'De problematische slogan van N-VA'

Interview met Stijn Oosterlynck (Stadssocioloog)

maart 2017
Vermeersch Wim
2017

‘Sociaal, niet socialistisch’, zo omschrijft N-VA haar beleid. Voor Stijn Oosterlynck (UA) is dat een problematische slogan. "De partij zegt solidair te zijn met de mensen die het écht nodig hebben. Dat klinkt inderdaad sociaal, maar je krijgt de voortdurende vraag wie nu eigenlijk nog onze steun verdient en een constante kritiek op het geld dat in de sociale zekerheid wordt gestoken." Oosterlynck legt uit waarom een erg voorwaardelijke welvaartsstaat geen goed idee is.

 

Stijn Oosterlynck (1979) is hoofddocent stadssociologie aan de Universiteit Antwerpen, woordvoerder van het Centrum Ongelijkheid, Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad (OASeS) en coördinator van de onderzoeksprojecten DieGem (dat rond burgerschapspraktijken en diversiteit werkt) en CSI Flanders (dat de uitdagingen voor het Vlaamse middenveld in kaart brengt). Als publieke socioloog ontwikkelt hij zijn onderzoek in continue dialoog met het middenveld en is dus de aangewezen persoon om de vraag te beantwoorden die zich opdringt, nu de centrumrechtse regeringen in ons land over halfweg hun legislatuur zijn: kan je zonder het middenveld besturen?

Het antwoord op die vraag is voor Oosterlynck duidelijk: neen. "Vlaanderen is het schoolvoorbeeld van een netwerksamenleving met een zwakke centrale staat," is hij stellig. "Die heeft altijd bestuurd met en door middel van het brede middenveld, dat erg vertakt zit in onze samenleving. Een regering heeft gewoonweg onvoldoende instrumenten in handen om eenzijdig beleid te voeren. Dat is één van de redenen waarom N-VA moet vaststellen dat haar beoogde Verandering niet zo eenvoudig te realiseren valt. Vooraleer beleid tot stand komt, is het door het middenveld gekanaliseerd en hebben overlegstructuren er de scherpe kantjes afgesleten. Daarom kennen we hier nauwelijks paradigmashifts. We zijn geen land van radicale breuken, maar van evenwichten en overleg."

Voor het eerst is er een partij die die netwerksamenleving wil ontmantelen.

"N-VA is niet de eerste partij die dat probeert. In het begin van de jaren 1990 wilde Guy Verhofstadt dat ook al met zijn Burgermanifesten. In die politieke geschriften klaagde hij aan dat niet de individuele burger maar wel de ongrijpbare drukkingsgroepen het beleid bepaalden. Er moest meer direct contact komen tussen politici en burgers; het middenveld moest ervantussen. Maar het klopt: toen Verhofstadt premier werd, schikte hij zich naar de geplogenheden van de overlegdemocratie."
"Dat is vandaag anders. De grootste partij in de Vlaamse en federale regering doet duidelijke pogingen om het beleid uit handen van het middenveld te houden. Dat is voor mij dé beoogde paradigmashift van deze legislatuur. Veel meer dan de hoogte van de besparingen; hoewel de besparingsagenda natuurlijk ook voor dat middenveld geldt. Als je na twee jaar een voorlopig bilan opmaakt, moet je echter zeggen dat het N-VA nog niet gelukt is de macht van het middenveld te breken. Natuurlijk heeft het sociaal overleg al betere tijden gekend, maar echt buitenspel staat het middenveld toch nog niet."

N-VA wil de volkspartij in Vlaanderen blijven. Heeft haar aanval op het middenveld daarmee te maken?

"Deels wel. CD&V was decennialang de volkspartij, precies omdat een groot deel van het middenveld in haar netwerk zat. Zo kon de partij signalen opvangen over wat er in de samenleving leefde. Tegelijk kon ze zo ook de samenleving pacificeren. Het middenveld is altijd een efficiënt pacificeringsinstrument gebleken. Op het moment dat moeilijke beslissingen moesten worden genomen, werd het middenveld ingezet om de bevolking te demobiliseren. Dat is vandaag anders; dat verklaart het aanhoudende verzet tegen het regeringsbeleid."
"Maar de aanval op het middenveld heeft ook met andere zaken te maken. Enerzijds heeft N-VA er alle belang bij om het middenveld te verzwakken om haar sociaaleconomisch beleid uit te voeren. Anderzijds moet het middenveld buitenspel gezet worden omdat N-VA het primaat van de politiek eng invult als de primaat van de uitvoerende macht, zonder al te veel checks and balances."

Is het mogelijk een volkspartij te zijn met zo’n enge invulling van het primaat van de politiek?

"Dat zal moeten blijken. N-VA is een partij zonder noemenswaardig middenveld; er zijn enkel de Vlaams-nationalistische flank en de werkgeversorganisaties. Dat zal de bestendiging van haar status als grote volkspartij bemoeilijken. In Gent slaagt de partij er bijvoorbeeld niet in om haar oppositie tegen het circulatieplan gestalte te geven. Ze ontwikkelt nauwelijks een eigen visie op stedelijke mobiliteit en raakte slechts zeer moeizaam aan de nodige handtekeningen om een referendum af te dwingen. Dat komt deels omdat N-VA weinig middenveld om zich heen heeft."

N-VA zegt te staan voor een warme samenleving, bijeengehouden door een gedeelde basis van waarden en normen. Met de helfie als symbool. Is het middenveld daar dan geen ideale partner voor?

"Als reactie op Zwarte Zondag in 1991 heeft het middenveld sterk ingezet op zijn sociaal kapitaal-rol. Het verenigingsleven zorgt voor maatschappelijke cohesie. Dat past in principe perfect bij het verhaal van N-VA. Het middenveld kan daarin een objectieve partner zijn. Problematisch voor de partij is zijn politiserende en dienstverlenende rol. Als het middenveld probeert te wegen op het beleid, zwakt dat het primaat van de politiek af. En ook de dienstverlenende rol van het middenveld creëert een machtsbasis die concurreert met de machtsbasis van de uitvoerende macht."
"In een poging de macht van het middenveld te breken, komt N-VA in een contradictorische situatie terecht. Ze pleit namelijk voor verstaatsing. Zo wil de partij de aparte kinderbijslagkassen aan banden leggen of de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen door de vakbonden stopzetten, en dat dit via overheidsinstellingen gebeurt. Meer staat dus. Dat is een merkwaardige paradox voor een partij die een slanke overheid voorstaat."

Het middenveld geraakt maar moeilijk verstaatst. Het vermarkten van het sociaal beleid, daarentegen, is wel al volop aan de gang.

"Het klopt niet dat het middenveld moeilijk verstaatst. Een groot deel van de integratiesector, die bijna volledig uit burgerinitiatieven en middenveldorganisaties ontstond, is vandaag zo goed als volledig verstaatst, met als gevolg een verschraling van het ideologische debat en van strategieontwikkeling rond integratie."
"Eigenlijk hebben we in ons land nooit echt een verstaatste welvaartsstaat gekend. Door de verzuiling voerde de private, non-profit sector altijd al een stuk van onze welvaartsstaat uit, met machtspolen en competitie. Nieuw is dat men vandaag ook for-profit organisaties, met winstoogmerk, binnenbrengt in het sociaal beleid.

Het argument luidt dat die innovatiever en efficiënter te werk gaan dan middenveldorganisaties.

"Ik moet de eerste studie nog zien die aantoont dat het middenveld niet innoveert. Maar het klopt: het afmeten van de zorgverlening, zoals dat in een fabriek gebeurt, zal misschien wel wat efficiëntiewinsten opleveren. De vraag is natuurlijk welke dienstverlening daar tegenover staat."

Wat is het grootste gevaar van de trend van de vermarkting van het sociaal beleid?

"Monopolies. In het Verenigd Koninkrijk experimenteerde men zwaar met tenders voor arbeidsmarktactivering. Men hoopte op meer diversiteit en innovatie, maar kreeg monopolies van multinationals en wurgcontracten van kleine organisaties die vaak voor hen het werk deden in de plaats. We moeten niet naïef zijn over de destructieve kracht van de markt. Ook de private bewakingsgroep G4S, die een Antwerps inloopcentrum voor daklozen komt uitbaten, denkt in termen van monopolie. Het heeft de kapitaalkracht om vijf jaar onder de kostprijs te werken en alle concurrenten in het middenveld uit de markt te duwen."

Uit elk onderzoek blijkt dat onze sociale zekerheid grote steun geniet bij de bevolking. Waarom komt N-VA weg met haar aanval op het middenveld, die onze sociale zekerheid tenslotte mee vormgeeft?

"N-VA valt niet zozeer de sociaal kapitaal functie van het middenveld aan. Wel haar politiserende en dienstverlenende functie, en dat heeft niet onmiddellijk electorale repercussies. Ook is het middenveld, hoe divers ook, geen dwarsdoorsnede van de bevolking. De mensen die er actief zijn, zijn hoger geschoold, hebben een beter inkomen en stemmen door de band meer voor progressieve partijen."

Volgens N-VA heeft het socialisme geen alleenrecht op solidariteit. Liesbeth Homans noemt haar partij ‘sociaal, niet socialistisch’. Wat betekent dat eigenlijk?

"N-VA zegt solidair te zijn met de mensen die het écht nodig hebben. Dat klinkt zeer sociaal, maar dat is het niet. Het is zelfs een radicale breuk met hoe onze corporatistische welvaartsstaat functioneert. Die catert in belangrijke mate voor de middenklasse. Zij maakt meer gebruik van hoger onderwijs, pensioenen en sociale zekerheid. De middenklasse is de belangrijkste afnemer van onze welvaartsstaat. ‘Sociaal, niet socialistisch’ is een keuze voor een residuele welvaartsstaat die catert voor mensen die nergens anders terechtkunnen. Een soort OCMW, dus."

De boutade luidt dat een welvaartsstaat voor enkel armen tot een arme welvaartsstaat leidt. Kan u dat eens staven met een voorbeeld?

"Sociale huisvesting. Die is er alleen voor mensen die het écht nodig hebben. Het heeft een slecht imago. Weinig mensen zouden er uit vrije wil gaan wonen. Sociale huisvesting wordt vaak gezien als plekken van miserie. Je krijgt dus een minder kwalitatieve dienstverlening. Als je dat principe zou doortrekken naar het onderwijs - alleen overheidsonderwijs voor diegenen die het écht nodig hebben en voor alle anderen privéonderwijs - zal daar hetzelfde gebeuren. Dan krijg je een gestigmatiseerd deel van het onderwijssysteem, dat geen kwaliteit kan leveren omdat ze enkel met de allerzwakste populaties werkt."
"Een residuele welvaartsstaat werkt minder goed dan een universele welvaartsstaat. Ze heeft minder legitimiteit. Mensen vinden het niet prettig dat zij moeten werken om hun hypotheek af te betalen, terwijl mensen aan de onderkant van de samenleving ‘zomaar’ toegang krijgen tot sociale huisvesting. Een welvaartsstaat voor enkel diegenen die het écht nodig hebben, klinkt dus sociaal. Maar je krijgt de voortdurende vraag wie nu eigenlijk nog onze steun verdient en een constante kritiek op het geld dat in de sociale zekerheid wordt gestoken."

Onlangs nog lazen we over ‘ondankbare armen’ bij de voedselbanken, omdat die het niet meer pikten nog maar eens een pak spaghetti mee naar huis te krijgen.

"Die mensen kregen bakken kritiek over zich heen. Onterecht, want ook zij hebben recht op goed en gevarieerd eten. Dat is dus het discours waarin je terechtkomt. Dat zagen we ook al bij het ‘voor wat, hoort wat’-verhaal van voormalig Antwerps burgemeester, Patrick Janssens. Ook toen had je voortdurend de discussie over wie nu een zogenaamde deserving poor of undeserving poor was."

Patrick Janssens kreeg ter linkerzijde veel kritiek voor zijn ‘voor wat, hoort wat’-verhaal. Maar is het principe dat je moet hebben bijgedragen vooraleer je terugkrijgt, niet inherent aan sociale zekerheid?

"Onze sociale zekerheid is geen systeem van altruïsme, dat klopt. Maar er zitten toch best wat onvoorwaardelijke elementen in onze welvaartsstaat: de onbeperkte duur van de werkloosheid, de ziektezorg, de maximumfactuur in het onderwijs, ..."

En die onvoorwaardelijkheid moet er voor N-VA nu uit?

"N-VA wil niet het einde van de welvaartsstaat, laat dat duidelijk zijn. Wel pleit ze voor een welvaartsstaat die nauwlettender wordt bewaakt, met duidelijke poortwachters en krachtiger afspraken over wie wel en niet toegang krijgt tot solidariteit."

Veel Vlamingen zullen zeggen: dat is toch een goede zaak?

(denkt na) "Ik vind van niet. Er is solidariteit die gelijkheid versterkt en er is solidariteit die ongelijkheid versterkt. Er is in ons systeem al veel van dat laatste: de Mattheüseffecten, het onderscheid tussen arbeiders en bedienden (dat nu wel wordt weggewerkt, n.v.d.r.), tussen werknemers in de overheid en in de private sector,... Als we ons solidariteitssysteem nog voorwaardelijker maken, en ons in nog fellere bewoordingen uitspreken over wie al dan niet in aanmerking komt voor onze steun, krijgen we meer uitsluiting en meer ongelijkheid. Het is dus een minder kwalitatieve vorm van solidariteit. Voor mij is de meest kwalitatieve solidariteit die gegrondvest op gelijkheid."

Parallel met het streven naar het voorwaardelijker maken van onze welvaartsstaat, zien we een professionalisering van de filantropie. De zogenaamde ‘warme’ solidariteit scheert hoge toppen.

"Warme solidariteit is belangrijk. Sommige mensen willen zich direct engageren; dat mogen we niet afblokken. Toch wringt een initiatief als De Warmste Week van Studio Brussel. Laten we solidariteit niet verengen tot sociale marketing. Ze is te belangrijk om er een mediacampagne aan te koppelen. Ik vond het erg misplaatst dat onze ministers daar stonden te paraderen met een vette cheque. De Vlaamse regering moet niet aan filantropie doen. Ze heeft genoeg andere instrumenten om aan armoedebestrijding te doen."
"Eigenlijk ben ik niet zo gelukkig met de termen ‘warme’ en ‘koude’ solidariteit. Want iets dat op het eerste zicht erg onpersoonlijk en bureaucratisch lijkt, ‘koud’ dus, zoals een korting voor ouders met een gehandicapt kind op hun onroerende voorheffing, voelt voor die mensen ongetwijfeld aan als een echte duw in de rug. Ik spreek liever over ‘directe’ en ‘indirecte’ vormen van solidariteit. Dat staat los van de connotaties ‘koud=slecht’ en ‘warm=goed’."

In rechtse kringen leeft de gedachte dat minder indirecte solidariteit de mensen op hun verantwoordelijkheden wijst en activerend werkt. Blijkt dat ook uit onderzoek?

"Neen, integendeel. Een overheid die goed voor haar burgers zorgt, geeft hen als het ware een mandaat om dat ook te doen voor elkaar. En een overheid die in het middenveld investeert, creëert een platform om indirecte solidariteit te kanaliseren. Spontane golven van directe solidariteit zijn immers vaak erg ineffectief. Toen op het Maximiliaanpark in Brussel vluchtelingen in tenten sliepen, kwam een massa mensen kleren brengen waar helemaal geen behoefte aan was. Het middenveld is erg belangrijk om de noden aan de behoeften te koppelen."

De laatste tijd zien we veel politici die de uitwassen van het systeem in de verf zetten. Zet de nadruk op sociale fraude de legitimiteit van onze welvaartsstaat niet erg onder druk?

"Uiteraard. Maar ik vind vooral het concept ‘sociale fraude’ problematisch. Het is immers niet altijd gemakkelijk om vast te stellen wat wel of niet sociale fraude is. Ik geef een voorbeeld. Collectieve woonvormen zouden een oplossing kunnen zijn voor mensen in armoede. Het is een manier om kosten te besparen. Ons uitkeringssysteem maakt evenwel een onderscheid tussen samenwonenden en alleenwonenden. Die laatsten krijgen hogere uitkeringen. Het is echter volstrekt rationeel voor iemand die in armoede leeft om samen te wonen en zo de kosten te delen. Waarom wordt met de term sociale fraude gezwaaid om dit rationeel gedrag af te straffen? We moeten dat concept eens goed in vraag stellen. Waarom willen politici daar zo snel die term ‘sociale fraude’ opplakken?"

Simpel: een politicus voelt de hete adem van de kiezer in zijn nek om daar harde uitspraken over te doen.

"Dat kan ik volgen. Toch zijn politici niet goed geplaatst om normatieve uitspraken te doen over de eigen burgers. Daar hebben ze de expertise niet voor. We laten dat best over aan professionals, zoals sociale werkers. Ik snap bijvoorbeeld niet waarom politici in OCMW-commissies zetelen. Het is niet aan hen om te oordelen of iemand een auto mag kopen of een gouden tand mag laten zetten. Politici moeten de krijtlijnen vastleggen, niet voortdurend uitspraken doen over sociale fraude."

Waarover maakt u zich op dit moment het meeste zorgen inzake onze sociale zekerheid?

"Dat ze gebouwd is op de idee van wederkerigheid, maar dat een groeiende groep laaggeschoolden zonder job niet meer aan die wederkerigheid kan voldoen en dus in toenemende mate buiten de solidariteit valt. Bovendien zit de werkloosheid in toenemende mate geconcentreerd bij mensen met een migratieachtergrond. Ik heb geen schrik dat onze welvaartsstaat wordt ontmanteld, wel dat men ze in toenemende mate aan het sluiten is voor groepen aan de onderkant van de samenleving, in het bijzonder voor migranten en nieuwkomers. De rechten van mensen met een migratieachtergrond worden op een systematische manier uitgehold."

Waarom is die reflex van welvaartschauvinisme zo sterk in Vlaanderen?

"Door de heftige cultuurstrijd hebben we duidelijk moeten definiëren wat Vlaams is. Daardoor vertalen we potentiële bedreigingen sneller in termen van culturele vrees wat zich, sterker dan elders, uit in etnocentrisme en een negatieve houding ten aanzien van migratie. Het heeft dus voor een stuk te maken met onze geschiedenis van natiestaatvorming. Maar ook met het feit dat we zo een uitgebouwde welvaartsstaat hebben. In de Verenigde Staten speelt die problematiek veel minder. Daar zie je een neoliberaal multiculturalisme. Migratie wordt gezien als talent, niet als een bedreiging. Dat gaat natuurlijk samen met de zeer weinig uitgebouwde welvaartsstaat. Iedereen is er welkom, iedereen krijgt kansen, maar een uitgebreid vangnet is er niet."

Is onze nationale welvaartsstaat überhaupt wel compatibel met de geglobaliseerde wereld vandaag?

"Migratie ondergraaft delen van de welvaartsstaat, dat is duidelijk. Uit onderzoek van KUL-collega Wim Van Oorschot blijkt dat we het meest solidair zijn met gepensioneerden en zieken, en het minst met migranten. In Vlaanderen zit solidariteit sterk ingekapseld in ons systeem van natiestaatvorming. Naarmate ons idee over de gemeenschap verandert, sluipt wantrouwen binnen en sijpelen solidariteitsgevoelens weg. We twijfelen of nieuwkomers wel tot onze gemeenschap behoren. Dat een aanzienlijk deel van onze migrantengemeenschappen lager geschoold is en daardoor ook vaker werkloos, helpt ook niet."

Dat maakt de sociale strijd een stuk minder evident.

"Onze welvaartsstaat werd opgebouwd via een sociale strijd. Dat zorgde voor gigantisch veel solidariteit. De rangen waren gesloten. Vandaag is die sociale strijd complexer. Het gaat niet meer over goede werkomstandigheden voor mijnwerkers, over allen samen zwart onder de grond. Neen, de sociale strijd vermengt zich nu met vragen naar bidplekken, andere feestdagen, taalgebruik, vestimentaire voorschriften,... kwesties van culturele verschillen. De sociale strijd functioneert daardoor, minder dan vroeger, als generator van solidariteit."

Volgens de multiculturele these moeten we vol gaan voor interculturele ontmoeting. Door persoonlijke contacten ontwikkelen we empathie en groeien solidariteitsgevoelens.

"In principe kan dat werken. Maar als interculturele contacten beperkt blijven tot couscous eten in een Marokkaans restaurant of het bezoeken van de naburige moskee, dan missen die doelgerichtheid. Ze werken te weinig als hefboom om solidariteit te genereren. Dat multiculturalisme gaat niet diep genoeg."
"We beseffen nog onvoldoende dat een cultureel-homogene welvaartsstaat passé is. Onze steden worden majority minority cities. Demografisch is er geen culturele meerderheid meer. Het is een waanidee dat je daar nog eenzijdig, zonder onderhandelingen, een gemeenschappelijk kader van waarden en normen kan opleggen."

Wat is dan de gemene deler om toch nog een gemeenschappelijkheid, en dus solidariteit, te hebben?

"Wat mij betreft is dat de plaats waar we in diversiteit werken, wonen, vrije tijd hebben, school lopen. Vanuit die plaats kunnen we een nieuwe gemeenschappelijkheid onderhandelen die geen culturele assimilatie vereist. Het bedrijfsleven is de plek waar het meest pragmatisch wordt omgegaan met diversiteit. Daar is geen tijd voor grote discussies of de hoofddoek al dan niet strookt met de verlichting. Neen, de auto moet worden geassembleerd of de post moet worden gesorteerd. De gemeenschappelijke doelstelling is duidelijk. Mensen zijn er afhankelijk van elkaar. Waarom op andere plekken - aan de schoolpoort, in de publieke ruimte, op het buurtcafé - ook niet vertrekken van zo’n gedeelde verantwoordelijkheid?"

Dat is een zeer lokale invulling van solidariteit. Gaat dat de welvaartsstaat redden?

"Moeilijk te zeggen, maar we moeten het een kans geven. Natuurlijk kan je de welvaartsstaat nooit op het niveau van de stad organiseren. De stad is geen representatieve dwarsdoorsnede van de bevolking. Armen wonen binnen de stadsmuren en rijken erbuiten. Het sociale herverdelingscontract moet op nationaal niveau. Wel hebben wijken een rol te spelen als sociale mobiliteitsmachine. De stad van de aankomst is het efficiëntste onthaalpunt voor nieuwkomers."
"Tegelijk moeten we ook op Europees niveau nadenken over solidariteit. Europese solidariteit kan geen optelsom zijn van nationale solidariteiten. Dan krijg je onvermijdelijk discussies zoals tussen Griekenland en Duitsland."

Ook hier de vraag: wat bindt ons genoeg dat als basis kan dienen voor een Europese solidariteit?

"We moeten vol inzetten op culturele hybriditeit. Erasmus is een zeer belangrijk Europees initiatief. Niet zozeer als onderwijsprogramma, wel in termen van het creëren van een gedeelde basis. Het is goed dat nu ook jongeren buiten het hoger onderwijs meer kansen krijgen om hierop in te tekenen. Als mensen met elkaar in contact komen in een context die gericht is op samenwerking en een gedeelde doelstelling, verdwijnen de vooroordelen sneller. Het beeld van de potverterende Griek vindt dan minder ingang. Helaas blijkt het voor de lidstaten niet eenvoudig buiten de nationale frame te denken. Dat zie je ook in de structuur van de Europese Unie. De Raad is nog steeds het zwaarst wegende orgaan. Zo geraken we er natuurlijk niet."

Welke boodschap heeft u voor politieke partijen?

"Bij wijze van provocatie: geen. Ik geloof meer in het middenveld om dat soort discussies aan te jagen, dan in politieke partijen. Hun denken wordt te veel gedomineerd door dagelijks bestuur en beheer, door de politiek. Maar onze samenleving zal nooit een harmonieus geheel zijn. We zullen het nooit eens zijn over hoe we die moeten organiseren, over het politieke. Tegen het primaat van de politiek moet het middenveld het primaat van het politieke opeisen. Het moet zich lostrekken uit zijn verwevenheid met partijen en staatsstructuren. Het moet het voortouw nemen in het debat over hoe de samenleving eruit moet zien."
"Natuurlijk zijn ook politieke partijen een soort middenveld; mensen organiseren er zich om zaken te veranderen. Maar ze gedragen zich niet zo. Als ik een boodschap zou hebben voor hen, dan deze: gedraag u meer als middenveld en minder als deel van de staat."

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr.03 (maart), pagina 38 tot 47
foto's: Theo Beck

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk