Log in

'Het recht om scheef te staan'

Interview met Stijn Tormans (journalist)

Stijn Tormans kwam - na het fameuze Knack-interview met Bart De Wever zonder antwoorden - in een heuse mediastorm terecht. De journalist ontving 832 haatmails en werd op de verkiezingsavond op de Antwerpse Grote Markt letterlijk bespuwd door N-VA militanten. De Wever noemde hem ‘een buitengewoon slecht journalist’. Ook van een aantal collega’s kreeg hij de volle laag. “Heel wat politieke journalisten zagen dat als een aanval op hun vak”. Een gesprek over de journalistiek, over het niet willen passen in een mediastrategie, over het recht om scheef te staan, en natuurlijk ook over zijn geliefde Antwerpen. “Wil De Wever ook burgemeester van mij zijn?”

We ontmoeten Stijn Tormans op een koude oktobermorgen, in brasserie Mampoko op de Amerikalei in Antwerpen. Door de plafondhoge ramen komt maar weinig zonlicht binnen. Het mooie pand geraakt dan ook niet helemaal opgewarmd, maar dat verandert snel als we ondergedompeld worden in de wondere wereld van journalist Stijn Tormans (°1976). Hij studeerde sociologie en antropologie, en werkt sinds 2001 voor Knack. Niet als politiek journalist (“ik ken geen enkele politicus persoonlijk”), maar als reportagemaker. Hij schrijft over mens, maatschappij en alles wat daartussen ligt. Tormans vertelt ons geamuseerd hoe hij bij het weekblad terechtkwam. “Knack zocht toen een aantal jonge journalisten. Ik stuurde een rare sollicitatiebrief waarin ik schreef in een boomhut te wonen en Knack nooit te lezen, maar toch nieuwsgierig in de dingen te zijn. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek bij Rik Van Cauwelaert, die maar niet begreep dat ik nooit Knack las. Nadat hij een aantal van mijn stukken voor het Leuvense studentenweekblad Veto gelezen had, werd ik toch aangeworven.” Ondertussen werkt Tormans reeds 11 jaar op de redactie van Knack. Zijn beste artikels werden gebundeld in Verhalen en reportages. Een roadmovie van onze tijd (2010), dat genomineerd werd voor de Groene Waterman Prijs 2011. Ook schreef hij het kortverhaal ‘Orly’, voor 20 onder 40, een verhalenbundel van de beste jonge Vlaamse schrijvers, samengesteld door Eva Berghmans en Harold Polis. In oktober 2011 werd hij de eerste winnaar van de nieuwe Vlaamse taalprijs, de Grote Prijs Jan Wauters. Thérèse Wauters, de voorzitter van de jury, motiveert de keuze van de jury als volgt: “We hebben gekozen voor iemand die uitblinkt in het journalistieke werk. Iemand die heel hard aan teksten schaaft en schrapt en vijlt tot elk woord op de juiste plek staat, tot elke zin perfect in het verhaal past. Het resultaat van die noeste arbeid zijn dikwijls prachtige reportages over gewone mensen die zo graag de held willen zijn in de film over hun eigen leven, maar onderweg ergens tegenaan botsen.” Stijn Tormans staat wat tegendraads in het leven. In 2007 kwam hij op met zijn eigen politieke partij, de eenmanspartij STIJN, met als enige programmapunt ‘Ik twijfel’. Tormans riep expliciet op om niet op zijn lijst te stemmen. Zijn eenmanslijst haalde 11.097 stemmen. “Ik probeer tegen alles wantrouwig te zijn, niet alleen als burger maar ook in mijn vak. Er is in de journalistiek echter een ongelooflijke angst geslopen om polemiek uit te lokken.”

In die affaire rond Bart De Wever werd u als een anti-N-VA-pamflettist afgeschilderd, maar daarvoor was de verstandhouding met Janssens toch ook getroebleerd?

“Dat klopt. Voor alle duidelijkheid, voor mij hoort Patrick Janssens bij de grote burgemeesters van Antwerpen. In het rijtje van Lode Craeybeckx, Bob Cools en Camille Huysmans. Hij heeft heel wat goede dingen gedaan. Toen hij in 2006 burgemeester werd, was er enorme euforie. Hij had het Vlaams Belang afgestopt. In de eerste jaren van zijn burgemeesterschap las je in de media amper een kritisch woord. Terwijl niet alles fantastisch was. Op de duur kreeg ik de naam tegen Janssens te zijn, alleen maar omdat ik af en toe kritisch voor hem durfde te zijn. Terwijl dat de plicht is van elke journalist.”

Wat bekritiseerde u dan precies aan het beleid van Patrick Janssens?

“Een aantal zaken. Zijn houding over de Oosterweel-verbinding, bijvoorbeeld. Hij maakte een bocht, wat moedig was, maar ging daar niet ver genoeg in. Na het referendum had hij als burgervader en in naam van zijn stad het BAM-tracé moeten afschieten, maar hij sloot liever een compromis met de Vlaamse Regering. Ook het hoofddoekenverbod vond ik een stommiteit. Er was geen probleem, hij heeft dat probleem gecreëerd. De manier waarop hij met erfgoed omging, vond ik bij momenten stuitend. Maar hij had vooral te weinig aandacht voor de sociale ongelijkheid in de stad. Terwijl de rijen aan de voedselbedeling steeds langer werden, veegde de politie de daklozen van de straat. Dat shockeerde mij.”

Geef eens een concreet voorbeeld wat er is misgelopen in de stad?

“Ik vind dat een stad veel meer aandacht moet hebben voor initiatieven die van onderuit ontstaan. Ik maakte ooit een reportage over de Luchtbalboys, een voetbalploeg uit de sociale wijk Luchtbal waar vooral migranten wonen. Die voetbalploeg had een grote sociale rol, ze hield allochtone jongens van straat. Maar er was een probleem: hun ouders kwamen nooit in de kantine, dat zit niet in hun cultuur. Daardoor geraakte de ploeg financieel in de problemen en vroeg ze steun aan de stad. Op ’t Schoon Verdiep werd hun noodkreet amper gehoord, waarschijnlijk omdat ze het project niet zelf had opgestart. De Luchtbalboys gingen uiteindelijk failliet.”
“In die zin vond ik het symbolisch dat het einde van Janssens net in De Roma plaatsvond. Dit cultuurhuis ging tien jaar geleden opnieuw open door vele vrijwillige handen. Het was een initiatief van wijkbewoners, maar ’t Schoon Verdiep en de toenmalige schepen van cultuur, Eric Antonis, stonden er niet achter. Toen het een succes werd, sprongen politici wel op de boot. Dat Janssens uitgerekend daar in tranen uitbarstte, was heel frappant.”

Ondanks uw kritische houding kwam Janssens in 2010 toch de feestrede geven bij de voorstelling van uw boek.

“Ik had hem al zo vaak aangepakt dat ik het wel leuk vond om hem te vragen. Want op zo’n boekvoorstelling komt iedereen meestal zeggen hoe fantastisch het boek wel is. Het was heel sportief van hem om op die vraag in te gaan. Het was een kritische, maar heel sterke speech. Ik weet ook wel dat politici personeel hebben om speeches te schrijven, maar hij stond er toch maar.”

U zei daarnet dat Patrick Janssens een van de grote burgemeesters uit de geschiedenis van Antwerpen was, maar was hij niet meer stadsmanager dan burgervader?

“Dat weet ik niet. Antwerpen is Gent niet. Het is een grote en moeilijke stad: misschien moet je zo’n stad wel leiden op de manier dat hij dat deed. Janssens is een schitterende marketeer die zichzelf kon verkopen. De heraanleg van de Leien is vooral gefinancierd door het Vlaams Gewest en de provincie, het Park Spoor Noord is er gekomen dankzij Leona Detiège, maar het leek alsof het zijn verdiensten waren. Janssens zette duidelijk de lijnen uit, maar keek te weinig achterom of iedereen nog volgde. Binnen zijn eigen entourage werd hij te weinig tegengesproken, vrees ik. Voor de verkiezingen zei hij dat het straatgevoel goed zat. Ik had - in tegenstelling tot zes jaar geleden - net het omgekeerde gevoel.”

Geen Olifant en Kleine Reuzin deze keer in de stad, zoals in 2006. Toen hielden de reuzen van theatergezelschap Royal De Luxe de stad meer dan vier dagen in de ban. Meer dan een half miljoen toeschouwers vulden de Antwerpse straten. Het zorgde voor een ongelooflijke_ vibe_.

“Ik maakte toen de vergelijking met ‘De Gust’, de bekende gorilla in de zoo. Gust was een attractie. Elke keer hij een schoon meisje zag begon hij te masturberen. Hij slaagde erin om een stad te verenigen. Zowel de man uit Antwerpen Noord als de intellectueel ging graag naar Gust kijken. Het was ook de bedoeling van Patrick Janssens om zo’n verbondenheid te bewerkstelligen, maar dat is niet helemaal gelukt.”

Het succes van de Kleine Reuzin lag erin dat het bepaalde emoties triggerde bij mensen.

“Het was een van de weinige momenten dat ik heel Antwerpen rond iets verzameld zag. Een stad heeft dat nodig. Vandaag heeft iedereen het over de breuklijn stad-rand. Het stadscentrum stemt veeleer progressief, de rand conservatief. Ik ben zelf opgegroeid in de rand, op honderd meter van waar Filip Dewinter en Gerolf Annemans woonden. Ik ken die wijken dus heel goed. Hoewel er amper migranten rondlopen, heerst er een zeker racisme. Niet dat ze in de stadscentrum altijd zo barmhartig zijn voor elkaar, maar daar kennen ze elkaar. Het hypocriete is dat mensen uit de rand de stad wel gebruiken, dat zij wel naar Park Spoor Noord en het MAS gaan, maar dat ze niet willen dat de stad naar hen komt. De tram mag niet worden doorgetrokken naar Brasschaat. In de toekomst wordt dit een belangrijk sociaal vraagstuk, want iedereen weet dat de stad moet uitbreiden. Er komen zoveel mensen bij.”

Hoe gaat het nu verder met Antwerpen?

“Ik kijk met een bang hart naar de toekomst, maar dat doe ik al 36 jaar. Ik hoop dat het sociale beleid iets minder hardvochtig zal zijn. En verder: over Janssens valt veel te zeggen, maar niet dat hij niet van zijn stad hield. Ik vraag me soms af De Wever zijn stad wel goed kent. Als hij niet aan politiek zou doen, zou hij dan in Antwerpen wonen? Het was een van de dingen die ik hem wilde vragen. We zullen het zien de volgende zes jaar. Of de volgende twee jaar. Ik geloof nooit dat hij Ben Weyts naar Elio Di Rupo gaat sturen om te onderhandelen.”

In 2006 vond u de journalistiek te weinig kritisch voor Patrick Janssens, maar geldt dit in 2012 niet voor Bart De Wever?

“Absoluut. Maar het is ook niet altijd gemakkelijk.”

Waarom? Het is bijvoorbeeld toch niet moeilijk om voor de verkiezingen naar het partijprogramma van N-VA Aalst te kijken en te zien dat daar zeer forse dingen in staan?

“Ter voorbereiding van mijn beruchte interview heb ik het hele partijprogramma van N-VA Antwerpen doorgenomen, wat trouwens weinig verschilde van het programma van Janssens. Daarover wou ik hem kritisch interviewen. Ook al omdat ik vond dat hij zich in het openbaar amper uitliet over zijn plannen met de stad.”

U bent geen politieke journalist, maar wou hem wel vragen stellen als inwoner van de stad.

“Precies. Maar het is moeilijk om in zo’n gesloten politieke wereld binnen te komen. Politici, woordvoerders en journalisten: dat is een klein dorp die voortdurend met elkaar zitten te sms’en, te mailen, te tweeten. Ons kent ons, ze hebben elkaar nodig. Een journalist die aan dat spel niet meedoet, weet niets. Ik zeg niet dat je daarom als politiek journalist niet kritisch kan zijn, maar toch. Een politicus weet welke vragen hij van een politiek journalist mag verwachten, want ze kennen elkaar. Ineens vraagt dan een buitenstaander in volle verkiezingstijd een interview aan. Ergens begrijp ik dat De Wever en zijn entourage dat risico niet wou nemen. Het zou hem wel gesierd hebben, mocht hij dat ook gezegd hebben. ‘Sorry, u past niet in mijn mediastrategie.’ Nu heeft hij gezegd dat hij ‘geen tijd had’, wat onzin was. Daarom heb ik een blanco interview gepubliceerd: om mensen over dat spel te laten nadenken. Toen had De Wever plots wel een hele dag vrij. Op zijn site gaf hij zogezegd de ‘antwoorden’, maar ontweek hij vooral mijn vragen. Hij sloeg het interview dood. Op radio en tv ging hij verkondigen hoe kwaad hij wel niet was. Het strafste was dat hij toegaf ‘voor Rik Van Cauwelaert of Johan Van Overtveldt wel tijd gehad te hebben’. Ik heb overigens ook veel kwade reacties gekregen van politieke journalisten. Ze zagen dit interview als een aanval op hun vak. Een aantal van hen kwamen me vertellen dat ze het een schande vonden, de politieke journalistiek onwaardig.”

Maakt de gave van De Wever om van elke gelegenheid een mediamoment te maken hem zo speciaal?

“Hij is alleszins een groot politiek talent. Want zijn collega-politici willen dat natuurlijk ook, maar slagen er veel minder in. Elke avond kijk ik naar de coalitiebesprekingen in Antwerpen, benieuwd naar de wendingen. Het lijkt wel een soap. Onlangs verweet Turtelboom Janssens dat zijn keuze om enkel met Groen in een coalitie te treden pure strategie was. Natuurlijk! Alsof Turtelboom niet bezig is met strategie, alsof ze daar niet allemaal mee bezig zijn! Alleen is De Wever momenteel de held die alles overheerst, net zoals Yves Leterme dat ook ooit was.”

Hij kan dat toch enkel omdat de journalistiek daar in meegaat?

“Absoluut. Dat hele interview met De Wever was eigenlijk een volstrekt non-event. Maar toch slaagt hij erin om daar een mediamoment van te maken. Hij is de held met een duidelijk doel: Vlaanderen onafhankelijk maken. In de perceptie van het publiek komt die held van alles tegen, willen mensen hem boycotten. Hij slaagde er ook perfect in om mij zo voor te stellen: ik was zogezegd een ‘anti-N-VA propagandist met vooringenomen vragen’. Terwijl dat niet zo is. Ik wou hem niet pakken, daarvoor zit ik niet in de journalistiek.”

Had het niet beter geweest De Wever op het laatste moment nog te verwittigen dat u een blanco interview ging publiceren?

“Daar heb ik lang over getwijfeld. Mijn gevoel was dat De Wever weinig kende van de stad Antwerpen. Als ik die vragen nog had doorgestuurd, zou hij dat allemaal mooi opgezocht hebben.”

Zijn reactie in de media was heel_ ad hominem_. U was ‘een buitengewoon slechte journalist die zijn dossiers niet kende’.

“Ik vond het heel straf dat hij meteen de man speelde. Hij kende mij zogezegd niet, hoewel ik in Knack al tien jaar over zijn stad schrijf. Toch voerde hij meteen een intentieproces, hoewel hij later beweerde dat hij zich nooit tot zulke dingen verlaagt. Ik was het zelf vergeten, maar toen ik net begon te schrijven voor Knack heb ik ooit een interview met hem gedaan. Hij was net partijvoorzitter en niemand in de media had aandacht voor hem. Hij heeft mij toen nog bedankt voor het mooie artikel. ‘t Kan verkeren. (lacht) Ik lees nu overal dat hij in Antwerpen als verzoener wil optreden. Wel, ik ben een burger van deze stad. Wil hij ook een burgemeester van mij worden?”

Het lijkt me soms eenzaam om Stijn Tormans te zijn.

“Heel eenzaam (lacht). Ik wil dat niet opblazen, maar na dat beruchte interview heb ik 832 haatmails gekregen. Op de verkiezingsavond werd ik op de Antwerpse Grote Markt zelfs letterlijk bespuwd toen enkele N-VA militanten me herkenden. Natuurlijk is dat de schuld niet van De Wever. Maar ik ben wel enorm verschoten van de toon van zijn verkiezingsspeech en die mars op het stadhuis. Zo creëer je natuurlijk wel een opgewonden sfeer.”

Iets heel anders. Waar heeft u eigenlijk leren schrijven?

“Ik schreef al vroeg in een schoolblad. Ik vond het leuk om stukken te maken en daar reactie op te krijgen. Later op de universiteit ben ik voor het Leuvense studentenweekblad Veto gaan schrijven. Ik ben sterk beïnvloed door de New Journalism, een wat meer literaire stroming die vooral in de jaren 1970 populair was. Ik probeer de werkelijkheid op een zo juist mogelijke manier weer te geven, maar vertel dat vanuit mijn persoonlijk oogpunt. Vaak zie ik stukken in de krant verschijnen die zogenaamd neutraal zijn, maar eigenlijk alleen maar doen alsof ze objectief zijn. Ik probeer vanuit mijn eigen standpunt naar de werkelijkheid te kijken, maar maak er geen geheim van dat het mijn interpretatie van de waarheid is.”

Ik kan me voorstellen dat dat soms botst?

“Ik besef goed genoeg dat mijn interpretatie relatief is. Ik maakte ooit een reportage over ’t Zandeken, een gehucht dat zou verdwijnen in de Gentse haven. Het waren de laatste dagen van dat gehucht. Die mensen vonden dat natuurlijk verschrikkelijk. Ik wou hen een stem geven, want hun verhaal verscheen helemaal niet in de pers. Ze hadden het recht om aan het woord te komen. Na mijn reportage kreeg ik een kwade mail van toenmalig gouverneur Herman Balthazar. Hij verweet me emojournalistiek. ‘Als je een halve dag in mijn bureau had gezeten, had je het hele verhaal gekend.’ Ergens snap ik Balthazar wel. Maar die bewoners hadden ook het recht om gehoord te worden. Dat is het rare aan journalistiek: je gaat met A praten, en niet met B, en alleen al door die keuze is jouw stuk eigenlijk al niet meer objectief.”

Maar moet je op dat moment niet zowel met A als met B, met these en antithese praten, om aan de lezer de mogelijkheid te laten om tot synthese te komen?

“Neen, omdat ik in het begin van mijn stukken altijd mijn uitgangspunt vertel. In het begin van dat stuk schreef ik duidelijk dat ik vijf dagen ging rondhangen in ’t Zandeken en dat ik de mensen aan het woord wilde laten. Dat is ook eerlijke journalistiek.”

Nu weten we nog altijd niet waar u heeft leren schrijven.

“Ik heb dat allemaal zelf geleerd, door te oefenen, te schaven, te schrappen. In de tijd dat ik studeerde, waren er geen journalistenscholen. Natuurlijk spiegel je je aan mensen. In België vind ik mensen als Chris De Stoop en Filip Rogiers geweldig. Zij waren een reden om journalist te worden. Of Pascal Verbeken - zijn laatste boek Grand Central Belge is fantastisch. In Nederland had je de onlangs overleden Gerard Van Westerloo, een van de coryfeeën van de Nederlandse journalistiek.”

Laatste vraag. Stel dat de partij STIJN, uw eenmanspartij die in 2007 opkwam, had meegedaan aan de gemeenteraadsverkiezingen, en dat u burgemeester zou worden van Antwerpen, wat had u dan willen verwezenlijken?

“Ik schreef al vaak over het Internationaal Zeemanshuis in het Schipperskwartier. Dat is zo’n voorbeeld waarvan ik denk dat geen enkele politicus dat opvangt als zijnde een thema. Dat was een huis waar vroeger de zeemannen kwamen. Nu is dat een low-budget hotel geworden, maar ook een theater. Dat marcheert fantastisch goed. Toch wordt dat binnenkort afgebroken. Omdat de mensen die daar over de vloer komen, niet meer passen in het opgewaardeerde Schipperskwartier. De officiële uitleg is dat dat gebouw ‘scheef’ staat. Terwijl ik het een metafoor vind voor wat er misloopt in Antwerpen. In een stad moet er ook ruimte zijn voor gebouwen die scheef staan, voor mensen die dwars denken. Daar was onder Janssens te weinig ruimte voor.”

foto's: Theo Beck

Samenleving en politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 10 tot 17