(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Politiek is een kaartspel

De bolletjeskermis van 14 oktober 2012

De gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 14 oktober 2012 zijn achter de rug. Onder welk politiek wolkendek werden we wakker? Welke partij zag haar politieke invloed toe- of afnemen. Een analyse van deze ‘historische’ verkiezingen komt in het eerste deel van deze bijdrage aan bod. Verkiezingen winnen is één zaak, winnen aan de onderhandelingstafel is een andere. Verloren en toch gewonnen. Gewonnen en toch verloren. Het overkwam heel wat partijen. Bij coalitievorming spelen talrijke strategische overwegingen. In het tweede deel van deze bijdrage gaan we er dieper op in.

 

POLITIEK IS EEN KAARTSPEL

Lisa Del Bo zingt ‘Liefde is een kaartspel met jokers en pokers. Liefde is een steekspel van geven en nemen. Liefde is een kaartspel van dames en heren. Liefde is een kansspel voor winnaars zoals jij.’ Is het niet net zo in de politiek? De media-tsunami naar aanleiding van de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen is achter de rug. De bolletjeskermis van 14 oktober kreeg een ongeziene media-aandacht. Het beloofden uitermate boeiende verkiezingen te worden. Sinds de vorige verkiezingen in 2006 waren de partijpolitieke kaarten immers grondig door elkaar geschud. Bovendien leek de N-VA de gemeenteraadsverkiezingen buitenspel te zetten. Voor De Wever was de regering-Di Rupo de inzet van de verkiezingen. Een eerste vuurproef voor het beleid en de populariteit van de federale regering. Een strategie die in het verleden trouwens ook door andere partijen werd gehanteerd.
Ondanks het feit dat de provincieraadsverkiezingen de beste graadmeter vormen om de nationale/Vlaamse electorale trends op te meten - bij deze verkiezingen wordt er meer ideologisch gestemd dan voor lokale besturen - bleven ze opnieuw in de schaduw van de gemeenteraadsverkiezingen. Het is nooit anders geweest. Vroeger stonden de provincieraadsverkiezingen immers in de schaduw van de parlementsverkiezingen. Sinds ze voor het eerst in 1994 samen met de gemeenteraadsverkiezingen worden georganiseerd, is de mediabelangstelling nog altijd (te) beperkt in vergelijking met haar lokale tegenhanger.
De ‘ultieme’ vraag was wat het uiteenvallen van het kartel CD&V/N-VA lokaal zou betekenen. Hoe goed zou het voormalige kleine broertje N-VA scoren? Zou de reus op lokale dwergvoeten, reuzenvoeten krijgen? Zou De Wever nu ook het lokale landschap inpalmen?
Iedereen keek dan ook reikhalzend uit naar de resultaten. Onder welk politiek wolkendek werden we wakker? Welke partij zag haar politieke invloed toe- of afnemen. De neiging bestaat trouwens om zich blind te staren op ‘nationale’ gemiddelden die lokale verschillen verdoezelen. Bovendien zorgen de ‘vlottende’ kiezers voor meer dynamiek dan de procentuele verschuivingen tussen partijen laten vermoeden. Een analyse komt in het eerste deel van deze bijdrage aan bod.

Eenmaal de kaarten geschud, konden de politici beginnen ‘spelen’. De media verlegden dan ook hun interesse naar de coalitievorming. Bij gebrek aan een absolute meerderheid moeten de partijen immers rond de tafel gaan zitten. Een paringsdans van jewelste. Geen wandeling door het park, zoals De Wever terecht aanhaalde. Het moet leiden tot de vorming van een bestuursmeerderheid. Als er een voorakkoord is - en de kiezer de kaarten voor de potentiële coalitiepartners gunstig schudde - kan de zaak snel beklonken zijn. Is er trouwens iets mis met voorakkoorden? In wezen niet. Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat de politieke partijen dit duidelijk aan de kiezer communiceren. Het gebeurt echter quasi niet. Openheid op dat vlak is nochtans een vereiste. Op die manier zouden voorakkoorden uit de sfeer van de achterkamertjespolitiek gehaald kunnen worden. Die openheid durven politieke partijen en politici echter niet aan. Jammer. Het zou hen nochtans sieren. Dat er voordien gesproken wordt, is immers een publiek geheim. Het zou trouwens erg zijn mochten politieke partijen niet on speaking terms zijn.
Verkiezingen winnen is dus één zaak, winnen aan de onderhandelingstafel is een andere. Verloren en toch gewonnen. Gewonnen en toch verloren. Het overkwam heel wat partijen. De zogenaamde anti-coalities. Iets nieuws onder de zon? Helemaal niet. Sinds mensenheugenis verloopt het op die manier. Alle partijen doen eraan mee. De grootste zijn. Hiermee koopt men vaak niets. Het betekent hoogstens dat men aan zet is. Helemaal niet dat men erbij moet zijn. Antidemocratisch? Helemaal niet. De partijen die een coalitie vormen, hebben immers een meerderheid. Niet te begrijpen is het voor veel kiezers wel.
Bij coalitievorming spelen talrijke strategische overwegingen. Bij de eigenlijke partnerkeuze spelen, gelukkig maar, overeenkomsten in het verkiezingsprogramma. In de mate van het mogelijke wil men toch een coherent inhoudelijk verhaal. Niettemin, geregeld doet het verhaal er helemaal niet toe. Als men maar aan de macht komt. Hoe men het ook draait of keert, politiek gaat over macht. Goede persoonlijke contacten tussen de sterkhouders van de onderhandelende partners spelen eveneens een belangrijke rol. Goede ervaringen in de meerderheid ook. Vaak wordt in dergelijke omstandigheden de coalitie verdergezet. Onbekend maakt onbemind. Soms begrijpelijk. In zee gaan met gekozenen zonder of met slechts een heel geringe bestuurservaring houdt ongetwijfeld risico’s in. Een ander element bij de coalitievorming is dat men, indien de mogelijkheid zich aandient, een rechtstreekse lijn naar Brussel wil. Verder zijn er vaak nog openstaande rekeningen. Men werd door partij X in het verleden uit de meerderheid gewipt en nu dient de kans zich aan om politiek ‘wraak’ te nemen. Boontje komt om zijn loontje. Ten slotte speelt ‘wiskunde’ ook een rol. Het zeteloverschot van de meerderheden is vaak beperkt. Met hoe minder men immers is om te verdelen, hoe meer men aan zijn trekken komt. In het tweede deel van deze bijdrage gaan we er dieper op in.

ALLEEN MAAR WINNAARS EN GEEN VERLIEZERS? ZET DIE PLOAT AF!

Wat zijn de grote trends als we de resultaten van de verkiezingen van 14 oktober 2012 van naderbij bekijken? Vooraf moeten we ons afvragen of het überhaupt zinvol is om over ‘nationale’ trends te spreken. Uit onderzoek blijkt immers dat de motieven van de kiezer bij de gemeenteraadsverkiezingen in de eerste plaats ‘lokaal’ zijn. Het gaat dan om de inzet rond lokale thema’s, de aantrekkingskracht van lokale lijsttrekkers, enz. Dit verklaart o.m. waarom er in de verschillende districten in Antwerpen verschillend is gestemd.1 Maar los van het feit dat de winnende partij(en) graag een ‘nationaal’ belang zien in hun score bij de ‘lokale’ verkiezingen zijn er uiteraard wel algemene trends. Voor wie nationale of Vlaamse trends wil nagaan, vormen de provincieraadsverkiezingen trouwens de beste graadmeter.2 Bij deze verkiezingen wordt er, zoals al aangehaald, niet alleen meer ideologisch gestemd dan bij de gemeenteraadsverkiezingen, ook verkiezingstechnisch liggen vergelijkingen meer voor de hand. Zo wordt zowel bij de provincieraadsverkiezingen als bij de verkiezingen voor het federaal of Vlaams parlement het systeem D’Hondt gebruikt om de stemmen om te zetten in zetels, terwijl dat bij de gemeenteraadsverkiezingen het systeem Imperiali is. Daarom beginnen we in het overzicht per partij telkens met de resultaten bij de provinciale stembusgang. We bespreken hier enkel resultaten op het niveau van de provincie. Het niveau van de provinciedistricten zou ons te ver leiden en bovendien is een vergelijking op dit punt moeilijker omwille van de hertekening van de 52 kiesdistricten uit 2006 tot de huidige 35 provinciedistricten. In het hiernavolgende overzicht komen enkel die partijen aan bod die de provinciale kiesdrempel haalden.

Opkomst

Vooraleer de resultaten te bespreken, bekijken we eerst hoe het zat met de opkomst. Stemverzaking manifesteert zich op twee manieren, namelijk door het niet opdagen in het stemlokaal en door het uitbrengen van een blanco of ongeldige stem. Het absenteïsme lag in de laatste 40 jaar nooit zo hoog als bij de stembusgang van 2012. Uit de cijfers blijkt dat in Vlaanderen 8,5% van de kiezers niet ging stemmen op 14 oktober, met uitschieters tot 15 procent in de steden Antwerpen en Oostende.3 In 2006 lag het absenteïsme in Vlaanderen gemiddeld op 5,6%, zowel bij de gemeenteraadsverkiezingen als bij de provincieraadsverkiezingen.4 Afgaande op het aantal kiezers dat het liet afweten, lag de politieke participatie met andere woorden significant lager bij de recentste verkiezingen, een aspect dat (te) weinig onder de aandacht wordt gebracht.
Hoewel de cijfers minder uitgesproken zijn, wordt deze vaststelling ook bevestigd door het aantal blanco en ongeldige stemmen. Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden Geert Bourgeois liet weten dat 4,28% een blanco of ongeldige stem uitbracht op plaatsen waar nog met potlood en papier diende gestemd.5 Daarmee lag het aantal blanco en ongeldige stemmen bij de recentste gemeenteraadsverkiezingen lichtjes hoger dan bij de vorige verkiezingen, toen 3,9% blanco of ongeldig stemde.6 Opmerkelijk is wel dat in kiesbureaus waar met computers werd gestemd veel minder kiezers blanco stemden, m.n. 2,87% (bij elektronisch stemmen kan niet ongeldig worden gestemd). Niettemin kromp het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen in 2012 (in vergelijking met de verkiezingen in 2006) door het groot aantal stemverzakingen en dit ondanks de groei van het electoraat.

Er waren op 14 oktober in Vlaanderen in totaal 7.464 gemeenteraadsleden en 351 provincieraadsleden te verkiezen. In vergelijking met 2006 zijn dat 114 gemeenteraadsleden meer en 60 provincieraadsleden minder. Het aantal provincieraadsleden werd door de Vlaamse decreetgever teruggebracht van 84 naar 72 per provincie (in Limburg van 75 naar 63).7

N-VA

De lokale verkiezingen van 2012 werden vooral als een test gezien voor N-VA en CD&V, de twee partijen die zich in 2006 nog als kartelpartners aan de kiezer presenteerden, maar zes jaar later in alle provincies en in de meeste gemeenten afzonderlijke lijsten indienden. N-VA slaagde er op eigen kracht in om in drie van de vijf Vlaamse provincies de grootste partij te worden; enkel in Limburg en West-Vlaanderen moest ze haar voormalige kartelpartner CD&V nipt laten voorgaan. Meteen is duidelijk dat N-VA hiermee de grote overwinnaar is van deze verkiezingen. Met 28,54% van de stemmen is ze dan ook de grootste partij in de Vlaamse provincies en evenaart ze haar resultaat bij de federale verkiezingen in 2010. De Vlaams-nationalisten behaalden in 2012 in alle provincies minstens 25% van de stemmen maar behaalden hun meest eclatante resultaat in de provincie Antwerpen (35,9%). Overigens konden ze hun score enkel in die laatstgenoemde provincie ook verzilveren met twee mandaten in de deputatie; in de vier andere provincies belandde ze in de oppositie.

Ook in de steden en gemeenten werd N-VA de grote overwinnaar van de lokale verkiezingen. Over heel Vlaanderen behaalde de N-VA een gemiddelde score van net geen 23% van de stemmen. In tegenstelling tot bij de provincieraadsverkiezingen werd de partij dus niet de grootste formatie bij de gemeenteraadsverkiezingen, waar CD&V haar koppositie kon vrijwaren. In 47 van de 308 Vlaamse steden en gemeenten werd de N-VA de grootste politieke formatie en in meer dan een derde van de gemeenten neemt de partij deel aan de bestuursmeerderheid, met in bijna de helft daarvan een N-VA-burgemeester aan het roer (cfr. infra).8

In het sterk gemediatiseerde duel om het politieke marktleiderschap in de stad Antwerpen behaalde Bart De Wever 37,7% van de stemmen, tegenover 28,6% voor de Stadslijst van uittredend burgemeester Patrick Janssens. De partijvoorzitter van N-VA, en nationaal boegbeeld bij deze lokale verkiezingen, heeft de burgemeesterssjerp beet. De partij scoorde ook goed in diverse Antwerpse stadsdistricten, waar 82 N-VA-districtsraadsleden een mandaat opnemen. Ondanks de concurrentie van Helemaal Hasselt (lees: sp.a) met uittredend burgemeester Hilde Claes als lijsttrekker en CD&V met Europees parlementslid Ivo Belet als lijsttrekker kon de N-VA in Hasselt een kwart van de kiezers overtuigen, waarmee ze de tweede grootste partij werd. Even werd ervoor gevreesd dat ze in Brugge het gelag zou betalen door het vroegtijdig terugtreden van de aanvankelijke lijsttrekker Pol Van Den Driessche, maar de partij behaalde er toch nog 19,79%. En in Leuven, waar senator Danny Pieters het als lijsttrekker opnam tegen burgemeester en sp.a-boegbeeld Louis Tobback, behaalde de partij een gelijkaardige score (19,04%). Van alle lijsttrekkers in de provinciehoofdsteden bracht Siegfried Bracke het er in Gent het minst goed van af (17,09%).

CD&V

De christendemocratische partij is in Vlaanderen de traditionele sterkhouder bij de ‘lokale’ verkiezingen, maar moest in de loop van de jaren veel van haar electorale monopoliepositie prijsgeven en in 2012 moest ook haar plaats van grootste partij eraan geloven. Met 21,44% van de stemmen bij de provincieraadsverkiezingen zit ze op een historisch dieptepunt. In 2000 behaalde de partij nog 26,8%. Dat ze in 2006 met 30,1% bijna terug het niveau van 1994 bereikte, was vooral toe te schrijven aan de inbreng van kartelpartner N-VA (in 2000 was VU-ID nog goed voor ruim 6%). De winst die het kartel op 8 oktober 2006 boekte was dus veeleer bescheiden. CD&V behield op 14 oktober 2012 wel nog haar koppositie in de provincies Limburg en West-Vlaanderen, die hun naam als christendemocratische bastions eer aan doen, maar verloor ook daar veel terrein en behield er slechts een kleine voorsprong op N-VA.

De gemeenteraadsverkiezingen waren voor CD&V een belangrijke test. Het was immers de eerste keer dat de partij lokaal naar de kiezer trok sinds er in september 2008 een einde kwam aan het kartel met de N-VA. In 2006 had die kartelformule bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen goed gewerkt. Het Vlaams kartel kwam toen zowel lokaal als provinciaal als grootste uit de stembusslag. Waar de kartelbreuk op provinciaal vlak werd doorgetrokken, was dit niet overal het geval op lokaal vlak. In sommige steden en gemeenten (bijvoorbeeld Ieper, Wielsbeke, Aalter, Overijse en Hoeilaart) bleef de samenwerking tussen beide partijen overeind en trok men opnieuw als kartel naar de kiezer. De aanwezigheid van nationale kopstukken (Leterme in Ieper en De Crem in Aalter) zal daar wellicht niet vreemd aan zijn.
CD&V haalde in Vlaanderen een score van 28%.9 Daarmee komt de partij heel dicht in de buurt van de score die ze haalde in 2000, toen er van het Vlaams kartel nog geen sprake was. In 2006 haalde de partij samen met N-VA nog 32,5% van de stemmen. In 138 gemeenten (45%) kwam de partij als grootste uit de verkiezingen en de partij levert 52 (16,8%) volstrekte meerderheden, een daling tegenover 2006 toen dat er nog 79 waren (25,6%). De christendemocratische partij, die traditioneel sterk staat op lokaal vlak, houdt dus behoorlijk goed stand. Ze levert 134 burgemeesters, hetgeen betekent dat maar liefst 43,5% van de Vlaamse burgemeesters van CD&V-signatuur is.

In 205 van de 308 gemeenten maakt CD&V deel uit van de coalitie. Toch is het opvallend dat de partij beter blijft scoren in landelijke gemeenten dan in de Vlaamse centrumsteden. In die laatste is het beeld divers. Gent is daarbij het absolute dieptepunt met een score van 9,1%. In Aalst haalde de partij van burgemeester Ilse Uyttersprot 17,3%. Daarmee blijft CD&V in Aalst wel de tweede grootste partij achter de N-VA. Betere scores haalde de partij in Brugge, Dendermonde of Kortrijk. In Brugge haalde de partij met lijsttrekker Dirk De Fauw 26,6% en in Dendermonde haalde de lijst van burgemeester Piet Buyse zelfs 39,3%. Een positieve uitschieter is ook Kortrijk waar burgemeester Stefaan De Clerck 33% van de stemmen wist te halen. Dit resultaat kon hij echter niet verzilveren. Vincent Van Quickenborne, die zich als uitdager van De Clerck profileerde, vormde immers een meerderheid tussen Open Vld, N-VA en sp.a. De CD&V wordt voor zes jaar naar de oppositiebanken verwezen.

Open Vld

Open Vld trok in de meeste gemeenten alleen naar de kiezer en dat, net als CD&V, zonder kartelpartner. In 2006 was er in veel gemeenten en provinciale kiesdistricten immers nog een kartel met Vivant. De electorale aantrekkingskracht van die laatste was echter beperkt waardoor het verdwijnen van dit kartel niet als een trendbreuk kan worden omschreven. De slechte peilingen bleken te kloppen: de partij scoorde globaal niet goed.
Bij de provincieraadsverkiezingen van 2012 behaalde Open Vld 14,57% (tegenover 18,9% in 2006). In alle provincies moest de partij terrein prijsgeven. In de provincie Oost-Vlaanderen verloor ze nipt de strijd om de tweede plaats van CD&V. Dat ze over heel Vlaanderen toch opnieuw de derde grootste partij kon worden, komt vooral doordat sp.a en Vlaams Belang nog meer stemmen verloren.

Ook in de steden en gemeenten liet Open Vld een verlies optekenen. De partij behaalde 1.234 gemeenteraadsleden en levert ondertussen 66 liberale burgemeesters. In 128 (41,5%) gemeenten maakt de partij deel uit van de bestuursmeerderheid. In 16 gemeenten wist Open Vld een volstrekte meerderheid te halen.10
Toenmalig voorzitter Alexander De Croo gaf toe dat het resultaat voor zijn partij niet goed was, zeker in die steden en gemeenten waar de partij voorheen ook al zwak scoorde.11 In de gemeenten waar de partij voorheen sterk stond (of over sterke figuren beschikt) is het beeld genuanceerder. De electorale aantrekkingskracht van enkele partijkopstukken heeft lokaal voor goede resultaten gezorgd. Alexander De Croo zelf scoorde heel goed in Brakel (41,9%) en Bart Somers deed hetzelfde in Mechelen met zijn stadslijst (33,9%).
Wanneer we de electorale kaart van Vlaanderen bekijken dan lijkt het erop dat de partij enkel in Oost-Vlaanderen (traditioneel al langer een liberale provincie) nog enigszins standhoudt. De liberalen scoorden behoorlijk in het zuiden van die provincie (onder andere Oudenaarde, Wortegem-Petegem, Zwalm en Brakel) en in het Waasland (Lokeren, Lochristi, Moerbeke). 25 van de 66 Open Vld burgemeesters zijn Oost-Vlamingen en de partij zetelt er in 42 meerderheden (op 65 gemeenten). Elders in Vlaanderen is het beeld veel minder rooskleurig. De uitschieter is daarbij ongetwijfeld de stad Antwerpen waar Open Vld geen rol van betekenis speelde in het duel De Wever-Janssens. De partij haalde er met nieuwkomer en federaal minister Annemie Turtelboom amper 5,5%.

Sp.a

Net als de christendemocraten en liberalen verloren ook de socialisten in de loop van de jaren heel wat aanhang. Terwijl de partij bij de provincieraadsverkiezingen van 2006 (toen in kartel met Spirit) nog bijna 3% winst boekte (in vergelijking met 2000), verloor de partij op 14 oktober 2012 5% (van 19,2 naar 14,2%). De beste score behaalde de partij in Limburg waar ze een kartel vormde met Groen. En hoewel ze daardoor net de grens van 20% doorbrak, werd ze toch slechts derde in de rangorde van de partijen (tweede in 2006). Het Stevaert-tijdperk lijkt daarmee helemaal afgesloten.

De neerwaartse trend van de sp.a zette zich ook in de meeste Vlaamse gemeenten door. Op gemeentelijk vlak behaalden de socialisten in 2006 de hoogste score sedert de samenvoeging van gemeenten. Opvallend is dat in 2012 de partij doorgaans goed scoorde waar ze in kartel met Groen naar de kiezer trok. Het bekendste voorbeeld is Gent waar de kartellijst met Groen onder het lijsttrekkerschap van Daniël Termont in stemmen bijna een absolute meerderheid behaalde en in zetels effectief een absolute meerderheid behaalde. Op andere plaatsen verloor de partij wel stemmen (en soms de absolute meerderheid) maar bleef ze de grootste partij. Dat was onder meer het geval in Oostende, Leuven en Hasselt, waar de sp.a meer dan 30% behaalde. In Vilvoorde slaagde Hans Bonte er in een kwart van de kiezers te overtuigen. Maar in de meeste steden en gemeenten incasseerde de partij verlies. Patrick Janssens verloor het duel met Bart De Wever in Antwerpen, waar de Stadslijst met CD&V na de verkiezingen uiteenviel en de sp.a in de oppositie belandde. Een bijzonder geval is Brugge, waar parlements-lid en lijsttrekker Renaat Landuyt met ruim een kwart van de stemmen er nipt in slaagde CD&V te overvleugelen, nochtans de partij van uittredend burgemeester Patrick Moenaert en met gedeputeerde Dirk de Fauw als lijsttrekker.

Groen

Met uitzondering van de provincie Limburg trok Groen in de vier andere provincies alleen naar de kiezer. De resultaten voor de provincieraadsverkiezingen over heel Vlaanderen zijn daardoor wellicht minder makkelijk te interpreteren. Als we Limburg buiten beschouwing laten, maakte Groen slechts een bescheiden winst van 8,07% in 2006 naar 8,87% in 2012. Als we de score samentellen die de lijst sp.a-Spirit en de lijst Groen! in 2006 behaalden in Limburg (30,1%), dan deed de kartellijst het in 2012 ronduit slecht, met een achteruitgang van precies 10%. De kartelformule met Groen was voor de socialisten in Limburg op provinciaal niveau dus zeker geen succesverhaal.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen krijgen we een ander beeld. Groen is traditioneel minder sterk vertegenwoordigd op lokaal niveau maar kon in 2012 in de meeste gemeenten waar de partij opkwam een beter resultaat neerzetten; in Antwerpen en Brugge, over Leuven en Oostende tot Mechelen. Lijsttrekker Wouter De Vriendt zette in Oostende een mooie score neer (10,1%, tegenover 6% in 2006). Succes boekte de partij ook in Antwerpen waar ze 7,9% behaalde (tegenover 4,7% in 2006). De slechte score bij de vorige stembusgang was wellicht deels te verklaren doordat de partij tussen twee stoelen viel, met een campagne die in het teken stond van het duel Janssens versus Dewinter. De groene kiezer lijkt in 2012 niet te zijn meegegaan in het duel Janssens-De Wever. De zege van de kartellijst in Gent (45,5%) werd al aangehaald. Maar wie er de resultaten van 2006 op naslaat, merkt dat beide lijsten toen apart ook al 43,7% boekten, wat de ‘monsterscore’ van 2012 toch enigszins nuanceert. In Leuven zette de partij op eigen kracht een sterk resultaat neer: van 11,3% in 2006 ging het in 2012 naar 15,5%. In Brugge slaagde de partij er met een volledig vernieuwde lijst in door te groeien van 6,5% naar 8,8%. Het rood-groene kartel boekte met 33% van de stemmen ook in Hasselt een mooie score. Maar dat resultaat verbleekt wel bij de 48,3% die het kartel er zes jaar eerder behaalde. Mogelijks heeft Groen hier in 2012 kunnen verhinderen dat er nog groter verlies werd geboekt.

Vlaams Belang

Voor het Vlaams Belang vormden de verkiezingen van 14 oktober een bittere pil. De partij, die al een tijdje gebukt gaat onder zware interne meningsverschillen, leed haar zwaarste verlies ooit. Naast die interne ruzies was er bovendien de concurrentie van de N-VA, wat de electorale strijd er niet makkelijker om maakte.
De resultaten bij de provincieraadsverkiezingen spreken boekdelen: de partij verloor meer dan de helft van haar kiezers en strandde op 8,95% (tegenover 21,5% in 2006). Enkel in de provincie Antwerpen raakte Vlaams Belang nog over de drempel van 10%. Het verlies zette zich bovendien overal door, zowel in het landelijke Vlaanderen als in de steden. In Gent zakte de partij van 18% in 2006 naar 6,5%, in Brugge van 16,2% naar 5,4% en in Mechelen van 26,5% naar 8,7%. Ook de nationaal bekende partijkopstukken (waarvan er velen op de lijst in Antwerpen stonden) hebben het verlies niet kunnen beperken. De partij leed er met lijsttrekker Filip Dewinter een bijzonder zware nederlaag door te stranden op 10,2% van de stemmen tegenover 33,5% in 2006. In de stad waar het voor de partij allemaal begon speelt het Vlaams Belang met amper nog vijf zetels in de gemeenteraad nagenoeg geen rol van betekenis meer. In veel landelijke steden en gemeenten (Maldegem, Diksmuide, Torhout) haalde de partij zelfs geen enkele zetel meer. Het enige lichtpunt voor de partij komt uit het Oost-Vlaamse Ninove. Daar trok Vlaams Belang onder de naam ‘Forza Ni-nove’ naar de kiezer en behaalde er 26,5% van de stemmen, wat de partij meteen de grootste in de gemeenteraad maakte.

Vernieuwing politiek personeel

De eerste grote doorbraak van N-VA op gemeentelijk en provinciaal niveau vertaalde zich in een zelden geziene turnover of vernieuwingsgraad bij het politiek personeel. Zo zijn de vijf provincieraden bevolkt met minstens de helft neofieten, waarvan het overgrote deel N-VA raadsleden. In Antwerpen zijn er niet minder dan 51 nieuwe raadsleden op de 72, waarvan 26 nieuwe N-VA raadsleden; in Limburg gaat het over 39 nieuwe raadsleden op de 63, waarvan 16 nieuwe N-VA raadsleden. In West-Vlaanderen zijn er 45 en in Oost-Vlaanderen 42 nieuwe raadsleden op de 72, waarvan respectievelijk 19 en 20 nieuwe N-VA raadsleden. In Vlaams-Brabant ten slotte tellen we 36 nieuwe raadsleden op de 72, waarvan 18 nieuwe N-VA raadsleden.12

TUSSEN KLEURENWIEZEN EN OVERTROEVEN: DE VORMING VAN DE BESTUURSMEERDERHEID

Na het verdelen van de zetels en het (nationaal) interpreteren van de uitslag volgt het laatste machtsmoment bij de gemeenteraadsverkiezingen: de vorming van een bestuursmeerderheid. Partijen moeten eerst op zoek naar een geschikte partner en daar vervolgens afspraken mee maken naar inhoud (bestuursakkoord) en personeel (bestuursploeg).13 Het belang van die spreekwoordelijke tweede ronde van de verkiezingen kan in een gefragmenteerd meerpartijensysteem als het onze moeilijk overschat worden: ‘de kiezers delen de kaarten uit, de partijen spelen ermee’.14 Met het verdwijnen van heel wat plaatselijke varianten van het Vlaams kartel en de opkomst en het succes van de N-VA in het gros van de gemeenten gold dat deze verkiezingen des te meer.

De toename van het effectief aantal relevante partijen in onze gemeenteraden zorgt in de eerste plaats voor een opstoot in het aantal potentiële meerderheden.15 Dat de winst van N-VA vooral ten koste leek te gaan van Vlaams Belang (een partij die door het cordon sanitaire bij voorbaat van coalitieonderhandelingen is uitgesloten) versterkt die tendens. Toch zijn er nog altijd gemeenten waar één partij over voldoende zetels beschikt om de coalitieonderhandelingen links te laten liggen en eigenhandig de meerderheid uit te maken. In de nieuwe legislatuur zal dat nog altijd voor goed één op vier Vlaamse gemeenten gelden. Niettemin staat die situatie voor een kleiner wordende groep gemeenten: na de vorige verkiezingen regeerde in ongeveer een derde van alle gemeenten nog een absolute meerderheid.16 Vooral de uitholling van het christendemocratische electorale overwicht is hiervoor verantwoordelijk (samen met de opkomst van kartels en nieuwe partijen).

In driekwart van de gevallen moet er dus wel een coalitie gevormd worden. Het onderhandelingsproces voor het vormen daarvan wordt doorgaans met de periode kort na de verkiezingen geassocieerd. Maar ook voordien verkennen partijen de mogelijkheden. Uit onderzoek naar de praktijk in het verleden weten we dat in goed driekwart van alle Vlaamse gemeenten minstens vooronderhandelingen werden gehouden. Soms leiden die onderhandelingen tot principiële akkoorden nog voor de stembureaus opengaan. Dergelijke voorakkoorden zouden, luidens cijfers voor de gemeenteraadsverkiezingen rond de eeuwwisseling, in om en bij de twee derde van de gemeenten gesloten worden.17 En ook in de aanloop naar 2012 kwamen de vermeende proliferatie van deze praktijk en de veronderstelde slachtoffers ervan opnieuw meermaals voor het voetlicht. CD&V-senator Schouppe schatte het aantal voorakkoorden zelfs tot negen op tien gemeenten. Vooral N-VA zag zich bij voorbaat uitgesloten van de macht.18 Sommigen bepleiten dan ook meer openheid in hoofde van de partijen om daar ook naar de kiezer toe over te communiceren. Voorakkoorden blijken in ieder geval een terreinverkenning die enige zekerheid moet inbouwen voor de verkiezingsdag. Maar precies de eigenlijke stembusslag (en de gebeurtenissen er vlak na) is er dikwijls verantwoordelijk voor dat ze dode letter blijven. Vaak heeft een vooraf beoogde coalitie immers gewoon geen zetelmeerderheid.

Het bredere zoeken naar dit laatste gaat doorgaans behoorlijk snel. Uit het eerder vermelde onderzoek blijkt dat er in meer dan 70% van de gemeenten al een principieel akkoord is ten laatste tijdens de verkiezingsnacht. En ook in 2012 lag het coalitietempo hoog: vier dagen na de gemeenteraadsverkiezingen maakten al meer dan vier op vijf gemeenten hun coalitie bekend.19 In de meeste gemeenten is er in de directe nasleep van de verkiezingen dus sprake van een afgelijnd window of opportunity voor coalitievorming.

In dat venster vindt de partnerkeuze plaats die leidt tot de uiteindelijke coalitie. Dit proces bekijken politicologen meestal vanuit twee perspectieven. Aan de ene kant gaan ze ervan uit dat partijen spelers zijn die vertrekken vanuit hun relatieve machtspositie (meestal het zetelaantal maar ook de onderhandelingsmacht die voortvloeit uit een centrale of pivotale rol op ideologisch vlak) die ze trachten te maximaliseren. Coalitievorming is dan een rationeel keuzeproces waarbij partijen de kosten en baten van verschillende formules berekenen en afwegen. Dikwijls zal de uiteindelijke coalitie deze zijn waarbij geen van de partners overbodig is (minimal winning) en/of die het minimum aantal partijen bevat dat nodig is om een meerderheid te vormen (minimal number of parties). Dat is ook in 2012 in respectievelijk bijna 78% en 64% van de gemeenten het geval. Gegeven de versplintering van het partijlandschap en samen met deze minimale voorwaarden beschouwd, kan het dan ook niet verwonderen dat de grootste partij in de gemeenteraad heel vaak tot de coalitie zal behoren (iets meer dan in vier op vijf gevallen). Een anti-coalitie om de lokale sterkhouder uit het college te houden is dus meer uitzondering dan regel maar komt hier en daar wel degelijk voor. Coalities die bestaan uit twee partijen blijken het meest populair met een substantieel aantal gemeenten waar drie partijen de dienst uitmaken (respectievelijk iets meer dan 67% en iets minder dan 32%). Coalities met vier partijen zijn zeer uitzonderlijk. In een minderheid van de gemeenten (iets meer dan één op vier) heeft de coalitie ook slechts het minimum aantal zetels dat nodig is om een meerderheid te vormen (minimal seats). Een ruimer zeteloverschot blijkt dus wenselijk voor de werkbaarheid en de stabiliteit van de coalitie of vloeit simpelweg voort uit bovenstaande overwegingen.

Deze cijfers liggen overigens in het verlengde van de trends bij lokale meerderheidsvorming sinds de jaren 1980. Wel valt op dat dit soort typische ‘rationele’ coalities minder exclusief het meerderheidslandschap uitmaken.20 Samen met het kleiner aandeel absolute meerderheden wijst dit op de toegenomen keuzemogelijkheden en dus wellicht het toenemend belang van andere factoren die coalitievorming kunnen verklaren al was het maar omdat in veel gemeenten meerdere varianten van dergelijke rationele coalities denkbaar zijn.

Dan komen we bij de andere kant en de meer inductieve verklaringsmodellen die partnerkeuze zien als een samenspel van een hele reeks factoren voorbij loutere machtsmaximalisatie. Die verwijzen o.m. naar de geschiedenis van een partij en haar ervaring met coalitievorming, de (gepercipieerde) beginselvastheid van een mogelijke coalitiepartner, de mate waarin de hogere partijechelons proberen controle uit te oefenen op de vorming van specifieke lokale coalities en een aantal kenmerken van het politieke landschap in de gemeente (o.m. de mate en aard van politisering rond bepaalde issues). Uit voorgaand onderzoek blijkt dat overeenkomsten in het verkiezingsprogramma, persoonlijke verhoudingen en goede ervaringen in de meerderheid als voornaamste basis voor de coalitievorming gepercipieerd werden, eerder dan machtsmaximalisatie of bovenlokale druk.21 Positieve samenwerkingservaringen of het falen van alternatieve coalitiepogingen blijken ook noodzakelijke voorwaarden voor het voortzetten van de uittredende coalitie. Een perfecte kopie van die voorgaande meerderheid is in Vlaanderen vandaag veeleer uitzonderlijk (iets meer dan 8%). Een complete vervanging van de bestuursploeg echter evenzeer (iets meer dan 13% van de coalities telt enkel nieuwkomers).22 Dat ligt in de lijn van de incrementele coalitiedynamiek in de meeste meerpartijensystemen. Opvallend is wel dat N-VA als ‘nieuwe’ partij op het gemeentelijke erf het verre van slecht doet in termen van regeringsdeelname. Op grond van haar eigen cijfers zal de partij deel uitmaken van ruim meer dan één derde van alle gemeentelijke coalities. Die cijfers nuanceren in ieder geval de beeldvorming dat anti-N-VA coalities de norm zouden worden.23
De kernafspraken die de coalitiepartijen met elkaar maken worden in een bestuursakkoord gegoten. Het komt doorgaans wat later tot stand dan de principiële bereidheid tot samenwerking, al toont onderzoek dat in bijna 40% van de gemeenten dat akkoord al wordt afgesloten tijdens de verkiezingsnacht.24 Naast een inhoudelijke component omvat het bestuursakkoord meestal ook een belangrijk personeel luik dat al dan niet formeel wordt opgenomen. De coalitiepartners moeten immers ook tot een overeenkomst komen m.b.t. de bestuursploeg. Dat heeft dan vooral betrekking op een aantal sleutelfuncties in het lokaal bestuur (burgemeester, schepenen, OCMW-voorzitter). Uit verkennend onderzoek blijkt dat partijen in de coalitie primair een aantal uitvoerende mandaten krijgen dat in proportie is met hun zetelaantal (hoewel de grootste partij en/of uittredende coalitiepartners extra beloond worden met het burgemeesterschap als zwaarwichtige hoofdprijs). De inhoud van het beleidsdomein blijkt van secundair maar niet verwaarloosbaar belang.25

Eens de kavels verdeeld, moeten die mandaten natuurlijk ook worden toegewezen aan individuele verkozenen. De meest gehanteerde selectiecriteria zijn daarbij: het aantal voorkeurstemmen, de gepercipieerde deskundigheid van de kandidaat-mandataris, de anciënniteit en ervaring in het politieke leven, een evenwichtige territoriale spreiding van de uitvoerende mandatarissen en een relatief evenredige vertegenwoordiging van verschillende sociale groepen in het bestuur.26
Deelname aan het bestuur is echter niet zonder gevaar. Onderzoek toont aan dat bestuurspartijen doorgaans electoraal verlies boeken bij de daaropvolgende verkiezingen. Die cost of ruling is echter niet louter plaatselijk. De beoordeling van bovenlokale regeringsdeelname speelt ook een rol. Partijen die vaak deelnemen aan het bestuur op verschillende niveaus (d.i. de klassieke bestuurspartijen) doen het niet significant slechter in het plaatselijk bestuur dan in de oppositie. De lokale regeringskost wordt vaak ook gecompenseerd door een soort kanseliersbonus voor de partij die de burgemeester mag leveren.27 Of die wetmatigheid opgaat weten we pas in oktober 2018.

NOG EVEN NAKAARTEN: CONCLUSIES

Wie op 14 oktober 2012 steunt om de volgende parlementsverkiezingen in 2014 te voorspellen, weze gewaarschuwd. Gemeenteraadsverkiezingen volgen (ietwat afgezwakt) de parlementsverkiezingen en niet omgekeerd.
De vorming van een bestuursmeerderheid wordt van langsom belangrijker. Hoewel het potentieel aantal meerderheden is toegenomen met de dito evolutie van het aantal partijen in onze gemeenteraden zal één op vier gemeenten de komende zes jaar door één partij bestuurd worden. Het resterende driekwart beantwoordt nog vaak aan het klassieke beeld van de rationele coalitie met weinig partijen en heeft vaak een klein maar werkbaar zeteloverschot. Dat beeld is echter minder exclusief voor het meerderheidslandschap dan voorheen. Programmatische overeenkomst, goede persoonlijke verhoudingen en ervaringen in de meerderheid vullen dan aan (of overschrijven) om de partnerkeuze beter te begrijpen. Bestuursakkoorden komen doorgaans snel tot stand en worden uitgevoerd door een bestuursploeg. Coalitiepartners zijn daarin aanwezig naar soortelijk gewicht. Voorkeurstemmen blijven leidend in het aanduiden van specifieke mandatarissen. Of besturen loont dan wel zoals gebruikelijk kost, en het kaartenhuis standhoudt of instort, zal echter moeten blijken binnen zes jaar.

Koenraad De Ceuninck, Ellen Olislagers, Herwig Reynaert, Kristof Steyvers en Tony Valcke
Centrum voor Lokale Politiek, Universiteit Gent

Samenleving en politiek, Jaargang 20, 2013, nr.1 (januari), pagina 51 tot 64

Noten
1/ Swyngedouw M. (2012), Over het verdriet van Janssens. Samenleving en politiek, 19, 10 (december), pp. 4-14.
2/ Valcke T., Reynaert H., Steyvers K. & Ackaert J. (2007). De provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2006. Electorale tendensen in Vlaanderen en Wallonië. Res Publica, 3, pp. 440-472.
3/ Steeds minder Belgen gaan stemmen. De Morgen, 8 november 2012, p.10.
4/ Valcke T., Reynaert H., Steyvers K. & Ackaert J. (2007). De provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2006. Electorale tendensen in Vlaanderen en Wallonië. Res Publica, 3, p.443 ; Ackaert J., De Ceuninck K., Reynaert H., Steyvers K. & Valcke T. (2007). De gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006. Evolutie sinds 1976. Res Publica, 2-3, p.412.
5/ Dobbelaere B. (2012). Minder blanco en ongeldige stemmen bij digitaal stemmen. De Standaard, 19 december 2012.
6/ Bij de provincieraadsverkiezingen in 2006 stemde 5,9% blanco of ongeldig.
7/ Vlaamse Regering, Persbericht van 16 maart 2012. Zie www.vlaanderenkiest.be/vlaamse-regering-legt-aantal-mandaten-lokale-verkiezingen-vast, geraadpleegd op 18 december 2012.
8/ Cijfers afkomstig van de partij zelf en gepubliceerd op de website. Zie www.n-va.be/resultaten, geraadpleegd op 18 december 2012.
9/ Cijfers afkomstig van de partij zelf, gepubliceerd in Ampersand van november 2012.
10/ In deze cijfers zitten ook de lokale lijsten waarop Open Vld kandidaten stonden zoals bijvoorbeeld het geval was in Ardooie (Groep ’82), Koksijde (Lijst Burgemeester) en Kluisbergen (Gemeentebelangen).
11/ Persmededeling ‘Open Vld maakt analyse van lokale verkiezingen’ van 16 oktober 2012.
12/ Met dank aan de Griffie van de respectievelijke provincies om ons de cijfers te bezorgen.
13/ Steyvers K. & Reynaert H. (2010). De gemeenteraadsverkiezingen als brandpunt van de lokale representatieve democratie. In Reynaert H. & Steyvers K. (Eds.), De kerktorenpolitiek voorbij? Lokale politiek in Vlaanderen (pp. 95-126). Brugge: Vanden Broele. In deze publicatie vindt de lezer referentie- en cijfermateriaal voor de gemeenteraadsverkiezingen tussen 1976 en 2006.
14/ Ackaert J. (1996). De kiezers delen de kaarten uit, de partijen spelen ermee. In Buelens J. & Deschouwer K. (Eds.), De dorpsstraat is de wetstraat niet (pp. 49-74). Brussel: VUB Press.
15/ De gegevens voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 en 2012 komen uit het doctoraatsonderzoek van Ellen Olislagers (Rekensom of relatiegeschenk? Partnerkeuze bij coalitievorming op lokaal vlak) tenzij anders vermeld. Uit dit onderzoek blijkt dat er naar aanleiding van de verkiezingen van 2012 in de 308 Vlaamse gemeenten 4885 mogelijke meerderheden konden worden gevormd tegen 3542 in 2006. Op het moment van het afwerken van deze bijdrage was de effectief gevormde meerderheid in 305 van de 308 Vlaamse gemeenten bekend. Dat aantal is de basis voor onze analyse.
16/ Het duurt tot de jaren 1990 vooraleer een meerderheid van Vlaamse gemeenten coalities kent, zie: Ackaert J., Dumont P. & Dewinter L. (2008). Hoe oude vormen en gedachten overleven: lokale coalitievorming. In Buelens J., Rihoux B. & Deschouwer K. (Eds.), Tussen kiezer en hoofdkwartier. De lokale partijafdelingen en de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 (pp. 111-138). Brussel: VUB  Press. De percentages hebben betrekking op de gemeenten waar een partij met een potentiële absolute meerderheid ook effectief alleen regeert. In een aantal gemeenten wordt de meerderheid van die ene partij immers uitgebreid met andere partners. De situaties met dergelijk surplus beschouwen we als coalities. In totaal hebben dus 79 Vlaamse gemeenten een meerderheid van één partij terwijl er in 226 tegenhangers een meerderheid van twee of meer partijen aan de macht komt (berekend op 305 bekende meerderheden; in de vooralsnog onbekende is ook telkens een coalitie nodig van twee of meer partijen).
17/ Ackaert J. (1996), o.c., pp. 53-54. Ackaert J., Dumont P. & Dewinter L. (2008), o.c., pp. 115-122.
18/ Winckelmans W. & Brinckman B. (2012). Iedereen heeft voorakkoorden, ook N-VA. De Standaard, 26 september 2012.
19/ Kidr (2012). Ex-kartelpartners N-VA en CD&V laten elkaar vallen. De Standaard, 18 oktober 2012. Uiteraard wordt de coalitie maar definitief op het moment dat de voordrachtsakte gestemd wordt op de installatievergadering van de gemeenteraad. Een aantal van de toen aangekondigde coalities is dan ook ondertussen afgevoerd, bijgesteld of vervangen door andere.
20/ Boute S. (1988). De vorming van coalities in de Belgische gemeenten. Tijschrift voor Sociologie, 1/2, pp. 138-179. Ackaert J., Dumont P. & Dewinter L. (2008), o.c., pp. 124-128. In 2006 lag het aantal coalities zonder overbodige partners, met zo weinig mogelijk partijen, een zo klein mogelijk zeteloverschot of waarvan de grootste partij deel van uitmaakte telkens systematisch hoger. De eerste twee factoren bleken ook respectievelijk bijna twee tot vier keer de kans te verhogen dat een potentiële coalitie ook de effectieve zou worden. Olislagers E. & Steyvers K. (2011). Rekensom of relatiegeschenk? Partnerkeuze bij coalitievorming op lokaal vlak. Burger, Bestuur & Beleid, 7(2), pp. 91-104.
21/ Pridham G. (1986). Coalitional behaviour in theory and practice: an inductive model for Western Europe (pp. 26-31). Cambridge: Cambridge University Press. Ackaert J., Dumont P. & Dewinter L. (2008), o.c., pp. 133-135. Bovenlokale druk is zeker niet afwezig. Vaak worden er op streekniveau deals gemaakt. Toch is de vaststelling dat slechts om en bij de 3% van alle komende lokale coalities een afspiegeling zal zijn van de regionale of federale regering veelzeggend voor de beperkingen daarvan.
22/ In 2006 lag het cijfer voor heel België nog op ongeveer de helft en bleek incumbency (samen met de vermelde minimal criteria) de sterkste voorspeller om effectieve van potentiële meerderheden te onderscheiden. Olislagers E. (2012). Kiezen voor continuïteit? Waarom veel coalities een voortzetting zijn van hun voorgangers. Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement, 4, pp. 5-17. Voor Vlaanderen alleen bedroeg het cijfer toen 36,8%.
23/ Zie http://www.n-va.be (stand van zaken 14 december 2012). In totaal worden 113 deelnames vermeld aan coalities (of bijna 37%). De partij rekent echter ruim: ook kartels en/of lijsten met een lokale naam worden als N-VA-bestuur gekenmerkt. 
24/ Ackaert J., Dumont P., De Winter L. (2008), o.c., pp. 119-122.
25/ Doctoraatsonderzoek Ellen Olislagers (Rekensom of relatiegeschenk? Partnerkeuze bij coalitievorming op lokaal vlak).
26/ Ackaert J., o.c., pp. 63-66.
27/ Vermeir J., Heyndels B. (2007), Loont besturen? Electorale voor- en nadelen van bestuursdeelname bij gemeenteraadsverkiezingen. Res Publica, 1, pp. 113-131.

verkiezingen - bestuursakkoord - burgemeesterschap

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk