Log in

Waarom het loonaandeel belangrijker is dan u dacht

Uit onderzoek van de OESO blijkt dat het loonaandeel in de belangrijkste economieën de afgelopen twintig jaar stelselmatig is gedaald, omdat de lonen niet langer de productiviteit volgen. Dat klinkt niet onmiddellijk sexy, maar het heeft verregaande gevolgen. Niet enkel voor u en mij, maar ook voor de generaties na ons. Waar hebben we het over wanneer we het over 'het loonaandeel' hebben? Adem diep in mocht u schrik hebben van grafieken en cijfers. Ze bijten zelden.

WAT VOOR EEN BEEST?

Het loonaandeel valt eenvoudig uit te leggen als 'dat deel van de economische inkomsten dat naar arbeid gaat'. Stel onze hele economie voor als één grote fabriek. De productie in die fabriek kan maar gebeuren door de samenwerking tussen partijen: arbeid en kapitaal. Werknemers leveren arbeid in de vorm van intellectuele inspanningen en/of fysieke arbeid. De component 'kapitaal' staat in voor de productie-infrastructuur: bedrijfsruimtes, machines, IT,... De opbrengsten uit de fabriek - onze economie dus - worden verdeeld tussen de twee partijen. Het deel dat werknemers krijgen, is het 'loonaandeel', het andere is logischerwijze het 'kapitaalaandeel'.

De ene partij kan in het hele productieproces niet zonder de andere. De krachtverhoudingen tussen arbeid en kapitaal hebben in het verleden geleid tot conflicten, maar ook tot compromissen. Bijna een eeuw aan sociale onrust en oorlog ging voorbij tot het besef doordrong dat de verhouding tussen arbeid en kapitaal essentieel is voor het bewaren van maatschappelijke stabiliteit. De wanverhouding tussen de twee leidde tot de Tweede Wereldoorlog. Een losgeslagen laisser-faire kapitalisme leidde in de jaren 1930 tot een zware economische en sociale crisis. Door de heersende ieder-voor-zich-mentaliteit zochten mensen massaal hun toevlucht tot extremistische en populistische stromingen. De rest is geschiedenis. En al herhaalt geschiedenis zich nooit, ze rijmt al wel eens een keer.

De wil om sociale stabiliteit en vrede te garanderen zorgde net na de Tweede Wereldoorlog tot een 'sociaal pact' waarin de principes van de welvaartsstaat werden vastgelegd: de wederzijdse erkenning van werkgevers- en werknemersorganisaties, de aanvaarding van economische ontwikkeling als motor van collectieve vooruitgang én de billijke verdeling van de inkomsten uit die economische ontwikkeling. Dat laatste zou vorm krijgen door de extra inkomsten uit de toename van de productiviteit gelijk te verdelen tussen lonen en winsten. Op die manier vormt de evolutie van het loonaandeel een cruciale bouwsteen in de constructie van de welvaartsstaat. En die functie heeft het nog altijd.

HET LOONAANDEEL KRIMPT

Even een recap: lonen moeten de productiviteit volgen. Wanneer de economie erop vooruitgaat, moeten de vruchten van die vooruitgang gelijk verdeeld worden onder werknemers en werkgevers. Of we riskeren sociale instabiliteit en erger. Het is wat onder de radar van de kranten gebleven, maar uit een recente studie1 van de OESO blijkt dat, wanneer de situatie in vierentwintig ontwikkelde economieën wordt bekeken, de lonen niet langer de productiviteit volgen.

Sinds 1995 steeg de productiviteit in de privésector in vierentwintig onderzochte landen met gemiddeld 30%. Zoals Grafiek 1 aantoont stegen de mediaanlonen gemiddeld slechts met 22%. We nemen de mediaanlonen als referentie omdat gemiddelde lonen door 'outliers' te zwaar worden beïnvloed. De niet-marktsector laten we buiten beschouwing omdat productiviteitswinsten daar moeilijker te meten zijn.

Grafiek 1. Het dalen van het loonaandeel en het stijgen van de loonongelijkheid.

In haar meest recente Global Wage Report2 kwam de Internationale Arbeidsorganisatie al tot eenzelfde conclusie. Uit hun onderzoek naar 36 landen bleek dat sinds 1999 de lonen meer dan 10% achterop lopen ten opzichte van de productiviteitsontwikkelingen.

Grafiek 2. De productiviteit en de lonen groeien uiteen.

Beide grafieken lijken wel de uitbeelding van een peloton dat een berg opfietst, maar waar een pak renners al snel afhaakt. Het knikje in de helling ter hoogte van de recessie in 2008 lijkt de lonen even wat ademruimte te geven, maar het gat wordt niet kleiner. Om het in economische termen uit te leggen: er wordt meer geproduceerd, maar de winsten die deze extra productie genereren worden ongelijker verdeeld. Dat is helemaal in tegenspraak met de afspraken die we na de Tweede Wereldoorlog maakten.

Wat doet dit nu met het loonaandeel? Het effect van deze ontkoppeling tussen lonen en productiviteit zal niet verbazen: in het merendeel van de landen is het loonaandeel in de economie fors gedaald. Zowel op iets kortere termijn (sinds 1995) als op lange termijn (sinds 1970).

Grafiek 3. Veranderingen in het loonaandeel in de G20 (plus Spanje).

Grafiek 4.

Dalend loonaandeel in de EU (1995-2014) in %

In de Belgische economie in zijn totaliteit nam het loonaandeel 'slechts' met 1% af, maar in de privésector lag het anders: daar nam het loonaandeel een duik van 4%. Nochtans staan we met een cao-dekkingsgraad van 95% bij de koplopers qua sociaal overleg en loopt de vergelijking maar tot 2014. Na deze datum volgden nog een loonblokkering en een indexsprong. Naar alle verwachting zal het loonaandeel dus verder dalen.

WHAT'S IN IT FOR ME?

Voor we naar de oorzaken kijken achter dat dalend loonaandeel - en om u enigszins bij de les te houden - bekijken we wat de gevolgen voor u en de samenleving zijn. Want, waarom nemen we in godsnaam het loonaandeel onder de loep? De eerste reden ligt voor de hand. Het is een duidelijke indicator voor kantelende machtsverhoudingen in een maatschappij.

Simpelweg kan je stellen dat wanneer het loonaandeel daalt, diegene die het kapitaal in handen heeft, beter wordt beloond. Dat klopt, maar het is iets complexer dan dat. Het loonaandeel is geen uniform gegeven. De OESO ontdekte3 al in 2012 dat het loonaandeel in de voorafgaande twee decennia was gedaald voor de 99% 'laagste' inkomens, maar met 20% was gestegen voor de 'the one percent' topinkomens. En laat het nu net die 'one percent' zijn die ook het grootste stuk van het kapitaal in handen heeft. Deze groep eet dus van twee walletjes mee. In Europa heeft de top 10% in de loonverdeling 25% van de totale loonmassa in handen, terwijl de top 10% in de kapitaalverdeling 60% van het kapitaal in handen heeft.4 Wanneer dan - gegeven deze verhoudingen - het loonaandeel verder daalt en het kapitaalaandeel stijgt, dan krijg je meer ongelijkheid.

Grafiek 1, waar ons verhaal mee begon, vertelt ook meer. Die grafiek leert ons niet enkel dat de lonen niet langer de productiviteitsstijgingen volgen. De gemiddelde en mediaanlonen blijken ook steeds verder uit mekaar te drijven. Wat betekent dat? In een ideale wereld ligt het gemiddelde inkomen ergens rond het mediaaninkomen (het inkomen dat zich in het midden van een inkomensverdeling bevindt). Dat betekent dat er niet veel 'uitzonderingen' zijn ten opzichte van dat loon in het midden van de inkomensverdeling. Wanneer het verschil tussen gemiddelde lonen en mediaanloon groeit, betekent dat een significant aantal mensen aan het einde van de inkomensverdeling proportioneel meer begint te verdienen. Of anders gezegd: de kleine groep topverdieners, de 1%, vergroot zijn aandeel.

Sinds de uitvoerige publicaties van o.a. Thomas Piketty (Kapitaal in de 21ste eeuw) en Richard Wilkinson & Kate Pickett (The Spirit Level) weten we dat grotere ongelijkheid niet enkel een ethisch probleem is, maar ook zware economische kosten met zich meebrengt. Daar gaan we later verder op in.

IS HET DAN EIGENLIJK GOED VOOR IEMAND?

Maar is een dalend loonaandeel per se negatief? Minder lonen betekent misschien minder kosten voor ondernemingen en dus meer investeringen, meer competitiviteit, meer export, meer jobs en meer welvaart voor iedereen? Dat blijkt jammer genoeg niet zo te zijn. De verschuiving van arbeidsinkomen naar kapitaalsinkomen heeft niet de verwachte resultaten opgebracht qua investeringen. Cijfers van de UNCTAD5 tonen aan dat vanaf de jaren 2000 de bedrijfswinsten (het kapitaalsaandeel) sterk stijgen, maar dat de investeringen die evolutie niet volgen.

Grafiek 5. De bedrijfswinsten versus de investeringen.

Daar zijn drie belangrijke redenen voor. Uit hun onderzoek blijkt dat de extra winsten vooral in de financiële sector werden geboekt. Daar valt weinig materieels te investeren. Ten tweede werden winsten meer en meer gebruikt om dividenden uit te betalen en om de financiële zeepbel nog verder op te blazen, in plaats van te investeren in nieuwe productiemethodes of producten. En ten slotte werden die 'echte' investeringen geremd door… een te lage koopkracht.6 Wat op zijn beurt dan weer het gevolg blijkt te zijn van een dalend loonaandeel. Van een vicieuze cirkel gesproken.

Waarom de koopkracht per se zou dalen door een dalend loonaandeel? Mensen die hun inkomen voornamelijk uit lonen halen, sparen proportioneel een pak minder dan zij die hun inkomen hoofdzakelijk uit kapitaal halen. De eerste groep is verplicht haar inkomen bijna volledig te consumeren. Een dalend loonaandeel heeft dan ook onmiddellijk een impact op de consumptie. Minder middelen betekent voor hen minder consumptie. Voor wie vooral inkomsten uit kapitaal haalt, ligt dit anders. Als daar het inkomen stijgt of daalt, wordt het consumptiepatroon niet onmiddellijk aangetast, omdat zij een hoog spaaroverschot hebben. Aangezien de eerste groep een pak omvangrijker is dan de andere, is het effect op de totale consumptie navenant.

We kunnen de redenering nog verder doortrekken. Wanneer bij een gegeven consumptiepatroon het inkomen daalt, dan kan dat consumptiepatroon enkel worden aangehouden door te lenen. Dit gebeurde massaal in de Verenigde Staten in aanloop naar de crisis van 2007. Andere landen zetten alles in op export om zo de dalende consumptie bij de huishoudens te compenseren: de Duitse strategie. Beide zijn nefast. Het Duitse 'voorbeeld' van lage lonen en een flexibele arbeidsmarkt wordt momenteel overal gekopieerd. In een dicht aan elkaar gehecht handelsblok als de EU werkt dat natuurlijk niet: als iedereen inzet op lage lonen en op export beweegt er helemaal niets. Het enige effect is een ineenstorting van de binnenlandse consumptie in heel wat lidstaten, met negatieve gevolgen voor iedereen.

Een dalend loonaandeel heeft dus niet enkel een directe impact op ongelijkheid. Ze kan ervoor zorgen dat het economisch potentieel van een land - of een heel blok aan landen - wordt aangetast. De Nederlandse economen Storm en Naastepad7 kwamen tot de vaststelling dat voor de Europese Unie een daling van het loonaandeel met 1% de economische groei met ongeveer een kwart procent afremt: 'aangezien het loonaandeel in de periode 1995-2015 met 1,3% is gedaald, kunnen we stellen dat de jaarlijkse Europese economische groei in die periode ongeveer 0,35% lager lag.' Groei die we best konden gebruikten in die periode. Maar Storm en Naastepad gaan verder dan dat. Ze beargumenteren dat 'een dalend loonaandeel niet enkel schade op korte termijn veroorzaakt, maar ook de potentiële economische groei op de lange termijn reduceert.' Een lager kapitaalsaandeel verlaagt de vraag, drukt de winstgroei, vermindert de investeringen, doet het productieapparaat verouderen waardoor de productiviteitsgroei vertraagt en de potentiële groei afneemt.

IT'S TECHNOLOGY STUPID!

De directe gevolgen zijn duidelijk, maar wat zijn de redenen achter het dalend loonaandeel? Het mechanisme achter het dalende loonaandeel kennen we: de ontkoppeling tussen de lonen en de productiviteit. Maar wat zorgt voor die ontkoppeling?

In de meeste literatuur wordt verwezen naar technologische veranderingen als voornaamste reden achter die ontkoppeling. De productie wordt steeds kapitaalsintensiever, dus per werknemer wordt er meer kapitaal ingezet in het productieproces. Het zou dus logisch zijn dat er proportioneel meer van de opbrengsten uit dat proces - de productiviteitswinsten waarover we eerder spraken - naar de kapitaalhouders gaan.

Er klopt iets niet in deze redenering. Sinds de Tweede Wereldoorlog kennen alle westerse landen gigantische technologische veranderingen. Toch bleef het loonaandeel tot het begin van de jaren 1980 vrij stabiel. Je kan moeilijk beweren dat de automatisering maar vanaf dat moment is ingezet. Bovendien is er nog iets vreemd aan de hand. Via OESO-data8 kan worden nagegaan wat productiviteitsstijgingen dreef: inzet van extra kapitaal of arbeid. En wat blijkt? In het merendeel van de landen daalde de afgelopen 15 jaar de bijdrage van kapitaal in de productiviteitsstijgingen. Zo werd in Duitsland de productiviteitsgroei tussen 1990 en 2000 voor een derde verklaard door 'extra kapitaalsinvesteringen'. Kijken we naar de tijdsspanne 2009-2014, dan speelt kapitaal een véél lagere rol in de productiviteitsontwikkeling, namelijk nog slechts 1,6%. In het Verenigd Koninkrijk daalde dit percentage over dezelfde tijdsspanne van 48% naar 39%. In de Verenigde Staten van 38% naar 26%. Ontluisterend, omdat gedurende die periode de verloning van kapitaal wél toenam.

Met welk recht dus? En vooral: hoe komt het dat het loonaandeel vanaf het begin van de jaren 1980 toch die duik nam?

KRACHTSVERHOUDINGEN

Een dalend loonaandeel brengt veranderende krachtsverhoudingen met zich mee. Maar ze is ook het gevolg van veranderende krachtsverhoudingen. En omdat één grafiek soms meer zegt dan duizend woorden, bekijk Grafiek 6.

Grafiek 6. Vakbondslidmaatschap 1960 tot nu.

Vakbondslidmaatschap 1960 tot nu
Bron: OECD statistics.

Vanaf de jaren 1980 viel het vakbondslidmaatschap dramatisch terug. De ongereguleerde globalisering was toen volop op gang gekomen. Ondernemingen kregen de mogelijkheid om delen van hun productie te delokaliseren en kregen daarnaast concurrentie van ondernemingen uit lageloonlanden. Meestal werd er geen enkele vereiste opgelegd op het vlak van arbeid, milieu of gezondheid. Heel dit proces van herstructurering, outsourcing en offshoring vergrootte de neerwaartse druk op lonen en andere arbeidsvoorwaarden. Maar nog belangrijker: in het overgrote deel van de 'westerse' economieën was dit het startschot - en het uitgesproken excuus - om alle bestaande afspraken en fundamentele principes rond collectief (loon)overleg op de schopstoel te zetten. In sommige landen werden vakbonden letterlijk weggebulldozerd, in de meeste landen verliep het proces meer geleidelijk, maar niet minder destructief. Loonoverleg werd in de meeste landen gedecentraliseerd, om zo de collectieve onderhandelingsmacht van vakbonden te breken.

Daarnaast kwam alles wat een arbeidsmarkt maar enigszins reguleerde onder vuur: minimumlonen, ontslagbescherming, vervangingsinkomens (werkloosheidsuitkeringen, pensioenen, ziekte), publieke tewerkstelling en de collectieve bijdragen tot publieke voorzieningen (belasting en sociale zekerheid). Dit maakte het voor werknemers moeilijker om hun deel van de koek - de productiviteitswinsten - op te eisen.

Kan je de bedrijven dit proces kwalijk nemen? Misschien wel, misschien niet. Enerzijds zijn ze slechts spelers op het speelveld dat we als samenleving hebben gecreëerd: de ongereguleerde vrije markt. Langs de andere kant zijn zij diegene die op alle mogelijke manieren beleidsmakers pushten tot meer deregulering. De gigantische winstmarges die hen in de schoot vielen, werden echter niet duurzaam ingezet. Ze werden gebruikt om de destructieve zeepbel te voeden die in 2008 ontplofte. Of ze werden geparkeerd op eilanden in de Caraïben.

Uiteindelijk is het meest verontrustende in dit verhaal datgene wat na 2008 plaatsvond. In plaats van onze economieën opnieuw te stabiliseren door werknemers de plek (en de inkomens) die ze verdienen te geven, gebeurde het omgekeerde. Zij kregen de schuld van de crisis. Werknemers waren inhalig, leefden boven hun stand, dus moesten ze bloeden. Sinds 2008 is de ontmanteling van de arbeidsmarkt nog versneld. Dit beleid wordt nu openlijk als godsdienst beleden door de Europese Commisie, het IMF en de ECB. Wie denkt dat we in België aan dit proces ontsnappen, is eraan voor de moeite. Sinds de regering-Michel aan de macht is, wordt de loonvorming aan banden gelegd (hervorming van de wet van '96) en de arbeidsmarkt verder geflexibiliseerd (Wet Peeters). Dat alles zal een zware impact hebben op het loonaandeel.

DE KANARIE IN DE KOOLMIJN

Evenwichtige, duurzame samenlevingen met een grote, welvarende middenklasse waren nooit het resultaat van de vrije markt. Ze zijn - en waren - mensgemaakt, het gevolg van actieve keuzes. Actieve keuzes om instellingen, wetten, beleid te creëren die een samenleving en in het bijzonder de arbeidsmarkt reguleren. De Nederlandse economen Storm en Naastepad hebben dus volledig gelijk wanneer ze stellen dat 'het dalend loonaandeel een politiek vraagstuk is dat sturing vereist'. De daling van het loonaandeel is onze spreekwoordelijke kanarie in de koolmijn. Ze waarschuwt ons voor een ongelijkere, instabiele samenleving. Voor een economie met een lager groeipotentieel. Voor minder, maar vooral, minder goed verdeelde welvaart.

Noten

  1. http://dx.doi.org/10.1787/d4764493-en.
  2. http://www.ilo.org/global/research/global-reports/global-wage-report/2016/lang--en/index.htm.
  3. http://www.oecd.org/els/emp/EMO%202012%20Eng_Chapter%203.pdf
  4. Piketty (2013) Kapitaal in de 21ste eeuw, De Bezige Bij.
  5. http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/tdr2016_en.pdf
  6. http://www.ilo.org/wcmsp5/groups/public/@dgreports/@dcomm/@publ/documents/publication/wcms_166021.pdf.
  7. https://esb.nu/esb/20021502/de-dalende-arbeidsinkomensquote-in-macro-economisch-perspectief.
  8. http://www.oecd-ilibrary.org/industry-and-services/oecd-compendium-of-productivity-indicators-2016/labour-productivity-growth-capital-deepening-and-mfp-in-g7-countries_pdtvy-2016-graph4-en.

Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 5 (mei), pagina 29 tot 37