(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Hoe we het populisme kunnen keren

No cover
februari 2017
Kooyman Mil
2017

Het populisme is nadrukkelijk aanwezig in onze samenleving. Er was de onverwachte Brexit en de al even onverwachte overwinning van Donald Trump; en het is momenteel bang uitkijken naar de verkiezingen in Nederland, Frankrijk en Duitsland. Ergernis en verontwaardiging volstaan niet om het tij te keren. We moeten de oorzaken ernstig nemen en er een helder antwoord op formuleren. Een eerste aanzet in de tegenreactie kan komen op drie terreinen: de mainstream en sociale media moeten hun verantwoordelijkheid opnemen, helder en begrijpbaar communiceren; er moet worden gesleuteld aan de democratie om de betrokkenheid van de burger tussen twee verkiezingen te verhogen; en ten slotte ligt er een belangrijke opdracht bij het middenveld dat zijn rol als tussenschakel tussen volk en politiek meer dan ooit moet vervullen.

 

WAT IS POPULISME?

Een duidelijke definitie geven van populisme is moeilijk. Het is ook stilaan een containerbegrip geworden. In een artikel over populisme in Vlaanderen (Sampol, 09/2011) wordt het omschreven als: "een ‘dunne’ ideologie (niet te vergelijken met bijvoorbeeld liberalisme of socialisme) die beweert dat de maatschappij verdeeld is in twee homogene en antagonistische groepen: het ‘pure volk’ en de ‘corrupte elite’. Populisten vinden dat politiek enkel de uitdrukking moet zijn van de volkswil."

We lezen dezer dagen veel over het populistisch discours, de populistische retoriek zeg maar. Internationaal onderzoek van de Chapel Hill Expert Survey wijst er echter op dat het in België nog meevalt met het populistisch gehalte van de politieke retoriek (De Standaard, 29/12/16). Wanneer in het onderzoek autoritaire waarden met populistische retoriek worden verbonden, dan scoren enkel Parti Populaire en Vlaams Belang hoog (in het koppeloton bevinden zich Gouden Dageraad uit Griekenland en AfD uit Duitsland). Op de schaal ‘sociaaleconomische standpunten’ scoren de Belgische partijen erg uiteenlopend. Zo scoort PVDA uiterst links met een zeer hoge populistische retoriek (net boven de 70%) en scoort N-VA sociaaleconomisch het meest rechts (en boven de 50% populistische retoriek). Conclusie is dat populistische retoriek geen monopolie is van rechtse of autoritaire partijen.

In dit internationaal onderzoek wordt uitgegaan van de volgende omschrijving: ‘er is sprake van populisme als politici vinden dat in de politiek alles draait om het conflict tussen het volk (zuiver, spreekt uit één mond) en de elite (corrupt, eigenbelang, schaadt het volk)’. De rebellie tegen het establishment is dan het logische gevolg.

In De Morgen (14/01/17) gaat Mark Elchardus dieper in op de analyse. Hij waarschuwt voor de politicologische benadering van het verschijnsel waarbij men steevast partijen van wie men de standpunten niet lust populistisch noemt. Ook hij stelt dat extreemrechtse partijen niet noodzakelijk populistisch zijn en populistische partijen niet noodzakelijk extreemrechts. Ook linkse partijen kunnen populistisch zijn. In die zin wordt geregeld Podemos in Spanje genoemd. Zo spreken zij ook over ‘la casta’, de kaste van de traditionele partijen PP en PSOE.

Populisten hebben, nog steeds volgens Elchardus, een zeer negatieve houding ten opzichte van intermediaire structuren, vertegenwoordigers en middenveldorganisaties en staan vijandig ten opzichte van de instellingen van een moderne staat (centrale banken, overheidsadministratie, rechterlijke macht en academische wereld). Ongetwijfeld mogen we daar ook de mainstream media aan toevoegen.

Het is duidelijk dat in eigen land N-VA zich ook op dit pad begeeft. Zie hun afkeer van het middenveld, hun uitspraken over ‘wereldvreemde rechters’, hun kritiek op De Standaard en de VRT, de tweets van Theo Francken en de recente démarche van Peter De Roover om de vrije meningsuiting te beperken.

HOE IS HET ZOVER KUNNEN KOMEN?

Een eerste vaststelling is dat veel analisten de doorbraak van populistische partijen niet hebben zien aankomen. Het fenomeen was bekend, maar werd schromelijk onderschat. Ook opiniepeilers zaten er volledig naast. Het toont een zekere blindheid voor wat er in de samenleving leeft en geeft aan dat het gaat om burgers die niet altijd bereikt worden door de traditionele partijen.

De geformuleerde oorzaken zijn zeer verscheiden. Er wordt verwezen naar een cocktail van ellende (bij de laaggeschoolde arbeider en de lage middenklasse) en vrees (voor de globalisering, de vreemdeling) enerzijds en politici die onmogelijke beloftes maken anderzijds (Paul De Grauwe, De Morgen, 27/12/16).

Na het overlijden van de hoogleraar sociologie, Zygmunt Bauman, verwees Dirk Holemans in De Standaard (11/01/2017) naar diens analyse over de overwinning van Donald Trump. Door het neoliberalisme is de onzekerheid op drie vlakken - namelijk: zekerheid, veiligheid en geborgenheid - alsmaar toegenomen. Daarbij werd gelijkheid verstoten (zie de wereldwijde toegenomen ongelijkheid, nogmaals bevestigd in een recent Oxfamrapport), zodat de andere verlichtingsideeën vrijheid en broederlijkheid aan betekenis verloren. De toenemende frustraties bij de bevolking over niet-ingeloste beloftes leidde tot een afkeer van het establishment, vertegenwoordigd door Hillary Clinton. Volgens Bauman is het succes van Donald Trump te wijten aan het verbinden van de economische angst van de verliezers van de globalisering aan identiteitspolitiek, aan de angst voor de vreemde. Als de nieuwe leider er in slaagt de vreemde weer buiten te zetten, zijn alle vormen van angst bezworen.

Een andere vaak genoemde oorzaak is de zogenaamde ‘post-truth’, door The Oxford Dictionary uitgeroepen tot het woord van 2016. Post-truth heeft betrekking op situaties waarin objectieve feiten minder invloed hebben op de publieke opinie dan emotionele of persoonlijke overtuigingen. Vaak wordt dan met een beschuldigende vinger naar het internet gewezen. Volgens filosoof Michael B. Lynch heeft internet het probleem evenwel niet veroorzaakt, enkel versterkt.

Toch kunnen we er niet om heen: sociale media spelen een belangrijke rol. Uit een wereldwijd onderzoek van Reuters Institute for the Study of Journalism blijkt dat 44% van de nieuwsconsumenten Facebook gebruikt als nieuwsbron (De Morgen, 27/12/16). Op een bijeenkomst van ‘Vooruitzicht 2017’, een lezingenreeks waar VRT haar experts laat vooruitblikken op 2017, gaven journalisten Riadh Bahri en Bram Vandeputte de resultaten weer van een VRT-onderzoek naar de nieuwsbronnen die Vlamingen gebruiken om zich te informeren. Daaruit blijkt dat ouderen nog vaak gebruik maken van de journaals op radio en televisie, dat dertigers en veertigers de traditionele kanalen (ook duiding) combineren met digitale bronnen (deredactie.be), maar dat pubers enkel en alleen gebruik maken van Facebook.

Nog een stap verder is wat men ‘postfeitelijk’ noemt; ‘postfaktisch’ werd in Duitsland uitgeroepen tot het woord van het jaar. Het betekent dat volkomen valse claims, verpakt in emotionele verhalen en voortdurend uitvergroot in de echokamers van het internet, in staat zijn een aanzienlijk deel van de kiezers te laten kantelen. Een van de bekendste voorbeelden is de bewering van Donald Trump dat Barack Obama niet in de Verenigde Staten was geboren. Toen Barack Obama uiteindelijk zijn geboorteakte openbaar maakte, bleef Donald Trump beweren dat ‘een heleboel mensen het gevoel hebben dat het niet om de juiste geboorteakte ging’.

Maar ook de mainstream media zouden niet vrijuit gaan. Daarover ging het kerstessay (26/12/16) van Karel Verhoeven, hoofdredacteur van De Standaard. Verhoeven erkent dat de kracht van de zogenaamde actiejournalistiek op internet onderschat wordt. Hij verwijst naar GeenStijl.nl in Nederland die via 450.000 steunbetuigingen mee een referendum over het associatieverdrag EU-Oekraïne afdwong. Zijn de media te vaak poortwachters van de elite geworden? Misschien wel. Want media blijven ondanks alles een gezag verlenende instantie voor wat politici zeggen en doen. De reguliere media nemen soms zelfs de sociale media over. In kranten en op televisie wordt het nieuws aangevuld met tweets. Zo maken reguliere media sociale media tot nieuws en kan de carrousel verder draaien.

HOE HET VERTROUWEN IN DE POLITIEK HERSTELLEN?

Een eerste, eerder spontane reactie, is de aanhang van populistische leiders als dom en marginaal te bestempelen. ‘Begrijpen ze dan niet dat ze tegen hun eigen belang stemmen?’ Hillary Clinton sprak op een verkiezingsbijeenkomst over de aanhangers van Donald Trump als ‘the basket of deplorables’, vrij vertaald: de stakkers, zielige, erbarmelijke en beklagenswaardige mensen. Het was ongetwijfeld één van de grootste blunders in haar campagne. Het had een omgekeerd effect. De aanhang van Donald Trump voelde zich beledigd en vernederend; het verhoogde enkel hun overtuiging dat het establishment op hen neerkijkt. Er werd ondertussen trouwens een Facebook-groep opgericht door de deplorables. Ze gebruiken het als een geuzennaam en spuien scherpe kritiek naar het establishment.

De uitspraak doet ook denken aan de uitspraak van een Vlaamse partijvoorzitter die de PVDA ‘klein gevaarlijk restafval’ noemde.

Ook voormalig voorzitter van het Europees Parlement, Martin Schulz, had niet de beste reactie in huis toen hij bij de opening van de Frankfurter Buchmesse opriep voor meer fatsoen. David Van Reybrouck was op het online journalistiek platform De Correspondent bijzonder pissig over deze uitspraak.

We kunnen uiteraard verontwaardigd zijn over wat er gebeurt, maar enkel verontwaardiging brengt ons nergens. Vandaar dat we best vooruitkijken en zoeken naar een concrete aanpak die het vertrouwen in de politiek herstelt. Een eerste aanzet van een tegenreactie kan komen op drie terreinen: de verantwoordelijkheid van de media, het sleutelen aan de democratie en het versterken van het middenveld. Ik overloop ze alle drie.

1/ De verantwoordelijkheid van de mainstream en sociale media

In het slot van zijn kerstessay wijst de voornoemde Karel Verhoeven de weg die de mainstream media moeten volgen. Hij pleit voor een radicalere journalistiek en dat op twee fronten: wakker worden voor gefundeerde contestatie (en dus minder comfortabel en volgzaam zijn bij het verlenen van autoriteit aan meningen) en verder blijven inzetten op de feiten. Politiek schuift op naar domeinen waar meningen en gevoelens tellen. We mogen niet blind zijn voor deze evolutie. Maar ook dan blijven feiten van wezenlijk belang.

Ook de Britse historicus Timothy Garton Ash pleit voor fact checking, zowel in politieke berichtgeving als in de dagelijkse internetpraktijk (De Standaard, 30/12/16). Hij doet een oproep om serieuze onderzoeksjournalistiek verder te financieren. Hij noemt het een hele uitdaging voor de journalistiek om de feiten op een heldere, verstaanbare en minder saaie manier bij de mensen te brengen die ten prooi zijn gevallen van populistische verhalen. Hij verwijst ook naar de verantwoordelijkheid van wie hij de ‘private supermachten’ noemt: Google, Facebook en Twitter. Facebook erkende eind 2016 het probleem bij monde van Mark Zuckerberg. In Duitsland en de Verenigde Staten zetten ze een expertenteam aan het werk om aan fact checking te doen. Indien feiten niet blijken te kloppen, zou er een waarschuwing worden gegeven.

Google, Facebook en Twitter hebben ook actie ondernomen tegen de zogenaamde clickbait. Het gaat om internetjournalistiek die vage en sensationele koppen gebruikt om lezers te verleiden tot een ‘klik’. Eenmaal geklikt genereert de website via internetreclame inkomsten en wordt de lezer bij de neus genomen, want de kop dekt niet de lading van het bericht.

Er is ondertussen ook een website (snopes.com) die feiten onderzoekt op hun juistheid en ze het label false of true meegeven.

Dat de mainstream media steeds meer louter commerciële bedrijven zijn geworden die meesurfen op de golven van de sensatie om hoge lezers- en kijkcijfers te halen, is ook niet vreemd aan de afgang van de kwaliteitsjournalistiek. Gelukkig zijn er, ook bij ons en in Nederland, nog kleinschalige nieuwsprojecten zoals DeWereldMorgen, Apache en De Correspondent die elk op hun terrein een bijdrage leveren aan een breed pallet van nieuwsbronnen.

Op de bijeenkomst van ‘Vooruitzicht 2017’ werden de duidelijke afspraken over fact checking van de VRT toegelicht. Er wordt zeer omzichtig omgegaan met geruchten. Een feit wordt maar in de ether gestuurd als het door twee onafhankelijke en geloofwaardige bronnen is bevestigd. De VRT wil ook zeer transparant zijn over de gebruikte nieuwsbronnen. Sociale media worden beschouwd als een bron als een ander, dus hier ook een dubbel check, waarbij het feit ook minstens door een andere bron moet worden bevestigd. Bij het gebruik van amateurbeelden wordt er getracht een schriftelijke verklaring te krijgen van de maker, wat niet altijd mogelijk is. Ten slotte wordt er op de nieuwsredactie een zeer strikte deontologie gehanteerd.

Ondertussen onderzoeken de media hoe ze best reageren op de nieuwe ontwikkelingen in de oorlog die Donald Trump voert met de pers. De president lag al op ramkoers met de meeste Amerikaanse media, maar het dispuut over het aantal aanwezigen op zijn eedaflegging heeft een nieuwe dimensie toegevoegd aan het steekspel. Voor het eerst kwam er nieuw woord op de proppen: ‘alternatieve feiten’. Een eufemisme voor leugens. Journalisten vragen zich nu af of ze de activiteiten van de president van binnenin (via persconferenties waar ze mogelijk geen vraag mogen stellen) of van buitenuit (via ambtenaren, vertrouwenspersonen) moeten volgen. Ze zijn er in elk geval van overtuigd dat leugens moeten worden ontmaskerd en dat degelijke onderzoeksjournalistiek meer dan nodig is.

Rob Wijnberg stelt het in De Correspondent als volgt: ‘[Journalistiek moet ergens voor staan:] waarden waar een democratische gemeenschap niet zonder kan: de controle van de macht, het achterhalen van de waarheid, het bieden van context en perspectief.’

2/ Sleutelen aan de democratie

In de analyses wordt populisme vaak een bedreiging van de democratie genoemd. Voor Mark Elchardus gaat het in zijn eerder geciteerde boodschap om het evenwicht tussen volkssoevereiniteit (niemand beter dan de kiezer zelf kent de zorgen en de wensen van het volk) en de rechtsstaat (instellingen die nodig zijn om de volkswil te vertalen in beleidsvoering). Elchardus verwacht geen heil van een links populisme als antwoord op het overwegend rechts populisme. Democratisch links moet volgens hem precies bouwen aan het evenwicht tussen volkssoevereiniteit en de rechtsstaat; het moet daartoe het middenveld revitaliseren. Het is een reusachtige opdracht voor links.

Enkele dagen later (De Morgen, 19/01/2017) kwam een reactie van Aton Jäger, doctorandus aan de universiteit van Cambridge. Hij vindt dat de kritiek op de representatieve democratie wel hout snijdt (beroepspolitici in plaats van volksvertegenwoordigers, beïnvloeding door extraparlementaire belangen, behoren tot welbepaalde sociale milieus, deel uitmaken van informele clubs, carrière vergroeid met de staatsmacht, particratie). Jäger beweert dat de aanpak van linkse populisten, zoals Pablo Iglesias en Bernie Sanders, de juiste is aangezien ze de basis van de rechtsstaat niet in het gevaar brengen en de partijdemocratie niet uitsluiten.

Reeds in 2009 schreef David Van Reybrouck een pamflet waarin hij een pleidooi hield voor populisme. Het was niet zomaar een pleidooi voor populisme tout court. Hij sprak over het democratisch populisme (dat de rechtsstaat onvoorwaardelijk aanvaardt) en een verlicht populisme (dat de stem van het volk in het politieke debat brengt en zo de achterban bij het politieke debat betrokken houdt).

Samen met Van Reybrouck wordt er al jaren gezocht naar een methode om de betrokkenheid van de burger meer te laten zijn dan het kleuren van een bolletje om de vier jaar. Het experiment met de G1000 was niet echt een succes. Diverse vormen van inspraak, vooral op het lokale niveau, van hoorzittingen tot wijkraden leveren ook niet direct de beste resultaten op. Zo kwam het fenomeen van de burgerbewegingen, zeker op het lokale niveau, onlangs opduiken. Of die het antwoord zijn, ligt ook niet voor de hand.

Uiteraard zijn er lovenswaardige burgerinitiatieven van onderuit, zoals die onder meer door Tine Hens in haar boek Het klein verzet (2014) worden opgelijst, vaak in goede samenwerking met de lokale overheden. Zo bieden de zogenaamde ‘wijkbudgetten’ in Gent, waarover wijkbewoners zelf kunnen beslissen, perspectief voor een grotere burgerbetrokkenheid. Bijkomend onderzoek en concrete experimenten moeten ons wijzer maken.

Het blijft een uitdaging voor de komende jaren om de democratie te versterken, zonder de basiswaarden in vraag te stellen, maar door toch de betrokkenheid van de burgers te verhogen. Het zal zaak zijn om de representatieve democratie te verbeteren waar het kan, door onder meer de particratie aan te pakken, en tezelfdertijd de rechtstreekse inspraak van de burger op een zinvolle manier te organiseren.

3/ Het middenveld versterken

Dat België nog min of meer van radicale populistische partijen gespaard blijft, hebben we ongetwijfeld te danken aan het sterke middenveld in onze samenleving. Het is precies dat middenveld (vakbonden, mutualiteiten, vrouwenorganisaties, socioculturele organisaties, milieuverenigingen, Noord-Zuidbeweging, enzovoort) dat in onze samenleving een belangrijke rol vervuld in het midden tussen volk en politiek.

In zijn analyse van het populisme (De Morgen, 27/12/2017) verwijst Paul De Grauwe naar de Brits-Amerikaanse Nobelprijswinnaar economie, Angus Deaton. Die stelt dat veel Britse en Amerikaanse industriearbeiders samen met het verlies van hun baan ook hun vertegenwoordiging in de maatschappij verloren omdat ook de afgang van de vakbonden er niet meer voor zorgde dat hun stem gehoord werd.

Luc Huyse noemt de middenveldorganisaties onomwonden ‘onmisbare drukregelaars’ (De Standaard, 07/01/2017). De signalen uit de samenleving die richting het beleid gaan, zijn erg talrijk en bijna altijd tegenstrijdig. Middenveldorganisaties vangen de signalen op, kanaliseren de spontane woede, informeren en vormen, zeven de eisen van de achterban en formuleren ze dan naar het beleidsniveau. De politiserende vorming van middenveldorganisaties is een sterk onderschatte troef van die organisaties.

Het is geen toeval dat de N-VA de middenveldorganisaties wil uitschakelen. Vaak zijn deze organisaties ingebed in het Belgisch (sociaal-economisch-cultureel) systeem, zoals Kris Deschouwer opmerkt in het vorige nummer van Samenleving en politiek. N-VA wil dat enkel het primaat van de politiek (regering en parlement) geldt; middenveldorganisaties kunnen enkel worden geraadpleegd. Op een debatavond over diversiteit, kort na de vorige verkiezingen, verklaarde N-VA-Kamerfractieleider, Peter De Roover, ‘dat wie het niet eens is met de politiek van de regering(en) over vier jaar maar anders moet stemmen’.

Met N-VA, denken ook werkgevers nog steeds dat vakbondsvorming ertoe dient om militanten op te hitsen en aan te zetten in staking te gaan. Ze hebben het volledig verkeerd voor. Jarenlange ervaring in vakbondsvorming hebben me geleerd dat een degelijke opleiding van militanten en vakbondsafgevaardigden net het sociaal overleg en de sociale vrede ten goede kwamen. Ik herinner me dat we na een intense vormingsweek met militanten van de Metaal precies tijd en energie besteedden om hen voor te bereiden op de terugkeer naar de realiteit op de werkvloer.

Natuurlijk is het vandaag niet vanzelfsprekend om de vroegere recepten zomaar weer uit de kast te halen. De klassieke fysieke debatavonden en vormingsbijeenkomsten kalven af. Het middenveld moet zich bezinnen hoe het zijn ‘politiserende’ opdracht op een innoverende wijze kan vervullen. Hoe internet en de sociale media gebruiken? Hoe mensen verbinden? Hoe nieuwe actievormen bedenken? Dat geldt ook voor de vakbond. Ze blijft broodnodig, maar moet ook bereid zijn om na te denken over nieuwe vormen en gedachten. Op een recente militantenbijeenkomst over het ontwerp van interprofessioneel akkoord ging het merendeel van de opmerkingen over het SWT (het vroegere brugpensioen) en veel minder over de uitdagingen van de toekomst. Er is ook dringend nood aan alternatieve actiemiddelen. De vakbond vergrijst, dus is het aanspreken van jongeren een prioriteit.

De burgerbeweging Hart boven Hard toont hier misschien hoe het anders en beter kan. Zij zorgt niet alleen voor een unieke verbinding tussen de culturele en de sociale wereld en tussen de ‘nieuwe’ en de ‘oude’ sociale bewegingen, maar heeft frisse ideeën over communicatie en actiemiddelen.

Maar het is tegenwind roeien. Precies op het ogenblik dat het middenveld, meer dan ooit, een zeer belangrijke rol zou kunnen vervullen als buffer tegen de woede van het volk en als doorgeefluik naar de politiek, wordt er zwaar bespaard in de sector. In de tegenreactie op populisme zouden ook de regeringspartijen er alle belang bij hebben dat het middenveld versterkt wordt. Verder besparen is dus uit den boze. Want willen we een dam opwerpen tegen het rechts populisme dan is er niet minder, minder, minder maar meer, meer, meer middenveld nodig.

Mil Kooyman
Redactielid Samenleving en politiek 

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr.02 (februari), pagina 4 tot 11

democratie - populisme - media - middenvel

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk