(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Een loopgravenoorlog

No cover
november 2012
Hooghe Marc
2012

De gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2012 hebben niet geleid tot grote verschuivingen. Na bijna een jaar regering-Di Rupo blijven alle partijen in de eigen stellingen. De ultieme test is echter niet zozeer de verkiezingen van juni 2014, maar wel de begroting 2015 die er kort daarna zal moeten liggen. Hebben de politieke partijen voldoende verantwoordelijkheidsbesef om die klus tot een goed einde te brengen?

 

EEN LOOPGRAVENOORLOG

 Er is ontzettend veel tijd en energie gegaan naar het vooruitblikken op de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2012. Als je in het archief van De Standaard kijkt, zie je dat er al vanaf september 2011 voortdurend artikelen gepubliceerd worden over de inzet van de verkiezingen, de kandidaten en de mogelijke politieke gevolgen van de uitslag. Als de media in ons land één ding goed doen, dan is het wel het voortdurend aanwakkeren van de verkiezingskoorts. Als we er nu naar terugkijken, zien we dat heel wat van die opwinding nergens voor nodig was. Zoals te verwachten was bij lokale verkiezingen werd overwegend een nationale politieke trend gevolgd. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012 is grotendeels een doorslagje geworden van de uitslag van de federale verkiezingen van juni 2010. N-VA scoort wat lager dan de uitslag in 2010, terwijl CD&V het traditioneel beter doet bij plaatselijke verkiezingen. Aan Franstalige kant verandert er al helemaal niet zo veel.

Dat is een patroon dat we wel vaker zien als je rijen verkiezingsuitslagen naast elkaar legt. Sommige verkiezingen leiden tot zeer spectaculaire verschuivingen, en ze betekenen een uitdaging voor de traditionele politieke evenwichten in een land. In de daaropvolgende verkiezingen zie je dan echter dat die verschuivingen zich niet verderzetten, maar dat partijen zich stabiliseren op een nieuw niveau. Dat blijkt ook nu het geval. De uitslag van 2010 was behoorlijk spectaculair, met een historisch ongeëvenaarde winst voor N-VA in het Vlaamse landsgedeelte. Tussen juni 2010 en oktober 2012 is er ontzettend veel veranderd in de Belgische politiek, denk maar aan de heel lange regeringsvorming die uiteindelijk heeft geleid tot de regering-Di Rupo. Die regering heeft ook werk gemaakt van een pensioenhervorming en van een sanering van de openbare financiën. Al die ontwikkelingen blijken echter niet de minste indruk te hebben gemaakt op de kiezer, die blijkbaar op dezelfde manier heeft gestemd als in juni 2010. Wie er toen van overtuigd was dat N-VA voor verandering zou zorgen, gelooft dat nu nog altijd, en wie er toen van overtuigd was dat politieke partijen uiteindelijk hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor het bestuur van het land, gelooft dat ook nu nog altijd.

De Belgische politiek bevindt zich dus momenteel in de fase van de loopgravenoorlog: beide partijen hebben zich ingegraven in hun stellingen, en beiden zijn aan elkaar gewaagd en kunnen dus geen stap verder. De vergelijking kan nog verdergezet worden. Ook in 1914 veroverde het Duitse leger in sneltreinvaart zowat het volledige Belgische grondgebied: van 4 augustus tot 12 oktober 1914 werd zowat heel het land onder de voet gelopen. Dat valt zeer goed te vergelijken met de manier waarop N-VA in snel marstempo uitgroeide tot de grootste politieke partij in het Vlaamse landsgedeelte. Vanaf 12 oktober 1914 werden de Duiters echter gestopt voor de poorten van Ieper, en in de daaropvolgende vier jaar zouden ze nauwelijks nog een meter terreinwinst boeken. Ook voor de Belgische politiek lijkt nu een dergelijke loopgravenoorlog aangebroken, en helaas kunnen de gevolgen ook deze keer verschrikkelijk groot zijn.

DE CIJFERS EN DE PERCEPTIE

Hoewel er in de dagen na de verkiezingen allerlei grote verklaringen werden afgelegd, kan men niet stellen dat de gemeenteraadsverkiezingen grote verschuivingen hebben teweeggebracht. Sommigen stellen nu dat de ‘grondstroom’ van Vlaanderen conservatief en nationalistisch is geworden. In werkelijkheid valt dat te betwijfelen: zelfs in de stad Antwerpen halen alle progressieve en linkse partijen samen bijna 46 procent van de stemmen, en dat resultaat is in Gent ongeveer even groot. Het belangrijkste verschil is echter dat men in Antwerpen in verspreide slagorde naar de kiezer is getrokken, en daardoor geportretteerd kon worden als de ‘grote verliezer’. In Gent kwam het tot een coalitie, en was de 45,5 procent van de kartellijst voldoende voor een absolute meerderheid in de gemeenteraad. Men bestempelt het nu vaak alsof het Antwerpse resultaat een rechts-conservatieve onderstroom vertegenwoordigt, terwijl Gent blijkbaar een progressief eiland vormt. Maar als je puur naar de cijfers kijkt, is er helemaal niet zo veel verschil in de links-rechtsbalans tussen beide steden. Het enige verschil is dat de progressieve politici in Gent het verstandig hebben aangepakt, terwijl dat in Antwerpen niet is gebeurd.

Zowel voor als na de verkiezingen ging de meeste aandacht uit naar de stad Antwerpen. Terecht natuurlijk, het gaat om de grootste stad van ons land, maar af en toe mogen we toch ook niet vergeten dat 96 procent van de Belgische bevolking niét in de stad Antwerpen woont. Er is ook een andere reden waarom ik de stad Antwerpen niet direct als het grote rolmodel zou zien voor de rest van het land. Het grote probleem met Antwerpen is dat die stad, allicht mede omwille van haar grote schaal, bijzonder volatiel is in haar politieke voorkeuren. In 2000 was Filip Dewinter er de meest populaire politicus, in 2006 werd dat Patrick Janssens en in 2012 Bart De Wever. Echt een duidelijke lijn is dat niet. De politieke voorkeur van de Antwerpse bevolking is dermate wispelturig dat het enige dat we kunnen voorspellen is dat er over zes jaar wel weer iemand anders in de gunst van de kiezer zal staan.

DE TOEKOMST VAN DE CHRISTENDEMOCRATEN

Het lijkt misschien wat minder voor de hand liggend, maar de echte historische betekenis van deze verkiezingen ligt eerder in wat er gebeurd is in Brugge en Kortrijk. Dat lijken op het eerste gezicht niet de meest spectaculaire steden, maar het waren wel de laatste echte centrumstreden waar CD&V nog een burgemeester leverde. Ook dat is nu verdwenen. In Brugge omdat er bij CD&V niemand was die in de schoenen van ontslagnemend burgemeester Patrick Moenaert kon lopen, en in Kortrijk door een sterk staaltje van strategische coalitievorming. Dit betekent kort en goed dat de Vlaamse christendemocraten nu volledig verdwenen zijn uit het bestuur van de centrumsteden. Voor een partij die enkele decennia geleden nog een heleboel argumenten had om te stellen dat zij de echte grondstroom van de Vlaamse samenleving weerspiegelde, is dat een vaststelling van formaat. De christendemocraten moeten toegeven dat ze de voeling met de moderne stedelijke cultuur verloren hebben. Uiteraard staan ze nog sterk in de slaapsteden en in de landelijke dorpen, maar men kan moeilijk zeggen dat hier nu echt het hart van Vlaanderen klopt. CD&V-voorzitter Wouter Beke gaf tijdens de campagne toe dat zijn partij niet langer een echt ‘verhaal’ heeft, dat is blijkbaar de term die men tegenwoordig gebruikt omdat men ‘ideologie’ te moeilijk vindt. De verdeling van de resultaten van zijn partij tonen aan dat die ideologie er wel nog is, maar dat die resoluut naar het verleden is gericht. De ideologie van CD&V slaat naadloos aan bij het samenlevingsmodel van Torhout, Tielt en Meeuwen-Gruitrode. Dat is echter niet het samenlevingsmodel van de toekomst, dat we wel vinden in Brussel-stad, Antwerpen of Gent. De christendemocratie heeft een ontzettend belangrijke rol gespeeld in de politieke geschiedenis van België, en men kan zonder overdrijven stellen dat deze ideologie grotendeels het Belgische model gemaakt heeft. Het is echter niet evident dat de christendemocratie als ideologie ook zal overleven. In Nederland is CDA zo ongeveer verdwenen. Ook de Vlaamse christendemocraten zullen zich de vraag moeten stellen welk antwoord zij kunnen bieden aan de moderne stedelijke problematiek als ze niet volledig irrelevant willen worden. De burgemeester van Ledegem zal wel altijd een christendemocraat blijven, maar daarmee bouw je niet verder aan je politieke toekomst.

STERKE BURGEMEESTERS

Het omgekeerde verhaald geldt grotendeels voor sp.a. Die partij richt zich systematisch enkel nog op haar stedelijke bolwerken. Het aantal plattelandsgemeenten waar de socialisten onder eigen naam opkomen daalt al enkele verkiezingen aan een stuk. Op korte termijn lijkt dat een verstandige beslissing: de socialisten doen het traditioneel slecht op het platteland, dus je investeert relatief veel middelen in lokale campagnes die tot weinig zetels leiden, en waarmee je meestal in de oppositie belandt. Op langere termijn is het echter een zwaktebod. De linkse kiezers die in de plattelandsgemeenten wonen, worden nu immers gedwongen om uit te wijken naar een andere partij en ze krijgen bovendien vanuit de partijleiding het signaal dat hun stem er toch niet toe doet. Het is inderdaad zo dat kiezers nu meer dan vroeger van de ene partij naar de andere hoppen, maar sp.a is allicht de enige partij in West-Europa die haar kiezers hiertoe ook aanmoedigt door ze geen enkel alternatief te bieden tijdens lokale verkiezingen. Men kan moeilijk rekenen op enige partijtrouw van de kiezers als men als partij zelf niet een elementaire dienstverlening organiseert voor die kiezers.

De strategie heeft bovendien nog een ander nadeel: sp.a houdt relatief goed stand in enkele van de centrumsteden, maar dat heeft vooral met de persoonlijkheid en de inzet van de lokale burgemeester te maken. De partij heeft echter een duidelijk probleem om goed en gemotiveerd politiek personeel aan te trekken, en het is zeker niet zo dat een volgende generatie het zomaar van de sterkhouders kan overnemen. In Gent gaat Daniël Termont over zes jaar met pensioen, en in Leuven heeft Louis Tobback al evenmin het eeuwige leven. Heeft sp.a een nieuwe generatie klaar die zich met evenveel inzet en overgave op het lokale bestuur zal storten?

Het vreemde bij dit patroon voor socialisten en christendemocraten is dat we graag zeggen dat er in Vlaanderen niet langer een echte grens is tussen stad en platteland: alles is immers volgebouwd, en iedereen woont wel op minder dan een uur afstand van Brussel. De verkiezingsresultaten tonen echter aan dat de grens tussen stad en platteland scherper is afgebakend dan ooit te voren, en dit suggereert dat er een proces van zelfselectie plaatsvindt. Een bepaalde groep binnen onze samenleving kiest voor het leven in de stad, en over het algemeen zijn dat diegenen die zich kunnen inbeelden dat ze buren zullen hebben met een andere culturele achtergrond, of dat ze hun twee gezinswagens niet zomaar voor de deur zullen kunnen parkeren. Diegenen voor wie de eigen oprit wel cruciaal is voor hun levenskwaliteit, wijken uit naar Fermettegem. Ondanks de kleine afstanden krijgen we op die manier toch een duidelijke geografische tweedeling in onze samenleving.

VERANTWOORDELIJKHEID EN DE KOORTS VAN DE MEDIA

Net zoals men in september 2011 al constant begon over de ‘nakende’ gemeenteraadsverkiezingen, was het opvallend dat men nu op de verkiezingsavond zelf al begon over de verkiezingen van juni 2014. De media geven hierin blijk van een ontzettend gebrek aan verantwoordelijkheidszin. Door te laten uitschijnen dat onze politici voortdurend van de ene campagne naar de andere hollen, scheppen ze mee een klimaat waarbij er eigenlijk nooit meer tijd is voor echt beleid. Tussen hier en juni 2014 moet er wel nog een en ander gebeuren, inzake sociale zekerheid, werkgelegenheid, belastingen en begrotingstekort. Gaat men ook die periode verkwanselen aan electorale politieke spelletjes, en zo de toekomst van ons sociaal model hypothekeren? Al bij al kunnen deze gemeenteraadsverkiezingen nauwelijks gebruikt worden om iets zinnigs te zeggen over de verkiezingen van juni 2014. In vergelijking met 2010 zijn alle partijen immers op hun stellingen gebleven. De regering-Di Rupo I heeft de harten duidelijk nog niet veroverd, maar de regeringspartijen worden ook niet afgestraft. Iedereen blijft dus in de eigen loopgraven.

Hoewel er nu allerlei ronkende verklaringen worden afgelegd over de ‘moeder van alle verkiezingen’ in juni 2014, komt de echte test in de maanden die volgen op juni 2014. Het is zeer onwaarschijnlijk dat één partij of één blok van partijen dan een absolute meerderheid zal halen en dus krijgen we opnieuw langdurige coalitiegesprekken. Bij sommige partijen zal de verleiding groot zijn om die opnieuw over de staatshervorming te laten gaan. Het verschil met onze vorige langdurige crisis is dat we nu echter onderhevig zijn aan een stringent stabiliteitspact: de begroting van 2015 moet volledig in evenwicht zijn, terwijl we voor 2014 nog een tekort van 1,1 procent van het BNP mogen boeken. Dat laatste procent wordt uiteraard het moeilijkste: alle uitgaven waarop enigszins kan worden bespaard, zullen wel sneuvelen tussen 2011 en 2014. De regering-Di Rupo zal de oppositie ook geen cadeautje doen door de begroting 2015 al op te maken voor de verkiezingen van juni 2014. Het is dus de nieuwe ploeg die deze klus zal moeten klaren, liefst voor november 2014 zoals de Europese Unie eist. Alle politieke partijen hebben nu de mond vol over het vrijwaren van de welvaart van de Belgische bevolking. Tijdens de zomer van 2014 krijgen we daarin de ultieme test: ofwel storten de politieke partijen ons opnieuw in een uitzichtloze politieke crisis met alle gevolgen van dien voor ons economisch systeem, ofwel wordt er relatief snel een regering gevormd die onze Europese verplichtingen in het kader van het stabiliteitspact uitvoert. Tot de zomer van 2014 kan iedereen dus in de eigen loopgraven blijven zitten, maar daarna breekt onvermijdelijk het moment van de waarheid en de verantwoordelijkheid aan.

Marc Hooghe
Gewoon hoogleraar politieke wetenschappen, KU Leuven

Samenleving en politiek, Jaargang 19, 2012, nr.9 (november), pagina 4 tot 9

verkiezingen - media - sp.a

 

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk