(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Echo en Narcissus

Over de 'publieke opinie' en andere moderne politieke mythes

maart 2006
2006

“Dit heeft mij de grootste moeite gekost en kost mij nog steeds de grootste moeite: in te zien dat er onnoemelijk veel meer gelegen is hoe de dingen heten dan wat ze zijn. De naam, faam, betekenis, het uiterlijk en de gebruikelijke maat en gewicht van een ding … is door het geloof daarin en het uitgroeien daarvan van geslacht tot geslacht geleidelijk als het ware aan het ding vastgegroeid, ermee vergroeid en zijn substantie zelf geworden; de schijn van het eerste begin wordt op het laatst vrijwel altijd tot wezen en werkt ook als wezen! Wat zou dat voor een dwaas zijn die zou menen dat je ermee kan volstaan op deze oorsprong en deze omhullende nevel te wijzen om de als wezenlijk geldende wereld, de zogenaamde ‘werkelijkheid’ te vernietigen ! ”

                                                                                              Nietzsche, De Vrolijke Wetenschap.

 

De publieke opinie als scheidsrechter

“In Vlaanderen wil 77 procent van de werknemers langer blijven werken.”… “Bijna acht op de tien Belgen vindt dat hun persoonlijke vrijheid of de vrijheid in het algemeen wordt bedreigd.”…“De federale regering van Guy Verhofstadt wekt meer wantrouwen (36%) dan vertrouwen.”…“De VLD trappelt ter plaatse met 18,3 procent.”

Het volstaat om een willekeurige krant open te slaan om te zien hoe sterk het dagdagelijkse mediatico-politieke discours doordrongen is van het gebruik van percentages en ander cijfermateriaal. Cijfers en de grafische symbolen (tabellen, figuren en diagrammen) waarvan ze vaak worden vergezeld, vormen zo’n gevestigd onderdeel van het strijdarsenaal van politieke actoren en commentatoren dat nog maar weinigen hun rol in het politieke proces aan een kritische evaluatie onderwerpen. Hun gebruik dringt zich vaak met zo’n overweldigende vanzelfsprekendheid aan ons op, dat we nauwelijks nog stilstaan bij de heuse ‘symbolische alchemie’ die zich dagelijks voor onze ogen voltrekt wanneer we de krant doorbladeren of het televisiejournaal bekijken. Wat gebeurt er eigenlijk wanneer men zegt dat “35% van de Belgen het koningshuis steunen” of dat “60% van de Nederlanders neen zeggen tegen Europa”? De ogenschijnlijke evidentie van cijfers en de politieke realiteit die ze pretenderen voor te stellen, maakt dat zo’n vraag al van voor af aan het risico loopt om te worden afgedaan als absurde banaliteit of onverantwoorde politieke metafysica. Het is echter niet omdat de gevestigde orde steeds het ‘gezond verstand’ aan haar zijde heeft, dat men diens zelfgenoegzame zekerheden niet aan de kaak mag stellen, hoe metafysisch zulk een onderneming ook moge lijken. Een kritische bezinning op het politieke en mediatieke gebruik van cijfers is pas mogelijk wanneer we datgene dat zich doorgaans aandient als instrument van politieke analyse tot object van zulk een analyse nemen. Een dergelijke wending moet helpen duidelijk maken dat de functie van cijfers in het politieke spel zich niet laat beperken tot het louter descriptieve. Verre van onschuldige instrumenten die verantwoordelijk zijn voor de ontsluiting van de politieke werkelijkheid, produceren cijfers in vele gevallen juist die realiteiten (‘de liberale achterban’, ‘de publieke opinie’, ‘de tegenstanders van de  Europese grondwet’,…) die ze pretenderen te beschrijven. Door de specifieke manier waarop ze het politieke spel voorstellen, leveren ze een beslissende bijdrage aan de creatie van het geloof in de politieke categorieën waarop dit spel is gebaseerd en in het bijzonder in de legitimiteit van diegenen die het politieke spel beheersen. Hun fundamenteel ondemocratische karakter berust echter in het feit dat hun voorstellingswijze van de politieke realiteit in de meeste gevallen complete abstractie maakt van de sociale en culturele ongelijkheden die deze werkelijkheid tekenen. Het is dan ook enkel binnen een zeer enge definitie van het begrip ‘democratie’ dat hun gebruik te rechtvaardigen valt.

De politieke handelingen van burgers - zeker tijdens electorale raadplegingen of referenda - bezitten steeds een zeker raadselachtig karakter voor diegenen die zich in het professionele politieke spel engageren. Verre van eenduidig onthullen de politieke daden van ‘het volk’ zich nooit rechtstreeks aan de beleidsmakers en laten hun potentiële drijfveren steeds ruimte voor een aanzienlijke mate van interpretatie. In het kielzog van elke volksraadpleging voltrekt zich dan ook een verhitte politieke hermeneutiek waarin elke burger zichzelf als het ware tweemaal een stem ziet uitbrengen. Een eerste maal in de serene beslotenheid van het stemhokje waar hij of zij een keuze maakt uit een reeks voorgevormde politieke alternatieven en een tweede maal in het woelige symbolische conflict tussen de verschillende politieke actoren en commentatoren die strijden om de finale betekenis van de keuze in kwestie. Kenmerkend voor het moderne politieke conflict is het toenemende gebruik van zogenaamde ‘opiniepeilingen’, die deze strijd met de koele beredeneerdheid van het cijfer moeten beslechten. Meer dan ooit doet men een beroep op het getal om de meningen en handelingen van de burgers van hun meerduidige karakter te ontdoen en hun politieke betekenis in een soort ultiem oordeel te fixeren. Hoe professionele opiniebureaus of studiediensten uit het ruwe materiaal die hun peilingen opleveren de politieke ‘stand van zaken’ of de ‘publieke opinie’ distilleren, wordt echter al te weinig geproblematiseerd. De gangbare kritiek die - vooral vanuit sociaal-wetenschappelijke hoek - tegen opiniepeilingen wordt geuit, beperkt zich voornamelijk tot diens technische mankementen. Het gaat dan vooral om kritiek op de gebrekkige steekproefopzet of de ‘bias’ in de vraagstelling. Hoewel een dergelijke ‘technische’ kritiek vaak compleet terecht is en zonder twijfel een meer centrale plaats in het publieke debat verdient, laat ze vaak de impliciete axioma’s waarop de opiniepeiling berust onaangeroerd.

De sociale productie van de publieke opinie

Een eerste ongetoetste vooraanname ligt al besloten in de akte van de bevraging zelf. Zo merkte de Franse socioloog Pierre Bourdieu reeds op hoe het vaak volstaat om één welbepaalde problematiek aan een staal van de bevolking voor te leggen, om de indruk te wekken dat het probleem in kwestie ook daadwerkelijk door alle burgers gedeeld wordt. Door iedereen dezelfde vragen te stellen, creëert men al te gemakkelijk de indruk dat iedereen zich dezelfde vragen stelt. Op die manier ontstaat de volstrekt valse idee dat er een fundamentele maatschappelijke consensus bestaat over de uiteenlopende thema’s waarmee de profeten van de publieke opinie de bevolking bestoken. Door echter aan te nemen dat politieke ideeën als een soort collectieve ‘Zeitgeist’ over de hoofden van alle burgers zweven, gaat men de vraag uit de weg naar waar dergelijke ideeën ontstaan en meerbepaald naar de instellingen die deze ideeën produceren. Tegen een enigszins naïeve voorstelling van het politieke spel moet beklemtoond worden dat niet alle burgers in gelijke mate over de (materiële en culturele) middelen beschikken om thema’s op de politieke agenda te krijgen en dat hét quasi-monopolie over de productie van politieke thema’s binnen onze samenleving nog altijd bij de gevestigde partijpolitiek berust. Het zijn nog altijd de professionele politici die - binnen de grenzen van de electorale concurrentie - kunnen bepalen welke thema’s een plaats op de politieke agenda verdienen en welke niet.

Om te achterhalen hoe ze dit doen zou men de these van Josef Schumpeter verder kunnen ontwikkelen. Deze stelt dat door de verregaande institutionalisering van de politieke vertegenwoordiging, de wereld van de partijpolitiek steeds meer gaat functioneren volgens een logica die op die van de bedrijfswereld lijkt. Politieke partijen worden bedrijven die hun ideologische strekking als ‘handelsmerk’ aanwenden in de strijd om het grootste aandeel van de electorale markt. De logica van de concurrentie stelt hen echter voor een gelijkaardig probleem als de producenten van doodgewone consumptiegoederen. Hoe kan men immers het eigen cliënteel uitbreiden zonder daarbij de identiteit van het eigen handelsmerk te verliezen (die zich juist definieert door het verschil met anderen) en daarbij het risico te lopen de bestaande klandizie te verliezen? Om hun marktaandeel te vergroten, beschikken de politieke spelers doorgaans over twee strategieën. Enerzijds kunnen ze proberen onontgonnen sectoren van de electorale markt aan te boren door volstrekt nieuwe ideologische producten aan de man te brengen. Veel van de thema’s die ogenschijnlijk gedicteerd lijken door de spontane vraag van de burgers, lijken vaak op deze manier tot stand te komen. Een andere mogelijkheid om het eigen cliënteel te vergroten, staat bekend onder de noemer van ‘politieke verruiming’. Door het afzwakken van de potentieel meest conflicterende ideologische eigenheden kan men proberen cliënten van de concurrentie af te snoepen. Dergelijke verruimingsacties liggen aan de basis van een grondige verbloeming van het politieke discours. Ondersteund door een heel corps van technocraten die zich uitsluitend met de politieke communicatie bezighouden, leren politici de semantische vaagheid van sleuteltermen uit te buiten en een taal te spreken waarin een maximum aan potentiële kiezers zich kunnen herkennen. De logica van de electorale concurrentie brengt ideologische producten voort, die ofwel geheel nieuw zijn of door steeds geringere verschillen worden gescheiden en een steeds grondigere ‘productkennis’ van de burgers-consumenten vereisen, waarbij de in cultureel opzicht minst bedeelde burgers in beide gevallen aan het kortste eind trekken.
Het zou echter verkeerd zijn om enkel de partijpolitieke actoren verantwoordelijk te stellen voor de afbakening van het universum van het politiek zeg- en denkbare. Politici zien hun monopolie over de volksvertegenwoordiging immers langzaam verdwijnen en dienen in de verkondiging van de ‘wil van het volk’ hoe langer, hoe meer te concurreren met een andere maatschappelijke instelling die een steeds belangrijkere stempel drukt op de ‘publieke opinie’, namelijk de moderne media. Zo interveniëren de media vaker rechtstreeks in het publieke debat via het organiseren van eigen opiniepeilingen die vaak gericht zijn op de directe evaluatie van het politieke spel en diens spelers (Wie is de meest geliefde politicus? Wat is de meest populaire partij? ...). Waar de evaluatie van het politieke personeel voorheen beperkt bleef tot de electorale sanctionering, staan ze nu bloot aan een constante beoordeling die in naam van ‘het volk’ wordt verkondigd. Door de praktijk van de opiniepeiling heeft de relatie tussen politieke actor en politieke commentator zich grondig gewijzigd. Van een relatief ondergeschikte positie vis-à-vis het politieke establishment hebben de media, gewapend met de publieke opinie, de deuren van dit establishment weten forceren en zich van passieve berichtgevers tot actieve politieke agenten ontvoogd. De opiniepeiling vormt het instrument par excellence waarmee journalisten politici kunnen interpelleren en waarmee ze zelfs de legitimiteit van hun politieke vertegenwoordiging in twijfel kunnen trekken door de ‘mening’ van een bepaald electoraat uit te spelen tegen hun eigen vertegenwoordigers. Dit alles meer vanuit een cynische drang naar schandaal en spektakel dan vanuit een oprecht democratisch project.

De meest dwingende censuur die door de media op het publieke debat wordt uitgeoefend voltrekt zich echter op onrechtstreekse wijze. Via hun quasi-monopolie over de middelen om eender welk maatschappelijk fenomeen als ‘actueel’ - en dus belangrijk, essentieel, van onschatbare waarde - te verheffen, slagen de media er steeds meer in om te bepalen wat er in het brandpunt van de publieke aandacht dient te staan. Net zoals politieke actoren in onderlinge concurrentie strijden om het grootste aandeel van de electorale markt, zo wordt ook de mediatieke wereld gekenmerkt door een intern conflict tussen instellingen die strijden om het grootste aantal kijkers of lezers. Om zich te onderscheiden van de concurrentie dient elke mediaproducent op zoek te gaan naar thema’s die erin slagen ‘de aandacht te trekken’, die ‘opvallen’ en in vele gevallen verheven worden tot ‘actuele maatschappelijke problemen’ die dan ook de collectieve bezorgdheid van iedereen verdienen. Opiniebureaus, steeds gebrand op alles wat ‘actueel’ is en relatief onbezorgd over deze selectieve definitie van actualiteit, stockeren hun vragenlijsten al te graag met die thema’s die in het steeds verschuivende epicentrum van de mediatieke aandacht staan. In een circulaire logica - die veel weg heeft van ‘buikspreken’ - creëren politiek en media de thema’s die door de praktijk van de opiniepeiling getransformeerd worden tot de collectieve besognes van heel de bevolking die vervolgens langs de verschillende mediakanalen ook als dusdanig worden voorgesteld..

De creatie van de ‘burger-nachtwaker’

De illusie dat elk percentage op een maatschappelijke consensus berust, is echter slechts de eerste mythe die door het gebruik van dergelijke cijfers in stand wordt gehouden. In het imaginaire universum van de opiniepeiler delen alle burgers, ongeacht hun maatschappelijke positie, niet enkel dezelfde beslommeringen maar zijn ze ook in staat om gefundeerde meningen te produceren over zo uiteenlopende thema’s als de hervorming van de sociale zekerheid, de rol van het koningshuis, cyber-pesten, de impact van genetische manipulatie op onze voeding of het conflict in het Midden-Oosten. Zonder zich af te vragen hoe concreet of hoe abstract deze realiteiten voor verschillende segmenten van de bevolking zijn, kent de opiniepeiling (en diegenen die er gretig gebruik van maken) iedereen automatisch een universele competentie in de meest uiteenlopende domeinen toe. Door klakkeloos aan te nemen dat alle burgers van een gegeven samenleving in gelijke mate toegang hebben tot de instrumenten die een gefundeerde politieke mening mogelijk maken, versterkt de opiniepeiling de illusie dat de maatschappij bestaat uit een aaneenschakeling van competente en alerte subjecten. Een dergelijke idee van een abstracte politieke actor, de  ‘burger-nachtwaker’, veegt in één beweging de fundamentele ongelijkheden in politisering tussen de verschillende sociale klassen keurig onder de mat.

Toch manifesteren deze ongelijkheden zich in de antwoorden op de peiling zelf. Zo is iedereen die ooit met enquêtes (en vooral politieke peilingen) heeft gewerkt, bekend met het fenomeen van ‘non-respons’. Bepaalde (politieke) vragen leveren systematisch een zeker percentage van ‘weet niet’-antwoorden op. Zulke onwil (of onmacht) om te antwoorden lokt doorgaans twee soorten reacties uit aan de zijde van de peilers en diegenen die hun studies financieren. Enerzijds een ‘technische frustratie’ die de non-respons als belangrijk obstakel voor ‘representatieve’ gegevens beschouwt en anderzijds ‘morele verontwaardiging’, waarbij de producenten van de publieke opinie, maar al te graag meedoen aan de rituele klaagzang over de politieke apathie van ‘dé burger’. Wat de reactie ook moge zijn, in beide gevallen blijft het resultaat hetzelfde: diegenen die niet antwoorden worden simpelweg uit de finale weergave van de resultaten geweerd. Zonder naar de motieven van deze non-respons te peilen, worden diegenen die dergelijke ‘niet-meningen’ fabriceren naar het rijk van de politieke onverantwoordelijkheid of apathie verbannen. Diegenen die deze percentage ‘weet niet’-antwoorden wél ernstig namen, merkten al snel dat het hier niet om een arbitrair sociaal fenomeen ging. Statistische analyses van deze non-respons brengen een aantal systematische variaties aan het licht. Zo ligt het percentage ‘weet niet’-antwoorden bij vrouwen hoger dan bij mannen en bij lager opgeleiden dan hoger opgeleiden. Politieke kennis die door de opiniepeilers en door mediatieke en politieke actoren zélf als universeel gedeeld wordt beschouwd, blijkt in realiteit in zeer onevenredige mate over de verschillende sociale categorieën verdeeld. Zo neemt de kennis van politieke actoren (namen van politici, ideologische oriëntering van partijen,…) toe naarmate men in de sociale hiërarchie stijgt. Omgekeerd tonen de sociaal laagst geklasseerde categorieën zich bijzonder gedesoriënteerd wanneer ze gevraagd worden zichzelf in ogenschijnlijk eenvoudige politieke tegenstellingen te positioneren. Gevraagd waar ze zichzelf en bestaande politieke partijen op het ideologische links-rechtsspectrum zouden plaatsen, moeten de in sociaal en cultureel opzicht meest benadeelde groepen het vaakst het antwoord schuldig blijven of zoeken ze hun toevlucht tot de neutrale ‘midden’-categorie. En ook de verbinding van ideologische producten met hun politieke producenten (privatisering-VLD of nationalisering-sp.a) blijkt niet onproblematisch voor de sociale en culturele kansarmen. Alles wijst erop dat zowel het bezit van de instrumenten die nodig zijn om het vertoog van de professionele politieke producenten (kennis van politieke concepten, politiek personeel, ideologische tegenstellingen,…) te doorgronden als de behoefte om deze middelen te verwerven (lezen van kranten en opiniebladen) sterk gebonden zijn aan sociale positie. Politieke participatie is daarbij zowel een technische competentie als een statutaire plicht. De mate waarin iemand zich verplicht voelt om in politieke aangelegenheden stelling te nemen, en dit te doen in een taal die als politiek erkend en herkend wordt, is steeds een functie van de eisen tot opinie die de sociale omgeving aan de persoon in kwestie stelt. Daarom voelen mannen zich meer geroepen om er een quasi-systematische politieke mening op na te houden dan vrouwen, voelen universitair opgeleiden zich sterker verplicht om gefundeerde meningen te formuleren dan personen die geen hoger onderwijs hebben genoten en ervaart een professor sterker de drang om op de hoogte te blijven van politieke ontwikkelingen en hierover een mening te hebben dan een fabrieksarbeidster. De plicht en de autoriteit om over het politieke te spreken is met andere woorden sterk verbonden met de drang om aan een toegeschreven sociale definitie te voldoen en is daardoor tevens een (doorgaans realistische) inschatting van de kans om ook daadwerkelijk gehoord te worden.

Van substantief naar substantie

De gevestigde manier waarop cijfers gebruikt worden om politieke realiteiten te beschrijven, gaat echter geheel voorbij aan dergelijke verschillen in politiseringsgraad. Elk ‘antwoord op een politieke vraag’ is daarbij resoluut en automatisch een ‘politiek antwoord’. Door zich louter te concentreren op de formele gelijkenissen in antwoord worden individuen gegroepeerd voor wie de vraag - op basis van hun ongelijke toegang tot de benodigde symbolische instrumenten en vooral de taal - een sterk verschillende betekenis heeft. Achter een eenvoudige ‘ja’ gaan met andere woorden zowel gefundeerde meningen schuil die zich beroepen op een min of meer volledige kennis van zaken als verbale artefacten die uitgelokt worden door de bevraging zelf en die a posteriori (en steeds door anderen) een betekenis toegekend worden die de auteur ervan vaak geheel vreemd is. Dit onthult zich nergens zo goed als tijdens die periodes waarin ‘getalssterkte’ van fundamenteel belang wordt voor de concurrerende politieke producenten, namelijk bij verkiezingen. Voor, tijdens en na dergelijke electorale raadplegingen worden burgers letterlijk overspoeld met cijfers die de hernieuwde stand van politieke zaken moeten voorspellen, beschrijven en evalueren. De tabellen en grafieken gehoorzamen daarbij netjes aan de hierboven beschreven logica. De overeenkomsten tussen een opiniepeiling en een verkiezingsronde zijn dan ook meer dan toevallig. In beide gevallen legt men alle burgers dezelfde keuze voor, in beide gevallen is de enige legitieme keuze diegene die tussen de aangeboden alternatieven kiest en in beide gevallen worden diegenen die niet kiezen simpelweg uit het eindresultaat geweerd. Nemen we het voorbeeld van de cartogrammen die gebruikt worden om de politieke eindstand te beschrijven door de kieskringen in de kleur van de respectievelijke meerderheidspartij weer te geven. Nog geheel afgezien van de primaire vertekening die voortvloeit uit de keuze van louter geografische oppervlakte om politieke voorkeuren uit te drukken (waarbij dicht- en dunbevolkte regio’s hetzelfde symbolische gewicht krijgen) kenmerkt deze voorstellingswijze zich door een aantal moeilijk te rechtvaardigen aannames. In eerste instantie is de gehéle kaart ingekleurd. Daarmee wekt men niet alleen de indruk dat iedereen aan het electorale proces deelneemt (en dat de basisprincipes van dit proces door logische afleiding ook door iedereen worden gedeeld), maar schuift men tevens de potentieel lastige vraag terzijde naar de motieven van diegenen die ‘blanco’ of ‘ongeldig’ stemden.

Een belangrijkere vertekening vloeit echter voort uit het (ogenschijnlijk banale) feit dat men slechts één kleur gebruikt om de partijpolitieke voorkeur van de burgers uit te drukken. Op die manier verhult men de onderling sterk verschillende relaties die de kiezers, op basis van hun onderling verschillend bezit van de benodigde symbolische instrumenten, tot de partij van hun keuze onderhouden. Het brede spectrum aan potentieel conflicterende motiveringen om ‘socialistisch’ (of ‘liberaal’ of ‘extreemrechts’) te stemmen en waartoe zowel de proteststem van de gedesillusioneerde burger, de ‘blanco cheque’ van de onvoorwaardelijke partijaanhanger en de steeds voorwaardelijke stem van de kritische en geïnformeerde burger behoren; wordt gecondenseerd (en gereduceerd) in één kleur, in één mening en dus ook één uniforme stem die altijd ‘politiek’ is. Het is echter niet omdat politieke actoren en commentatoren geen fundamenteel onderscheid zien tussen ‘een stem op een liberale partij’ of een ‘liberale stem’ dat men een dergelijk onderscheid mag ontkennen. Sterker nog, juist omdat politieke actoren er alle belang bij hebben dat een dergelijk onderscheid geminimaliseerd of tenietgedaan wordt, is het belangrijk om in naam van een democratische definitie van politieke vertegenwoordiging en van de politieke verantwoordelijkheid van de vertegenwoordigers op dit onderscheid te blijven wijzen. De politieke belangen van diegenen die het politieke spel beheersen zijn verbonden met de homogeniteit, de uniformiteit en vooral de eenstemmigheid van het electoraat waaraan ze hun macht ontlenen. Dit vormt de basis van de enorme aantrekkingskracht van professionele politici tot cijfers en grafieken. Deze slagen er op papier (of op het beeldscherm) immers moeiteloos in om datgene te bewerkstelligen wat politieke actoren in de realiteit vaak voor aanzienlijke problemen stelt, namelijk hoe de interne breuklijnen (en de ongelijkheden die deze breuklijnen funderen) in elk electoraat te camoufleren en de eigen achterban voor te stellen als een homogeen blok dat gekenmerkt wordt door één stem, één overtuiging en één mening die altijd ‘politiek’ is?

Om het politieke gebruik van cijfers en diagrammen van hun vanzelfsprekende karakter te ontdoen, volstaat het vaak om hun verdrongen geschiedenis te reconstrueren, zoals de historicus Michel Offerlé deed voor de opkomst van het Franse socialisme aan het einde van de 19e eeuw. Hij toont aan hoe gretig de socialistische pioniers gebruikmaakten van de symbolische werkingskracht van deze voorstellingswijzen om het geloof in het bestaan van een afgelijnde en eenduidige ‘socialistische familie’ te creëren en daardoor ook hun eigen bestaansrecht als politieke vertegenwoordigers te legitimeren. Het is dit vermogen van cijfers en grafische symbolen om te homogeniseren en te politiseren (lees: ‘met politieke betekenis bekleden’) die de kern vormt van hun symbolische kracht en hun tegelijkertijd tot een inherent ondemocratische voorstellingswijze maakt. Politieke categorieën (de liberale achterban, de socialistische familie, de tegenstanders van abortus,…) zijn geen transhistorische werkelijkheden die voor eens en voor altijd vastliggen, maar danken hun bestaan aan een ononderbroken en intensieve inspanning om het geloof in hun realiteitsgehalte in stand te houden. Een inspanning die in onze samenleving toekomt aan de instellingen die zich op professionele wijze inlaten met de politieke vertegenwoordiging. Politieke vertegenwoordiging is dan ook het spel par excéllence waar, om Wittgenstein te parafraseren, constant ‘van het substantief naar de substantie’ wordt afgegleden, van het woord naar het ding, van de politieke groep in het vertoog van de politicus naar de welomlijnde politieke groep in de werkelijkheid. Een dergelijke symbolische transformatie is in veel gevallen slechts mogelijk door tegenstellingen te nivelleren, verschillen te homogeniseren en alle meningen (verbaal artefact én gefundeerde opinie) één uniforme politieke betekenis toe te kennen. Dit staat in veel gevallen haaks op de belangen van de burgers en vooral diegenen die zich in de sociale marge bevinden, die er juist alle belang bij hebben dat hun onderdrukte maatschappelijke positie als dusdanig wordt erkend maar al te vaak de instrumenten missen om deze belangen op een legitiem politieke manier te verwoorden. En die niet willen worden samen gegooid met diegenen die wel over de middelen beschikken om een gefundeerde opinie te formuleren.

Een hopeloze liefde

De Griekse mythologie reikt ons het verhaal aan over de hopeloze liefde van de nimf Echo voor de zelfbezeten Narcissus. Vervloekt door de godin Hera om nooit meer het eerste woord te hebben, is Echo veroordeeld om steeds andermans laatste woorden te herhalen en gedwongen te communiceren in een taal die niet de hare is. Ze slaagt er dan ook niet in om haar liefde duidelijk te maken aan de jonge Narcissus die gevangen zit in een constante ode aan zichzelf. Doordat ze zijn zelfingenomen lofbetuigingen verwart met liefdesverklaringen aan haar adres, blijft haar liefde onbeantwoord en kwijnt ze ongelukkig weg. Meer dan ooit lijkt deze mythe een treffende illustratie van de getechnocratiseerde vorm van politieke communicatie in onze samenleving. Aan de ene zijde treffen we de politici en de media aan, professionele producenten van het politieke vertoog, die zich het monopolie toe-eigenen om te definiëren wat in een samenleving als politiek zeg- en denkbaar geldt, wat op de publieke agenda hoort en wat niet. De ideologische producten die ze aan de man brengen, worden daarbij hoe langer, hoe meer getekend door de onderlinge concurrentie om het grootste aandeel van de kiezersmarkt. Dit resulteert in politieke vertogen die door steeds sterker geëufemiseerde verschillen van mekaar gescheiden worden. Aan de andere kant treffen we burgers aan die door de toenemende concentratie van de politieke productiemiddelen (permanente instellingen, studiediensten, mediaspecialisten,…) in de handen van professionelen, hoe langer, hoe meer onteigend worden van de middelen die het mogelijk maken om een politieke mening te produceren die als zodanig herkend en erkend wordt. Burgers die op een legitieme manier aan het publieke debat willen deelnemen, moeten daarbij steeds meer in de taal van de politieke professionelen spreken. Deze onteigening stelt zich echter het scherpst voor de in sociaal en cultureel opzicht meest benadeelde leden van de samenleving. Uitgesloten van de middelen en vooral de taal die het mogelijk maakt zich het discours van hun vertegenwoordigers op zinvolle wijze toe te eigenen, zijn ze uitgeleverd aan de meest autoritaire en antidemocratische tendens die potentieel in elke relatie van politieke delegatie zit ingebed. Deze maakt dat politieke vertegenwoordigers minder voor, maar meer in de plaats van hun achterban spreken volgens een logica die meer wegheeft van ‘buikspreken’ dan van integere democratische representatie.

Door de verregaande technocratisering van het politieke spel daalt er een scherm van pseudo-geleerde kennis en concepten neer tussen burgers en politiek, dat maakt dat de eersten zich niet meer herkennen in het beeld dat er van hun eigen problemen en beslommeringen geschetst wordt en dat de laatsten, gevangen door een corps van experts en specialisten, een vertekend beeld krijgen van diegenen in wiens naam ze geacht worden te besturen. Willen intellectuelen in de wereld van morgen een progressief tegengewicht blijven vormen, dan mag hun taak zich niet enkel beperken tot het aanklagen van de meest expliciete manifestaties van machtsmisbruik, maar dienen ze tevens de symbolische mechanismen te ontmantelen die onder het mom van de democratie de meest autoritaire relaties tussen bestuurders en bestuurden heiligen. Dit des te meer naarmate politieke prestaties gelijkgeschakeld worden met politieke presentaties en naarmate de centrale instellingen van politiek bestuur zich terugtrekken in de ondoorzichtige ivoren toren van een eurocratische bestuurselite.

Allodoxia
Dieter Vandebroeck
2e laureaat Emile Zola-prijs 2006

Samenleving en politiek, Jaargang 13, 2006, nr.3  Bijlage (maart), pagina 10 tot 20

Literatuur
- Bourdieu  Pierre (1969),  L’opinion publique n’existe pas. In: Questions de sociologie, Parijs, Minuit, pp. 222-235
- Gaxie Daniel (1978), Le sens caché. Inégalités culturelles et ségrégation politique, Parijs, Seuil, 268 p.
- Offerlé Michel (1988), Le nombre de voix. Electeurs, partis et électorat socialistes à la fin du 19e siècle en France. Actes de la recherche en sciences socialies, 71-72
- Schumpeter Joseph (1994), Capitalism, socialism and democracy, Londen, Routledge, 437 p.
- Wittgenstein Ludwig (1988),  Philosophical Investigations, Oxford, Blackwell, 250 p.

 

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk