(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Hoe rijk zijn onze partijen?

Op 25 mei 2014 verdeelde de kiezer niet enkel zetels, maar ook centen. In Vlaanderen was er per kiezer 45 euro te verdelen: vijf keer 9 euro per jaar. Dat is gek genoeg niet veel minder dan wat het kost om lid te worden van een partij. Anders gezegd, voor een partij brengt een kiezer bijna evenveel op als een lid. Belangrijk is vooral dat de verdeling van de financiering over de partijen nu voor vijf jaar werd vastgeklikt. De partijen die de verkiezingen hebben gewonnen, zullen vijf jaar lang zwemmen in het geld. Partijen die slecht hebben gescoord, zullen vijf jaar lang zwarte sneeuw zien.1

 

In deze bijdrage proberen we de financiële gevolgen van de voorbije verkiezingen zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. We berekenen daarvoor allereerst hoeveel overheidssubsidies elke partij jaarlijks zal ontvangen de komende vijf jaar. Maar de partijen kunnen jaarlijks een groot deel van die inkomsten opzij zetten. Op die manier bouwen ze een vermogen op. In wat volgt schetsen we niet alleen de evolutie van de vermogens van de partijen tijdens de voorbije vijftien jaar, maar proberen we via een simulatie ook in te schatten wat het effect zal zijn van de verkiezingen van 25 mei 2014 op de toekomstige vermogenspositie van die partijen.

DE FINANCIËLE WINST- EN VERLIESCIJFERS 

Na de verkiezingen van 25 mei 2014 kunnen alle Belgische partijen samen tijdens de komende legislatuur rekenen op zo’n 60,8 miljoen euro per jaar aan dotaties en fractietoelagen vanwege het federaal Parlement en de deelstatelijke parlementen (Tabel 1).2 Als we daarbij ook de subsidies in de provincieraden tellen, samen met de subsidies voor de verbonden instellingen (enkel nog in Franstalig België), dan komen we op een totaal van ongeveer 69 miljoen euro dat jaarlijks door de overheid wordt uitgekeerd aan de partijen. 

In Tabel 1 geven we ook de winst- en verliescijfers van de partijen weer als gevolg van de verkiezingsuitslag van 25 mei. Het steekt meteen de ogen uit dat de N-VA, ook in financieel opzicht, de absolute winnaar was van 25 mei. De partij krijgt maar liefst 4,2 miljoen euro extra per jaar en komt daarmee aan een astronomisch hoge jaarlijkse subsidie van 12,3 miljoen euro. 

Dit gaat echter maar in beperkte mate ten nadele van de partijen die electoraal gezien achteruit zijn gegaan. Van de in het parlement vertegenwoordigde partijen zijn er maar drie die centen verliezen: Vlaams Belang (-2,5 miljoen euro), Ecolo (-2,2 miljoen euro) en PS (-0,2 miljoen euro). Daarbij komt LDD dat geen zetels meer heeft en bijgevolg alle overheidsinkomsten verloor. Alle andere partijen daarentegen winnen. Zelfs partijen zoals sp.a of cdH, die zowel voor de Kamer- als voor de regionale verkiezingen stemmen hebben verloren, zien hun inkomsten toenemen. 

Dat komt voornamelijk omdat de totale dotatie aan de partijen stijgt als gevolg van de hervorming van de Senaat. Naast de verdubbeling van het bedrag per stem voor de Kamer, wordt er ook een bijkomend bedrag per stem voor de Kamer uitgekeerd aan de partijen die ook een verkozene hebben in de Senaat. Anderzijds worden de fractietoelagen in de Senaat wel verminderd.3 Het nettoresultaat is dat de partijen jaarlijks 4,3 miljoen euro extra krijgen. De totale overheidssubsidie in de parlementen stijgt van 56,5 miljoen euro naar 60,8 miljoen euro.

HET VERMOGEN VAN POLITIEKE PARTIJEN 

Sinds 25 mei kunnen de meeste partijen dus genieten van nog meer overheidsinkomsten dan voorheen. Bovendien slagen ze erin om jaarlijks een groot deel van die inkomsten opzij te zetten. Op die manier kunnen ze hun vermogen uitbouwen. Hoe groot het vermogen van de partijen is, kunnen we sinds 1999 gemakkelijk afleiden uit de boekhouding van de partijen. Vanaf dat jaar werden de partijen immers verplicht om jaarlijks een geconsolideerde boekhouding te publiceren, die ook de financiën omvat van de componenten van de partij. Dat zijn onder meer de studiediensten, parlementaire fracties en regionale afdelingen. Van 1989 tot 1998 konden de partijen zelf vrij autonoom beslissen welke componenten werden opgenomen, waardoor de boekhoudingen van die periode moeilijk onderling vergelijkbaar zijn. 

Grafiek 1 geeft de evolutie van het vermogen weer van alle Belgische politieke partijen samen voor de periode 1999-2013. Hieruit blijkt dat het totale vermogen van de partijen is toegenomen van 69,2 miljoen euro in 1999 tot 127,1 miljoen euro in 2013.4 In deze periode is het aantal partijen en hun omvang echter niet constant gebleven (door bijvoorbeeld de opkomst van LDD, het verdwijnen van de Volksunie en de opkomst van N-VA). Om hiervoor te controleren, is in de grafiek ook het vermogen van enkel de zes traditionele partijen opgenomen (Vlaamse en Franstalige christendemocraten, liberalen en socialisten). Hun totale vermogen is in dezelfde periode toegenomen van 56,9 miljoen euro tot 80,2 miljoen euro. Dit is echter geen rechtlijnige evolutie geweest: in 2008 bereikte het vermogen van deze partijen een piek van 97,3 miljoen euro, om nadien weer sterk te dalen. 

Grafiek 1: Vermogen van alle Belgische politieke partijen samen (in miljoen euro, in prijzen van september 2014).

Uit de grafiek blijkt ook duidelijk dat het totale vermogen van de partijen in verkiezingsjaren telkens afneemt. Dit is althans zeer uitgesproken het geval voor de jaren waarin er federale of regionale verkiezingen georganiseerd werden (in de grafiek aangeduid met een bolletje). Er was in het bijzonder een sterke daling van het vermogen van de traditionele partijen in 2009 en 2010. Dit toont aan dat partijen in verkiezingsjaren hun vermogen aanspreken om de campagne te financieren. Lokale verkiezingen lijken daarentegen veel minder sterk het vermogen te beïnvloeden. In de periode 1999-2013 zijn er drie keer lokale verkiezingen georganiseerd (aangeduid met een driehoekje). In twee van de gevallen leidde dit tot een lichte daling van het vermogen, maar in 2006 slaagden de partijen erin om hun vermogen nog verder uit te breiden. 

Als we kijken naar de evolutie van het vermogen per partij (Tabel 2)5, dan zien we dat de PS al altijd de rijkste partij geweest is. Het vermogen van deze partij schommelt, met wat ups en downs, rond een gemiddelde van 17,8 miljoen euro. Volgens de meest recente gegevens van 2013 bezit de partij 18,8 miljoen euro. Ook de Vlaamse zusterpartij was al relatief rijk op het einde van de jaren 1990, maar heeft dit vermogen nadien verder kunnen uitbouwen tot 16,2 miljoen in 2013. Daarmee is sp.a de derde rijkste partij. Op de vierde plaats komt CD&V met 14,5 miljoen euro. Het vermogen van de Vlaamse christendemocraten vertoont een vergelijkbare evolutie als dat van sp.a, al is het constant wat lager (met uitzondering van de kartel-jaren).6 De twee liberale partijen vallen op door een sterkere toename van het vermogen in vergelijking met de andere traditionele partijen. Zij starten allebei met een lager bedrag en kunnen dat bijna verdubbelen, waardoor ze uiteindelijk in de buurt komen van CD&V, met 12,7 miljoen voor MR en 12,5 miljoen voor Open Vld. Maar in beide gevallen piekte het vermogen rond 2006 en 2008, en was er nadien een terugval. Bij MR is het vermogen in 2011 bovendien verder teruggevallen door het vertrek van FDF uit het kartel. Dit betekende voor de partij automatisch een vermogensverlies van een kleine 1 miljoen euro. Ten slotte is PSC/cdH duidelijk het kneusje onder de traditionele partijen. Deze partij blijft constant op een veel lager niveau van gemiddeld 5,4 miljoen euro. 

Ook de niet-traditionele partijen hebben hun vermogen de voorbije vijftien jaar zien aangroeien. Zo hebben de twee groene partijen hun vermogen meer dan verdubbeld, al blijft de omvang van het groene vermogen bescheiden. Ecolo had in 2013 8,7 miljoen euro en Groen slechts 4,2 miljoen. In absolute cijfers kunnen N-VA en Vlaams Belang het meest indrukwekkende palmares voorleggen. Vlaams Blok/Belang startte met 5,1 miljoen in 1999 en had in 2013, met 12,3 miljoen, een vermogen dat vergelijkbaar is met dat van de liberale partijen. Het N-VA-vermogen is vooral tijdens de jongste vijf jaar exponentieel gegroeid. Terwijl de partij in 2009, net voor haar grote electorale doorbraak, nog maar 5,6 miljoen euro bezat, is dat op korte tijd opgelopen tot het niveau van de PS. N-VA is sinds haar ontstaan in 2001 bijgevolg geëvolueerd van de armste partij (met 2,5 miljoen euro) naar de op één na rijkste.

We kunnen tegelijk wel vaststellen dat de algemene vermogensongelijkheid tussen individuele partijen onderling sinds 1999 lichtjes is afgenomen. Aanvankelijk was 75,6% van het totale vermogen in handen van slechts vijf partijen (PS, SP, CVP, MR en VLD). De twee socialistische partijen samen hadden toen zelfs 43,7% van het totale vermogen in hun bezit. Door de toename van het aantal relevante partijen is deze situatie lichtjes veranderd. In 2013 was 73,3% van het totale vermogen al in handen van zes partijen (dezelfde partijen als in 1999 plus N-VA). En de twee rijkste partijen (PS en N-VA) waren samen goed voor amper 29,3% van het vermogen. Er is dus een meer gelijke verdeling van het totale kapitaal over de verschillende partijen. Alleen is het de vraag of dat ook de komende jaren zo zal blijven.

EEN SIMULATIE VAN DE VERMOGENSOPBOUW TOT 2018 

De komende vier jaar zullen er geen wetgevende verkiezingen plaatsvinden. De partijen zullen hun vermogen bijgevolg onbeperkt verder kunnen opbouwen. Op basis van een aantal assumpties kunnen we simuleren hoe het vermogen van de partijen in die periode zal evolueren. 

We vertrekken van een schatting van de totale jaarlijkse inkomsten per partij. De toekomstige inkomsten uit fractietoelagen en dotaties (in 2013 goed voor 69% van alle inkomsten) kunnen we vrij precies berekenen. Hoe de overige 31% van de partij-inkomsten zullen evolueren, weten we niet. Hier moeten we uitgaan van de assumptie dat ze constant zullen blijven in vergelijking met het boekjaar 2013.7 

De volgende vraag is dan wat de ‘spaarquote’ is van de partijen: het percentage van de inkomsten dat de partijen niet uitgeven, maar opzij zetten. Partijen kunnen op twee manieren sparen: ze kunnen een bepaald bedrag als winst inschrijven in de balans, of ze kunnen een bedrag boeken als een provisie of voorziening. We weten uiteraard niet hoe die spaarquote de komende jaren zal evolueren. We moeten hier dan ook uitgaan van de assumptie dat die spaarquote constant zal blijven in vergelijking met de voorgaande jaren. We veronderstellen, met andere woorden, dat de partijen tijdens de komende jaren telkens hetzelfde aandeel van hun totale inkomsten opzij zullen kunnen zetten. 

Voor de partijen die hun inkomsten sterk zagen toenemen na 25 mei zal dit een onderschatting zijn. Wellicht zullen deze partijen hun organisatie niet uitbreiden in verhouding tot hun hogere overheidssubsidies, temeer omdat ze ook veel meer parlementaire medewerkers krijgen. Vermoedelijk zullen deze partijen het daardoor met minder eigen personeel kunnen doen, waardoor de spaarquote zal toenemen. Voor de partijen met dalende overheidsinkomsten geldt het tegenovergestelde. Hier is de constant gehouden spaarquote ongetwijfeld een overschatting. Deze partijen zullen minder opzij kunnen zetten als ze hun organisatie enigszins op peil willen houden, temeer omdat ze de daling van het aantal parlementaire medewerkers wellicht zullen moeten compenseren door de aanwerving van meer eigen personeel. In dit geval zal de spaarquote dus allicht dalen. 

Voor het inschatten van de toekomstige spaarquote baseren we ons voor de jaren 2015, 2016 en 2017 op de gemiddelde spaarquote per partij in de verkiezingsloze jaren 2011 en 2013. Voor 2018, wanneer er lokale verkiezingen zullen plaatsvinden, nemen we 2012 als referentiejaar. En voor 2014 nemen we naast 2012 ook het verkiezingsjaar 2009 in rekening.8 Door het toepassen van de spaarquote op de verwachte inkomsten bekomen we een schatting van de jaarlijkse ‘inleg’ van de partijen. Daarbij komt dan nog eens het rendement van het vermogen, dat we voorzichtig inschatten op vier procent per jaar. 

In Tabel 3 en Grafiek 2 geven we weer hoe het vermogen van de politieke partijen de komende jaren zal evolueren, onder de hierboven vermelde assumpties.9 Volgens deze simulatie zou het totale vermogen van deze partijen in de komende jaren toenemen van 124,9 miljoen euro in 2013 naar 188,4 miljoen euro in 2018. 

 

Grafiek 2: Simulatie van de evolutie van het vermogen voor vijf partijen (in miljoen euro, werkelijke cijfers voor 2013).

 

Deze stijging van het totale vermogen kan in belangrijke mate op rekening worden geschreven van N-VA. Het vermogen van die partij zou stijgen van 18,4 miljoen in 2013 naar maar liefst 43,3 miljoen in 2018. Dit is meer dan een verdubbeling op amper vijf jaar tijd. Bovendien is dit waarschijnlijk een onderschatting van de werkelijke vermogensopbouw, aangezien de spaarquote van N-VA vermoedelijk zal stijgen en de partij in de toekomst dus een groter aandeel van de inkomsten opzij zal kunnen zetten dan tot nu toe het geval was.

N-VA zou vanaf 2015 overigens de PS voorbij steken als rijkste partij van België. De daarop volgende jaren zal, volgens onze simulatie, de kloof alleen maar groter worden. Het groeiritme van het PS-vermogen is immers trager. In 2018 zou de PS ‘slechts’ 28,3 miljoen euro hebben (tegenover 18,8 miljoen in 2013). N-VA zou in 2018 bijgevolg 15 miljoen euro rijker zijn dan de PS. 

Tot en met 2013 was sp.a de derde rijkste partij. Volgens onze simulatie zou dat de komende jaren aanvankelijk zo blijven, maar zou de partij in 2016 wel worden ingehaald door CD&V. In 2018 zouden de Vlaamse christendemocraten met een vermogen van 24,2 miljoen euro uiteindelijk iets rijker zijn dan de socialisten (23,1 miljoen euro). 

Vlaams Belang is de enige partij die er ten opzichte van 2013 op achteruit zou gaan. De partij zou landen op 11,3 miljoen euro, terwijl ze in 2013 nog een vermogen had van 12,3 miljoen euro. Tijdens de voorbije jaren had de partij een licht negatieve spaarquote, en zelfs een uitgesproken negatieve in de verkiezingsjaren. Dit betekent dat de partij haar uitgaven voor een stuk financierde door het vermogen aan te spreken. Als we dit toepassen op de (sterk teruggevallen) inkomsten van de partij, dan leidt dit tot een geleidelijke daling van het vermogen. Dit wordt echter grotendeels gecompenseerd door het jaarlijkse rendement, behalve in de verkiezingsjaren. Maar zoals hoger al aangegeven, is het weinig realistisch dat een partij die haar inkomsten zo sterk ziet terugvallen de organisatie zal kunnen handhaven zonder het vermogen méér aan te spreken dan tot nu toe het geval was. De verwachting is dan ook dat Vlaams Belang in 2018 zal eindigen met een beduidend lager vermogen dan uit deze simulatie blijkt. 

Hetzelfde geldt voor Ecolo. Deze partij had in de verkiezingsloze referentiejaren een positieve spaarquote, wat er in onze simulatie toe leidt dat het vermogen, zelfs bij sterk verminderde inkomsten, beperkt blijft oplopen, behalve in verkiezingsjaren. Wellicht zal ook Ecolo haar oorlogskas moeten aanspreken om de partij operationeel te houden. Terwijl de Franstalige groenen tot nu toe een vermogen hadden dat vergelijkbaar was met dat van de traditionele partijen, is de kans groot dat ze tegen 2018 teruggevallen zullen zijn tot het niveau van hun Vlaamse tegenhangers. 

Op basis van onze simulatie mogen we ons tot slot verwachten aan een meer ongelijke vermogensverdeling in vergelijking met 2013. Terwijl de twee rijkste partijen (PS en N-VA) toen 29,3% van het vermogen bezaten, zou dit in 2018 oplopen tot niet minder dan 38%.

SLOTBESCHOUWING 

Volgens de Amerikaanse politicologe Susan Scarrow kunnen politieke partijen twee strategieën volgen op vlak van partijfinanciering. De inkomsten-maximaliserende strategie houdt in dat een partij prioritair streeft naar het maximaliseren van de eigen inkomsten. Dat ook de concurrentie daarvan zal profiteren, is van ondergeschikt belang. De electoraal-economische strategie daarentegen impliceert dat de partijen hun financiële positie ondergeschikt maken aan de competitieve positie op de electorale markt. Partijen zullen volgens deze strategie streven naar een optimum waarbij ze zelf net genoeg middelen hebben en de concurrentie zo weinig mogelijk.10 

In eerdere publicaties hebben we al aangetoond dat de Belgische partijen altijd een inkomsten-maximaliserende strategie hebben gevolgd.11 Toen Vlaams Blok vanaf het begin van de jaren 1990 marktaandeel, en dus ook overheidssubsidies, afsnoepte van de traditionele partijen, hebben die daarop gereageerd door de overheidssubsidies fors op te trekken. Vooral Vlaams Blok heeft hiervan geprofiteerd, want die partij had relatief weinig inkomstenbronnen buiten de overheidsfinanciering. Maar dat namen de traditionele partijen er maar bij. Hun belangrijkste bekommernis was immers het maximaliseren van de eigen subsidies. 

Diezelfde logica werd ook gevolgd bij de recente hervorming van de wetgeving in het kader van de zesde staatshervorming. De overwinning van N-VA in 2010 heeft de federale subsidiestroom naar de traditionele partijen doen afnemen. De verwachting was dat dit in nog sterkere mate het geval zou zijn als N-VA in 2014 die sterke score ook zou kunnen doortrekken naar het Vlaams Parlement. De traditionele partijen hebben dan de hervorming van de Senaat aangegrepen om de subsidies te verhogen en op die manier hun inkomsten enigszins op peil te houden. Zoals hoger aangetoond, is dit ook gelukt. 

Vandaag is het vooral N-VA die wel vaart bij die inkomsten-maximaliserende strategie, zij het in een veel sterkere mate dan ooit het geval was met Vlaams Blok/Belang. Nog nooit sinds het invoeren van de federale dotatie voor de partijen in 1989, en de daaropvolgende exponentiële toename van de overheidssubsidies, heeft een politieke partij zo’n groot marktaandeel verworven als N-VA vandaag. Daardoor worden we voor het eerst volop geconfronteerd met het enorme financiële hefboomeffect van een grote verkiezingsoverwinning op alle niveaus. Nog nooit kreeg een Belgische politieke partij zoveel overheidssubsidies als N-VA vandaag: 12,3 miljoen euro per jaar. Dit laat de partij toe om een gigantisch vermogen op te bouwen. Volgens onze simulatie zou N-VA aan de vooravond van de volgende parlementsverkiezingen een oorlogskas hebben van ruim 43 miljoen euro. En dit is naar alle waarschijnlijkheid een onderschatting, aangezien de partij wellicht nog meer zal kunnen sparen dan vroeger. Of de partij daarmee de rijkste partij ooit wordt in de Belgische geschiedenis, kunnen we niet met zekerheid zeggen, aangezien we pas vanaf het begin van de jaren 1990 zicht hebben op de boekhoudingen van de partijen. Maar het heeft er toch wel alle schijn van. 

Door die vermogensopbouw verwerven politieke partijen een aanzienlijke staying power. Stel dat de verkiezingen van 2019 slecht aflopen voor N-VA, dan heeft de partij toch nog voldoende middelen om de partijorganisatie voor lange tijd te handhaven. Dit zien we nu ook, zij het op een kleinere schaal, bij Vlaams Belang. De oorlogskas laat de partij toe om de sterk gedaalde inkomsten op te vangen en om de periode tot de volgende verkiezingen organisatorisch te overbruggen. 

Nieuw is wel dat er op vlak van het vermogen, en dus ook van de organisatorische staying power, een toegenomen ongelijkheid ontstaat tussen de partijen. Tot 2012 waren de grotere partijen min of meer aan elkaar gewaagd qua vermogen. Buiten Groen en LDD had elke Vlaamse partij een vermogen dat schommelde tussen 12 en 16 miljoen euro. In 2013 slaagde N-VA erin om de andere Vlaamse partijen achter zich te laten, en de komende jaren zal die kloof alsmaar groter worden. Volgens onze simulatie zal N-VA in 2018 bijna dubbel zo rijk zijn als de tweede rijkste Vlaamse partij.

Om dit financiële hefboomeffect en de politieke gevolgen ervan ongedaan te maken, zou je de overheidssubsidies voor de partijen drastisch moeten reduceren en meer moeten afstemmen op de werkelijke behoeften van de partijen, zodat ze die subsidies niet kunnen oppotten. De kans dat dit gebeurt, is echter klein tot onbestaande. De traditionele partijen zullen hun inkomsten-maximaliserende strategie ongetwijfeld handhaven. En N-VA heeft er alle belang bij om freerider te spelen: enerzijds wat symbolisch protest laten horen tegen de hoge overheidssubsidies, maar er anderzijds ten volle van profiteren. ‘Vandaag krijgen politieke partijen jaarlijks miljoenen euro’s toegeschoven. Voor de N-VA mag dat gerust wat minder zijn’.12 Zo luidt het officiële standpunt van de partij. Dat het nieuwe federale regeerakkoord daar in alle talen over zwijgt, is heus niet te wijten aan vergetelheid.

Jef Smulders
FWO-aspirant verbonden aan de KU Leuven, Instituut voor de Overheid
Bart Maddens
Buitengewoon hoogleraar aan de KU Leuven, Instituut voor de Overheid

 

Samenleving en politiek, Jaargang 21, 2014, nr.10 (december), pagina 68 tot 78

 

Noten
1/ B. Maddens en J. Smulders, ‘Het klikfonds van 25 mei’, De Tijd, 16 mei 2014, p. 11; B. Maddens en J. Smulders, ‘Simulatie van dotaties en fractietoelagen na de verkiezingen van 2014’, Interne onderzoeksnota in opdracht van Knack (zie: E. Pironet, ‘Uw stem is geld waard’, Knack, 26 maart 2014, pp. 22-27).
2/ Voor de details van deze berekening, zie: J. Smulders, J. Faniel en B. Maddens (2014), ‘Verkiezingen, partijen en overheidsfinanciering: de financiële gevolgen van de verkiezingen van 25 mei 2014’, Tijdschrift voor Bestuurswetenschappen en Publiekrecht, (7), 428-437.
3/ Voor een verdere toelichting hierbij, zie: J. Smulders, J. Faniel en B. Maddens, o.c. en J. Smulders en B. Maddens (2014), De financiële gevolgen voor de politieke partijen na de hervorming van de Senaat, Leuven, KU Leuven Instituut voor de Overheid.
4/ We baseren ons op de balans van de politieke partijen, zoals opgenomen in de jaarlijkse boekhoudingen. Het gaat hier steeds om geïndexeerde bedragen, uitgedrukt in prijzen van september 2014.
5/ De kleinere partijen worden in deze tabel samengebracht in de categorie ‘Overig’. Deze categorie heeft betrekking op de Volksunie (1999-2000), FN (2003-2007), SLP (2009-2010), PP (2010-2011) en FDF (2011-2013).
6/ In 2007 en 2008 heeft het vermogen van CD&V betrekking op het kartel CD&V/N-VA. In deze jaren moet zo’n 5 miljoen euro van het vermogen op rekening geschreven worden van N-VA. Het vermogen van sp.a verwijst in de periode 2003-2008 naar het kartel sp.a-spirit. Het vermogen van spirit/Vl.Pro/SLP is echter verwaarloosbaar ten opzichte van dat van sp.a.
7/ Het betreft hier onder meer inkomsten uit lidgelden (2,9% van alle inkomsten), die worden bepaald door de evolutie van het ledenaantal, en afdrachten van mandatarissen aan de partij (9,5%), die in functie staan van de zetelwinst- of verlies op 25 mei.
8/ Het verkiezingsjaar 2010 laten we hier buiten beschouwing, aangezien dit vervroegde verkiezingen waren.
9/ We bekijken in deze projectie niet alle partijen met een parlementaire vertegenwoordiging (zoals dat wel het geval was in Tabel 2 en Grafiek 1). PP en PVDA+/PTB-GO! worden niet opgenomen, hoewel zij de komende jaren wel verplicht zullen zijn om hun boekhouding publiek te maken. We hebben echter onvoldoende informatie voor het berekenen van de spaarquote van deze partijen.
10/ Scarrow, S. (2004), ‘Explaining Political Finance Reforms: Competition and Context’, Party Politics, 10(6), 653-675.
11/ Maddens, B., Smulders, J. en Weekers, K. (2014), Partij- en campagnefinanciering in België, Leuven: Acco; Weekers, K. en Maddens, B. (2006), ‘De overheidsfinanciering van het Vlaams Blok/Belang’, Samenleving en politiek, 13(5), 49-56; Weekers, K., Maddens, B. en Noppe, J. (2009), ‘Explaining the Evolution of the Party Finance Regime in Belgium’, Journal of Elections, Public Opinion, and Parties, 19(1), 25-48.
12/ Nieuw-Vlaamse Alliantie (2014), Partijfinanciering (http://www.n-va.be/standpunten/partijfinanciering, Geraadpleegd op 25 oktober 2014).

partijfinanciering - democratie - dotaties

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk