(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Politiek vertrouwen in Vlaanderen en Wallonië

PARTIREP-VERKIEZINGSONDERZOEK 2014

In de media wordt de stembusuitslag van 25 mei vaak voorgesteld als een logisch resultaat van het gebrek aan vertrouwen in de regering-Di Rupo. Een vaak terugkerende stelling is dat deze regering niet echt gesteund werd door de Vlaamse publieke opinie, wat allicht de uitslag mee kan verklaren. De vraag is echter of dit beeld correct is. In deze bijdrage gaan we na hoe het nu zat met het politiek vertrouwen van de kiezers en of er hierin verschillen optreden tussen de Vlaamse en de Waalse respondenten. Vervolgens bekijken we of tevredenheid en vertrouwen een factor waren voor de keuze voor een specifieke partij bij de verkiezingen. Terwijl de Vlaamse kiezer haar/zijn ongenoegen kon ventileren via een stem voor de N-VA, was dit aan Franstalige kant veel minder het geval.

 

VERTROUWEN

Politiek vertrouwen is een uiterst belangrijke bouwsteen voor elk democratisch systeem. Als burgers vertrouwen hebben in de politiek, dan is dat een duidelijk bewijs van de legitimiteit van de politieke besluitvorming. Het toont dat burgers overwegend een positieve attitude hebben tegenover de politiek, en er ook het vertrouwen in hebben dat de instellingen over het algemeen wel voor het algemeen welzijn zullen zorgen. De onlangs overleden politicoloog David Easton stelt bovendien dat politiek vertrouwen op zijn beurt een belangrijke steunfactor vormt voor de stabiliteit van het politiek systeem zelf. Als er vertrouwen is, kan het systeem beter functioneren, en dan weet het zich geruggesteund door de waardering van de bevolking (Easton, 1965; Zmerli & Hooghe, 2011).

Vertrouwen is een veel fundamenteler attitude dan louter tevredenheid. Uiteraard is het ook belangrijk dat burgers in het algemeen tevreden zijn over het gevoerde beleid, maar die evaluatie zal van veel meer factoren afhankelijk zijn, en dus ook veel sneller veranderen doorheen de tijd. Als een regering onpopulaire maatregelen neemt of moet nemen, dan zullen weinig burgers daarover ‘tevreden’ zijn, omdat het immers indruist tegen hun belangen. Maar ook onder die omstandigheden kan er wel nog altijd vertrouwen zijn, omdat burgers het gevoel hebben dat de instellingen in het algemeen wel het beste voor hebben met de samenleving.

Kiezers kunnen hun wantrouwen en hun ontevredenheid in principe op twee manieren uiten. Ten eerste kunnen ze besluiten gewoon niet te gaan stemmen. In de meeste landen zien we dat wantrouwen een van de belangrijkste oorzaken is voor het niet gaan stemmen. Omwille van de opkomstplicht is die piste in ons land afgesloten. Ook bij deze verkiezingen bleef de opkomst stabiel op ongeveer 90 procent liggen, ondanks het feit dat het duidelijk is dat overtredingen van de opkomstplicht niet langer vervolgd worden. Een tweede mogelijke uiting is dat ontevreden kiezers vooral voor de oppositiepartijen zullen stemmen, en dan vooral voor de anti-systeempartijen. Met anti-systeempartijen bedoelt men dat het om politieke partijen gaat die de basisregels zelf van het politieke systeem verwerpen, en die dus veel verder afstaan van het gebruikelijke politieke spel. De logische verwachting is dan ook dat vooral anti-systeempartijen zullen profiteren van lage vertrouwensniveaus (Hooghe, Marien & Pauwels, 2010). Men kan de redenering echter ook omkeren: puur theoretisch is het niet altijd even duidelijk welke partij als ‘anti-systeempartij’ moet worden beschouwd, en welke niet. Als blijkt dat politiek wantrouwen het belangrijkste kiesmotief is bij een specifieke partij, dan vormt dat echter op zich al een argument om het over een anti-systeempartij te hebben.

De verkiezingen van mei 2014 komen uiteraard op een cruciaal ogenblik als het gaat over politiek vertrouwen en tevredenheid. In feite kampt ons land reeds sinds 2007 met een aanslepende politieke crisis, met lange periodes van politieke instabiliteit. In die omstandigheden zou men kunnen verwachten dat de burgers inderdaad veel vertrouwen in de politiek hebben verloren, en in het algemeen ook niet zo tevreden zullen zijn met het functioneren van de politieke instellingen. De PartiRep-verkiezingsstudie laat toe na te gaan of dit zo is, en zo ja, wat de gevolgen hiervan zijn voor de stembusuitslag.

HOE TEVREDEN IS DE BURGER?

Als we eerst kijken naar de niveaus van tevredenheid, dan valt het op dat er zeker geen sprake is van een veralgemeend klimaat van ontevredenheid. In het verkiezingsonderzoek werd tevredenheid gemeten op een schaal van 1 (zeer ontevreden), tot 5 (heel tevreden). Wat opvalt is dat de gemiddelde scores rond de 3 liggen, met andere woorden: de gemiddelde kiezer is eigenlijk niet echt tevreden, maar ook niet ontevreden (Tabel 1).

Tabel 1: Tevredenheid en vertrouwen bij de Belgische kiezers.

   

België

Vlaanderen

Wallonië

Signif.

Tevredenheid met…

(Schaal 1-5)

Regionale regering

3,21

3,40

3,02

***

Federale regering

3,08

3,09

3,08

 

Europese Unie

2,83

2,99

2,67

***

Gemiddelde

3,04

3,16

2,92

***

Cronbach’s α

0,67

0,64

0,69

 

De democratie in het algemeen

2,86

2,85

2,86

 

Vertrouwen in (Schaal 0 tot 10)

Justitie

4,80

4,68

4,92

*

Politie

5,75

5,87

5,63

**

De media

4,32

4,47

4,17

*

De politieke partijen

4,47

4,71

4,24

***

Regionale regering

5,36

5,69

5,04

***

Regionaal parlement

5,31

5,61

5,02

***

De federale regering

5,13

5,11

5,15

 

Het federale parlement

5,09

5,12

5,05

 

Sociale bewegingen

5,38

5,59

5,16

***

Politici

4,57

4,59

4,54

 

De Europese Unie

4,86

5,04

4,70

***

Gemiddelde

5,01

5,15

4,88

***

Cronbach’s α

0,91

0,91

0,92

 

PartiRep-verkiezingsonderzoek 2014. Significantie : * p<0,05 ; ** p0,01 ; *** p0,001.

 

Het beeld dat soms geschetst wordt, alsof vooral de Vlaamse publieke opinie ontevreden zou zijn over de regering-Di Rupo klopt duidelijk niet. Zowel in Vlaanderen als in Wallonië haalt de federale regering een score van bijna 3,1 op 5, en er is géén significant verschil tussen beide regio’s. Dat is opvallend: voor het eerst in bijna veertig jaar werd de Belgische regering geleid door een Franstalige politicus, maar in de praktijk leidt dat niet tot een hogere tevredenheidsscore in Wallonië. In tegenstelling tot wat vaak werd gedacht, zien we dat de Vlamingen precies even tevreden waren over de regering-Di Rupo als de Waalse kiezers. We zien daarentegen wel een groot verschil als het gaat over de regionale regering. In Vlaanderen doet de regering-Peeters het behoorlijk goed, met een score van 3,4. In Wallonië, daarentegen, is de score voor de regionale regering zelfs nog lager dan die voor de federale regering. We zien hier een duidelijk verschil, dat toch wel anders ligt dan wat vaak in de media wordt gesuggereerd. In feite is er tussen de gewesten geen onderscheid wat betreft hun houding ten opzichte van de federale regering. Het grote verschil is dat de Vlamingen eigenlijk wel best tevreden zijn over hun eigen regionale regering (en in vergelijking daarmee doet de federale regering het inderdaad slechter), terwijl dat helemaal niet het geval is aan Franstalige kant. Ook voor de algemene vraag over hoe tevreden men is over het functioneren van de democratie in ons land in het algemeen, zien we geen enkel verschil tussen Franstaligen en Nederlandstaligen.

Een gelijkaardig patroon zien we als het gaat over de basisattitude van het politiek vertrouwen. Daar konden de respondenten hun vertrouwen weergeven op een schaal van 0 tot 10, en ook hier liggen de gemiddeldes in het midden van de schaal. Er is opnieuw geen verschil tussen Nederlandstaligen en Franstaligen wat betreft hun score in de federale instellingen zoals het parlement en de regering. Maar de Vlamingen hebben wel veel meer vertrouwen in het Vlaams parlement en in de Vlaamse regering, terwijl aan Franstalige kant het omgekeerde het geval is. Ook bij het vertrouwen in de politieke partijen in het algemeen zien we een gelijkaardig beeld, met veel hogere scores in Vlaanderen dan in Wallonië. We kunnen hieruit afleiden dat de vraag blijkbaar vooral geïnterpreteerd werd als een vraag naar het vertrouwen in de politieke partijen van de eigen taalrol. De Franstaligen hebben duidelijk weinig vertrouwen in de Franstalige partijen in ons land, terwijl dat bij de Vlamingen al bij al nog meevalt. Dat is het echte drama van Wallonië: de Waalse kiezers hebben zo weinig vertrouwen in hun eigen politici dat de Belgische federatie voor hen het enige alternatief is. Verder zien we ook nog dat de hoogste vertrouwensniveaus worden genoteerd voor de politie. Uitgerekend deze instelling kreeg veel kritiek tijdens de vertrouwenscrisis die ons land in 1996-97 kende bij de zaak-Dutroux. Twee decennia later zien we echter dat de politie van alle instellingen nog het meest vertrouwen krijgt. De Europese Unie, daarentegen, krijgt eerder weinig vertrouwen, vooral dan in Wallonië.

Tabel 2. Gemiddeld vertrouwen per partij.

Partij

Vertrouwen (0-10)

Afwijking van gemiddelde voor regio

Tevredenheid (1-5)

Afwijking van gemiddelde voor regio

Vlaanderen

CD&V

5,72

0,57

3,42

0,26

Groen

5,29

0,14

3,18

0,02

N-VA

5,00

-0,15

3,00

-0,16

sp.a

5,47

0,32

3,39

0,23

VB

4,40

-0,75

2,51

-0,65

Open VLD

5,24

0,09

3,25

0,09

PVDA+

5,01

-0,14

2,90

-0,26

Blanco/ongeldig

3,63

-1,52

2,67

-0,49

         

Wallonië

PS

5,29

0,41

3,13

0,21

MR

4,76

-0,12

2,79

-0,13

cdH

5,21

0,33

3,08

0,16

Ecolo

5,38

0,50

2,98

0,06

FDF

5,18

0,30

3,03

0,11

PTB-GO!

4,34

-0,54

2,65

-0,27

PP

4,43

-0,45

2,56

-0,36

Blanco/ongeldig

3,10

-1,78

2,36

-0,56

Bron : PartiRep 2014, gemiddelde scores per electoraat.

 

Het beeld over de verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië is dus veel genuanceerder dan wat vaak wordt gedacht. In feite geven Vlamingen en Walen net hetzelfde oordeel over de federale politieke instellingen, en meestal is er zelfs geen enkel verschil. Maar het grote onderscheid is wel dat de Vlamingen duidelijk meer vertrouwen en waardering hebben voor hun eigen regionale instellingen, terwijl net het omgekeerde geldt voor de Waalse kiezers. Dat kan ook de andere dynamiek in de beide gedeelten van het land verklaren. De Vlamingen hebben allicht het idee dat ze erop vooruit gaan als er bevoegdheden van het federale naar het regionale niveau verschuiven, omdat er dan meer bevoegdheden terechtkomen bij een niveau waarin ze relatief veel vertrouwen hebben. Bij de Waalse kiezers is dat net het omgekeerde: zij gaan erop achteruit bij een regionalisering, omdat ze eigenlijk heel weinig vertrouwen hebben in de eigen regionale instellingen. Kort door de bocht geformuleerd: in Wallonië wordt men nog liever door de Belgische regering geregeerd dan door de eigen Waalse regering.

Ook bij het PartiRep-verkiezingsonderzoek van 2009 werd reeds, op precies dezelfde manier, gepeild naar het politiek vertrouwen. Als we beide cijfers met elkaar vergelijken, dan kunnen we nagaan hoe het vertrouwen in ons land de afgelopen vijf jaar is geëvolueerd, na eerst een lang aanslepende politieke crisis, en vervolgens het beleid van de regering-Di Rupo (Figuur 1). Het algemeen gemiddelde blijft merkwaardig stabiel. Men kan dus concluderen dat alle gebeurtenissen sinds 2009 geen daling hebben veroorzaakt van het politiek vertrouwen van de Belgische bevolking. Voor wat betreft de federale regering en het federaal parlement zien we zelfs een lichte stijging. Er is wel een duidelijke daling van het vertrouwen in de regionale instellingen (zowel de regering als het parlement). Waar deze regionale instellingen in 2009 nog ruim een half punt hoger scoorden dan het federale niveau, is deze voorsprong vijf jaar later zowat gehalveerd. Terug in tegenstelling tot wat vaak gesteld wordt, is het dus vooral het regionale niveau dat de afgelopen jaren aan vertrouwen heeft ingeboet, en niet het federale niveau.

Figuur 1. Evolutie van het politiek vertrouwen in België, 2009-2014.

Gemiddelde scores politiek vertrouwen (0-10), PartiRep-verkiezingsonderzoek, 2009 en 2014.

 

PROFIEL VAN DE ELECTORATEN

Als we vervolgens kijken naar de verschillen tussen de partijen en hun electoraten, dan zien we meteen dat de kiezers van sp.a, CD&V en Open VLD nog het meest tevreden zijn over het gevoerde beleid. Dat hoeft ook niet te verwonderen, omdat die partijen deel uitmaakten van de federale regering, en dus mee verantwoordelijk waren voor dat beleid. Veel lagere tevredenheidsscores noteren we bij N-VA, maar vooral bij het Vlaams Belang en de PVDA+. Aan Waalse kant zijn de verschillen veel minder uitgesproken. Daar vinden we de minst tevreden kiezers vooral bij MR en bij PTB-GO! (de Franstalige tegenhanger van PVDA+).

Voor wat het politiek vertrouwen betreft, zien we een gelijkaardige verdeling. Daar zijn het vooral de kiezers van CD&V die hoog scoren. De laagste scores vinden we terug bij Vlaams Belang en bij PVDA+, maar nu is er duidelijk wel een kloof tussen beide partijen. Dat laat ons ook toe om duidelijk het verschil tussen deze beide partijen te schetsen. Zowel bij extreem-links als bij extreem-rechts is er duidelijk heel wat ontevredenheid over het gevoerde beleid. Maar bij de extreem-rechtse kiezer slaat die ontevredenheid zover door, dat men ook elk vertrouwen in het politieke systeem als dusdanig verliest. Dat is een groot verschil met de extreem-linkse kiezer, die misschien even ontevreden is, maar ondanks alles toch nog altijd vertrouwen schenkt aan het democratisch politiek systeem.

Aan Waalse kant zien we toch een wat scherper onderscheid, en bij de kiezers van PTB-GO! is er ook veel minder vertrouwen in de politieke instellingen. PTB-GO! heeft wat dat betreft een radicaler protestprofiel dan de PVDA+ aan Vlaamse kant.

POLITIEK VERTROUWEN EN PARTIJKEUZE

De belangrijkste vraag in dit verkiezingsonderzoek is uiteraard welke electorale gevolgen dat vertrouwen en die tevredenheid hebben gehad op de partijkeuze. We doen dat aan de hand van een multinomiale logistische regressie. Dat komt er op neer dat we aan de hand van aantal factoren de kans kunnen voorspellen dat iemand voor een specifieke partij heeft gekozen. De techniek komt erop neer dat de kiezer telkens wordt vergeleken met een andere groep, die men de ‘referentiecategorie’ noemt. Bij geslacht, bijvoorbeeld, zijn 'vrouwen' de referentiecategorie, en 'mannen' worden dus met 'vrouwen' vergeleken. Voor wat het stemgedrag zelf betreft, nemen we als referentiecategorie telkens de meest modale partij, en dat is CD&V in Vlaanderen en de PS in Wallonië. Voor wat tevredenheid en vertrouwen betreft, gaan we op dezelfde manier tewerk. Eerst delen we de respondenten op in drie gelijke groepen, met hoge, gemiddelde en lage niveaus van vertrouwen en tevredenheid. De groep met het hoogste niveau functioneert dan telkens als referentiecategorie. De gemakkelijkste manier om de resultaten te lezen, is de aandacht te houden bij de significantieniveaus. Als er geen sterretjes staan bij een coëfficiënt, dan wil dat zeggen dat het resultaat niet significant is, en aan toeval te wijten kan zijn. Als die sterretjes er wel staan, dan wil dat zeggen dat de verschillen wél betekenisvol zijn. Om het met een duidelijk voorbeeld te illustreren: wie een laag niveau van tevredenheid noteert, heeft 2,8 keer méér kans om op het Vlaams Belang te stemmen dan iemand met een hoog niveau van tevredenheid. De drie sterretjes bij dat resultaat tonen aan dat het hier om een duidelijk verschil gaat.

Aan de hand van deze analyse kunnen we vaststellen dat elke politieke partij toch wel duidelijk een eigen profiel kiezers aantrekt. Eerst bespreken we de resultaten voor Vlaanderen (Tabel 3). Bij Groen zijn er geen al te grote verschillen, maar wel zien we dat die partij er nog altijd niet in slaagt een publiek van 55+-ers aan te spreken. Voor de sp.a is de analyse zo mogelijk nog beperkter, en daar vinden we eigenlijk geen specifieke kenmerken die leiden tot een stem voor die partij. De N-VA heeft daarentegen een heel uitgesproken profiel, en groepeert vooral diegenen die ontevreden zijn over het gevoerde beleid en ook weinig vertrouwen hebben in de politieke instellingen. De N-VA blijkt hier duidelijk de partij die onvrede weet te kanaliseren. Het Vlaams Belang scoort nog veel sterker dan de N-VA bij diegenen die ontevreden zijn, en bovendien is het Vlaams Belang een partij die vooral aanhangers heeft bij de laagopgeleiden, een groep die door de N-VA maar in beperkte mate wordt bereikt. Wat betreft het profiel van de kiezers heeft de N-VA een heel breed profiel, terwijl het Vlaams Belang vooral aan te treffen is bij de lager opgeleide kiezers. De PVDA+-kiezer, ten slotte, blijkt vooral opnieuw een heel ontevreden kiezers te zijn. Het politiek vertrouwen ligt het laagst bij de groep die voor een blanco of ongeldige stem gekozen heeft.

Tabel 3 : De invloed van tevreden en vertrouwen op partijkeuze (Vlaanderen).

   

Groen

N-VA

sp.a

VB

Open VLD

PVDA+

Blanco/ongeldig

Tevredenheid

Laag

0,951

1,288**

-0,263

2,819**

0,550

2,092**

2,306

 

Gem.

0,415

1,046***

0,025

0,704

0,179

0,554

1,462

Vertrouwen

Laag

0,63

1,182**

0,745

0,742

1,093**

0,631

2,407**

 

Gem.

0,135

0,512*

0,248

0,229

0,499

0,728

-0,420

Leeftijd

18-35

1,548***

0,732*

0,600

1,388*

1,230**

0,282

1,562

 

36-54

1,442***

0,622*

0,775*

0,854

0,999**

0,731

1,145

Scholing

Laag

-0,889

0,297

0,555

2,625**

-0,170

-1,885

1,086

 

Gem.

-0,067

0,365

0,340

1,382

-0,300

-0,306

-0,165

Geslacht

Mannen

0,157

0,273

-0,089

0,029

0,312

0,119

-0,367

Bron : Multinomiale logistische regressie op PartiRep 2014 -Vlaanderen. N= 1001, pseudo r2: .302. Referentiecategorie: CD&V-stem.

 

Aan Franstalige kant kunnen we een soortgelijke analyse uitvoeren (Tabel 4) en daar nemen we de PS als referentiecategorie. Daar zien we dat vertrouwen en tevredenheid, veel minder dan in Vlaanderen, een significante invloed hebben op de partijkeuze. Onze analysemodellen leveren dan ook een krachtiger resultaat op voor Vlaanderen dan voor Wallonië. Kort samengevat zien we een beperkt effect voor de MR, en vooral een sterk effect voor PTB-GO!. Voor deze Waalse steekproef hadden we te weinig respondenten met een blanco/ongeldige stem om ook deze optie op een geldige manier in de analyse op te nemen. We zien hier terug een heel sterke tegenstelling tussen de beide landsgedeelten. De cijfers laten heel duidelijk zien dat de problemen inzake ontevredenheid en wantrouwen juist groter zijn in Wallonië dan in Vlaanderen. Die kloof blijkt trouwens niet alleen uit dit PartiRep-verkiezingsonderzoek, maar die zien we ook in eerdere onderzoeken. Het grote verschil is dat de Vlaamse kiezer een heel duidelijk aanbod krijgt om die ontevredenheid ook te uiten, en dat kan door een stem voor de N-VA, het Vlaamse Belang of PVDA+. Het aanbod van politieke partijen in het Vlaamse landsgedeelte laat met andere woorden toe om ook een electorale uitweg te bieden voor deze gevoelens van onbehagen. Aan Waalse kant, daarentegen, is er veel minder electorale ruimte voor dit soort proteststem. Enkel de PTB-GO! kan hier duidelijk gekenmerkt worden als een protestpartij, of zelfs een anti-systeempartij. Ecolo vervult deze rol duidelijk niet, terwijl er aan de extreem-rechtse kant van het politieke spectrum in Wallonië geen geloofwaardige politieke partij bestaat. Het gaat hier terug om een merkwaardige en vaak terugkerende misvatting. Vaak stelt men het voor alsof de Vlamingen ontevredener zijn dan de Walen, omdat de Vlaamse kiezer in het stemhokje heel goed duidelijk kan maken dat men klachten heeft over allerlei politieke fenomenen. In werkelijkheid is het net omgekeerd: het niveau van tevredenheid ligt lager in Wallonië dan in Vlaanderen. Alleen kan de Waalse kiezer geen enkele kant uit om die tevredenheid ook tot uiting te brengen. Het is ook in eerder onderzoek al herhaaldelijk vastgesteld: er is in Wallonië wel degelijk een heel groot potentieel aanwezig voor een mogelijke proteststem. Het enige verschil is dat, door een reeks historische ontwikkelingen, er nog nooit een stabiele politieke partij is tot stand gekomen die al die onvrede ook kan kanaliseren.

Tabel 4: De invloed van tevredenheid en vertrouwen op partijkeuze (Wallonië).

   

MR

cdH

Ecolo

FDF

PTB-GO!

PP

Tevredenheid

Laag

0,779

0,542

0,308

0,438

1,824*

1,669

 

Gem.

0,066

0,254

1,168**

-0,614

1,034

0,877

Vertrouwen

Laag

0,683*

-0,055

-0,325

-0,236

0,798

1,228

 

Gem.

0,636*

0,185

-0,11

0,676

0,407

1,183

Leeftijd

18-35

0,368

-0,454

0,243

-0,199

0,964

0,713

 

36-54

-0,085

-696*

-0,335

-1,986

0,927*

0,998

Scholing

Laag

-1,306***

-0,749*

-2,232***

-2,470*

-0,195

-0,547

 

Gem.

-0,771**

-0,750*

-1,155**

-1,051

-0,181

-0,42

Geslacht

Mannen

0,339

-0,114

-0,228

-0,472

-0,421

-0,418

Bron: Multinomiale logistische regressie op PartiRep 2014- Wallonië. N=1018. Pseudo r2: .275. Referentiecategorie: PS-stem.


BESLUIT

Het Belgisch politiek systeem heeft de afgelopen jaren een aantal zware testen moeten doorstaan, met als meest opvallende kenmerk uiteraard de lange regeringsvorming van 541 dagen. Als we de resultaten van PartiRep 2014 vergelijken met die van het verkiezingsonderzoek vijf jaar eerder, dan zien we echter dat al deze ontwikkelingen niet geleid hebben tot een daling van het politiek vertrouwen. Het vertrouwen van de Belgen in de politiek is gedurende die vijf jaar ongeveer stabiel gebleven, en voor het federale niveau is er zelfs een lichte stijging. Wel is er een daling van het vertrouwen in de regionale instellingen. Waar in 2009 deze regionale instellingen nog duidelijk gezien werden als een alternatief voor het federale niveau, zien we in 2014 nu veel meer gelijkaardige scores voor alle instellingen. Het overheersende beeld is er dus een van stabiliteit. Ook als we deze gegevens op langere termijn bekijken (Marien, 2011), dan zien we duidelijk dat het vertrouwen in het Belgische federale niveau al jaren stabiel blijft in ons land. Er is wat dat betreft geen enkele dalende trend te bespeuren.

Net zoals bij eerdere onderzoeken, stellen we ook hier weer vast dat er bij de Waalse publieke opinie veel meer ongenoegen leeft dan bij de Vlaamse publieke opinie. Voor een hele resem indicatoren zien we systematisch lagere scores aan Waalse kant dan aan Vlaamse kant. Zo valt het op dat met name aan Waalse kant men behoorlijk ontevreden is over het functioneren van de eigen regionale instellingen. We zouden dus tot de conclusie kunnen komen dat er vooral in Wallonië een gebrek is aan democratisch alternatief. Er is heel wat ongenoegen over de manier waarop de Franstalige politieke partijen functioneren en het gewest besturen, maar eigenlijk is er geen enkele manier waarop de Waalse kiezer dat ongenoegen ook tot uiting kan brengen. Het succes van PTB-GO! komt dan ook niet uit de lucht vallen: er is in Wallonië wel degelijk een tamelijk groot potentieel aanwezig voor een min of meer radicale proteststem. Die Franstalige proteststem situeert zich nu dus aan de linkerkant van het politieke spectrum, maar er is geen reden waarom dat in de toekomst ook niet aan de rechterkant van het politieke spectrum zou kunnen. In het Vlaamse landsgedeelte, daarentegen, is er een heel aanbod van partijen om de onvrede electoraal te vertolken: N-VA, Vlaams Belang en PVDA+. Uit de analyse over de stemverschuivingen (zie Dassonneville en Baudewyns in dit nummer) blijkt dat vooral N-VA en PVDA+ op basis van dit ongenoegen stemmen hebben gewonnen op de andere partijen. Dat wil zeggen dat het electoraal succes van deze protestpartijen wel degelijk geworteld is in een tamelijk fundamenteel wantrouwen. Als de overige politieke partijen opnieuw kiezers willen winnen van deze protestpartijen, dan zal het noodzakelijk zijn een antwoord te bieden op die fundamentele uitdaging van lage niveaus van politiek vertrouwen.

Marc Hooghe
KU Leuven
Emilie van Haute
Université Libre de Bruxelles

Samenleving en politiek, Jaargang 21, 2014, nr.7 (september), pagina 17 tot 26

 

Referenties
- Easton, David (1965). A Systems Analysis of Political Life. Englewood Cliffs: Prentice Hall.
- Hooghe, Marc, Sofie Marien & Teun Pauwels (2010). De invloed van politiek vertrouwen op stemgedrag in België, pp. 123-142 in K. Deschouwer, P. Delwit, M. Hooghe and S. Walgrave (eds), De stemmen van het volk. Een analyse van het stemgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 7 juni 2009. Brussel: VUBPress.
- Marien, Sofie (2011). Measuring Political Trust Across Time and Space, pp. 13-46 in Sonja Zmerli & Marc Hooghe (red.), Political Trust. Why Context Matters. Colchester: ECPR Press.
- Zmerli, Sonja & Marc Hooghe (red., 2011). Political Trust. Why Context Matters. Colchester: ECPR Press.

Partirep - vertrouwen - verkiezingen

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk