(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Volatiliteit: veel beweging, geen aardverschuiving

PARTIREP-VERKIEZINGSONDERZOEK 2014

In de aanloop naar de verkiezingen leek de toon gezet voor grote verschuivingen, waarbij de federale regeringspartijen aan beide kanten van de taalgrens kiezers zouden verliezen aan hun uitdagers ter linker- of ter rechterzijde. Een blik op de verkiezingsresultaten van 25 mei suggereert dat de verschuivingen al bij al beperkt waren. In vergelijking met de federale verkiezingen van 2010 bleven de meerderheidspartijen ongeveer op een status quo, en samen wonnen ze zelfs één zetel in het federale parlement.1 Maar was het stemgedrag van de Belgische kiezers tussen 2010 en 2014 inderdaad wel zo stabiel? Of schuilen achter de beperkte evoluties in de verkiezingsresultaten wel grote verschuivingen van individuele kiezers?

 

Omdat cijfers over winst en verlies in stemmenaandeel niet alles zeggen, onderzoeken we in deze bijdrage ook de mate waarin individuele kiezers tussen 2010 en 2014 van partij wisselden. We hebben daarbij meer specifiek aandacht voor de kiezersstromen tussen de verschillende partijen. Ten slotte gaan we dieper in op de kenmerken van volatiele kiezers: zijn kiezers die van de ene verkiezing tot de andere van partij wisselen sterk of net heel weinig geïnteresseerd in politiek? Hebben ze vertrouwen in politiek? Zijn ze ontevreden over het beleid? Om die vragen te beantwoorden, maken we gebruik van het PartiRep-verkiezingsonderzoek 2014.2

NETTOVOLATILITEIT

Hoewel verkiezingsresultaten niet alles zeggen, bieden ze wel een eerste indicatie voor de mate waarin kiezers tussen verkiezingen van partij wisselen. Om die verschuivingen in cijfers om te zetten, stelde Mogens Pedersen3 een index voor die in de literatuur wordt omschreven als een index voor ‘nettovolatiliteit’. Daarvoor wordt eenvoudigweg voor elke partij die deelneemt aan de verkiezingen het absolute verschil berekend van haar stemaandeel ten opzichte van de vorige verkiezing. Deze verschillen worden vervolgens opgeteld en gedeeld door twee, omdat een kiezer die van partij wisselt anders tweemaal wordt geteld, eenmaal bij het verlaten van partij x en eenmaal bij het kiezen voor partij y. Op basis van die indicator kunnen we dan ook inschatten hoe volatiel de verkiezingen van 25 mei 2014 waren.

In Tabel 1 geven we per partij weer welk stemmenaandeel ze haalde in 2014, en of de partij daarmee won of verloor ten opzichte van 2010. Om de vergelijking met de individuele data te maken, splitsen we ook het stemmenaandeel op per regio.4 Voor de vergelijking tellen we het stemmenaandeel van FDF en MR in 2014 samen, aangezien beide partijen in 2010 nog samen opkwamen. De vergelijking geeft aan dat de verschuivingen beperkt bleven. Uit Tabel 1 blijkt dat de N-VA de grootste winnaar was aan Vlaamse zijde (+4,4 procentpunten). In Wallonië zijn dat MR en FDF. Samen gingen ze er 6 procentpunten op vooruit ten opzichte van 2010. PS (-5,6 procentpunten) en vooral Vlaams Belang (-6,8) daarentegen zijn nettoverliezers.

Tabel 1. Nettoverschuivingen tussen federale verkiezingen 2010 en 2014.

 

Resultaat 2010

Resultaat 2014

Δ 2010-2014
(procent punten)

|Δ 2010-2014|
(procent punten)

Vlaanderen

       

CD&V

17,6%

18,6%

+1,0

1,0

Groen

7,1%

8,6%

+1,5

1,5

Lijst Dedecker

3,8%

0,7%

-3,1

3,1

N-VA

28,0

32,4

+4,4

4,4

Open VLD

13,7

15,5

+1,8

1,8

PvdA+

1,4%

2,8%

+1,4

1,4

sp.a

15,3%

14,0%

-1,3

1,3

Vlaams Belang

12,6%

5,8%

-6,8

6,8

Andere partijen

0,5%

1,6%

+1,1

1,1

Totaal

100%

100%

 

22,4

Nettovolatiliteit

     

11,2

Wallonië

       

cdH

14,6%

14,0%

-0,6

0,6

Ecolo

12,3%

8,2%

-4,1

4,1

FDF

 

2,4%

+6,0

6,0

MR

22,2%

25,8%

Parti Populaire

3,1%

4,5%

+1,4

1,4

PS

37,6%

32,0%

-5,6

5,6

PTB-GO!

 

5,5%

+3,6

3,6

PTB+

1,9%

 

Andere partijen

8,3%

7,6%

-0,7

0,7

Totaal

100%

100%

 

22,0

Nettovolatiliteit

     

11,0

Bron: http://verkiezingen2014.belgium.be.


In de laatste kolom van Tabel 1 geven we de absolute waarde weer van alle verschuivingen. Al deze absolute waarden optellen en vervolgens delen door twee levert voor de Belgische federale verkiezingen van 2014 een nettovolatiliteitsindex van 11,2 op in Vlaanderen en een iets hogere index van 14,1 in Wallonië. Om die waarden te kaderen geven we in Figuur 1 en Figuur 2  de evolutie van de index voor federale verkiezingen sinds 1961 weer.

Figuur 1. Nettovolatiliteit (Pedersen index) in Belgische federale verkiezingen (1961-2014) in Vlaanderen.

Bron: Deschouwer (2009) en aangevuld voor meest recente verkiezingen op basis van: http://verkiezingen2014.belgium.be.

Figuur 2. Nettovolatiliteit (Pedersen index) in Belgische federale verkiezingen (1961-2014) in Wallonië.

Bron: Deschouwer (2009) en aangevuld voor meest recente verkiezingen op basis van : http://verkiezingen2014.belgium.be.

 

De evolutie van nettovolatiliteit in België is er één van pieken en dalen. Figuur 1 toont binnen de Vlaamse context opvallende uitschieters in 1965, 1981, 1991 en 2010. Sinds 1995 evenwel, blijft de index constant op een wat hoger niveau. Verkiezingen met een nettoindicator van ongeveer vijf lijken dan ook verleden tijd. Voor 2014 noteren we wel een opvallende daling ten opzichte van de federale verkiezingen van 2010. Toch blijft een volatiliteitsindex van 11,2 relatief hoog. De verkiezingen van 2014 situeren zich hierdoor op precies hetzelfde niveau van bijvoorbeeld de verkiezingen van 1999, die een einde maakten aan de regeringen-Dehaene.

Ook aan Waalse zijde zien we grote uitschieters in 1965, 1981 en 2010 (zie Figuur 2). Voor de verkiezingen van 25 mei 2014 is de Pedersen index ongeveer even hoog als de index voor 2010, wat de verkiezingen de op twee na meest volatiele federale verkiezing in Wallonië sinds 1961 maakt. Het Waalse kiezerskorps was in 2014 dus uitzonderlijk volatiel.

Op basis van de verkiezingsresultaten, en via een index voor nettovolatiliteit, kunnen we de verkiezingen van 25 mei 2014 niet beschouwen als een politieke aardverschuiving. Vooral aan Vlaamse zijde zijn de nettoverschuivingen tussen 2010 en 2014 niet uitzonderlijk groot.

INDIVIDUELE SWITCHERS

Een index voor nettovolatiliteit heeft als groot voordeel dat op een vrij eenvoudige manier vergelijkingen kunnen worden gemaakt doorheen de tijd of tussen landen of regio’s. Even belangrijk zijn echter de nadelen die de index met zich meebrengt.5 Een belangrijk minpunt is ongetwijfeld dat een index voor nettovolatiliteit niet alle individuele verschuivingen reflecteert. De index kan worden beschouwd als een weergave van het minimale aantal kiezers dat van partij verandert, maar naar alle waarschijnlijkheid ligt het reële aantal switchers een stuk hoger. Als er 1000 kiezers van partij A naar B gaan, maar tegelijk gaan er evenveel kiezers van B naar A, dan zien we dat immers niet in deze index.

Om precies na te gaan hoeveel kiezers er van verkiezing tot verkiezing van partij wisselen, zijn dan ook individuele data nodig. Ideaal wordt daarvoor gebruik gemaakt van paneldata, waarbij dezelfde kiezers bij opeenvolgende verkiezingen deelnemen aan een verkiezingssurvey. Omdat een paneldesign vrij duur is, maken de meeste onderzoekers evenwel gebruik van cross-sectionele studies. De mate waarin kiezers van partij wisselen wordt dan in kaart gebracht door kiezers te vragen of ze zich herinneren voor welke partij ze bij de vorige verkiezingen stemden. Omdat een aantal kiezers zich niet meer herinneren op welke partij ze stemden, of omdat kiezers liever de indruk wekken consequent op dezelfde partij te stemmen, wordt algemeen aangenomen dat ook die aanpak de omvang van individuele volatiliteit in het electoraat onderschat.6 Met die belangrijke nuance in het achterhoofd, gaan we ook voor de verkiezingen van 25 mei 2014 na in welke mate kiezers zelf aangeven dat ze van partij zijn veranderd in vergelijking met de federale verkiezingen van 2010.

Binnen het PartiRep-verkiezingsonderzoek werd voor de verkiezingen aan alle respondenten gevraagd op welke partij ze in juni 2010 stemden voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Minder dan 5% van alle respondenten gaf aan zich niet te herinneren op welke partij ze toen stemden en nog eens 2,5% weigerde te antwoorden op deze vraag. Alle andere respondenten gaven aan voor welke partij ze bij de federale verkiezingen van 2010 stemden. Die informatie zetten we vervolgens af tegenover de antwoorden van respondenten op de vraag (in het postelectorale interview) op welke partij ze op 25 mei 2014 stemden. Op die manier krijgen we inzicht in de manier waarop het stemgedrag van 1.224 respondenten aan het PartiRep-verkiezingsonderzoek evolueerde tussen 2010 en 2014.

Op basis van de individuele data kunnen we vaststellen dat zo’n 41% van de Belgische kiezers tussen de federale verkiezingen van 2010 en die van 2014 van partij wisselde. Tabel 2 maakt bovendien duidelijk dat, hoewel traditioneel anders wordt gestemd aan beide zijden van de taalgrens, die mate van volatiliteit ongeveer even groot was voor Franstaligen als voor Nederlandstalige kiezers.

Tabel 2. Stabiliteit en van partij wisselen 2010-2014.

 

Nederlandstalig

Franstalig

Totaal

Stabiel

58,3%

60,5%

59,3%

Wisselde van partij

41,7%

39,5%

40,7%

Totaal

100%

100%

100%

Bron: PartiRep-verkiezingssurvey 2014. Ongewogen data. Enkel kiezers die in 2010 stemgerechtigd waren (+18 jaar).


Is de 41% switchers een hoog cijfer? In vergelijkbaar onderzoek in de jaren 1980 gaf minder dan 15% van de kiezers aan van partij te zijn veranderd. In de jaren 1990 was dat al iets meer dan één kiezer op drie.7 Bij het PartiRep-verkiezingsonderzoek in 2009, ten slotte, gaf 41% van de kiezers aan voor een andere partij te hebben gestemd dan ze in 2005 deden.8 Het aantal switchers in 2014 is dus stabiel ten opzichte van wat in 2009 werd waargenomen, maar historisch gezien blijft dit een heel hoog absoluut niveau. Opvallend is vooral dat we op basis van deze individuele data wel een duidelijke toename in volatiliteit waarnemen, terwijl de nettocijfers deze trend verbergen.

KIEZERSSTROMEN

Hoewel we op basis van de verkiezingsresultaten van 25 mei 2014 een grote mate van stabiliteit waarnemen ten opzichte van 2010, leiden individuele data ons tot de vaststelling dat meer dan 4 kiezers op 10 van de ene verkiezing tot de andere van partij wisselden. De implicatie van die tegengestelde bevindingen is dan ook dat de verschuivingen in geen geval eenrichtingsverkeer waren, maar dat stemmenwinst voor partijen voor een groot stuk worden geneutraliseerd door een verlies van kiezers aan andere partijen. In een volgende stap gaan we dan ook dieper in op de verschuivingen van kiezers tussen de verschillende partijen, om zo alle bewegingen tussen partijen te vatten.

We bekijken eerst de verschuivingen tussen 2010 en 2014 voor de Nederlandstalige partijen. In Tabel 3 geven we in de vorm van een matrix de verschuivingen van het electoraat van de verschillende partijen sinds 2010 weer. De cijfers op de hoofddiagonaal geven de percentages stabiele kiezers binnen elk partijelectoraat aan. Op die hoofddiagonaal zijn er twee uitschieters; de kiezers die in 2010 voor de N-VA stemden zijn in grote mate trouw aan die partij, 73% van hen stemden ook op 25 mei 2014 voor de N-VA. Het kiezerspubliek van het Vlaams Belang daarentegen was een heel stuk minder trouw. Slechts 31% van wie in 2010 Vlaams Belang koos, deed dat ook in 2014 en een nog groter aandeel (44%) van de Vlaams Belang-kiezers liep in 2014 over naar de N-VA. Bij geen enkele andere partij ging de uitstroom aan kiezers zo duidelijk in de richting van één bepaalde partij. Enkel de Open VLD komt in de buurt, want de partij zag 30% van haar kiezers uit 2010 naar de N-VA trekken. Verder valt bij deze transitiematrix nog op te merken dat bijna één op twee respondenten die aangeeft in 2010 nog blanco/ongeldig of niet te hebben gestemd, in 2014 voor de N-VA stemde. De partij wist dus niet alleen kiezers van andere partijen te overtuigen, maar ook behoorlijk wat niet-kiezers uit 2010. Als we verder focussen op de N-VA dan maakt de transitiematrix duidelijk dat de partij vooral kiezers aan de rechterzijde overtuigde. Slechts een fractie van de Groen- en sp.a-kiezers uit 2010 stemde in 2014 voor de N-VA. Het lijkt er dan ook op dat de N-VA ten opzichte van 2010 vooral voor een groepering van kiezers aan de rechterzijde van het ideologische spectrum zorgde. Dat blijkt ook uit Figuur 3, waar we de herkomst van de N-VA-kiezers grafisch voorstellen. Meer dan 60% van de N-VA-kiezers rapporteerde ook in 2010 al voor de N-VA te hebben gestemd. Het merendeel van de nieuwe N-VA-kiezers stemde in 2010 voor de (centrum)rechtse partijen Vlaams Belang, Open VLD of CD&V. De voorbije verkiezingen groeide de N-VA deels omdat de partij er in slaagde kiezers van zowel links als rechts te overtuigen.9 De verdere groei in 2014, daarentegen, is in de eerste plaats te danken aan het feit dat de partij kiezers aan de rechterzijde wist aan te trekken. De individuele data maken duidelijk dat die rechterzijde wel in brede zin worden geïnterpreteerd. In tegenstelling tot waar in analyses meteen na de verkiezingen op werd gefocust, trok de N-VA niet enkel kiezers aan van extreemrechts. Nóg meer centrum-kiezers stapten in 2014 over naar de partij van Bart De Wever.

Tabel 3. Transitiematrix - kiezersstromen in Vlaanderen.

 

2014

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CD&V

Groen

N-VA

sp.a

Vlaams Belang

Open VLD

Andere

Blanco-Ongeldig-Niet

N

2010

                 

CD&V

58,9%

2,2%

17,5%

5,1%

0,0%

11,7%

1,5%

2,2%

137

Groen

8,3%

62,5%

4,2%

6,3%

0,0%

6,3%

12,5%

0,0%

48

N-VA

9,2%

1,9%

72,8%

4,4%

1,5%

7,8%

1,9%

0,5%

206

sp.a

7,3%

10,4%

6,3%

59,4%

2,1%

4,2%

9,4%

1,0%

96

Vlaams

Belang

2,8%

0,0%

44,4%

2,8%

30,6%

11,1%

0,0%

8,3%

36

Open VLD

3,3%

5,5%

29,7%

4,4%

1,1%

52,8%

3,3%

0,0%

91

Andere

28,6%

0,0%

14,3%

0,0%

0,0%

14,3%

28,6%

14,3%

7

Blanco-

Ongeldig-

Niet

6,1%

6,1%

45,5%

6,1%

3,0%

15,2%

6,1%

12,1%

33

Totaal

18,3%

8,3%

36,9%

12,7%

2,8%

14,8%

4,7%

1,5%

654

Bron: PartiRep-verkiezingssurvey 2014. Ongewogen data. Enkel kiezers die in 2010 stemgerechtigd waren (+18 jaar).

Figuur 3. Herinnerde stemgedrag in 2010 van de N-VA-kiezers in 2014.

 

Bron: PartiRep-verkiezingssurvey 2014. Ongewogen data. Enkel kiezers die in 2010 stemgerechtigd waren (+18 jaar). N = 241.

 

In Tabel 4 bekijken we op eenzelfde manier de verschuivingen tussen 2010 en 2014 in Wallonië. Ook voor deze partijen zien we twee uitschieters op de hoofddiagonaal. Ecolo is de partij met het minst loyale electoraat, slechts iets meer dan de helft (53%) van wie in 2010 Ecolo stemde gaf aan ook op 25 mei voor Ecolo te hebben gestemd. De Ecolo-kiezers verschoven vooral richting de PS (15%) en het cdH (10%), terwijl er nauwelijks groene kiezers de overstap maakten naar partijen aan de rechterzijde. Daarnaast valt ook de evolutie van PTB-GO! op. Door het beperkte aantal respondenten dat aangeeft in 2010 PTB-GO! te hebben gestemd, moeten we de hoge mate van loyaliteit met een korrel zout interpreteren. Opmerkelijk is echter dat de partij er in slaagde om bijna 10% van wie in 2010 nog de PS verkoos te overtuigen om voor PTB-GO! te stemmen.

Tabel 4. Transitiematrix – kiezersstromen in Wallonië.

 

2014

 

 

 

 

 

 

 

 

 

cdH

Ecolo

FDF

MR

PS

PTB-GO!

Andere

Blanco- Ongeldig- Niet

N

2010

                 

cdH

68,3%

3,7%

2,4%

13,4%

8,5%

0,0%

2,4%

1,2%

82

Ecolo

10,3%

52,6%

3,8%

5,1%

15,4%

6,4%

5,1%

1,3%

78

MR

14,4%

1,5%

2,3%

65,2%

5,3%

3,8%

7,6%

0,0%

132

PS

6,6%

2,5%

1,0%

5,1%

69,2%

9,6%

5,1%

1,0%

198

PTB-GO!

0,0%

0,0%

0,0%

22,2%

0,0%

77,8%

0,0%

0,0%

9

Andere

0,0%

0,0%

3,0%

21,2%

3,0%

9,1%

60,6%

3,0%

33

Blanco-

Ongeldig- Niet

13,2%

5,3%

2,6%

21,1%

31,6%

2,6%

10,5%

13,2%

38

Totaal

17,7%

9,3%

2,1%

22,5%

30,9%

7,0%

8,8%

1,8%

 570

Bron: PartiRep-verkiezingssurvey 2014. Ongewogen data. Enkel kiezers die in 2010 stemgerechtigd waren (+18 jaar). Merk op dat het aantal FN-kiezers te klein was voor een individuele analyse, FN-kiezers zijn opgenomen in de ‘Andere’-categorie.

 

KENMERKEN VAN VOLATIELE KIEZERS

Binnen de wetenschappelijke literatuur is er veel aandacht voor de vraag hoe we volatiele kiezers best kunnen omschrijven. Die focus op partijswitchers is deels gedreven door een bekommernis om het functioneren van de democratie. Het zijn immers de kiezers die van verkiezing tot verkiezing van partij wisselen die bepalen welke partijen winnen en verliezen. Daardoor zijn het ook de volatiele kiezers die bepalen of regeringspartijen verder kunnen besturen of een nieuwe meerderheid moet worden gezocht.10

De variabelen die met volatiliteit in verband worden gebracht, zijn grosso modo in twee groepen in te delen. Ten eerste is er veel aandacht voor factoren als politieke interesse en politieke kennis, waarbij de centrale vraag is of het wisselen van partij een goed beredeneerde keuze is of niet.11 Ten tweede hebben onderzoekers oog voor de vraag of het veranderen van partij een uiting is van een algemeen gevoel van ontevredenheid, over het beleid, over de vorige partij of over politiek in het algemeen.12 De data van het PartiRep- verkiezingsonderzoek laten ons toe om ook voor het wisselen van partij tussen 2010 en 2014 na te gaan hoe we de volatiele kiezers voor elk van deze factoren kunnen karakteriseren.

Politieke kennis en interesse

In een eerste stap bekijken we of volatiele kiezers meer of minder geïnteresseerd zijn in politiek dan wat geldt voor wie twee verkiezingen op rij voor dezelfde partij koos. Om het niveau van politieke interesse van respondenten aan de PartiRep-verkiezingssurvey te meten, werd hen gevraagd om, op een schaal van 0 tot 10, aan te duiden in welke mate ze belangstelling hebben voor politiek in het algemeen. Daarbij stond 0 voor helemaal geen belangstelling en de waarde 10 voor heel veel belangstelling voor politiek. Gemiddeld gaven respondenten zichzelf een waarde van 4,8. Uit Tabel 5 blijkt dat kiezers die tussen 2010 en 2014 van partij wisselden gemiddeld significant minder geïnteresseerd zijn in politiek (4,8), dan de kiezers die trouw bleven aan de partij waarvoor ze ook in 2010 al stemden (5,5).

 

Tabel 5. Belangstelling voor politiek en politieke kennis bij stabiele en volatiele kiezers.

 

Belangstelling voor politiek (0-10)

Politieke kennis (0-5)

Gemiddelde stabiele kiezers

5,50

2,48

Gemiddelde volatiele kiezers

4,84

2,23

t-waarde

4,19***

2,85**

N

1.223

1.224

Bron: PartiRep-verkiezingssurvey 2014. Ongewogen data. Enkel kiezers die in 2010 stemgerechtigd waren (+18 jaar). Significantieniveau: ** p<0,01; *** p 0,001.

Daarenboven weten volatiele kiezers ook significant minder over politiek. Terwijl stabiele kiezers gemiddeld 2,5 op 5 scoorden op de kennisvragen in de PartiRep-verkiezingssurvey13, scoorden kiezers die tussen 2010 en 2014 van partij wisselde, maar 2,2 (zie Tabel 5).

Een bijzonder grote groep kiezers stemde op 25 mei 2014 voor een andere partij voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers dan ze in 2010 deden. Een eenvoudige analyse van het niveau van belangstelling voor politiek en politieke kennis suggereert dat we die grote mate van volatiliteit zeker niet kunnen interpreteren als een gevolg van het feit dat geïnteresseerde en goed geïnformeerde kiezers een weloverwogen keuze maken om van partij te wisselen.

Politiek vertrouwen en politieke tevredenheid

De kans lijkt klein dat wie tussen 2010 en 2014 van partij wisselde zich daarbij vooral liet leiden door informatie over partijen of kandidaten. Hoe kunnen we de grote verschuivingen dan wel verklaren? Een aantal onderzoekers geven aan dat partijswitchen een uiting kan zijn van ontevredenheid of zelfs van een afkeer van politiek in het algemeen. We bekijken die optie van naderbij met behulp van informatie over het niveau van tevredenheid over het beleid van de federale regering14, politiek vertrouwen15 en tevredenheid met het functioneren van de democratie16 van respondenten aan het PartiRep-verkiezingsonderzoek.

Uit de resultaten in Tabel 6 kunnen we afleiden dat volatiele kiezers inderdaad ontevreden zijn. De kiezers die in 2014 voor een andere partij stemden dan bij de federale verkiezingen van 2010, blijken significant minder tevreden en dat zowel over het beleid van de federale regering als over het functioneren van de democratie in het algemeen. Daarenboven hebben volatiele kiezers gemiddeld een lager niveau van politiek vertrouwen dan de kiezers die trouw bleven aan hun partij uit 2010.

Tabel 6. Tevredenheid en politiek vertrouwen.

 

Tevredenheid over het beleid van de federale regering (1-5)

Tevredenheid over het functioneren van de democratie
(1-4)

Politiek vertrouwen (0-10)

Gemiddelde stabiele kiezers

3,15

2,76

5,25

Gemiddelde volatiele kiezers

3,00

2,65

4,89

t-waarde

3,01**

3,18**

4,47***

N

1.207

1.219

1.191

Bron: PartiRep-verkiezingssurvey 2014. Ongewogen data. Enkel kiezers die in 2010 stemgerechtigd waren (+18 jaar). Significantieniveau: ** p < 0,01; *** p 0,001.


BESLUIT

Ondanks de nadruk op de potentiële impact van ‘de zwevende kiezer’ in de laatste weken voor de verkiezingen, blijken de nettoverschuivingen tussen 2010 en 2014 eerder beperkt. Vooral aan Vlaamse zijde kunnen de verkiezingen van 25 mei 2014 geenszins als uitzonderlijk instabiel worden bestempeld. De index voor nettovolatiliteit in Wallonië is in historisch oogpunt wel vrij hoog, maar ook voor deze regio waren de verschuivingen minder groot dan bij de federale verkiezingen van 2010.

Onder die relatieve stabiliteit schuilen evenwel grote verschuivingen tussen partijen. Meer dan vier kiezers op tien geeft aan in 2014 voor een andere partij te hebben gestemd dan bij de verkiezingen van juni 2010. Uit eerder onderzoek blijkt bovendien dat dit cijfer - op basis van het herinnerde stemgedrag - waarschijnlijk een onderschatting is van de reële mate waarin kiezers van partij wisselden.

Dat verkiezingsuitslagen alleen niet alles zeggen blijkt ook uit een meer gedetailleerde analyse van de verschuivingen. Hoewel de Open VLD er netto op vooruitging, observeren we dat een op de drie kiezers die in 2010 nog voor Open VLD stemde, in 2014 voor de N-VA koos. Die analyse maakt meteen ook duidelijk dat de N-VA niet enkel kiezers van het Vlaams Belang wist te overtuigen. De nieuwe N-VA-kiezers in 2014 komen van zowat alle centrum- en rechtse partijen. Op die manier slaagde de N-VA erin kiezers aan de rechterzijde te groeperen, terwijl er op links geen enkele partij voor een concentratie kon zorgen. In Wallonië lijken de verschuivingen op het eerste zicht minder eenrichtingsverkeer te zijn. Toch is het opvallend dat PTB-GO! maar liefst 10% van het toch vrij omvangrijke PS-electoraat wist aan te trekken. Dat verlies aan kiezers voor de PS werd wel deels gecompenseerd door de instroom van kiezers die in 2010 nog Ecolo stemden.

Hoewel het overgrote deel van de kiezers die van partij wisselt dat doet naar ideologisch verwante partijen, lijkt switchen niet te zijn gedreven door een grote mate van interesse voor of kennis van politiek. De grote groep kiezers die tussen 2010 en 2014 van partij wisselde, kan wel worden gekenmerkt als ontevreden. De ‘winnaars’ van de verkiezingen van 25 mei 2014 staan dan ook voor de moeilijke opdracht hun nieuwe kiezers tevreden te houden.

Vier maanden na de verkiezingen staat een centrumrechtse coalitie in de steigers om op het federale niveau te besturen. Die ommekeer op regeringsniveau is niet het resultaat van een verschuiving van kiezers van links naar rechts. Op het individuele niveau zien we wel een groepering van kiezers aan de rechterzijde, vooral aan Vlaamse zijde. Bij de linkse partijen daarentegen is een versnippering waar te nemen. Als een gevolg van beide tendensen ontstond de perceptie dat (centrum)rechts de verkiezingen won, maar weinig kiezers maakten de sprong van partijen aan de linkerzijde naar partijen op rechts.

Ruth Dassonneville
KU Leuven, Centre for Citizenship and Democracy
Pierre Baudewyns
Université catholique de Louvain

Samenleving en politiek, Jaargang 21, 2014, nr.7 (september), pagina 5 tot 16

Noten
1/ http://verkiezingen2014.belgium.be/nl/cha/results/results_start.html.
2/ Het verkiezingsonderzoek werd in de twee maanden voor de verkiezingen uitgevoerd bij een representatieve steekproef van 2019 respondenten, die toevallig getrokken werden uit het Rijksregister (Belgische kiezers). Omwille van de heel specifieke taalkundige en politieke situatie werd het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet opgenomen in de steekproef. In totaal werden 1001 interviews afgenomen (mondeling gesprek van iets meer dan één uur) in Vlaanderen, en 1018 in het Waals Gewest. Uit de analyse blijkt dat de steekproef representatief is voor de kiesgerechtigde bevolking in beide gewesten. De responsgraad bedroeg 45 procent, wat iets lager is dan bij het vorige PartiRep-verkiezingsonderzoek. Ook in andere landen zien we echter een dalende trend wat betreft de bereidheid om deel te nemen aan dit soort verkiezingsonderzoek.
3/ Pedersen, M. (1979). The Dynamics of European Party Systems: Changing Patterns of Electoral Volatility. European Journal of Political Research 7(1): 1-26.
4/ Voor Vlaanderen nemen we alle stemmen in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen in beschouwing. Voor de Waalse regio nemen we alle stemmen in Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant in beschouwing.
5/ Voor een overzicht van de voor- en nadelen van de ‘Pedersen index’ zie Pedersen, M., Katz, R. & Rattinger, H. (1997). Nominations and Reflections. The Dynamics of European Party Systems. European Journal of Political Research 31(1): 83-97.
6/ Van der Eijk, C. & Niemöller, B. (1983). Electoral Change in the Netherlands. Empirical Results and Methods of Measurement. Amsterdam: CT Press; Waldahl, R. & Aardal, B. (2000) The Accuracy of Recalled Previous Voting: Evidence from the Norwegian Election Study. Scandinavian Political Studies 23(4): 373-389.
7/ De Winter, L., Swyngedouw, M. & Dumont, P. (2006). Party System(s) and Electoral Behaviour in Belgium: From Stability to Balkanisation. West European Politics 29(5): 933-956.
8/ Walgrave, S., Lefevere, J. & Hooghe, M. (2010). ‘Volatiel of wispelturig? Hoeveel en welke kiezers veranderden van stemvoorkeur tijdens de campagne?’ In: K. Deschouwer, P. Delwit, M. Hooghe & S. Walgrave (reds). De stemmen van het volk. Een analyse van het kiesgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 10 juni 2009 (pp. 29-50). Brussel: VUBPress.
9/ Dassonneville, R. & Hooghe, M. (2013). Waar komen de lokale N-VA-kiezers vandaan? Samenleving en politiek 20(1): 65-75.
10/ Granberg, D. & Holmberg, S. (1990). The Berelson Paradox Reconsidered. Intention-Behavior Changers in U.S. and Swedish Election Campaigns. Public Opinion Quarterly 54(4): 530-550; Mainwaring, S. & Zoco, E. (2007). Political Sequences and the Stabilization of Interparty Competition: Electoral Volatility in Old and New Democracies. Party Politics 13(2): 155-178.
11/ Dassonneville, R. & Dejaeghere, Y. (2014). Bridging the Ideological Space. A Cross-National Analysis of the Distance of Party Switching. European Journal of Political Research te verschijnen; Lachat, R. (2007). A Heterogeneous Electorate. Political Sophistication, Predisposition Strengt hand the Voting Decision Process. Baden-Baden: Nomos.
12/ Söderlund, P. (2008). Retrospective Voting and Electoral Volatility: A Nordic Persective. Scandinavian Political Studies 31(2): 217-240; Zelle, C. (1995). Social Dealignment versus Political Frustration: Contrasting Explanations of the Floating Vote in Germany. European Journal of Political Research 27(3): 319-345.
13/ Respondenten werden bevraagd naar de samenstelling van het federale parlement, de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de samenstelling van de regionale regering, het aantal lidstaten van de Europese Unie en de samenstelling van de federale regering.
14/ Aan respondenten werd gevraagd in welke mate ze tevreden waren over het gevoerde beleid van de federale regering. Antwoordcategorieën waren ‘Heel ontevreden’, ‘Eerder ontevreden’, ‘Noch tevreden, noch ontevreden’, ‘Eerder tevreden’ en ‘Heel tevreden’.
15/ We bekijken de score van respondenten op een schaal (0-10, waarbij 0 staat voor ‘Helemaal geen vertrouwen’ en 10 voor ‘Volledig vertrouwen’) van 11 verschillende items. De items zijn het gerecht, de politie, de media, de politieke partijen, de Vlaamse/Waalse regering, het Vlaams/Waals parlement, de federale regering, het federale parlement, sociale bewegingen, politici en de Europese Unie. Omdat het vertrouwen in elk van deze instellingen goed samenhangt (Eigenwaarde: 6,05; Cronbach’s α van 0,91) werden de items samengevoegd door middel van een somschaal van ‘politiek vertrouwen’.
16/ De vraagstelling was: ‘Bent u over het algemeen genomen zeer tevreden, tamelijk tevreden, niet erg tevreden of helemaal niet tevreden over de manier waarop de democratie in België functioneert?’ (omgekeerde codering).

PartiRep - volatiliteit - verkiezingen 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk