlijke voorgeschiedenis.”

Waarom houdt een prehistorisch archeoloog zich bezig met zoiets als democratie?

“Ik heb als burger veel te danken aan de democratie waarin ik ben opgegroeid. Ik heb vaak gewerkt in niet- of prille democratieën. Door te reizen in Congo besef je hoe waardevol de democratie is. Daar zie je wat het betekent als die er niet is en hoezeer mensen bereid zijn ervoor te vechten. De Congolezen, maar op dit ogenblik ook de burgers in de Arabische landen, herinneren er ons aan dat een democratie altijd een proces is. In het Westen is het idee gegroeid dat wij zo’n 200 jaar geleden het finale recept voor democratie gevonden hebben. Fukuyama’s The End of History bestond uit parlementaire democratie gekoppeld aan vrije markten. Over de parlementaire democratie weten we inmiddels dat dat misschien wel het hoogste doel is, maar dat er veel varianten op mogelijk zijn. De parlementaire democratie is ontstaan in de late 18e eeuw, na de Amerikaanse Revolutie. Tocqueville schreef daarover in Europa en dat parlementarisme werd het model waar Europese natiestaten naar streefden. Ook België werd in 1830 gelanceerd als een parlementaire democratie. Dat model is ondertussen al twee eeuwen oud. Om het in stand te houden, moet je bereid zijn supplementen te bedenken. Daar zit op dit ogenblik een kink in de kabel. Elke vorm van democratie is immers gekoppeld aan de beschikbare openbaarheid, de mate van informatie en het informatie-ecosysteem van het moment. De directe democratie van Athene was gekoppeld aan het gesproken woord. De representatieve democratie is ontstaan toen de krant - een traag eenrichtingsmedium - opkwam. Die eenrichtingsmedia zijn geëvolueerd naar radio, televisie en de eerste fase van het internet. Tot dan is het nog relatief goed gegaan. Nu worden we geconfronteerd met een internet 2.0. We beseffen nog niet goed hoe dramatisch die omwenteling wel is. We zitten met een nieuw informatie-ecosysteem van de 21e eeuw, maar ons democratisch procedé is nog altijd dat van de late 18de eeuw. Mocht je vandaag een democratische procedure moeten bedenken, lijkt mij de kans klein dat het beste waarmee je voor de dag kan komen erin bestaat dat je mensen één keer om de vier jaar op zondagochtend voor een schooltje laat aanschuiven om in het schemerduister van een stemhokje een bolletje te kleuren.”

Verkiezingen zijn een te beperkte vorm van participatie?

“Ze blijven het belangrijkste instrument in een moderne democratie. Ze zetten de grote bakens uit. Maar je beperken tot verkiezingen alleen, lijkt me in een informatietijdperk toch wel erg mager. Mensen kunnen online van seconde tot seconde volgen wat er gebeurt. Sterker nog, ze kunnen er meteen op reageren en erover mobiliseren. En toch kunnen ze maar een keer om de vier of vijf jaar hun stem daadwerkelijk laten horen. Die analyse over de grenzen van de representatieve democratie werd al eerder gemaakt. In de Burgermanifesten van Verhofstadt stond ook al dat we de democratie nieuwe procedures moesten geven. Verhofstadt kwam toen niet verder dan het referendum, waarvan men hoopte dat het voor een grotere vorm van betrokkenheid zou zorgen. Na de referenda over de Europese Grondwet in Nederland en Frankrijk en over de Lange Wapper in Antwerpen weten we dat dat niet evident is. Zeker als het gaat om zeer technische dossiers.”

Precies, want burgers moeten over ingewikkelde zaken een mening hebben die ze enkel met ja of nee tot uitdrukking kunnen brengen. Op het einde van de rit weet niemand precies waarop met ja of nee werd geantwoord.

“Participatieve democratie, zoals de G1000, is net het omgekeerde van een referendum. Bij een referendum vraag je aan iedereen om te stemmen over iets waar men maar weinig van afweet. Bij participatieve democratie ga je met weinigen praten over iets waarvan je verwacht dat de deelnemers zich grondig informeren. Het stemmen wordt vervangen door het praten, de afvaardiging is belangrijker dan de massa en je krijgt een proces van uitwisseling van argumenten eerder dan gespin in de media zoals bij referenda.”

Voor we over G1000 verder gaan, wil ik eerst nog iets anders aanraken.

“Uiteraard. U zorgt voor de dramaturgie van dit gesprek. Ik lever maar wild materiaal.”

Het internet geeft mensen weliswaar extra mogelijkheden, maar het loopt met de bestaande systemen ook intrinsiek mis. Soms lijkt het er op dat er, zowel langs de kant van de politiek, als van de burger, sleet is gekomen op het democratische proces. Er leeft aan beide kanten een soort machteloosheid.

“Als ik kijk naar de boeken die mijn politieke denken beïnvloed hebben, kan ik niet om het werk van Habermas, Strukturwandel der Öffentlichkeit, heen. Dat is een van dé grote politieke werken van de 20e eeuw waarin Habermas een theorie opbouwt over de historische ontwikkeling van de politieke ruimte. Democratie krijgt vorm op het moment dat onderdanen weigeren alleen nog maar onderdanen te zijn, maar zich ook manifesteren als burgers. De publieke ruimte is de ruimte waar burgers samenkomen. De krant is daar een van de belichamingen van, maar ook theaters, cafés, koffiehuizen... Vandaag wordt die publieke ruimte in toenemende mate ingenomen door televisiezenders. Habermas zag in 1964 al het begin van echte massamedia, op een moment dat in België nog van een relatief solide verzuiling sprake was. Televisie was een doorgeefluik, maar veel minder agendabepalend dan het nu is. In de jaren 1980-1990 is de invloed, de omvang en de macht van die zuilen steeds geringer geworden en zijn de commerciële media steeds groter geworden. Het middenveld wordt minder door burgerorganisaties maar meer door commerciële organisaties ingenomen. Op dit ogenblik staan tussen de massa en de macht de commerciële media. Sinds kort komen daar nog eens de sociale media bij. Dit samengaan van verschillende media zorgt voor enorme nervositeit. Zeggen dat de media de vierde macht zijn, moet zowat de meest ongelukkige uitdrukking zijn. Ze zijn echt de eerste macht.”

Ik ben blij dat je dat luidop durft zeggen.

“Je kan je als politicus om het even welke beleidsblunder permitteren, maar een mediablunder is onvergeeflijk. Vroeger was een keer blunderen op televisie pijnlijk, maar het ging voorbij. Nu zit je in een cultuur van ellendige opvraagbaarheid van gegevens. Er is geen cultuur van vergeten meer mogelijk. Jean-Luc Dehaene beweerde onlangs dat zijn generatie moest leren omgaan met televisie. Dat was een hele uitdaging voor een generatie die vooral de krant en radio gewoon was. De jongere generatie moet leren omgaan met het nieuwe mediatieke landschap. Dat betekent echt spitsroeden lopen.”

Politici zijn totaal afhankelijk van de goodwill van de mainstream media. Ook bij de bevolking leeft ongenoegen over de manier waarop er door de media wordt gecommuniceerd.

“Wat zich nu voltrekt met de nieuwe sociale media is nog maar het prilste begin van een evolutie die de komende decennia zal kleuren. Time Magazine zette eind 2006 als persoon van het jaar ‘You’ op de cover, voor Youtube, Wikipedia, My Space, noem maar op. Ongeveer een half jaar later begon de Belgische crisis. Dat is niet helemaal toevallig. Het machtige ‘You’ verandert de context waarin politici regeren. Vijftien jaar geleden was je als politicus met een mandaat op zak gerust voor de komende vier jaar. Nu moet je de maandagochtend na de verkiezingen alweer campagne gaan voeren. We zitten in een tijd waarin de rol van de media zo groot is dat het gewicht van de volgende verkiezingen hoger scoort dan het gewicht van de voorbije verkiezingen.”

En we kennen al een inflatie aan verkiezingen in ons land...

“We zitten meer dan 500 dagen zonder regering, maar dat is lang geen Belgisch probleem. Nederland zit met zijn gedoogregering. Engeland met zijn coalitieregering, iets wat nog nooit eerder gebeurde behalve een paar maanden onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog. Zelfs in de Verenigde Staten, toch een van de solidere democratieën, zag je dat de republikeinen, door de hete adem van de Tea Party, niet konden toegeven op de verhoging van het schuldenplafond. Misschien heeft Obama vorige zomer de komende presidentsverkiezingen al verloren. Het zijn allemaal symptomen van dezelfde ziekte. Verkiezingen werden anno 1800 bedacht om een bestuur mogelijk te maken. Op dit ogenblik zijn ze vaak een belemmering. Dus moet je zorgen dat je andere, aanvullende vormen van burgerinspraak hebt. Probleem is dat we in het Westen zo electoraal fundamentalistisch zijn geworden dat we ‘democratie’ synoniem beschouwen met ‘verkiezingen’. Als we zeggen dat Congo moet democratiseren, bedoelen we dat Congo vrije verkiezingen moet hebben. Terwijl onze Congolese vrienden zeggen dat verkiezingen van alles voort brengen - burgeroorlog, twisten, etnisch geweld, enzovoort - maar geen democratie.”

Wat is democratie dan?

“Democratie is niets anders dan burgers die met elkaar afspreken hoe ze hun eigen samenleving gaan inrichten. Dat is de basisgedachte. Daar zijn de afgelopen tweehonderd jaar een aantal formele procedures voor ontwikkeld die goed gewerkt hebben en waarvan we denken we ze moeten exporteren naar de rest van de wereld. Maar dat exportmodel van de westerse democratie is problematisch. In 2006 moest en zou Congo zijn eerste vrije democratische verkiezingen in 45 jaar krijgen. Europa en Amerika hebben die verkiezingen betaald, op voorwaarde dat ze zouden plaatsvinden volgens de recepten van de westerse representatieve democratie. Die regels zijn zeer expliciet: er moet onder meer een meerpartijenstelsel zijn, alternering van de macht en een vrije pers, er moet een oppositie komen, het moet via stembussen gaan... Het gaat over een vijftiental basisprincipes. Wat wij over democratie denken, is een soort Ikea-bouwpakket dat wij vanuit Europa opsturen naar Congo.”

Net zoals een Ikea-meubel is het lastiger in elkaar te vijzen dan verwacht.

“Inderdaad. En als het kastje scheef staat, is het de schuld van de klant. Terwijl ze verdomme zeer goede meubelmakers hebben in Afrika. Een van de belangrijkste gesprekken die ik het afgelopen jaar heb gevoerd, was met een filosoof uit Groningen die historisch-sociologisch onderzoek heeft gedaan naar proto-democratische tendensen in Afrikaanse samenlevingen. Hij analyseerde de speechen van Afrikaanse leiders - Tutu, Nyerere, Mandela en vele anderen - die interessante elementen bevatten die aansluiten bij Afrikaanse tradities van democratisch overleg, maar die geen enkele kans krijgen in dat westers exportmodel van democratie.”

Je doelt op de fameuze bijeenkomsten onder de boom?

“Het palaveren onder de mangoboom in de Tanzaniaanse maatschappij, ja. Julius Nyerere bijvoorbeeld benadrukte in een van die speechen het belang van dat klassieke overleg op dorpsniveau...”

De Waarheidscommissie in Zuid-Afrika is daar ook op gebaseerd.

“Dat klopt. Het ubuntu-principe, het overleggen om de heelheid van de gebroken samenleving te herstellen. De idee van lokaal dorpsoverleg, de cultuur van horen en wederhoren om tot een consensus te komen - Umoja in het Swahili - en dat vervolgens up te scalen, dat is G1000 avant la lettre. Eén van mijn verongelukte vrienden, antropoloog Stefan Bekaert, deed midden jaren 1990 onderzoek bij de Sakata in Congo. Voor de mannen er gingen jagen in het woud, deden ze aan de grens tussen het dorp en het woud een klein ritueel. Ze gingen in een kring staan en spuwden hun gram uit. Letterlijk. De rancune waarmee ze zaten, moest eruit, anders zou de jacht mislukken. Wat een fantastisch volksritueel is dat. Conflicten worden bemiddeld, uitgesproken, gethematiseerd, letterlijk geuit in de vorm van speeksel, om vervolgens als gemeenschap een zeer moeilijke klus te kunnen klaren. Denk je dat die Europese donoren met dit soort elementen rekening houden?”

Het doet me plezier dat de G1000 gegroeid is uit Afrikaanse vindingrijkheid. We importeren zo gemakkelijk allerlei grondstoffen uit de derde wereld, maar denken in onze arrogantie dat we qua wijsheid niets van hen kunnen leren.

“Terwijl er veel democratische creativiteit te halen en te vertalen valt uit de niet-Europese context. India is met meer dan een miljard inwoners de grootste democratie ter wereld. Na de onafhankelijkheid begon hun democratie volgens het klassieke Westminster-model. De afgelopen jaren is India een groot laboratorium geweest voor democratische vernieuwing. Dat beginnen we nu pas te beseffen. Het boek The Life and Death of Democracy van John Keane is voor mij tijdens het bedenken van de G1000 van groot belang geweest. Keane beschrijft drie fasen in de geschiedenis van de democratie, waarin hij het onderscheid maakt tussen directe democratie (Assembly Democracy), representatieve democratie (Representative Democracy) en de derde fase, die voor hem in de 20ste eeuw is begonnen, de Monitory Democracy, de klassieke representatieve democratie. Die laatste fase heeft een heleboel inspraakorganen - denktanks, burgerraadplegingen, referenda, ervaringsdeskundigen, noem maar op - die nu al bestaan en in de toekomst nog veel machtiger zullen worden. Rond de klassieke piramide van representatieve democratie ontstaat een netwerk van instellingen die op dat systeem wegen. Dat is gewoon aan het gebeuren. De G1000 probeert dat voor België een beetje te kanaliseren. We vinden niets nieuws uit. Het beeld dat ik van de Belgische publieke opinie heb, is zoals het internet voor de komst van Wikipedia: heel veel ideeën en meningen, maar geen structuur die toestaat om die veelheid aan ideeën op een hoger niveau te krijgen. G1000 wil dat proberen te doen.”

G1000 wordt, geheel onterecht, soms gezien als een protestbeweging en vergeleken met Occupy Wall Street en de Indignados. Hoe kijkt u naar de protestbewegingen die vandaag aan het opborrelen zijn?

“2011 is een fascinerend jaar, het jaar waarin de burger over heel de planeet zich overeind zet, van de stille wandelingen in Beijing, over het straatprotest in de Arabische wereld, de betogingen in Israël, enzovoort. Ik beschouw Occupy Wall Street en de Indignados als verwante bewegingen. Het gaat om gewone burgers die zich bemoeien met de toekomstige inrichting van een rechtvaardige samenleving. Maar eigenlijk staat G1000 daar redelijk los van. Wij zijn meer bezig met iets procedureels, iets vormelijks, namelijk hoe kunnen we de democratie draaiend houden? Men doet er een beetje lacherig over dat we 500 dagen zonder regering zitten, maar ik vind dat buitengewoon ernstig. We beseffen onvoldoende dat het niet-uitvoeren van de noodzakelijke research and development van de moderne democratie kan zorgen voor grote instabiliteit in de Europese natiestaten. Als mensen slechts om de 4 of 5 jaar mogen stemmen terwijl ze voortdurend geprikkeld worden, kunnen reageren en mobiliseren, vreet dat aan de representativiteit van de politiek. De politiek heeft een veel slapper mandaat, partijen lopen leeg, vakbonden hebben het steeds moeilijker om hun stem te laten horen. Het rampscenario is dat je een chaotisch middenveld krijgt dat totaal gedestructureerd is.”

En de eerste slachtoffers bevinden zich in het zogenaamde ‘precariaat’, zoals de Britse econoom Guy Standing het noemt, mensen die aan de onderkant van de middenklasse zitten en weten dat het elke dag afgelopen kan zijn?

“Daar heb ik reeds over geschreven in mijn Pleidooi voor populisme. We moeten die categorie, die arbeidersklasse die tot de lagere middenklasse is gaan behoren, weer serieus nemen. Sociale huurders en prille welvaartswinners weten wat het is om welvaart te verwerven én weer te verliezen. Zij zijn het meest van al doordrongen van de precariteit van de pas verworven welvaart. De sociaaldemocratie heeft zich vaak bekommerd om de arbeider zolang die arm en hulpbehoevend was, maar van zodra hij op vakantie ging naar Torremolinos heeft ze hem als een steen laten vallen.”

Ziet de sociaaldemocratie het nieuwe onrecht niet meer?

“We moeten dringend de categorieën herzien. De rellen in Londen waren volgens rechts hebzucht, volgens links armoede. Ik las ergens echter de term ‘morele armoede’ en kon me daar meer in vinden. Sociale armoede is misschien voor een deel overstegen en ook economische armoede kan worden overstegen, maar het emancipatieproces is niet voltooid en dat is morele armoede. In de hebzucht van de Londense plunderaars zie je dezelfde waarden als bij bedrijfsleiders, beursspeculanten en bankiers. Het gaat om hetzelfde waardensysteem van het overheersende neoliberalisme. Een sociale beweging durft vandaag die normerende, bijna moraliserende functie nauwelijks te bieden, en de commerciële media nog veel minder. Mijn grootvaders waren beiden gesyndiceerde arbeiders die konden lezen. Mochten ze vandaag het sociale statuut hebben dat ze in de jaren 1950 hadden, zouden ze zeker populistisch stemmen. Niet omdat ze geen moreel besef hadden maar omdat er geen instanties meer zijn die oproepen.”

Bart De Wever probeert dat nu te doen.

“Dat is inderdaad het verhaal dat hij uitdraagt, maar ik vind dat een bizarre combinatie tussen een moreel en liberaal appel. Economisch is hij liberaal, moreel gesproken is hij conservatief. Dat is een lastige combine.”

De Nederlandse bioloog Frans de Waal heeft het over de mens als empathisch wezen. Ook de Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin beweert dat empathie ons de sleutel zal reiken naar een ander soort samenleving. Is dat ook waar de G1000 toe oproept?

“De motivatie en de bevlogenheid van de gerekruteerde deelnemers is enorm. Mensen waarderen het dat ze mogen meepraten. Los van de deelnemers hebben we nog eens 800 vrijwilligers die eigenlijk niet kunnen meespreken, maar er wel hun schouders onder steken. Achthonderd mensen! Ik geloof die verhalen niet over cynisme en onverschilligheid.”

Is het fundamentele probleem dan dat er geen ‘ruimte’ meer is waar mensen kunnen samenkomen?

“Ja. Hoe kunnen mensen genereus zijn als er geen platform geschapen wordt waarin die generositeit een kans krijgt? De Indignados bezetten de straat, maar de straat alleen is niet genoeg. Op een bepaald moment moet je ook binnen gaan zitten, de colère overstijgen en ervoor zorgen dat het amalgaam van gebalde vuisten ook iets anders oplevert. De bereidheid om met elkaar te praten, is een essentieel onderdeel van de democratie. Daar draait het om bij Habermas’ theorie van de openbare ruimte. Ik heb ook veel opgestoken van de Belgische Chantal Mouffe, voor mij een van de tien grootste politieke filosofen ter wereld, hoewel haar denken een felle aanval is op Habermas. Voor Habermas is het hart van de democratie de consensus; voor Mouffe is dat het conflict. Een democratie moet volgens haar niet naar consensus streven. Je moet er gewoon voor zorgen dat er ruimtes worden gecreëerd waar conflicten een kans krijgen vooraleer ze escaleren tot geweld. Habermas gelooft daarentegen dat, als je gesprekspartners in een soort Herrschaftsfreie dialoog brengt, je ze als het ware in een black box kan stoppen waar de reële emoties wegvallen en waar de mensen puur rationeel bezig zijn. Volgens Mouffe kan je nooit abstractie maken van de passie die mensen hebben. Volgens mij heeft ze daar gelijk. Mensen zijn tot in hun diepste vezels emotionele wezens. Ik heb veel gelezen over geweldloze communicatie. Volgens Brusselaar Thomas d’Ansembourg, in de Franse wereld zeer bekend, zijn conflicten op zich nooit een probleem. Integendeel, het is een manier om de gesprekspartners beter te leren kennen. Je moet er alleen voor zorgen dat conflicten in een gesprek een kans krijgen vooraleer ze escaleren.”

Communicatie is niets anders dan een techniek ontwikkelen om de ander in staat te stellen empathie te hebben voor je probleem.

“Dat is een mooie omschrijving. Die luisterbereidheid krijg je maar als je zelf eerst naar de ander hebt geluisterd. Van zodra de ander beseft dat hij spreekkracht heeft, is er veel mogelijk. Volgens Mouffe moeten we in de politiek weer leren om de vijand als een tegenstander te zien. Dat onderscheid is essentieel. Haar houding van pluralistisch agonisme, niet antagonisme, is buitengewoon. Ik heb veel sympathie voor de beweging Occupy Wall Street, maar zij hanteren militaire metaforen en pleiten voor de radicale ommezwaai. Iedereen moet oprotten. Dat werkt contraproductief. Als ze allemaal weggaan, zit je pas echt in de problemen. Op het Tahrirplein worden een paar maanden na de Arabische lente koptische christenen vermoord. Na de Franse revolutie had je de terreur. Na de Oktoberrevolutie begon ook de ellende. Laat ons een beetje opletten met de heroïek van de revolutie. Mouffe stelt dat een succesvolle burgerbeweging zowel buiten als binnen het systeem moet werken. Je hebt de straat nodig, maar de straat alleen volstaat niet. Tenzij je een totale omwenteling beoogt waarbij koppen moeten rollen en jarenlange destabilisering van het bewind als noodzakelijk deel van het kwaad wordt gezien.”

Wat was het kantelmoment waarop je besloot dat je zoiets als de G1000 op gang wilde trekken?

“Toen de nota van Johan Vande Lanotte, waar maanden aan was gewerkt, op een mum van tijd werd afgeschoten, dacht ik: dit is geen communautair probleem meer, dit is kieskoorts. Toen heb ik gewoon ‘post-representative democracy’ op Google ingevoerd, niet wetende of dit woord überhaupt bestond. Plots heb je daar tien vensters over openstaan. Ook in België waren er twee, drie jonge onderzoekers mee bezig. Voor ik het wist, zaten we begin februari met zeven mensen rond mijn werktafel om daar over te babbelen.“

Met de G1000 poog je de democratie te vernieuwen in een proces waarbij burgers het initiatief nemen. Hoe kan je dit verankeren in een democratie, zodat er in de toekomst regelmatig van dit soort momenten kunnen zijn.

“Het zou mooi zijn mocht de G1000 verankerd geraken, want het is de eerste keer in Europa dat er op deze schaal zo’n vorm van burgerparticipatie wordt georganiseerd door burgers zelf. We hadden even goed een manifest kunnen schrijven of een denktank opstarten om op het beleid te proberen wegen. Denemarken heeft al 25 jaar lang een overheidsinstelling, The Danish Board for Technology, met verschillende recepten over hoe je aan burgerinspraak kan doen. Frankrijk heeft het Institution nationale des débats publiques. Engeland organiseerde vorig jaar een burgerbevraging rond sociale zekerheid. In de Verenigde Staten is er een Center for Deliberative Democracy en is men momenteel een database aan het aanleggen over alle bestaande vormen van participatieve democratie. IJsland heeft op die manier de grondwet laten herschrijven. Telkens besteld vanuit de overheid. Hier zal nog wat water naar de zee moeten vloeien.”

Hoe reageren politici op het initiatief?

“Politieke leiders zijn vaak bang van burgers. Terwijl burgers best in staat zijn tot heel rationele beslissingen als ze de tijd en de ruimte krijgen om zich een onderwerp eigen te maken. Alle voorbeelden van deliberatie tonen aan dat burgers zeer zeker gesofisticeerde, technisch hoogstaande aanbevelingen kunnen formuleren. Als wij ooit geloofd hebben dat 12 burgers voldoende zijn om de diversiteit in de samenleving te tonen en in een assisenzaak te beslissen over leven en dood, dan kan je met 1000 burgers toch wel iets zeggen over een aantal politiek hete hangijzers? De reactie van de politiek ging van afwachtend gereserveerd tot zeer nieuwsgierig. Een aantal toppolitici beaamt dat dit gewoon de toekomst is en dat de tijd van de huidige partijpolitiek voorbij is. Binnen dit en 50 jaar zullen politieke partijen op een heel andere manier moeten werken. Daarnaast merk ik bij een aantal mensen ook een gevoel van opluchting. Ze beseffen dat dit grootschalig burgerinitiatief verder gaat dan een foertgebaar. De G1000 is geen protestbeweging. Het is een beweging die een analyse maakt over de complexiteit van het politieke handelen en genereuze oplossingen probeert te bedenken om er iets aan te verhelpen.”

Ik zie in deze vorm van participatie een sociaaldemocratisch principe opduiken, met name herverdeling. Sociaaldemocraten doen aan herverdeling van welvaart, de G1000 doet aan herverdeling van kennis.

“Ik kan me helemaal vinden in dit prachtige metafoor. Een initiatief als G1000 is voor het brede publiek in België relatief nieuw. Het goede nieuws is dat er in het buitenland al overtuigende voorbeelden zijn die de meerwaarde van deze processen aantonen. De mensen die de G1000-organisatie trekken, worden stilaan nationale experts op het vlak van deliberatieve democratie. Vergis u niet, we hebben moeilijke knopen moeten doorhakken, vooral inzake methodologische keuze. De grootste moeilijkheid was de vraag of mensen zichzelf mochten aanmelden of gerekruteerd moesten worden. Nachtenlange discussies hebben we daarover gevoerd, ook omdat het prijskaartje sterk verschilde tussen zelfaanmelding of niet. Ik ben blij dat we uiteindelijk voor rekrutering gekozen hebben. In mijn Pleidooi voor populisme waarschuwde ik voor het gevaar van een diplomademocratie. Als je mensen zichzelf laat aanmelden, wordt je participatieve democratie een democratie van hoogopgeleiden.”
“Eigenlijk heb je twee grote tradities op het vlak van participatie. Je hebt grootschalige evenementen van korte duur en kleinschalige evenementen van lange duur. G1000 is uniek omdat beiden voor het eerst echt met elkaar gecombineerd worden. Het is het verhaal van de drietrapsraket. Eerst werd de agenda vastgelegd. Op de G1000 zelf werden de prioriteiten over de agendapunten bepaald. Op dat moment heb je zichtbaarheid, het momentum. In een derde fase heb je een uitwerkfase - de G32 - waarin een aantal mensen elkaar gedurende meerdere weekends zal zien, experts of documentatie kan inroepen, om dan echt tot een precieze aanbeveling te komen.”

Je financiert de G1000 met_ crowd-funding, maar het project zelf is eigenlijk een vorm van political crowd-sourcing_.

The wisdom of the crowd is het principe achter de G1000. Mensen hebben wel degelijk iets te zeggen. Als je daar niets mee doet, als mensen zich alleen maar kunnen uiten in boze brieven en op online fora, dan zit je in een explosieve omgeving. De partijen lopen leeg, terwijl de partijvoorzitters het de voorbije 500 dagen meer dan ooit voor het zeggen hadden. Dit is toch een onhoudbaar stelsel? Een perfecte sample van de samenleving kan je nooit hebben, maar met de G1000 wordt voor de eerste keer in 180 jaar Belgische geschiedenis een zo divers mogelijke steekproef van de bevolking fysiek samengeroepen. Als de democratie ons dierbaar is, moeten we leren dat er andere vormen van democratie mogelijk zijn. Wat wij aanreiken is een soort vitaminekuur. Wees daar niet bang van.”

foto's: Theo Beck

Samenleving en politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 68 tot 78