(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Mélancolie Résidant à l'Etranger

Herinnering aan het gewicht van de migratiegeschiedenis

Vu qu’on se perd
à vivre dans le passé
à regarder la vie nous dépasser
Pour peu de choses, on se sent dépossédé
Entre guillemets, entre les lignes  

Baloji

 

BERICHTJE UIT DE BAKERMAT

In heel mijn leven moet ik Marokko zowat zeven keer bezocht hebben. Een aantal jaren geleden deed ik dat voor het eerst op mijn eentje. Ik was net twintig. Geen moeder die met haar blonde haren de aandacht van mij weghield, geen thuisgekomen vader die op straat meters voor me uitliep. Geen tolk, geen gids, geen lijfwacht. Wegens gebrek aan geld en tijd reisde ik met mijn Marokkaans paspoort. Niet zozeer tijdens mijn verblijf, maar vooral na mijn thuiskomst, veranderde mijn beeld van Marokko drastisch. Niet langer het exotisch paradijs uit mijn kindertijd, was Marokko nu het land geworden waar altijd wel iemand me buitenshuis begeleiden moest, waar niemand me eigenlijk begreep, en waar je in de apotheken tampons enkel op bestelling kopen kon. Ik zou het verrotte land nooit meer terugzien. Althans, dat hield ik mezelf voor. 

ER ZIJN GRENZEN

Stoere praat. Ondertussen ben ik twee keer terug geweest. Een beetje ouder en wat minder arm, en mét een Belgisch paspoort. Dat scheelt wel degelijk aan de grens. Voor de gemiddelde “Marocain résidant à l’étranger” (of kortweg: “MRE”) blijven de stoere praatjes nog altijd haast inquisitieachtige proporties aannemen. Een Marokkaanse familienaam op een Belgisch paspoort wekt argwaan. In die mate dat men zich genoodzaakt voelt te vragen naar “de nationaliteit van origine”, zoals dat hier en ginds in de volksmond gaan heten is. Hoewel de logica achter deze vraag meer dan terecht een deconstructief platform verdient, bood de luchthaven van Rabat daar op dat eigenste moment niet de ruimte, noch de tijd voor. De man achter de grenspost zag er bovendien erg serieus uit. Alsof hij het echt meende.

Niet helemaal overtuigd van de bestaansgeldigheid van het begrip, maar meegaand in de spontaneïteit van het moment, antwoordde ik: “je suis Belge, monsieur”. Na wat heen en weer gediscussieer tussen de grensbeambten en herhaaldelijke inspectie van mijn gelaat ter plaatse, concludeerde men op papier: “Belge (+MRE)”. Het resultaat van mijn vaders migratie - nu meer dan veertig jaar geleden -, wat bij het verlaten van het nationale terrein enkele weken later beëindigd werd met de aanmaning: “vous connaissez quand-même la loi, mademoiselle”. Waar het ene wat weg had van een krampachtige poging tot wiskundige formulering van een op fysiognomie en naamkunde gebaseerde “nationaliteit”, daar overwon het andere haast retorisch een kleine veldslag om een ietwat dubbelzinnige “identiteit”.

VAN DE WAANZIN VAN OPGELEGDE DUBBELE NATIONALITEIT

In de collectieve waan dat meer dan veertig jaar migratiegeschiedenis zich laat vertalen in een luchtig bestaan ‘tussen haakjes’, werd de passage langs de grens zodoende haast tot een individuele existentiële kramp herleid. Ook al sloeg de grensdiscussie op een objectief gegeven als nationaliteit, de structuur waarbinnen die discussie gevoerd werd raakte wel degelijk aan iets geheel anders: menselijke subjectiviteit. In een sociale omgeving als die van Vlaanderen word je daar als lid van “de tweede generatie” nu eenmaal van jongs af aan bijzonder gevoelig aan herinnerd.

Ondertussen ken ik de Marokkaanse wet - ook op papier, en niet alleen uit de praktijk. De afgelopen jaren werd namelijk, naast de familiewetgeving of Moudawana, de zogenaamde Code de la nationalité, grondig bijgewerkt.1 Zijne Majesteit Koning Mohamed VI, die eerder al blijk had gegeven van bereidwilligheid tot modernisering en democratisering van het koninkrijk, beloofde in zijn begeleidend discours zo de huidige juridische problemen van de naar schatting drieënhalf miljoen Marocains résidant à l’étranger op te lossen door middel van een grondige aanpassing van de wetgeving. Dit alles in de overtuiging dat de onderdanen d’ici et de là-bas, veelal gebukt onder de erfenis van wijlen Hassan II2, nu toch wel een “veelvuldigheid aan weldaden” hadden verdiend. Na de schandvlek van de wel zeer selectieve migratie uit de “achterlijke” en “opstandige” met gifgas bewerkte Rifregio in het noorden van het land uit de jaren zestig, de daarop volgende blijvende economische uitbuiting zelfs over de landsgrenzen heen en de decennialange intern onbestaande mensenrechten, misschien wel terecht, ja.

Dat de Moudawana en Code de la nationalité hier in één adem genoemd worden is overigens niet zonder doel. Met veel enthousiasme werd die eerste onthaald bij vertrouwde gemeenschapsvertegenwoordigers in de “gastlanden” en feministen op kop, hoe precair dan ook bij deze laatste groep. De gevolgen die deze bijzonder vrouwvriendelijke en progressievere familiewetgeving met zich meebrengt zijn dan ook niet min.3 Waar voorheen de vrouw in de Marokkaanse samenleving nagenoeg nergens stond in haar rol als dochter, echtgenote of moeder, wordt ze nu een stuk beter beschermd, zowel binnen het huwelijk als bij echtscheidingsprocedures. Niemand die hier amok om maakte, integendeel en deels ook terecht. Helaas, veel verder dan de Marokkaanse nationale grenzen en de Moudawana zelf keek men dan ook niet.

Wie de tekst van de Code de la nationalité ernaast neemt, leest meer én beter: “en effet, il est marocain. Tout enfant né d’un père marocain et tout enfant né d’une mère marocaine et d’un père inconnu.” Kwestie van het effect van een vrouwvriendelijkere familiewetgeving te maximaliseren, kan ieder kind van een Marokkaanse vrouw nu ook een gooi doen naar de Marokkaanse nationaliteit. Sterker nog, men hoeft er niet meer om te vragen. Gratis en voor niets wordt het privilege van de overdracht van nationaliteit nu ook uitgebreid naar vrouwelijk Marokko. De werkelijke significantie - en perversie - van de wetgeving ligt echter niet besloten binnen de grenzen van Marokko zelf, maar ver daarbuiten, namelijk in de migratielanden zelf. Voor een zoon of dochter van Marokkaanse migranten geldt: “il est marocain par filiation même s’il est en possession d’une double nationalité”. Sterker nog, het is in de sfeer van identitaire dubbelzinnigheid waar de Moudawana pas écht doorwerkt: die van gemengde huwelijken. Ook het kind issu d’un mariage mixte - dan wel gevalideerd op een consulaat - heeft recht op de nationaliteit van zijn vader- of nu ook moederland. Zou men die nieuwe categorie ook traceren aan de grens? Maar eigenlijk heeft men sinds kort geen recht meer op nationaliteit. In principe heeft eenieder gevolg van Marokkaanse migratie recht op een attest van die nationaliteit. Dat is een klein nuanceverschil. Klein, maar wel met immense gevolgen op juridisch vlak.

Maar dat alles wel ter bevordering en vereenvoudiging van de “toekomst van de kinderen” en de “familiale cohesie”. En die discriminatie, die valt eigenlijk wel ieder lid van de Marokkaanse diaspora te beurt: de nationaliteit krijg je zo, gratis en voor niets. Om het burgerschap moet je dan wel weer vragen zonder gehoor. Maar dat is dan ook weer een andere kwestie. En in Marokko en Vlaanderen zijn dat toch zoveel kwesties - zo moge verder blijken. Om nog maar van de herbronning van religie hier en ginds te zwijgen.

OVER HET ONTERECHTE GEWICHT VAN LOYALITEIT

De wezenlijke kwestie, met de migratielanden op kop, betreft hier duidelijk niet de maatschappelijke positie van de Marokkaanse vrouw, noch die van “haar” kinderen. In principe gaat de oorsprong van de dubbele nationaliteit ook op collectief vlak inderdaad terug op existentiële krampen. De nog steeds strakkere consulaire regeling rond gemengde huwelijken in de diaspora moge daarvan getuigen. Haast moeiteloos worden nationaliteit en identiteit in één adem genoemd, alsof ze de natuurlijke basis vormen van de mensheid d’ici et de là-bas. Dat hebben ze nooit vanuit ieder historisch perspectief gedaan - waarom nu dan wel? Men zou denken dat men zich in tijden van individuele en collectieve grensvervaging op andere basissen zou beroepen, maar op die existentiële etnische en culturele vragen zoeken wel meer mensen tegenwoordig een antwoord. De zoektocht gaat zelfs zo diep dat ze haast relevant wordt. De aanstelling van een Aboutaleb als burgemeester van Rotterdam gaf aanleiding tot een mediahetze, wederom veelal uitgebuit door politieke partijen die er nog electoraal munt uit slaan ook. Maar of die migratielanden en integratiemetropolen nu gebukt gaan onder een progressief of conservatief etiket, gaat ieders mening op eenzelfde grond terug: in de eerste plaats op die van de loyaliteit. Gaande van discoursen waarin de dubbele nationaliteit onvoldoende blijk zou geven van loyaliteit aan het gastland, versus discoursen waarin die dubbele nationaliteit geen beletsel hoeft te zijn voor de “huppeldepup” interculturele samenleving waarvan je nu eenmaal niet meer af raakt.

Alsof de identificatie met de sociale ruimte rondom mij te herleiden valt op een stukje geplastificeerd papier uit een ranzig Marokkaans consulaat in de hoofdstad van een land zonder strak omlijnd nationaal identificatiekader. Een nationaliteit waar niemand eigenlijk een moer om geeft zolang het mijn werk, mijn nachtrust, mijn pensioen, mijn waarden en normen, en ja, waarom ook niet mijn “identiteit” - als alle andere middelen uitgeput zijn - maar niet schaadt. Op dat vlak staat men in Marokko zelf radicaal verder. Rabat, een stad zo neokoloniaal als ze eerlijk is, houdt steden, platteland en onderdanen aller landen meer dan vijftig jaar na de bevrijding van het koloniale juk, als nooit zo strak in de hand in een opgewekte bui van democratisering en globalisering. Althans, zo houdt de schijn van de loyaliteit sanguinis mij voor. Een oproepingsbrief om in datzelfde ranzige consulaat een politieke stem uit te gaan brengen, zou ik dan ook appreciëren.

In wezen zou het debat over de nationaliteitspolitiek vanuit Marokko eerder op strikt juridisch niveau gevoerd moeten worden. Het gaat in de eerste plaats immers niet om loyaliteit. Dat is slechts een voorwendsel van extreemrechts en een daarop inspelend defensiemechanisme van links. De implicaties van een nationaliteit die op basis van filiatie wordt doorgevoerd én één waarover men geen keuzerecht beschikt, is letterlijk een straatje zonder eind. Waar Marokko de zaken voor de MRE’s “alleen maar” vereenvoudigen wil, bemoeilijkt ze paradoxaal wat ook ooit de realiteit van de generatievorming zonder eind zal worden. Een generatie met plichten die ze niet kent, met rechten die ze misschien heel graag of helemaal niet wil, maar nu eenmaal niet zelf voor kiest. Bovendien deed recentelijk een speciale raad voor migranten haar intrede als adviesorgaan voor de Marokkaanse overheid (lees: koning). De leden zijn niet democratisch verkozen en hun onafhankelijke positie in integratiedebatten wordt wel degelijk betwist. Die discussie over de oprechtheid van de democratiseringsgolf in Marokko zou stilaan opgedreven mogen worden. Bovendien moet ze in de migratielanden ontheven worden aan het goedkope partijpolitieke winstbejag op de kap van de migrant die, laat ons eerlijk zijn, net zoals de dubbele nationaliteit ook altijd wel Marokkaans is.

NAAR DE GESTRUCTUREERDE IDENTITEITSCRISIS

Toch zou het debat over nationaliteit en loyaliteit aangegrepen mogen worden om precies het begrip “identiteit” aan te pakken. Hoewel niet centraal in datzelfde debat over dubbele nationaliteit dat gevoerd wordt op het verkeerde vlak, lijkt identiteit zich genesteld te hebben in het centrum van politiek correct én incorrect denken. Die laatste stelling weerspiegelt de alomtegenwoordige reflex op de zogenaamde “identiteitscrisis” van “de” tweede generatie, haast gepromoot door zowel het land van herkomst als dat van aankomst. Marokko grijpt die crisis aan als reden achter de vernieuwde Code de la nationalité. Een garantie op de Marokkaanse nationaliteit zou de band met de bakermat versterken.4 Een ietwat argwanende lezer ziet hierin een misplaatste wanhoopspoging tot blijvende migrantengeldstromen die nog steeds de grootste bron van financiering vormen voor de talrijke Marokkaanse ministeries die op hun beurt het geld duchtig inzetten in het kader van hun moderniseringstrijd. En het koningshuis. En diens luchtvaartmaatschappij. Voor Vlaanderen, en bij uitbreiding België, vindt diezelfde identiteitscrisis haar oorsprong in precies diezelfde garantie op Marokkaanse, en dus dubbele nationaliteit. De lange betuttelende arm van Marokko zou de desintegratie net in de hand werken. Wie kritiek heeft op de aanpak van Marokko wordt door menig historische lotgenoot gereduceerd tot een geassimileerde Vlaming met identiteitsissues en een gebrek aan historisch besef; wie kritisch kijkt naar het politieke identiteitsdenken in Vlaanderen een ahistorische en ongeïntegreerde Marokkaanse ballast.

Niet alleen in de wereld van politiek en media, maar ook in academische kringen krijgt het begrip “identiteit” zo de aandacht die het niet verdient. Argumenten tegen een verkrampte houding van politici over Vlaamse identiteit, inclusief normen en waarden, worden gebouwd op premissen die maar geen grond lijken te vinden in het leven van alledag. Toen we eruit waren dat er net zoals “de” Marokkaanse identiteit ook niet iets als “de” Vlaamse identiteit bestond, vonden academici eerst hun gading in meerdere en/of gelaagde identiteiten, en later zelfs in fluïde en contextafhankelijke identificatieprocessen. Dat klinkt zo flexibel als een utopie; het kan in principe nog alle kanten op. Daar is men zich in Marokko dan weer minder van bewust. Maar Marokko stond wel aan de andere zijde van het koloniale spectrum en verdient in dat opzicht misschien wel wat amnestie. Berbers5, atheïsten en ook vrouwen hebben nog een lange emancipatieweg en herinterpretatie van het geheugen van het land te gaan. Maar we vertrouwen erop dat het allemaal wel goed komt “want de koning doet moeite”. Dat het nog steeds de koning is, dan nog wel in zijn hoedanigheid van leider van de gelovigen, die in de praktijk de politieke agenda met verve voert, wordt nog veel te vaak als “klein detail” aanzien. Kritiek op het starre Vlaamse denken over identiteit hebben we dan weer wel te over. Roepen om een reflexieve en kritische Marokkaanse gemeenschap en diens rotjongeren doen we allemaal. Kritische zelfreflectie, daar moet je tegenwoordig in meegaan. Veel concreets gebeurt er niet; discriminatie binnen het onderwijs en op de arbeidsvloer is dagelijkse kost, sociale achterstandswijken staan wegens migratiehistorisch scheefgetrokken sociaaleconomische verhoudingen zo nu en dan op barsten en dan zitten we nog met een economische crisis wiens slachtoffers nog moeten opstaan als “het ergste” wel weer achter de rug zal zijn. Maar we denken tenminste zelfreflexief na. Welkom in de moderniteit voor gevorderden.

TOT HET VERLEDEN ONS ONTGAAT

Wel, we mogen dan nog zoveel nadenken over onszelf en de ander, we denken verkeerd. Hoewel de academische vrijheid van identificatie gestaag aan terrein wint, vindt ook deze evenzeer plaats binnen de alledaagse realiteiten en structuren van het handelen naar, en voelen en zijn van de dagelijkse identiteitskost. De korte passage in de luchthaven mag dan ook slechts indicatief zijn voor de dagelijkse ongewenste confrontatie met de migratiegeschiedenis, de daarmee gepaard gaande grensoverschrijdingen en het daaruit volgend balanceren op de rand van bestaanswaarde waar ieder kind van de migratie aan onderworpen is. Want daar waar het negentiende-eeuwse denken over natie en “ras” precies kon ontstaan door de confrontatie met een ander, zo is het postmoderne denken over etniciteit en cultuur onderworpen aan niet veel meer dan een gelijkaardig krampachtig vasthouden aan classificaties die het zelf van een ander blijvend zouden moeten onderscheiden. Nu al bijna vijftig jaar lang. Uiteindelijk herinneren mensen nog steeds het best binnen duidelijk afgebakende kaders. Anderzijds zijn de dubbelzinnigheden die gepaard gaan en voortvloeien uit de arbeidsmigratie even reëel. Wie aantrekt, stoot ergens ook altijd af. Overal en nergens tegelijk. Nooit, maar ook voor altijd.

Misschien raakt de kwestie van temporaliteit nog wel het dichtst aan het kloppend hart van de identiteitsparadox. Moeten we vergeten? Zo ja, wie van ons dan wel en wat precies? Of moeten we met een pak bravoure bij de nakende vijftigjarige “viering” van een migratieakkoord tussen België en Marokko de gebeurtenis obsessief herinneren ter sublimering van een halve eeuw collectief afzien?
Wellicht ligt het antwoord tussenin. Het wordt tijd dat het collectieve geheugen ici et là-bas het gewicht van de migratiegeschiedenis zowel als vergeten factor binnen het integratiedebat in Vlaanderen als stuwende kracht achter de democratisering van Marokko erkend wordt. Laat interactie dan nog de rol van motor van de geschiedenis op zich nemen. Met sociale klasse als artefact en nationaliteit als erfenis wordt het dan nu wel jammer genoeg hoogdringend tijd. Met de dubbelzinnigheid, subjectiviteit en rechten van het geglobaliseerde individu, de vrouw nog het meest van al, graag op kop.

Tot dan zijn er immers van die dagen, ver van de gestructureerde druk van buitenaf, waarop ik me de toekomst kan verbeelden zonder de geschiedenis achter mijn naam. Men zegt dat hoop doet leven. Zelfs in Marokko zal men daar wel een gepast spreekwoord voor hebben. Het is in ieder geval merkbaar dat men daar sinds de dood van Hassan II een pak enthousiaster geworden is. Op een dag lach ik mezelf in de luchthaven van Rabat dan nog wel eens ter plekke letterlijk kapot, testament in de hand: “jullie betovergrootvader hoedde schaapjes in de Rif. Vandaar.” Althans, ook dat houd ik mezelf nog even voor.

Arianne
Norah KARROUCHE
1e laureaat Emile Zola-prijs 2010

Samenleving en politiek, Jaargang 17, 2010, nr.3 Bijlage (maart), pagina 4 tot 11

 

Geraadpleegde literatuur
- Belguendouz, Abdelkrim, Le traitement institutionnel de la relation entre les Marocains résidant à l’étranger et le Maroc, Research Report CARIM 2006/06, European University Institute Florence.
- Brand, Laurie A., Citizens Abroad. Emigration and the State in the Middle East and North Africa, Cambridge University Press, 2008.
- Brubaker, Rogers - Frederick Cooper, Beyond ‘Identity’, in: Theory and Society 29 (2000), pp. 1-47.
- Foblets, Marie-Claire, Moroccan Women in Europe. Bargaining for Autonomy, in: The Washington and Lee Legal Review 64 (2007), pp. 1385-1415.
- Haas, de, Hein, Morocco’s Migration Experience. A Transitional Perspective, in: International Migration 45 (2007), pp. 39-70.
- Villers, de, Johanna, Entre injonctions contradictoires et bricolages identitaires. Quelles identifications pour les descendants d’immigrés marocains en Belgique?, in: Lien social et Politiques 53 (2005), pp. 15-27.

Noten
1/ Voor de tekst van de “Moudawana” en de “Code de la nationalité”, zie: http://www.marocainsdumonde.gov.ma/ (“Affaires Consulaires et Sociales”, “Femme et Famille”).
2/ De overgrote meerderheid van Marokkaanse migranten die in het kader van arbeidsmigratie en familiehereniging naar België trok, is afkomstig uit het noordelijk gebied van Marokko: het Rifgebergte. In 1964 sloten België en Marokko een migratieakkoord. Niet toevallig vond een doorgedreven selectie plaats in het gebied dat gekend stond om zijn “opstandigheid” (de “siba”) ten opzichte van het centrale bestuur (de “makhzen”). Het Rifgebergte werd misschien nog het meest getekend door de koloniale overheersing, precies omdat niet Frankrijk, maar Spanje, het gebied in handen had. In tegenstelling tot de rest van het land vond geen modernisering plaats. In combinatie met de doorgedreven “verdeel en heers” politiek die de categorieën van “Berber en Arabier” het leven in riep, vond de culturele component van het Arabisch-Marokkaanse nationalisme in deze basis van sociaaleconomische achterstelling haar bestaansreden. Zie o.a. Lauria A. Brand (2008) en Hein de Haas (2007).
3/ Zie Marie-Claire Foblets (2007).
4/ Zie de “Code de la nationalité”: http://www.marocainsdumonde.gov.ma/
5/ De Berbers of “Imazighen” zijn de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika. Vooral de zoektocht naar een Marokkaanse nationale identiteit na de onafhankelijkheid en het daarmee gepaard gaande Arabisch geïnspireerde Marokkaanse nationalisme deden de taal en plaats van de Berbers binnen de nationale geschiedenis quasi volledig de das om. Recente toegevingen vanuit Rabat, zoals de oprichting van het Institut Royal de la Culture Amazighe au Maroc, worden binnen het Berber activisme in Marokko én in de diaspora met argusogen aanschouwd.

Emile Zola-prijs - identiteit - diversiteit - Marokko

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk