(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Is er nog een België in de Belgische politiek?

PARTIREP-VERKIEZINGSONDERZOEK 2014

Verkiezingen kunnen worden geanalyseerd als een bijzonder moment waarop ‘vraag’ en ‘aanbod’ elkaar ontmoeten in de politiek. Het aanbod wordt vertegenwoordigd door de verschillende partijen, hun programma’s en hun respectievelijke kandidaten, terwijl de vraag komt van kiezers, met hun standpunten en voorkeuren. Volgens een wijdverspreide mening zouden politieke partijen in België hun eigen politieke agenda hebben die vrij ver af staat van die van burgers. In de onderstaande paragrafen geven we de eerste antwoorden op drie centrale vragen: (1) Zijn er één of twee verschillende publieke opinies in België? (2) Bestaan er nog politieke ‘families’, bestaande uit zusterpartijen aan beide zijden van de taalgrens? (3) Zijn de coalities die gevormd zijn op het regionale niveau (Vlaanderen, Wallonië, Brussels Hoofdstedelijk Gewest) ideologische ‘natuurlijk’?

 

Volgens velen zou er een soort van ontkoppeling zijn tussen de percepties en de prioriteiten van politieke elites en die van burgers. Een voorbeeld: een deel van de ‘communautaire’ problemen in België zouden worden aangedreven door politieke elites, terwijl de publieke opinie in het noorden en het zuiden van het land helemaal niet zo verschillend is. Relatief recent onderzoek heeft inderdaad aangetoond dat, bijvoorbeeld, de kloof inzake identiteitsperceptie en communautaire agenda groter is tussen verkozenen dan tussen Vlamingen en Walen (Billiet, Maddens & Frognier 2006). We kunnen ons dus enerzijds afvragen hoe groot de ideologische afstand is tussen Vlaamse en Waalse kiezers, en anderzijds hoe groot de ideologische afstand is tussen zusterpartijen, i.e. tussen partijen uit dezelfde politieke familie. Een andere wijdverspreide mening is dat de ideologische afstand tussen de belangrijkste ‘machtspartijen’ in België relatief klein zouden zijn, wat de vorming zou vergemakkelijken van eerder gematigde coalities en een tamelijk centristische politiek, zonder grote omschakelingen. Dit kunnen we onderzoeken door te kijken naar de ideologische samenhang van regeringscoalities, i.e. de ideologische afstand tussen partijen die samen een regering vormen in de verschillende parlementen van het land.

Dankzij het PartiRep-project hebben we rijkere gegevens kunnen verzamelen, op hetzelfde moment in het hele land. Dit liet ons toe deze vragen veel gedetailleerder opnieuw te onderzoeken. We hebben, met behulp van de Stemtest/Test électoral en een representatieve steekproef, een grote hoeveelheid informatie kunnen verzamelen over de in stemtest opgenomen politieke partijen1 en de Belgische kiezers. De eerste werden gevraagd zich te plaatsen op een groot aantal stellingen (meer dan 200) door aan te geven of ze het eens of oneens zijn met iedere stelling. Aan kiezerszijde hebben we een grootschalige enquête uitgevoerd bij meer dan 2000 Belgen (1000 Vlamingen, 1000 Walen). Deze enquête werd uitgevoerd in twee golven. De eerste golf was face-to-face en vond plaats voor de verkiezingen, de tweede was telefonisch en vond plaats vlak na de verkiezingen. In het kader van deze bijdrage zullen de gegevens van de pre-electorale enquête gebruikt worden om de eerste vraag te beantwoorden: zijn er in België twee publieke opinies?

EEN OF TWEE PUBLIEKE OPINIE(S)?

Vele in dagbladen gepubliceerde peilingen suggereren dat de Vlaamse en Franstalige publieke opinies verschillende standpunten innemen op bepaalde thema’s, bijvoorbeeld op vragen gerelateerd aan de monarchie. Aan de andere kant wijzen bepaalde auteurs erop dat er nog steeds veel overeenstemming is inzake waarden en standpunten tussen Belgische kiezers, ongeacht de gemeenschap waartoe ze behoren (Voyé et. al. 1992). Bestaat er dus één of bestaan er twee publieke opinies in België?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, hebben we gebruik gemaakt van de gegevens verzameld in het kader van de grootschalige pre-electorale face-to-face enquête (cf. supra). Deze liet ons toe kiezers 30 stellingen voor te leggen uit de Stemtest/Test électoral. Respondenten werden gevraagd aan te geven of ze het eens of oneens waren met iedere stelling (alle respondenten hadden ook de mogelijkheid niet te antwoorden op een stelling).

Deze dertig stellingen, gekozen uit een veel groter aantal, werden geselecteerd op basis van meerdere criteria. Ten eerste, en meest voor de hand liggend, is de vergelijkbaarheid: de vragenlijst moest identiek zijn voor beide kanten van de taalgrens. De stellingen moesten relevant zijn voor de twee grootste gemeenschappen van het land. Dat is de reden waarom de meerderheid van de stellingen gaat over het federale niveau en dus federale bevoegdheden. We hebben echter ook een aantal stellingen toegevoegd die gaan over regionale bevoegdheden, en die eveneens aan zowel Vlaamse als Waalse zijde van belang zijn. Het tweede criterium stelt dat de stellingen zowel moeten discrimineren tussen zowel Vlaamse partijen als tussen Franstalige partijen. Ten slotte moesten de stellingen de Vlaamse en Waalse bevolking op een substantiële manier verdelen: wanneer slechts een klein deel van de bevolking het eens of oneens was met een stelling, werd deze niet geselecteerd.

We hebben dus een lijst met 30 stellingen die vergelijkbaar, relevant en discriminerend zijn. Tabel 1 geeft de 30 stellingen weer, met de gewogen percentages Vlamingen en Walen die het eens zijn met een stelling. Ze staan in volgorde van toenemend verschil tussen de antwoorden uit Vlaanderen en Wallonië.

Tabel 1: De 30 stellingen en het verschil tussen de standpunten van de Vlaamse en Waalse publieke opinies.

Stelling

Vlaanderen %

Wallonië %

Verschil %

categorie

Er moeten kerncentrales open blijven

59,2

58,8

0,4

A (klein)

Het Belgische leger moet investeren in een opvolger van het F-16 gevechtsvliegtuig

36,9

38,6

1,7

A (klein)

Als er bij de NMBS wordt gestaakt, moet er een minimumdienst zijn

92,7

90,6

2,1

A (klein)

Een moeder moet anoniem haar kind kunnen afstaan voor adoptie

65,1

67,3

2,2

A (klein)

De overheid moet pensioensparen fiscaal meer aanmoedigen

85,6

82,8

2,8

A (klein)

Bedrijfswagens moeten zwaarder worden belast

49,7

52,7

3

A (klein)

Alle kernwapens die op Belgisch grondgebied opgeslagen zijn, moeten worden verwijderd

68,8

65,2

3,6

A (klein)

Een parlementslid mag niet tegelijkertijd burgemeester zijn

72,9

76,7

3,8

A (klein)

Scholen moeten halalmaaltijden aanbieden aan hun moslimleerlingen

29,2

33,3

4,1

A (klein)

Grote vermogens moeten meer worden belast

76,7

81,5

4,8

A (klein)

De uitgaven van de federale overheid mogen de komende jaren niet toenemen

86,8

81,5

5,3

A (klein)

Mensen die hun geld investeren in plaats van te sparen moeten fiscaal beloond worden

65,6

71,2

5,6

B (midden)

Een asielzoeker die hier als minderjarige is binnengekomen mag niet meer worden teruggestuurd

43

49

6

B (midden)

Illegaal downloaden moet harder worden aangepakt

54,4

47,9

6,5

B (midden)

Alle veroordeelden moeten hun straf volledig uitzitten

77,8

70,9

6,9

B (midden)

De voorzitter van de Europese Commissie moet rechtstreeks worden verkozen door de Europeanen

71,5

78,4

6,9

B (midden)

Jongeren moeten vanaf 16 jaar kunnen stemmen

21,6

13,8

7,8

B (midden)

Europa moet zelf belastingen kunnen heffen die nationale belastingen vervangen

37

29,1

7,9

B (midden)

De federale overheid moet haar aandelen in Belgacom verkopen

45,2

35,6

9,6

B (midden)

De maximumsnelheid op de Brusselse ring moet worden verlaagd tot 100 km per uur

55

64,7

9,7

B (midden)

Leefloners moeten verplicht kunnen worden gemeenschapswerk te verrichten

82,2

71,9

10,3

B (midden)

Het moet wettelijk verboden worden voor ouders om hun kinderen te slaan

48,8

59,2

10,4

B (midden)

Vlaanderen moet onafhankelijk worden

21,4

10,6

10,8

B (midden)

Wie nog nooit heeft gewerkt, mag geen werkloosheidsuitkering krijgen

50,9

37,5

13,4

C (groot)

Bij smogalarm moeten de beperkingen op het gebruik van de wagen worden verstrengd

64,8

78,2

13,4

C (groot)

De minimumleeftijd voor GAS-boetes moet hoger liggen dan de huidige leeftijd van 14 jaar

58,2

43,5

14,7

C (groot)

Het stakingsrecht mag niet worden ingeperkt

64,5

49,7

14,8

C (groot)

België moet migranten van buiten de EU toelaten om tekorten op de arbeidsmarkt op te vangen

39,7

22,8

16,9

C (groot)

Draagmoederschap voor homokoppels moet worden toegestaan

70,9

49,5

21,4

C (groot)

De lonen moeten worden bevroren als ze sneller stijgen dan in de buurlanden

48,7

24,5

24,2

C (groot)

 

Voor deze analyse, gebaseerd op een statistische relevante indeling2, hebben we de stellingen ingedeeld in drie categorieën (cf. Tabel 1). De eerste groep (A; 11 stellingen) bevat de stellingen waarbij de verschillen tussen de standpunten van Vlamingen en Walen kleiner is dan 5,5%. De antwoorden van kiezers op deze stellingen vertonen het sterkst een Belgisch karakter. De tweede groep (B; 12 stellingen) bevat stellingen waar het verschil tussen de twee gemeenschappen groter is dan 5,5% maar kleiner is dan 11,2%. Ten slotte is er de derde groep (C; 7 stellingen). Voor deze stellingen zijn de verschillen tussen de antwoorden groter dan 11,2%. Het Belgische karakter van de antwoorden is hier het kleinst.

Als we Tabel 1 in detail bekijken, zien we dat in het algemeen kiezers van beide Belgische regio’s relatief gelijke standpunten hebben op de verschillende kwesties die aan hen werden voorgelegd. Kiezers blijken zelfs zeer dicht bij elkaar aan te sluiten (minder dan 5,5% verschil) op 11 van de 30 stellingen. Die eerste groep stellingen gaat over o.a. socio-economische (belasting van bedrijfswagens), ethische (adoptie) en immigratiegerelateerde thema’s (halalmaaltijden aan moslimleerlingen). Bepaalde stellingen over symbooldossiers, zoals de minimale dienstverlening bij de NMBS in geval van een staking, kunnen op grote steun rekenen bij zowel Vlamingen (92,7%) als Walen (90,6%).

Omgekeerd zien we dat bepaalde andere stellingen, gerelateerd aan dezelfde thema’s, op een heel andere manier worden ontvangen aan beide zijden van de taalgrens. Het grootste verschil dat we tussen Vlaanderen en Wallonië vinden bedraagt 24,2%, en gaat over een belangrijke socio-economische kwestie: de loonstop. Het is dus interessant vast te stellen dat er tussen de kiezers van de twee belangrijkste regio’s zeer grote overeenstemming kan bestaan, alsook veel minder overeenstemming. Hetzelfde geldt voor stellingen over migratie en ethische thema’s die we ook zowel in de groep met de meeste als met de minste overeenstemming tussen Vlamingen en Walen terugvinden.

Vlaamse en Waalse kiezers zijn het dus niet systematisch met elkaar oneens op de belangrijkste ideologische dimensies, of op de grote breuklijnen (links-rechts, unitarisme-separatisme, autoritarisme-libertinisme) maar ze kunnen het wel oneens zijn op specifieke beleidskwesties. Voor alle grote beleidsdomeinen treffen we zowel stellingen aan waar er overeenstemming over bestaat, als stellingen waar grote verschillen terug te vinden zijn tussen beide landsgedeelten.

Als we ook kijken naar het aantal stellingen waar in de ene gemeenschap een meerderheid voor of tegen is en waar in de andere gemeenschap een meerderheid te vinden is voor het tegenovergestelde standpunt, dan stellen we vast dat dit aantal zeer klein is. Slechts op 6 van de 30 stellingen willen Vlamingen en Walen iets anders. Hier vinden we stellingen over de Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS-boetes), het stakingsrecht en de beperking van werkloosheidsuitkeringen in de tijd terug. Drie thema’s die naar voren werden gebracht door de politieke partijen en de media.

De data suggereren dat Vlamingen en Walen congruente standpunten hebben op een overgrote meerderheid van de stellingen, zoals bijvoorbeeld de stelling over de onafhankelijkheid van Vlaanderen, waarbij slechts 21,4% voor is in het noorden en 10,6% in het zuiden van het land.

Er bestaan dus geen twee verschillende publieke opinies in België, in de zin dat Vlamingen en Walen geen systematisch verschillende visies hebben op beleid. Integendeel, ze kunnen het met elkaar oneens zijn op concrete stellingen, naar voren geschoven door de ene of de andere taalgemeenschap.

BESTAAN ER NOG ‘PARTIJFAMILIES’ TUSSEN HET NOORDEN EN HET ZUIDEN VAN HET LAND?

Op enkele uitzonderingen na (bijvoorbeeld PVDA+/PTB-GO!), bestaan er in België geen unitaire partijen meer. De meeste analisten zijn het erover eens dat er vandaag twee grotendeels verschillende partijsystemen bestaan: een systeem van Vlaamse partijen en een systeem van Franstalige partijen (Deschouwer 2009).3 Bestaan er nog ‘partijfamilies’, bestaande uit zusterpartijen over de taalgrens heen? Of zijn deze families steeds meer aan het verdwijnen, vooral aangezien de loopbanen van de partijleidingen zich steeds meer gescheiden ontwikkelen, elk in hun eigen regio?

Om deze vraag te beantwoorden, maken we gebruik van de antwoorden van de partijen op de stellingen uit de Stemtest/Test électorale. Deze komen uit een grote steekproef van 262 stellingen die werden voorgelegd aan de in de stemtest opgenomen politieke partijen. Uiteraard werden niet alle stellingen opgenomen in de stemtesten die online beschikbaar waren, en dit om drie redenen. Ten eerste konden we om pragmatische redenen niet te veel stellingen opnemen in een stemtest. We moesten daarom een beperktere selectie maken, gebaseerd op de antwoorden van de partijen. Dit brengt ons naar de tweede reden: een stelling die niet discrimineerde tussen de opgenomen partijen is veel minder interessant om op te nemen. Als alle partijen hetzelfde antwoordden op een stelling, was de kans groot dat ze geen deel uitmaakte van de uiteindelijke selectie stellingen voor de stemtest. De reden hiervoor is dat een dergelijke stelling ons niet toelaat een gebruiker te positioneren in een partijlandschap. De derde en laatste reden is dat we een aantal stellingen moesten laten vallen omdat de issues reeds aan bod kwamen in andere stellingen. Daarnaast moesten we zorgen voor een goede verdeling van het aantal stellingen over alle beleidsdomeinen heen.

Voor onderstaande analyses hebben we daarom alleen die stellingen gebruikt die discrimineren tussen ofwel de Vlaamse of de Franstalige partijen. Daarenboven hebben we alleen stellingen voor het Brusselse, federale en Europese niveau gebruikt, dit om ervoor te zorgen dat de stellingen vergelijkbaar zijn voor beide zijden van de taalgrens. De typisch Vlaamse en Waalse stellingen werden dus uitgesloten. Hierop hadden ook enkel respectievelijk Vlaamse en Franstalige partijen geantwoord. Dit resulteert in een steekproef van 124 stellingen om de ideologische profielen van politieke partijen in België te vergelijken. Eerst hebben we de antwoorden van de partijen vergeleken en het aantal stellingen opgeteld waarop twee partijen hetzelfde antwoord gaven. Tabel 2 geeft de percentages weer (op een totaal van 124) voor iedere combinatie van twee partijen.

Tabel 2: Afstand tussen politieke partijen op 124 stellingen.

Partij

Groen

sp.a

CD&V

OVLD

N-VA

Ecolo

PS

cdH

MR

FDF

Groen

 

77%

64%

53%

46%

76%

73%

60%

52%

61%

sp.a

 

 

65%

50%

52%

68%

69%

69%

55%

65%

CD&V

   

 

60%

68%

54%

64%

58%

60%

56%

Open VLD

     

 

67%

45%

55%

59%

66%

53%

N-VA

       

 

40%

46%

58%

59%

51%

Ecolo

 

       

 

76%

69%

60%

66%

PS

 

         

 

73%

65%

65%

cdH

 

           

 

77%

75%

MR

 

             

 

66%

FDF

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als we de tabel van links naar rechts lezen, dan zien we dat, bijvoorbeeld, Groen op 77% van de stellingen hetzelfde antwoord geeft als sp.a, 64% met CD&V, 53% met Open VLD, enzovoort. In Tabel 2 staan de percentuele overeenkomst tussen partijen van dezelfde partijfamilie in het grijs aangeduid: (van hoog naar laag) groenen, socialisten, christendemocraten/humanisten, liberalen en ethno-regionalistische partijen (N-VA en FDF).

De twee zusterpartijen die het dichtst bij elkaar liggen zijn de groenen (76%). Dit is niet verassend vermits de twee partijen één fractie vormen in het federaal parlement en nauwe banden met elkaar onderhouden. Tegelijk merken we ook op dat Ecolo ongeveer even nauw aansluit bij PS (73%) als bij Groen en dat Groen net iets dichter bij de sp.a staat (77%) dan bij Ecolo.
Omgekeerd zien we dat de afstand tussen CD&V en cdH veel groter is (58%). Dit is ook enigszins logisch gezien de evolutie van cdH naar centrumlinks en die van CD&V naar centrumrechts. De afstand tussen cdH en CD&V was de afgelopen zes jaar ook reeds groot op communautair vlak. Desondanks blijven de twee partijen nauw bij elkaar sluiten op ethische vraagstukken. Hoe dan ook, cdH is niet meer de Franstalige partij die het dichtst bij CD&V staat: PS (64%) en MR (60%) staan vandaag de dag dichter.
Enigszins vanzelfsprekend is ook de relatief grote afstand tussen N-VA en FDF. Het lijkt misschien vreemd dat ze het toch op 51% van de stellingen met elkaar eens zijn, maar dit is vooral te wijten aan een relatief goede overeenstemming op socio-economische stellingen.
Wat betreft de socialistische partijen, blijven PS en sp.a nauw verwant aan elkaar (69%). Sp.a staat echter ook dicht bij cdH (69%) en Ecolo (68%), en het dichtst bij Groen (77%). Daarnaast staat PS met 76% dichter bij Ecolo dan bij sp.a.
Bij de liberale partijen, is MR de Franstalige partij met de grootste overeenstemming met Open VLD (66%), al staat die laatste ook dicht bij N-VA (67%).

De logica van ‘partijfamilies’, op vlak van partijprogramma’s, is vandaag de dag zeer wazig. Het meest opvallende is dat de twee partijen die in het verleden lang een pivotale rol hebben gespeeld in de politiek (PSC en CVP, vandaag cdH en CD&V) tamelijk ver staan van elkaar qua beleidsstandpunten. In het algemeen kunnen we stellen dat de indeling van partijen in ideologische families op heden niet meer de meest relevante indeling is. Het is niet meer het geval dat een partij duidelijk dichter staat bij haar zusterpartij aan de andere kant van de taalgrens.

ZIJN DE REGIONALE COALITIES NA 25 MEI 2014 IDEOLOGISCH LOGISCH?

Coalitievorming is een klassieke vraag in de politieke wetenschappen, maar evengoed een belangrijk onderwerp onder politieke commentatoren. Zouden sommige coalities ‘natuurlijker’ of ‘logischer’ zijn dan anderen?

In theorieën over coalitievorming is er een centrale stelling: die van de minimaal winnende coalitie (minimum-winning coalition). Eenvoudig uitgelegd: de partijen die onderhandelen over de vorming van een coalitie (in het bijzonder de grootste partij, die vaak het initiatief heeft) hebben belang bij het vinden van een coalitie die (a) bestaat uit het kleinst mogelijk aantal partijen, aangezien dit onderhandelingen vergemakkelijkt en het aantal postjes per coalitiepartner vergroot; (b) het kleinst aantal zetels heeft, maar genoeg om een meerderheid van de zetels te bezitten in het parlement.4 In diezelfde theorieën over coalitievorming vinden we nog een andere stelling terug: die van de minimale afstandscoalitie (minimal distance coalition). Partijvoorzitters zullen bij coalitievorming de voorkeur geven aan partijen die ideologische dicht aanleunen bij hun eigen partij.

Hebben deze processen aan de basis gelegen van de coalitievorming voor de Vlaamse, Waalse en Brusselse regering na de verkiezingen van 25 mei 2014? Om deze vraag te beantwoorden maken we ook gebruik van de antwoorden van de partijen op de stellingen uit de Stemtest/Test électoral. Voor iedere mogelijke meerderheid in de regionale parlementen hebben we de antwoorden van de in de stemtest opgenomen partijen vergeleken. Hiervoor werd een lijst opgesteld met alle mogelijke minimum-winning coalities in de gewestelijke parlementen.5 We beperkten ons hier tot de coalities op gewestelijk niveau om twee redenen. Eerst en vooral ligt de coalitie op federaal niveau6 op het moment van schrijven nog niet vast. Daarnaast zijn het aantal minimum-winning coalities in het federaal parlement veel groter en lijkt het erop dat deze federale coalitie zal afwijken van traditionele coalitievormingen, aangezien een coalitie met een Franstalige minderheid zich lijkt te ontwikkelen. Gezien de veranderende tradities, zou het daarom moeilijk zijn alle minimum-winning coalities op te lijsten.

Om de ideologische afstanden te berekenen tussen de partijen in iedere mogelijke coalitie op gewestelijk niveau, maken we bij iedere berekening enkel gebruik van de antwoorden op stellingen die gaan over het beleid van de respectievelijk Vlaamse, Waalse en Brusselse regering. We telden alle stellingen op waarop alle partijen in een bepaalde coalitie hetzelfde antwoord gaven. Door dat aantal te delen door het totaal aantal stellingen, kwamen we tot een proximiteitspercentage voor iedere mogelijke coalitie. Partijen die niet in de stemtest werden opgenomen, kwamen niet in aanmerking. Aan Vlaamse kant werd ook het Vlaams Belang niet meegerekend omwille van het cordon sanitaire.

Tabellen 3 tot en met 6 geven de proximiteitspercentages weer. In iedere tabel zijn de coalities geordend in volgorde van dalende proximiteit. De feitelijke coalitie is in het grijs aangeduid.

Tabel 3: Coalitiemogelijkheden in het Waals parlement (75 zetels).

Coalitie

Totaal aantal zetels

Proximiteit (aantal stellingen)

Proximiteit (%)

PS/cdH

43

44

78,57

PS/MR

55

36

64,29

MR/cdH/Ecolo

42

31

55,36

Tabel 4: Coalitiemogelijkheden in het Vlaams parlement (124 zetels).

Coalitie

Tot. aantal zetels

Proximiteit (aantal stellingen)

Proximiteit (%)

N-VA/CD&V

70

38

66,7

N-VA/CD&V/Open VLD

89

26

45,6

N-VA/Open VLD/Groen

72

17

29,8

CD&V/Open VLD/sp.a

64

20

35,1

N-VA/Open VLD/sp.a

80

16

28,1

N-VA/sp.a/Groen

71

4

7,0

Tabel 5: Coalitiemogelijkheden in Brussels parlement (Franstalig, 72 zetels).

Coalitie

Totaal aantal zetels

Proximiteit (aantal stellingen)

Proximiteit (%)

PS/MR

39

37

69,81

MR/cdH/FDF

39

35

66,04

PS/cdH/FDF

42

33

62,26

PS/cdH/Ecolo

38

30

56,60

PS/Ecolo/FDF

41

26

49,06

MR/Ecolo/FDF

38

24

45,28

Tabel 6: Coalitiemogelijkheden in Brussels parlement (Nederlandstalig, 17 zetels)

Coalitie

Tot. aantal zetels

Proximiteit (aantal stellingen)

Proximiteit (%)

N-VA/CD&V/OVLD

10

32

60,38

N-VA/sp.a/Groen

9

28

52,83

OVLD/CD&V/Groen

10

26

49,06

OVLD/sp.a/Groen

11

25

47,17

N-VA/OVLD/Groen

11

24

45,28

CD&V/OVLD/sp.a

10

24

45,28

N-VA/OVLD/sp.a

11

23

43,40


In het Waals parlement zijn slechts drie minimum-winning coalities mogelijk, wat de mogelijkheden beperkt voor de initiatiefnemende partij (PS in dit geval). De werkelijke coalitie is wel diegene met de grootste ideologische proximiteit van alle mogelijkheden. Bovendien is de meerderheid tamelijk comfortabel en is het een gedeeltelijke verderzetting van de uitredende coalitie (nu zonder Ecolo, die geen vragende partij was om deel uit te maken van de regering). Om die redenen is de coalitie PS-cdH zeer logisch.

Aan Vlaamse kant zijn veel meer coalities mogelijk. De uiteindelijke coalitie bevat Open VLD, hoewel die mathematisch niet nodig is. In tegenstelling tot Wallonië, gaat het hier niet om een minimum-winning coalitie. Tegelijk is deze coalitie wel tamelijk congruent (in ieder geval congruenter dan coalities met sp.a en/of Groen). Echter, in een werkelijk confederale context had de coalitie N-VA-CD&V het vermoedelijk gehaald, aangezien deze ideologisch homogener is. Het is echter duidelijk dat de vorming van een federale coalitie de opname van Open VLD in de Vlaamse regering noodzakelijk maakte. Uiteindelijk is de coalitie met drie rechtse partijen (of centrumrechts in het geval van CD&V) de meest logische aangezien een ‘linkse’ of centrumlinkse meerderheid mathematisch niet mogelijk zou zijn geweest.

In Brussel aan Franstalige kant is het aantal mogelijke combinaties ook hoger. De uiteindelijke coalitie is de meest logische om minstens drie redenen. Ten eerste had de PS het initiatiefrecht (als grootste partij), en was de Waalse coalitie al aangekondigd (PS-cdH). Het was daarom logisch dat PS deze coalitie zou verderzetten in Brussel. Ten tweede was de verderzetting van de uitredende coalitie (PS-cdH-Ecolo) mathematisch wel mogelijk, maar Ecolo had de verkiezingen verloren en was daarom geen vragende partij voor regeringsdeelname. Ten derde, een coalitie met FDF als derde partner was, gezien de omstandigheden, de meest ideologisch homogene coalitie zonder MR.

In Brussel aan Nederlandstalige kant is de meest opmerkelijke vaststelling dat N-VA geen deel uitmaakt van de uiteindelijke coalitie, hoewel dat ze deel uitmaakt van de twee ideologisch meest congruente minimum-winning coalities. Desondanks is de werkelijke coalitie vrij logisch aangezien de Franstalige partijen vermoedelijk hun veto hadden uitgesproken tegen een deelname van N-VA in Brussel. Bovendien is de huidige coalitie een verderzetting van een coalitie die goed functioneerde (zonder Groen, die niet meer nodig was voor een meerderheid). Ten slotte heeft het liberaal-sociale en consensuele profiel van Guy Vanhengel (leider van Open VLD in Brussel) ook in het nadeel gespeeld van een optie met N-VA erbij.

Als we naar deze vier coalitievormingen kijken, dan kunnen we concluderen dat geen enkele coalitie ‘onnatuurlijk’ is, maar dat enkel de Waalse coalitie (PS-cdH) zowel minimum-winning als minimal distance is.

CONCLUSIE

Deze eerste analyses (die vragen om verder onderzoek) stellen ons in staat te wijzen op minstens drie sleutelelementen van de Belgische politiek. Ten eerste lopen de publieke opinies in het noorden en het zuiden niet systematisch uiteen, maar divergeren ze op bepaalde vraagstukken die kunnen worden uitgespeeld door partijen in het noorden of zuiden van het land bij communautaire spanningen. Ten tweede, politieke families bestaan nog wel, maar ze spelen geen structurerende en (eventueel) modererende rol meer. Ten slotte, zelfs al is iedere gewestelijke coalitievorming in 2014 heel logisch, iedere coalitie is anders. Als er nog symmetrische coalities zijn tussen het federale en het regionale niveau, dan zal dit niet meer met elk regionale regering zijn. Kortom: de verscheidenheid aan politieke uitslagen op regionaal niveau heeft duidelijk een rol gespeeld na 25 mei 2014. Dit zal het overleg en de onderhandelingen tussen de verschillende regeringen (inclusief de nieuwe federale regering) moeizamer maken tijdens de komende jaren. 

Conrad Meulewaeter en Benoît Rihoux
Université Catholique de Louvain
Stefaan Walgrave en Christophe Lesschaeve
Universiteit Antwerpen

Samenleving en politiek, Jaargang 21, 2014, nr.7 (september), pagina 27 tot 37

Noten
1/ De in de stemtest opgenomen partijen zijn CD&V, Groen, N-VA, Open VLD, sp.a en Vlaamse Belang aan Vlaamse kant, cdH, Ecolo, FDF, MR en PS aan Franstalige kant.
2/ We zijn vertrokken van het gemiddelde van de verschillen tussen het percentage Vlamingen en Walen die het eens zijn met de stelling. Bij dit gemiddelde telden we enerzijds een halve standaardafwijking bij en trokken anderzijds een halve standaardafwijking af. Dit gaf ons twee grenzen, en dus een indeling van de stellingen in drie groepen.
3/ Men moet ook de Duitstalige gemeenschap in rekening brengen (niet opgenomen in dit onderzoek).
4/ Bijvoorbeeld wanneer in een parlement met in totaal 100 zetels partij A 40 zetels, partij B 15 en partij C 25 bezit, dan zal partij A een coalitie met partij B verkiezen (meerderheid met 55 zetels) boven een coalitie met partij C (meerderheid met 65 zetels).
5/ Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd rekening gehouden met de vereiste van een meerderheid in zowel de Nederlandstalige als de Franstalige taalgroep.
6/ Ook de vorming van de Duitstalige regering wordt niet onderzocht.

Bronnen
- Billiet, J., Maddens, B. & Frognier, A.-P. 2006. Does Belgium (still) exist? Differences in political culture between Flemings and Walloons. West European Politics, 29, 912-932.
- Deschouwer, K. 2009. The politics of Belgium. Governing a divided society, Basingstoke, Palgrave Macmillan.
- Voyé, L., Kerkhofs, J., Bawin-Legros, B. & Dobbelaere, K. 1992. Belges, heureux et satisfaits: les valeurs des Belges dans les années 90, Bruxelles, Fondation Roi Baudouin.

PartiRep - publieke opinie - verkiezingen

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk