(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Leven als een middenklasser: het perspectief van een outsider

februari 2014
Nath Giselle
2014

TWEE WERELDEN

Ik deed een kleine steekproef onder mijn vrienden (jong, blank, hoogopgeleid) en ontdekte dat de materiële normen die wij aan onszelf stellen steeds hoger liggen. We maken gezellige winterse ovenschotels met zomergroentes zoals courgette. We schaffen ons dure smartphones aan die het toelaten om permanent in contact te blijven met de werkplaats en de marktplaats. En we reizen – meerdere keren per jaar. Misschien niet altijd in een hotel, want dat is zo toeristisch. Maar om bij de sofa’s van onze buitenlandse vrienden te komen maken we toch nog gebruik van een ultragoedkoop vliegticket, want hoe zouden we het ons anders kunnen veroorloven om er zo vaak op uit te trekken? Dat vliegtuigticket kopen we dan bij een maatschappij die zijn personeel dubbele shifts laat draaien en bespaart op – op wat niet eigenlijk?
Diezelfde steekproef afgenomen in het milieu van mijn vader (migrant, laagopgeleid) onthulde dat er ook een heel ander dagelijks leven bestaat. Consumeren verloopt er minder mainstream en misschien wel meer relaxt. Er zijn weinig gadgets, we eten linzen in plaats van vlees of industrieel bewerkte vleesvervangers. Meubels die afwijken van het plaatje uit doorsnee interieurmagazines, eens gaan zwemmen in de schoolvakanties. Het etiket "relaxt" klinkt u, lieve lezer uit de middenklasse, misschien niet erg passend in de oren. Is dit niet gewoon het consumptiepatroon van kansarme groepen in de samenleving? Misschien wel, maar wie heeft u uitgenodigd om daar een negatief oordeel aan vast te plakken?
Ik gebruik in beide steekproeven het woord ‘wij’ omdat ik ergens tussen beide milieus ben opgegroeid. Het is vanuit dit contrast dat ik het dagelijks leven in de 21e eeuw bekijk. Omdat ik niet anders geleerd heb. En ook, omdat wat ik geleerd heb onderling tegenstrijdig is. Wie uit een problematische opvoedingssituatie komt (posser, om even in het jargon te blijven) leert al heel snel om de wensen beperkt te houden. Omdat alles altijd al lastig genoeg is, blijft er weinig tijd en interesse over voor de grote wereld daarbuiten, met al zijn verlokkingen en mogelijkheden. Maar dan gebeurt het; je knokt je een weg naar dat diploma, vindt werk en kan op eigen benen staat. Dan leer je heel snel een ander dagelijks leven kennen dat een andere houding vereist. Niets willen missen, gretig opnemen wat op je weg komt zonder naar de centen te moeten kijken... het lijkt het belangrijkste levensadvies te zijn geworden.
Dit gaat niet alleen om klassenverschil in Vlaanderen anno 2013. Hoe we leven, hoe we consumeren en welke normen we daarbij hanteren is hét maatschappelijke dilemma in een geglobaliseerde – en steeds ongelijkere – wereld. Voor mij persoonlijk, en voor de wereld die mijn kinderen zullen erven. Wat betekent het om te leven in een maatschappij die in alles op maat lijkt te staan van de blanke, hoogopgeleide middenklasse? Welke impact heeft dat op de grote ecologische en ethische vraagstukken waar we mee af moeten rekenen? Laat mij u het perspectief van een (relatieve) outsider meegeven.

PENSIOENSPAREN IN TIJDEN VAN CRISIS

Ik ben één van die geluksvogels die vrij snel na het afstuderen aan de slag kon op de arbeidsmarkt. Maar een geluk komt nooit alleen. De status van hogeropgeleide jongvolwassene brengt verwachtingen met zich mee die ik als student nog vrolijk kon negeren. Dit is wat in de sociale wetenschappen socialisatie wordt genoemd: een dwingend proces waarbij je de waarden en cultuurkenmerken van je een referentiegroep krijgt aangeleerd. Zo ken ik sinds kort leeftijdsgenoten die aan pensioensparen doen. Want hoe vroeger je begint, hoe hoger het rendement, zo schreeuwen ook de ongevraagde telefoontjes en emails van de bank mij toe. Dat dit een ongewenste inbreuk op mijn privacy is, wil ik het bankpersoneel nog wel vergeven. Erger is dat die pensioenfondsen wel degelijk een erg negatieve impact hebben op de wereld om mij heen.
Volgens financieel journalist Philip Inmann van The Guardian is de koortsachtige zoektocht naar een steeds hoger rendement voor pensioenfondsen één van de oorzaken van de risicovolle en kortzichtige strategieën in de bankwereld. Het geld waarvan wij op onze oude dag hopen te genieten, wordt niet zelden geproduceerd dankzij arbeiders die in verre landen zich afbeulen voor een hongerloon. Of nog erger, door speculatie op voedingswaren via fondsen als Parvest World Agriculture, dat tot voor kort ook door BNP Fortis Paribas werd benut. CEO’s en banken zijn de winnaars, de modale wereldburger – voor wie een kleine stijging in de prijs van voedsel het verschil kan maken tussen honger en een volle maag – de grote verliezer. Meer nog, de verliezers zijn onder andere te vinden in het land dat mijn vader dertig jaar geleden verliet.
Maar het is veel gemakkelijker om de "beursratten" met pek en veren te beladen, dan zelf in de spiegel te kijken. Wie schakelt gemakkelijk het eigen overlevingsinstinct uit? Armoede in België heeft veel gezichten en één daarvan is dat van de gepensioneerde. De wettelijke pensioenen zijn voor velen ontoereikend. De vergrijzingsproblematiek wekt bovendien twijfel op: zullen de jongeren van vandaag ooit nog wel iets ontvangen? Terwijl fundamentele oplossingen uitblijven, doen gewone mensen wat ze altijd al hebben proberen te doen: zich beredderen. En daar hoort sinds een aantal decennia een pensioenfonds voor een aanvullend individueel pensioen bij. Stilstaan is immers achteruitgaan: wie niet voor zichzelf zorgt kan ook niet zomaar meer rekenen op de welvaartsstaat.
De oorzaken voor het pensioenprobleem zijn gelaagd en complex, maar één element verdient wat nadruk. De drijvende krachten achter het ontstaan van pensioenfondsen waren niet alleen demografische of anonieme processen. Politiek wetenschapper Mitchell Orenstein stelde vast dat transnationale lobbygroepen (onder andere de Wereldbank en USAID) vanaf de jaren 1980 massaal druk uitoefenden om nationale sociale zekerheidssystemen af te bouwen ten voordele van individuele investeringen in private pensioenfondsen.1 Kortom, pensioenfondsen zijn net zo neoliberaal als de kleine teen van Ronald Reagan. Neoliberalisme is het spookbeeld voor velen van mijn generatie en mijn huidig sociaal milieu – sla er de vorige edities van de Emile Zola-wedstrijd maar eens op na. En toch. Che Guevara shirts verslijten blijkbaar snel. Als ik de habitus van de rationele, goed-geïnformeerde middenklasse volg, beïnvloedt dit de wereld op manieren die ik als hoogst onaangenaam beschouw.

EEN HUIS OP MAAT

Ook op andere dagdagelijkse domeinen doet de ethiek van individuele zelfredzaamheid en "meer is beter" zich voelen. Een grote mijlpaal in het leven van een jongere is alleen gaan wonen. Dit is een spannender thema dan pensioenfondsen, want een huis is uiteindelijk een thuis, een plek om vrienden te ontvangen en tot rust te komen. Verbazingwekkend genoeg krijg ik vaak te horen dat die eerste woonplek slechts een tussenoplossing kan zijn. Ergens in de toekomst wordt verwacht dat men het kleine huurappartement in de stad omruilt voor een huis met tuin en garage. Sommige leeftijdsgenoten slaan die eerste stap zelfs over en gaan meteen voor dat huis, inclusief een lening van 30 jaar. Alsof er voor iedereen een halfopen woning in het groen kan bestaan.
We weten allemaal dat het moeilijk is voor gemeentebesturen om vuilnisophaling, waterleidingen en electriciteitsvoorziening te bekostigen voor niet-geconcentreerde woningen. Moeilijk om nog parkjes en speelpleintjes in te richten als de openbare ruimte opgaat aan protserig voortuintjes waar alleen plastic tuinkabouters wonen. We weten ook dat we onszelf enigszins sadomasochistisch behandelen door elke dag in de file te willen kruipen en door dertig jaar krom te liggen, tot dat grote huis eindelijk niet meer van de bank, maar van ons zal zijn. En toch blijven we die stresserende, individualistische dromen nastreven. Kunnen we het niet alleen, dan springen steeds vaker de ouders bij.2 Levend bewijs dat niet alleen verdienste, maar ook afkomst en thuissituatie bepalend zijn voor het type leven dat je als individu zal leiden. En ondertussen wordt dat grote huis volgestapeld met apparaten die we slechts sporadisch gebruiken, eerder dan dat we die apparaten aankopen met de buren en ze in een collectieve ruimte plaatsen. Is dit het enige perspectief dat Vlaanderen zijn jongeren kan bieden? Is dit hetgene waarvoor kansarme jongeren voortdurend (en soms hardhandig) gedwongen worden om te werken, te studeren, te sparen en in de pas te lopen?
Foeteren op weelde en luxe is natuurlijk een traditie zo oud als de straat. Mocht dit tot dusver aanvoelen als een neoconservatieve oprisping over "vandaag de dag", laat me dan toch opnieuw het perspectief van de outsider tonen. Terwijl collega’s en vrienden zoeken naar de juiste investering en een mooie eigen woning, weigeren heel wat banken een zichtrekening te openen voor mensen met een bescheiden inkomen en krijgen potentiële huurders met een niet-Vlaamse naam nog steeds het deksel op de neus.3 Er zijn immers altijd betere klanten te lokken. Zeker in het verzekeringswezen en de woonmarkt is de kloof tussen middenklasse en kansarmen of Belgen met gemengde roots groot en kunnen ze gemakkelijk tegen elkaar worden uitgespeeld. En aan de basis ligt telkens opnieuw het consumptievraagstuk. Een specifieke levensstijl is de norm en tegelijkertijd wordt het duidelijk dat een groeiende groep mensen niet meekan met die norm.

GEMAAKT IN DE KOUDE OORLOG

Het idee om iedereen de levenspatronen van de middenklasse te laten volgen stamt uit de negentiende eeuw. Toen werden de arbeiders, als zogenaamde classe dangereuse, beschouwd als een reële bedreiging voor het burgerlijke bestel. En natuurlijk wilden die arbeiders niets liever dan een ‘respectabel’ leven leiden. Maar het werd pas echt menens na de Tweede Wereldoorlog. Dankzij technologie, productiviteitsstijgingen en een consensus tussen arbeid en kapitaal over het te voeren sociaal beleid, veranderde het dagelijks leven aan een indrukwekkend hoog tempo. Huizen werden groter en kregen badkamers, meubels en huisraad werden betaalbaar voor het modale gezin. We leefden langer, pendelden verder en ontdekten allerlei nieuwigheden. Vanaf de late jaren 1950 steeg het welvaartspeil van de Belgen razendsnel. Bovendien werden de vruchten van de economische groei ook relatief gelijk verdeeld. Alles wat in Amerika een opgang had gemaakt, verscheen ondertussen ook in de Belgische leefwereld: plastic (tot daar het tweede leven van de krant als verpakkingsmateriaal voor voedingswaren), autosnelwegen, hypermarkten.
Omdat dit alles gebeurde in de context van de Koude Oorlog werd levensstijl al heel snel verbonden met macht en ideologie. De American way of live, die heel snel West-Europa veroverde, was geen neutrale sociaal-economische evolutie, maar een transformatie gestoeld op bepaalde principes. Kenmerkend waren bijvoorbeeld het geloof in een vrije markt, het kostwinner/huisvrouw-model en de aanwezigheid van goedkope energie. Maar misschien nog belangrijker voor het dagelijks leven was het onwrikbare geloof in individuele weelde en comfort. Collectieve voorzieningen (zoals gedeelde keukens, wasserijen, enzovoort) waren iets voor het Oostblok. Een Oostblok dat in toenemende mate de perceptie tegen had: grijze landen met lelijke woonkazernes, prefab meubels in "socialistische" stijl en chocolade zonder smaak. Zonder de verdediging op te nemen van de inefficiënte dictaturen uit het Oostblok, is het toch opmerkelijk dat juist die elementen altijd worden aangehaald, maar dat er zelden wordt gesproken over de collectieve voorzieningen zoals goedkope kinderopvang, die in landen als Polen sneller opgang maakten dan in bijvoorbeeld België. Vandaag is het idee van gedeeld bezit en collaboratieve consumptie aan een bescheiden opmars bezig. Voor autodeelsystemen als Cambio lukt dat vrij goed en LETS-netwerken (local exchange and trading system) bloeien op in heel wat Vlaamse steden. Maar dit zijn kleine initiatieven in een systeem waarin individueel bezit een onwrikbare hoeksteen blijft.
En dat werpt onverwachte problemen op, bijvoorbeeld inzake huisvesting. Cohousing, coöperatief wonen en kangoeroewonen stuiten in ons land – meer dan in andere landen – vaak nog op juridische en administratieve drempels. Banken geven geen hypothecaire leningen voor een aandeelpakket in een wooncoöperatie. Milieupremies zijn gericht op individuele woningen (dus ook de verouderde vrijstaande villa in lintbebouwing) en niet op groepswoningen.4 Met de demografische groei en de steeds schaarsere grond stevenen we in Vlaanderen af op grote problemen.

VANDAAG LOWCOSTCONSUMEREN, MORGEN DOWNSHIFTEN

Laten we wel wezen: de opgang van massaconsumptie was niet altijd een verhaal van decadente overvloed voor iedereen. Massaconsumptie in de vroege jaren 1960 betekende heel eenvoudig dat oorlogsveteranen nooit meer het gehate bruine brood moesten eten, dat gepensioneerden zich een vals gebit konden veroorloven en dat er schoolgerief werd aangekocht voor kinderen die nu, langer en massaler dan ooit te voren, op de schoolbanken bleven zitten. Consumptie heeft ondertussen alweer een heel ander gezicht: terwijl men in de jaren 1960 voor het eerst het genot van televisie en telefoon ontdekte, zijn er vandaag steeds meer gezinnen met twee televisies en verschillende vaste telefoonlijnen. Maar de golden sixties zijn voorgoed voorbij sinds de oliecrisis van 1973. De welvaart botst op de grenzen van onze planeet en wordt sinds de jaren 1980 steeds ongelijker verdeeld.
Twee structurele trends drijven de levensstijlen van de middenklasse en de zwakkere groepen in de samenleving uit elkaar. Er is ten eerste de de-industrialisering en het structurele gebrek aan werk, waar laaggeschoolden en migranten het eerste slachtoffer van zijn. Ten tweede werd het kostwinner/huisvrouwenmodel vervangen door het tweeverdienersmodel. Omdat we meer consumeren, en omdat vrouwen – gelukkig – steeds meer hun eigen talenten mogen ontplooien, is met twee gaan werken de norm geworden. Maar opnieuw blijkt dat dit model juist voor de laaggeschoolden en kansarmen niet altijd haalbaar is. Kinderopvang is duur, minimumlonen laag en werk niet altijd beschikbaar. Kansarme gezinnen passen hun overlevingsstrategieën daarop aan. Meteen roepen ze de toorn van de middenklasse over zich uit: woorden als "hangmatbeleid" en "hardwerkende Vlaming" zeggen genoeg.
Opnieuw kijkt die middenklasseconsument liever niet te veel in de spiegel. Het welvaartsniveau van de "hardwerkende Vlaming" kan maar bestaan dankzij lage lonen van de kansarme buren en landgenoten. Zou het luxeverzuim tijdens de vakantieperiodes mogelijk zijn zonder de ultragoedkope vliegtuigmaatschappijen, die zelfs geen vakbonden erkennen? Zouden de boekenkasten zo gevuld kunnen zijn als er geen Amazon bestond, een bedrijf dat zijn werknemers niet alleen schandalig weinig betaalt maar ze ook nog eens plaspauzes misgunt?5 Vergelijkbare verhalen over erbarmelijke werkomstandigheden en systematische intimidatie duiken op over de webshop Zalando en de duitse retailer Aldi. Marketinggoeroe’s spreken ondertussen over de ‘flexibele’ consumenten: in de week drinken ze de goedkoopste koffie, in het weekend de dure en statusbeladen Nespresso capsules. Om hetzelfde niveau van welvaart te behouden in tijden van recessie, wordt er gewoon op de kleintjes gelet. Lowcostproductie is een onstopbare tendens geworden. Maar er is altijd wel iemand anders die de kost daarvan draagt. Pikant detail is overigens dat er van écht consuminderen geen sprake is.
Ironisch genoeg gaat dat lowcostconsumeren ook gepaard met de opkomst van fenomenen als downshiften en voluntary simplicity. Simpel gezegd: minder werken en sober leven. Sinds de jaren 1990 zijn er allerlei netwerken, bewegingen en publicaties waarin de deugden van zuinigheid worden bezongen: een kleinere auto, een compacter huis, en niet meer alles wegsmijten wat in de koelkast zit. Je hoeft niet lang te googelen om het onmiskenbare yuppiegeurtje in de beweging te bespeuren. Sommige woordvoerders van de beweging (die niet toevallig voor het eerst opgang maakte in de Angelsaksische wereld) verlieten rijkbetaalde maar veeleisende topjobs om zich in hun (afbetaalde) huis te wijden aan tuinieren en musiceren. Sommige auteurs preken vurig over het durven opgeven van je job... terwijl ze ondertussen hun brood verdienen met lezingen en boeken over downshiften.
Er is natuurlijk niets mis met een meer bewuste omgang met je eigen consumptie. Maar het fenomeen van downshiften getuigt eerder van stagnatie dan van visionaire oplossingen. Ten eerste wordt alles herleid tot individuele keuze en verantwoordelijkheid. Zo verdwijnen politieke oplossingen volledig uitbeeld: aan een betere herverdeling of stengere productienormen is geen nood als de consument maar beter in de pas gaat lopen. Ook het belerende middenklassetoontje is er te veel aan. Downshiften is immers iets wat kansarme groepen al jaren doen, en onder veel extremere omstandigheden. Wie leeft op 5 euro per dag smijt geen groenten weg. Maar dat verhaal is weinig mediageniek, en ondanks alle retoriek voelen kansarme groepen zich vandaag meer dan ooit uitgesloten in de materialistische, modieuze wereld die hen lijkt te omringen. Is een maatschappij op maat van de middenklasse wel in staat om te reageren op de ecologische en ethische dilemma’s van onze tijd?

NORMVERSCHUIVING

Het mag duidelijk zijn dat welvaart geen puur individuele kwestie kan zijn, maar altijd een relationeel gegeven is. De consumptie en levensstijl van de sterkste schouders staan niet los van de armoede-ervaring van de zwakste schouders. Dat betekent dat armoedebestrijding niet alleen mag draaien om het disciplineren – excuus, activeren – van bepaalde doelgroepen. We moeten ook kijken naar de verschuivende welvaartsnormen onder de middenklasse en de topverdieners. Zeker in tijden van ecologische crisis is dat onvermijdelijk.
Enkele jaren geleden werkte socioloog Stijn Rottiers dit argument verder uit in zijn doctoraat over de normgevoelige rechtvaardigheidstheorie. Simpel gezegd: de "meer is beter"-logica zorgt voor onrechtvaardigheid, omdat elke vorm van welvaart voortdurend aan inflatie onderhevig is. Tot voor kort was één diploma voldoende om werk te vinden. Vandaag is een Erasmusverblijf en een aanvullende master na master (liefst behaald in het buitenland) steeds meer de norm. Wie zich dat niet kan betalen of thuis nodig is, wordt benadeeld in de concurrentiestrijd. Stilstaan is opnieuw achteruitgaan.6 Als we denken het dilemma tussen de levensstijl van sterke en zwakke schouders op te lossen door een extra berg geld uit te delen, is het werk dus maar voor de helft gedaan. Rottiers bepleit een kritische reflectie over de manier waarop het voortdurend verschuiven van welvaartsnormen nieuwe ongelijkheden creëert in het dagelijks leven. Met andere woorden: we moeten de normvervaging niet per se gaan zoeken bij de zogenaamde onderklasse, maar ook bij de hogere klassen. Als dat geen copernicaanse omwenteling is van de gangbare logica binnen de sociale politiek.

OP NAAR 2014?

Zulke complexe sociale problemen en dilemma’s vereisen een politiek antwoord. Essayschrijvers werden dan ook expliciet opgeroepen om te reflecteren over de belangrijke Europese, federale en regionale verkiezingen van 2014. Mag ik opnieuw het perspectief van een outsider aanleveren? De verkiezingen zijn in deze zaak irrelevant. Ze zullen namelijk niet gaan over hoe we een maatschappij opbouwen die zowel ecologisch duurzaam als sociaal rechtvaardig is. Omdat zo’n project geld kost – dat er niet zomaar is – en omdat het te radicaal is om binnen topdown georganiseerde administraties vol blanke middenklassers gerealiseerd te worden. Welke partij durft de mooie promofoto’s inruilen voor innovatieve standpunten die buiten het denkkader van de Koude Oorlog gaan?
Volgens Bea Cantillon moeten we werken aan een Europees minimuloon, Europese regels inzake kapitaalsbelasting om de herverdelingsbasis te veruimen, en een radicale lastenverschuiving van arbeid naar consumptie – in die volgorde.7 Een aantal belangen zullen dus geschaad moeten worden. Zolang conservatieve en gematigde partijen in het Europees Parlement en de Commissie de meerderheid uitmaken (zoals vandaag) zullen die voorstellen er dan ook niet doorkomen. De Europese Unie heeft al een aantal decennia de tijd gehad om te bewijzen dat ze meer wil zijn dan het Europa van de bedrijven en de interne markt; tot nu toe kan ze geen mooie slaagcijfers voorleggen. Is het een wonder dat juist onder de meest kwetsbare sociale groepen in Europa de interesse in verkiezingen taant? Zolang bovendien het Belgische debat louter wordt gevoerd in termen van begroting in evenwicht en splitsing van de sociale zekerheid, blijven andere prioriteiten buiten beeld. Waar blijven de innovatieve plannen inzake economie, ecologie, mobiliteit, huisvesting en industrie? Wanneer gaan we stoppen met morrelen in de marge, met actieplannen te lanceren waar geen budgetten en vooral geen keuzes aan vast hangen?
Maar misschien krijgt een maatschappij de politici die ze verdient... In dat geval moeten we onze welvaart herconceptualiseren, gaan nadenken over eigendomsrecht en collectieve rechten, en harder durven optreden tegen de privileges van het geglobaliseerde kapitaal. Beetje bij beetje is immers hetzelfde gebeurd met de privileges van kansarmen en middengroepen. Welnu, de lat moet voor iedereen gelijk liggen. We kunnen ook kritisch nadenken over de normen die we koesteren in ons dagdagelijks leven. Hoeveel is genoeg? Mijn kleine steekproef kan misschien een begin van een antwoord suggereren. Misschien zijn de zwakkere schouders wel het best uitgerust om om te gaan met de nieuwe schaarstemaatschappij die eraan komt? Misschien kan een maatschappij op maat van de middenklasse wel iets leren van die groepen waarop ze neerkijkt: van hun vechtlust, hun onderlinge solidariteit en hun spitsvondigheid om meer met minder te doen. Als ik verzuurde klachten hoor over "jonge allochtonen in vette bmw’s" – en die hoor ik veel te vaak naar mijn zin – werp ik altijd op dat zij misschien hun auto delen met drie vrienden. Omdat dat ook effectief gebeurd. Ik kan vermoeden dat die gasten het kotsbeu zijn om er niet bij te horen en net zoals iedereen, consumptie gebruiken om zichzelf staande te houden. Ten slotte mag de vanzelfsprekendheid van middenklasse-normen wel eens vaker doorbroken worden, zowel in de media, het dagelijks beleid en het dagelijks leven. In het boek In vrije val, armoede in België van Bart Demyttenaere stelt ervaringsdeskundige Linda: "Ik vind het een klap in het gezicht van alle arme mensen, dat men er tegenwoordig schaamteloos van uitgaat dat iedereen een internetverbinding heeft".8
We hebben mensen nodig die gewapend zijn om te leven in een wereld met schaarse grondstoffen en complexe problemen. We hebben tolerante mensen nodig, die niet voortdurend de normen van de (blanke) middenklasse reproduceren en beseffen dat ook zij door een kleine tegenslag aan de bodem zouden kunnen komen. En we hebben een beleid nodig dat iedereen die het moeilijk heeft ook een plek onder de zon gunt, eerder dan te stigmatiseren of boven de hoofden te beslissen. De maatschappij van de toekomst zal op heel wat terreinen moeten downshiften, maar niet daarop.

Giselle NATH
1e laureaat Emile Zola-prijs, editie 2014

Samenleving en politiek, Jaargang 21, 2014, nr.2 Bijlage (februari), pagina 4 tot 12

Noten
1/ M. Orenstein, Privatizing pensions: the transnational campaign for social security reform. Princeton: Princeton University Press, 2008.
2/ "Ouders cruciaal bij aankoop woning." In Trends, 31/8/2011.
3/ Zie Financial services provision and prevention of financial exclusion. Report prepared for the use of the European Commission, Directorate-General for Employment, Social Affairs and Equal Opportunities, 2008, p. 30 en 50 en "Leven in een kleuronvriendelijk land: wonen." In De Standaard, 31/10/2013.
4/ "Na meer dan tien jaar amper één cohousingproject in Vlaanderen". In De Standaard, 24/11/2012.
5/ "Online giant Amazon hit by union protests in row over pay and conditions" In Daily Record, 13/2/2013.
6/ S. Rottiers, "De normgevoelige rechtvaardigheidstheorie." In Oikos, 2012, p. 57 en verder.
7/ B. Cantillon, "Barsten in ons sociaal model." In De Standaard, 17/10/2013.
8/ B. Demyttenaere, In vrije val. Armoede in België. Manteau, 2003, p. 29 en verder.

 

 

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk