(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

Hedendaags Machiavellisme: de Turkse Prinsen

Schijn…

Iedereen kent het verhaal van Turkije en de Europese Unie. De kwestie komt regelmatig aan bod in de media en zowat iedereen heeft er een mening over. Deze meningen lopen vaak sterk uiteen, maar merkwaardig genoeg is dat met de perceptie niet het geval. Veel mensen hebben min of meer hetzelfde beeld van de problematiek, omdat ze de informatie niet zelf hebben verwerkt. De feiten worden op voorhand gefilterd, tot een consistent geheel verwerkt, in een verstaanbare vorm gegoten, en worden ons dan op een dienblaadje aangeboden. De media spelen hier een onvermijdelijke maar tevens bijzonder gevaarlijke rol. De perceptie die we zo ingelepeld krijgen, is niet altijd de beste benadering van de werkelijkheid. In een eerste deel probeer ik het beeld te reconstrueren dat de media ons aanbieden. Het volgende deel biedt een andere kijk op de Turkse toetredingsambities.
De Turken azen al decennialang op EU-lidmaatschap, maar slagen er maar niet in de andere lidstaten te overtuigen. In Europa bestaat er heel wat tegenstand, zodat de kwestie telkens opnieuw op de lange baan wordt geschoven. De beloftes en dreigementen van enkele furieuze Turkse ministers hebben hier nog niets aan kunnen veranderen. Toch geven ze de moed niet op, want de Turkse ambitie heeft diepe wortels. Mustafa Kemal Atatürk, stichter van de Republiek Turkije, droomde er al in 1923 van om tot het rijke Westen te behoren. De Turkse politici zijn deze ambitie steeds blijven nastreven en zijn hier ook gedeeltelijk in geslaagd. Na toetreding tot de NAVO, de Raad van Europa en de OVSE, en het sluiten van associatieovereenkomsten met de EU en de WEU, blijft vooral het volledig lidmaatschap van de EU een grote prioriteit.
Aartsvijand Griekenland strooide lange tijd roet in het eten. De Grieken blokkeerden de lidmaatschapsaanvraag om Turkije tot toegevingen te dwingen inzake de bilaterale conflicten. Die strategie heeft weinig opgeleverd. De Turken hielden het been stijf en de situatie leek uitzichtloos. Uiteindelijk bleek er een natuurramp voor nodig om uit de impasse te geraken. Toen Turkije op 17 augustus 1999 door zware aardbevingen werd getroffen, stuurde Griekenland onmiddellijk reddingswerkers en materiële hulp. De gezamenlijke reddingspogingen kregen in beide landen veel media-aandacht en maakten bij de bevolking gevoelens van sympathie en solidariteit los. Toen Griekenland even later zelf met aardbevingen te kampen kreeg, aarzelde Turkije niet om de schuld af te lossen. De wederzijdse uitingen van vriendschap en medeleven effenden het pad voor een voorzichtige toenadering. De goede verstandhouding tussen de Griekse minister van Buitenlandse Zaken George Papandreou en zijn Turkse collega Ismail Cem speelde hierbij een cruciale rol.
Voorlopig blijft deze ‘aardbevingsdiplomatie’ beperkt tot een aantal voorzichtige akkoorden zoals politionele samenwerking en een geharmoniseerd milieubeleid. Aan de traditionele geschilpunten werd dus nog niet geraakt, maar als blijk van goede wil trok Griekenland intussen wel zijn veto in. Deze beslissing had belangrijke gevolgen voor de Turkse kandidatuur. Het lidmaatschap leek plots binnen handbereik. Of was dat maar schijn? Al snel bleek dat het veto lang als een dekmantel had gefungeerd. De lidstaten hadden de Griekse weigering gebruikt om het debat te ontwijken en de verantwoordelijkheid voor de afwijzing van zich af te schuiven. Toen de politici uiteindelijk kleur moesten bekennen, kwamen er andere bezwaren op tafel.
Het resultaat was dat Turkije officieel kandidaat-lid werd, maar dat er in realiteit weinig veranderde. Op de Top van Helsinki werd in 1999 beslist dat het toetredingsproces “thans 13 kandidaat-lidstaten in één enkel kader omvat”, die “op voet van gelijkheid aan het toetredingsproces deelnemen”. Vier jaar later is Turkije de enige kandidaat die nog geen datum heeft gekregen voor het begin van de onderhandelingen. In Kopenhagen besliste de Europese Raad in 2002 om wederom niets te beslissen. De situatie wordt opnieuw ge-evalueerd in december 2004. Op basis van een “verslag en een aanbeveling van de Commissie” zal men dan bepalen of de toetredingsonderhandelingen van start kunnen gaan. Turkije wist nog wel te bedingen dat de gesprekken in dat geval ‘zonder verwijl’ zullen aanvangen.
De tegenstanders hebben intussen al een andere uitvlucht gevonden. De Europese Raad besliste in 1993 dat elke kandidaat-lidstaat aan een aantal voorwaarden moet voldoen. Deze ‘criteria van Kopenhagen’ omvatten een reeks politieke, economische en praktische vereisten. De onderhandelingen kunnen pas beginnen als aan de politieke criteria is voldaan. Van een toetreding kan pas sprake zijn als alle voorwaarden zijn vervuld. Vermits de Europese Raad herhaaldelijk heeft gewezen op het ‘onomkeerbare karkater’ van het uitbreidingsproces, zullen de sceptici niet snel toestaan dat de onderhandelingen worden geopend. Om deze beslissing te verantwoorden wijzen ze op de gespannen relatie met lidstaat Griekenland. Zolang er geen oplossing komt voor de Cyprus-kwestie en de Egeïsche grensgeschillen, zijn de politieke criteria volgens hen niet vervuld. Een toetreding is dan zo goed als uitgesloten.
VN secretaris-generaal Kofi Annan ondernam vorig jaar nog een ultieme poging om Cyprus te herenigen zodat het eiland onverdeeld tot de EU zou kunnen toetreden. De Europese Commissie eiste toen dat Turkije een actieve bijdrage zou leveren aan het vredesproces. Premier Erdogan deed duidelijk zijn best om een oplossing te vinden, maar kon niet verhinderen dat de onderhandelingen bijzonder stroef verliepen. Om de dreigende impasse te ontwijken stelde Annan voor om de bevolking te laten beslissen in twee afzonderlijke, gelijktijdige referenda. Denktash, leider van de Turkish Republic of Northern Cyprus (TRNC), volhardde echter in zijn weigering. Vermits Annan de schuld voor de mislukking openlijk bij de Turks-Cyprioten heeft gelegd, kreeg ook grote broer Turkije heel wat verwijten te slikken. Vanaf 1 mei 2004 houdt Turkije niet alleen een deel van Cyprus, maar dus ook een deel van de Europese Unie bezet.
Griekenland en Turkije geraken het ook niet eens over de verdeling van de Egeïsche Zee. Deze onenigheid gaf aanleiding tot een reeks geschillen die een grote mate van interdependentie vertonen. Toen de twee landen in 1973 op zoek gingen naar olie, ontstond er al snel een conflict over de afbakening van het continentaal plat. De breedte van de territoriale wateren ligt al even gevoelig. Griekenland wil de 12-zeemijlsregel toepassen, terwijl Turkije het liever bij de huidige 6 zeemijl houdt. Daarnaast vormen ook de breedte van het luchtruim en de militarisering van sommige Griekse eilanden een voortdurende spanningsbron. In Ankara heeft men het regelmatig over een casus belli en de situatie is bij tijden ronduit explosief. Vermits de Europese Unie liever geen problemen importeert, moet Turkije de grensconflicten nog vóór december 2004 aan de jurisdictie van het Internationaal Gerechtshof onderwerpen.

Als we de media mogen geloven, beschikken de Turken over een bewonderenswaardig doorzettingsvermogen. Ondanks de vele teleurstellingen geven ze de moed niet op en blijven ze de voorgestelde hervormingen doorvoeren. Aan heel wat eisen, zoals de bescherming van de mensenrechten, de rechten van de Koerdische minderheid en het terugdringen van de macht van het leger, werd al voldaan. Turkije wordt stilaan een volwaardige Westerse democratie. Daarnaast heeft Turkije van alle niet-lidstaten de sterkste vorm van institutionele integratie met de EU en stelt de associatieovereenkomst van 1963 expliciet het lidmaatschap in het vooruitzicht. De Amerikaanse druk is bovendien aanzienlijk. De Europese Unie kan Turkije eigenlijk moeilijk blijven weigeren, maar ze doet het toch.

…bedriegt

De voorgaande interpretatie lijkt heel aannemelijk, maar vertoont enkele ernstige gebreken. De media hebben een beeld geschapen dat niet altijd even goed aan de werkelijkheid beantwoordt. Een belangrijke assumptie is zelfs ronduit fout. Het Turkse staatsmodel lijkt meer op een militaire dictatuur dan op een Westerse democratie. Het zijn niet de politici maar de militairen die er de macht in handen hebben. Een analyse van het politieke besluitvormingsproces toont duidelijk aan dat de democratisch verkozen regering voor heel wat beslissingen afhankelijk blijft van de goedkeuring van de legertop. De militaire bevelhebbers geven de grenzen aan waarbinnen de politici kunnen ageren, en niet omgekeerd.
Dit leger beschouwt zichzelf als hoeder van het Turkse staatsmodel. De generaals deinzen er ook niet voor terug om in te grijpen als hun principes in gevaar komen. Ze hebben sinds het ontstaan van de republiek al vier ‘interventies’ uitgevoerd. In 1960 leidde een staatsgreep tot de val van de autoritaire premier Menderes en tot het opstellen van een nieuwe grondwet. Door de macht van de meerderheidspartijen te beperken hoopten de militairen een nieuwe crisissituatie te voorkomen. De ingreep van 1971 nam de vorm aan van een memorandum. De legerleiding vond het aftreden van premier Demirel noodzakelijk om het Turkse staatsmodel te kunnen herstellen.
In 1980 namen de militairen opnieuw openlijk de macht over. De oliecrisis van 1974 had tot zware economische moeilijkheden geleid en tevens een politieke impasse veroorzaakt. Generaal Kenan Evren herstelde de orde en de militairen stelden voor de tweede keer een nieuwe grondwet op. Derde keer, goede keer. In 1997 vaardigde de Nationale Veiligheidsraad achttien ‘aanbevelingen’ uit. De maatregelen waren bedoeld om het islamitisch fundamentalisme te ontmoedigen en het seculiere karakter van de republiek te beschermen. Toen premier Erbakan deze aanbevelingen weigerde uit te voeren werd hij gedwongen ontslag te nemen. Als leider van de - islamitische - Refah Partisi of Welvaartspartij, verloor de man liever zijn functie dan zijn geloofwaardigheid.
Ondanks deze verregaande inmenging hebben de militairen nooit een permanente machtsovername geambieerd. Na een ingreep ruimde het leger steeds plaats voor een nieuwe burgerregering, om zo de public relations met het buitenland niet nodeloos te bezwaren. De Westerse belastingsbetaler ziet zijn geld liever niet in de zakken van buitenlandse dictators belanden. Een openlijke dictatuur zou de stroom aan Amerikaanse wapenleveringen en Europese financiële steun snel doen opdrogen. Bovendien zou de Koerdisch-islamitische oppositie het als een bekentenis en dus ook als een legitimatie van hun strijd beschouwen. Reden genoeg dus om een toneelstukje op te voeren. Het leidt immers geen twijfel dat de Turkse militairen - net zoals de Iraanse ayatollahs - de touwtjes stevig in handen hebben.
Voor het uitoefenen van haar macht maakt de legerleiding voornamelijk gebruik van de Milli Güvenlik Kurulu of Nationale Veiligheidsraad. De MGK bestaat uit tien leden en is paritair samengesteld uit militairen en politici. Onder haar leden tellen we de chef van de Generale Staf, de bevelhebbers van de landmacht, luchtmacht, marine en gendarmerie, de president, de premier en de ministers van Defensie, Buitenlandse Zaken en Binnenlandse Zaken. Officieel vormt het een adviserend orgaan, maar de beslissingen worden door de legerleiding wel degelijk als bindend beschouwd. Volgens artikel 118 van de grondwet is deze Veiligheidsraad bevoegd voor alles wat de ‘integriteit en de ondeelbaarheid van het land en de vrede en veiligheid in de samenleving’ betreft. In de praktijk wordt deze omschrijving zeer ruim geïnterpreteerd.
Onder druk van de Europese Unie werd de pariteit intussen opgeheven. De samenstelling van de MGK werd aangepast zodat de militairen voortaan een minderheid vormen. In de praktijk ressorteert deze hervorming - net zoals vele andere Europees geïnspireerde pogingen - echter weinig effect. Zolang de legerleiding de ministers in haar macht heeft, maakt de precieze samenstelling van de Veiligheidsraad natuurlijk weinig uit. De legertop beschikt ook over heel wat privileges. Zo hebben de generaals een grote invloed op het rechtssysteem en stellen ze éénzijdig het defensiebudget op. Officieel luidt het dat al deze politieke macht noodzakelijk is om de Turkse way of life te kunnen verdedigen. Politici zouden hier niet altijd even goed toe in staat zijn.
Het leger heeft via haar holdings ook een groot deel van de Turkse economie in handen. De OYAK-holding bestaat uit 30 ondernemingen, stelt zowat 30.000 mensen te werk en behaalde in 2000 een geconsolideerde jaarwinst van $ 350 miljoen. De zusteronderneming TSKGV is iets kleiner dan OYAK en is specifiek gericht op wapenproductie. Beide holdings genieten verregaande fiscale privileges, wat door andere bedrijven terecht als oneerlijke concurrentie wordt aangezien.
Gepensioneerde officieren krijgen vaak een bestuurszetel aangeboden in privéondernemingen. Zo is een hechte band met de huidige legerleiding verzekerd. Vermits er weinig tot geen democratische controle is op het defensiebudget, kan het ‘Militair Industrieel Complex’ ongehinderd zijn gang gaan. Turkije geeft bijgevolg een indrukwekkende 4,5% van zijn BBP uit aan landsverdediging, en dat zijn enkel de officiële cijfers. De militairen onderhouden bovendien nauwe banden met machtige industriëlen zoals Taskent en de families Koç en Sabanci. Het leger heeft dus zowel direct als indirect een sterke greep op de Turkse economie. Deze combinatie van politieke, militaire en economische macht maakt de positie van de militairen vrijwel onaantastbaar.

De nadelen van het lidmaatschap

Mustafa Kemal Atatürk - stichter van het kemalisme en zelf een militair - baseerde zijn prille republiek op zes principes. Het leger draagt de waarden nationalisme, secularisme, republicanisme, populisme, revolutionisme en etatisme sindsdien hoog in het vaandel. Voor waarden als democratie en liberalisme is er in het kemalistisch staatsmodel nog steeds geen plaats. Waarom immers democratie nastreven als de stichter het zelf niet deed?
Atatürk was er vast van overtuigd dat de toekomst van Turkije in Europa lag. De nieuwe staatsstructuur moest zijn land helpen om aansluiting te zoeken bij het Westen. De Franse Jacobijnse eenheidsstaat diende als voorbeeld. Ironisch genoeg vormt dit kemalistisch staatsmodel nu de voornaamste hinderpaal voor het EU-lidmaatschap. De Europese Unie is inmiddels verder geëvolueerd en hamert steeds vuriger op het belang van democratische beginselen en instituties. Het leger moet dus een keuze maken. Als de militairen trouw blijven aan het uiteindelijke doel, moeten ze ook bereid zijn daarvoor de nodige offers te brengen. Als de legerleiding de kemalistische principes anderzijds als dogma’s blijft benaderen, kan er van hervormingen geen sprake zijn. Een toetreding tot het Europese Experiment is dan a priori uitgesloten.
De keuze werd al lang geleden gemaakt. Naast een ideologische discussie gaat het hier immers ook over de plaats van de militairen binnen de Turkse staat. Vermits zij nu reeds alle macht in handen hebben, tast elke vorm van verandering of hervorming noodzakelijkerwijze hun machtspositie aan. Europarlementsleden Gérard Deprez, Nelly Maes en Anne Van Lancker bevestigen dat de EU-lidstaten zich goed bewust zijn van de huidige politieke macht van de legerleiding. Het reeds verdeelde Europa zal dit nooit dulden. Op dit punt sluiten zelfs politici geen compromissen meer. Naar Europese traditie zou het leger enkel bevoegd worden voor de uitvoering van het beleid en zou het alle inspraak in het besluitvormingsproces verliezen. Een Europeser Turkije impliceert dus een machteloos leger.
De legerleiding zou ook haar economische macht verliezen. Volgens het Europees mededingingsbeleid maken de holdings zich momenteel schuldig aan kartelvorming en ongeoorloofde staatssteun. De Commissie zou na de toetreding onmiddellijk werk maken van een grondige herstructurering en liberalisering van het Turkse economische landschap. Bovendien zou het Militair Industrieel Complex aan banden worden gelegd, wat voor de deelnemers letterlijk een streep door hun rekening zou impliceren.
In tegenstelling tot de NAVO biedt de Europese Alliantie geen militaire of strategische voordelen. De gedwongen democratisering zou de grootste vijanden van het kemalisme juist vrij spel geven. Als de Koerdische en islamitische eisen worden vervuld, betekent dit een regelrechte nederlaag voor de militairen. Deze krachten streven immers het einde van de seculiere Turkse eenheidsstaat na. Dit verklaart ook de ietwat contradictorische vaststelling dat de islamitische partijen veelal voorstander zijn van een toetreding tot de Europese ‘katholieke club’.
Macht geef je niet af. Slechts weinigen durven het aan om vrijwillig cold turkey te gaan. Een recente uitspraak van generaal Tuncer Kilinç bewijst dat deze wetmatigheid ook op de Turkse legerleiding van toepassing is. De secretaris-generaal van de Nationale Veiligheidsraad verklaarde dat “EU-lidmaatschap niet noodzakelijk positief is” omdat “de EU geen oog heeft voor onze nationale belangen”. Vermits de militairen zich met de kemalistische staat vereenzelvigen, kunnen we hier gerust de ‘belangen van het leger’ onder verstaan.
De militairen zullen een toetreding dus nooit ernstig willen overwegen. Toch wordt het debat rond de Turkse kandidatuur al te vaak gereduceerd tot speculaties. Is Turkije wel klaar voor een westerse democratie? Zal de bevolking niet op een democratische wijze voor een grotere islamitische invloed kiezen? Is de seculiere civil society sterk genoeg om de democratie te garanderen? Deze vragen vat ik graag samen onder de titel ‘democratiseringsparadox’. Het zijn vragen die wel zinvol zijn, maar niet aan de essentie raken. Als we uitgaan van de hierboven geschetste context, heeft dat debat nog geen zin. Zolang er geen sprake is van een democratisering, kan er immers ook geen paradox zijn.

De Cyprus-kwestie revisited

Deze conclusie verklaart ook waarom de Turks-Cyprioten het plan-Annan van de hand wezen. Het zou al te kortzichtig zijn om alle schuld bij Denktash te leggen. Zonder de militaire, politieke en financiële steun van Turkije, zou de TRNC onmogelijk kunnen overleven. Net als Europees Commissaris Günter Verheugen ben ik er daarom van overtuigd dat de Turks-Cypriotische leider enkel de bevelen opvolgt die zijn Turkse broodheren hem opleggen. Denktash is slechts een pion op het Grieks-Turkse schaakbord. De beslissing was bovendien duidelijk gebaseerd op Turkse belangen. Als men in Ankara echt oog zou hebben voor het welzijn van de Turks-Cypriotische ‘medeburgers’, was men zeker tot een andere conclusie gekomen.
Wie zijn deze Turkse broodheren dan? Volgens Verheugen is er geen reden om aan de oprechtheid van de politici te twijfelen. De Commissaris is ervan overtuigd dat de meeste van hen echt tot een akkoord willen komen, om zo de Turkse kansen op EU-lidmaatschap te vergroten. De generaals denken er echter helemaal anders over. Cyprus is voor het leger nog steeds van groot strategisch belang. Helaas zijn het ook deze militairen die het voor het zeggen hebben. De Cyprus-kwestie valt immers onder de bevoegdheid van de Nationale Veiligheidsraad, omdat het thema onmiskenbaar de ‘integriteit en de ondeelbaarheid van het land en de vrede en veiligheid in de samenleving’ aanbelangt.
Uit de weigering kunnen we opmaken dat de Turkse legerleiding de Cypriotische status-quo wil behouden. De verklaring ligt voor de hand. Officieel luidt het dat de 35.000 Turkse soldaten in Noord-Cyprus noodzakelijk zijn om de vrede op het eiland te garanderen en de Turks-Cyprioten te beschermen. Bij een hereniging zouden deze troepen overbodig worden. Als de militairen oprecht bezorgd waren om het welzijn van de Turks-Cyprioten, zouden ze deze evolutie alleen maar kunnen toejuichen. Maar Turkije draagt de enorme financiële kost van zijn militaire aanwezigheid natuurlijk niet uit altruïsme. De legertop gebruikt de bezorgdheid om haar ‘medeburgers’ graag om haar eigen acties te legitimeren. En de militairen hebben wel degelijk belang bij een verdeeld Cyprus.
Zo is Cyprus de enige plaats waar het Turkse leger Griekenland kan raken. Door de militarisering van sommige Egeïsche eilanden beschikt Griekenland duidelijk over een offensief voordeel. De Griekse luchtmacht kan vanaf deze eilanden heel snel en heel ver in Anatolië doordringen. De Turkse luchtmacht heeft daarentegen veel meer tijd nodig om het Griekse vasteland te bereiken. De Turkse militaire aanwezigheid in Noord-Cyprus moet het strategisch evenwicht helpen herstellen en vormt dus een duidelijke waarschuwing aan het adres van de Griekse regering. Vandaar ook de Griekse en Grieks-Cypriotische eis tot volledige demilitarisering. Omwille van de geografische ligging is het eiland natuurlijk ook vanuit defensief standpunt van groot belang.
De theorie dat Turkije Cyprus achter de hand houdt om de Europese Unie onder druk te kunnen zetten, lijkt mij dus onzin. Het leger heeft haar strategische belangen niet laten primeren op een mogelijke toetreding. De Generale Staf heeft zelfs nooit een afweging moeten maken. Door de verdeeldheid te bestendigen slaan ze immers twee vliegen in één klap. Zolang de TRNC bestaat, kan het Turkse leger Noord-Cyprus als een militair bastion gebruiken. De Europese toegangspoort blijft bovendien hermetisch gesloten, zonder dat de militairen hun ware gelaat hoeven te tonen.

De Egeïsche grensgeschillen

Natuurlijk zijn er ook aan het andere Grieks-Turkse twistpunt grote strategische belangen verbonden. Anders hadden de twee buurlanden er nooit zo’n ruzie om gemaakt. Zo blijft de militarisering van de Griekse eilanden Lesbos, Chios, Samos, Ikaria, Limnos en Samothracië in Ankara heel wat hoofdpijn veroorzaken. De geplande uitbreiding van de territoriale wateren ligt er al even gevoelig. De 12-zeemijlsregel zou de internationale wateren sterk doen krimpen en Turkije zo gedeeltelijk van het recht op vrije doorvaart beroven. Turkse schepen zouden op sommige plaatsen door Griekse territoriale wateren moeten varen. Dit geeft Griekenland de macht om éénzijdig te bepalen wie de Egeïsche Zee mag bevaren. Voor Turkije is dit ‘Grieks meer’-scenario natuurlijk onaanvaardbaar.
Vermits het hier duidelijk om het Turkse ‘nationale belang’ gaat, werd ook deze beslissing in de Nationale Veiligheidsraad genomen. De generaals nemen omwille van de gepercipieerde Griekse bedreiging een zeer agressieve houding aan. De casus belli-verklaring en de dagelijkse schendingen van het Griekse luchtruim spreken voor zich. Deze schendingen beperken zich bovendien niet tot de betwiste zone. De Turkse gevechtspiloten durven ook wel eens over Griekse eilanden te vliegen om zo ‘schaduwgevechten’ uit te lokken met hun Griekse collega’s.
Turkije maakt ook steeds meer aanspraken, terwijl deze aanspraken steeds minder gegrond lijken. De Imia/Kardak-crisis is het meest recente voorbeeld van deze evolutie. Dit onbewoond rotseiland behoort tot de Dodakanesos eilanden, die Italië in 1947 aan Griekenland afstond. In 1996 besloot de Turkse minister van Buitenlandse Zaken Tansu Çiller plots de soevereiniteit over het eiland op te eisen. De Turkse argumentatie was echter vrij zwak. Bovendien schaarden zowel Italië als het Europees Parlement zich achter het Griekse standpunt. Toen Çiller haar aanspraak in 1997 introk, was het kwaad al geschied en was het wederzijdse wantrouwen nog toegenomen.
Omwille van dit wantrouwen hebben Griekenland en de Europese Unie weinig vertrouwen in een politieke oplossing voor de grensgeschillen. De hele aardbevingsdiplomatie heeft hier weinig aan veranderd. Een juridische oplossing is echter al even onwaarschijnlijk. De legertop weet dat de Turkse positie vrij zwak is en kan het zich niet veroorloven de geschillen met Griekenland te verliezen. Als het Internationaal Gerechtshof Griekenland gelijk geeft, zal Turkije bij het handhaven van de huidige positie met veel internationale druk geconfronteerd worden. Zolang het Hof geen duidelijkheid schept, kan Turkije van de ambigue situatie gebruik maken om de Turkse aanspraken te legitimeren. De generaals zullen daarom niet toestaan dat de grensgeschillen aan het Internationaal Gerechtshof worden voorgelegd.
En zo is de cirkel rond. De militairen weigeren een juridische regeling omdat ze naar eigen zeggen voorstander zijn van een politieke oplossing. Door hun agressief gedrag maken ze die politieke oplossing echter bij voorbaat onmogelijk. Zo slaat het leger opnieuw twee vliegen in één klap. De Egeïsche Zee wordt voorlopig geen ‘Grieks meer’ en de lidmaatschapskwestie blijft comfortabel veraf. Om aan de toetredingscriteria te voldoen zou Turkije de grensgeschillen immers nog vóór december 2004 aan de jurisdictie van het Hof onderwerpen.

De interne machtsstrijd: politici vs militairen

Het leger wil wel bij Europa, maar niet bij de Europese Unie. Zoveel is duidelijk. Waarom doen ze dan alsof? Waarom trekken de militairen de toetredingsaanvraag niet in? En waarom hebben ze in 1959 met die aanvraag ingestemd? Ze hadden zichzelf heel wat zorgen kunnen besparen. Het antwoord ligt voor de hand: toen Turkije het EEG-lidmaatschap aanvroeg, bestonden de criteria van Kopenhagen nog niet en waren de Europese eisen veel minder stringent. Ondertussen is de Unie verder geëvolueerd en heeft de Europese Commissie het plots over politieke toetredingscriteria en ingrijpende democratische hervormingen. De militairen ergeren zich blauw aan de toenemende Europese ‘bemoeizucht’, maar kunnen het toetredingsproces niet éénzijdig stopzetten zonder openlijk hun macht te tonen.
Als de militairen de aanvraag intrekken, beginnen hun voornaamste concurrenten ongetwijfeld moord en brand te schreeuwen. Vele Turkse politici stellen de democratische initiatieven en de behulpzaamheid van Europees Commissaris Verheugen juist erg op prijs. EU-lidmaatschap brengt voor hen mooie carrièremogelijkheden met zich mee. Als Turkije ooit tot de Unie toetreedt, ontstaat er in hun land een machtsvacuüm dat deze politici maar al te graag opvullen. In tegenstelling tot heel wat schrijvers en journalisten ben ik er daarom van overtuigd dat de hele aardbevingsdiplomatie geenszins het gevolg was van een spontane verbroedering tussen twee volkeren. Een betere Grieks-Turkse verstandhouding is immers een conditio sine qua non voor een Turkse toetreding.
Turgut Özal en zijn Griekse collega Andreas Papandreou hadden in 1988 al eens geprobeerd een soortgelijke toenadering op gang te brengen. Ismail Cem had in de zoon van deze Griekse politicus opnieuw een gelijkgestemde ziel gevonden. De bewapeningswedloop met Turkije kost de Griekse regering namelijk handenvol geld. Geld dat de socialistische PASOK-regering veel liever aan sociale voorzieningen zoals onderwijs en gezondheidszorg zou uitgeven. De hele aardbevingsdiplomatie was dus een perfect georchestreerde politieke zet. Door de grote media-aandacht wisten Cem en Papandreou de publieke opinie te beïnvloeden en zo het draagvlak voor hun Europese plannen te vergroten.
Voor buitenstaanders is de verleiding vaak groot om blindelings de kant van deze politici te kiezen. Enige voorzichtigheid is echter geboden. Voor vele Turken is de titel ‘politicus’ bijna synoniem aan termen als ‘machtsmisbruik’, ‘corruptie’ en ‘incompetentie’. De beschuldiging is bovendien veelal terecht. Een groot deel van de bevolking heeft daarom meer vertrouwen in de militairen dan in de verkozen regering. Ondanks deze ontnuchterende vaststelling mogen we de politici ook niet al te snel veroordelen. Net zoals een prille democratie nog moet rijpen, moeten ook haar hoofdrolspelers nog de kans krijgen zichzelf te ontwikkelen.
Deze volksvertegenwoordigers zullen allicht meer naar hun kiezers en minder naar hun militaire adviseurs luisteren dan de generaals. Als we de filosoof Immanuel Kant mogen geloven, zou dit op termijn tot een ontspannen relatie met Griekenland moeten leiden. Volgens zijn theorie van de ‘Eeuwige Vrede’ voeren democratische republieken enkel oorlog met niet-democratische landen en zullen ze nooit tegen elkaar ten strijde trekken. Democratieën steunen immers op vergelijkbare structuren en instituties en streven dezelfde fundamentele morele waarden na. Zo ontstaat er al snel een vertrouwensrelatie. Bovendien beschikken deze landen over een traditie van vreedzame geschillenbeslechting die ze vaak doortrekken naar hun buitenlands beleid. Om de Grieks-Turkse geschillen op te lossen, moet de Republiek Turkije dus een echte democratie worden. De aardbevingsdiplomatie van Cem en Papandreou bewijst dat politici het inderdaad wél eens kunnen worden.
Zonder de Europese Unie maakt de droom van een democratisch Turkije echter weinig kans. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de militairen hun macht niet vrijwillig zullen afstaan. De Turkse politici hebben dus hulp nodig. De Europese Unie reageert echter verdeeld omdat er in haar midden heel wat tegenstand blijkt te bestaan. Deze tegenstand is al te vaak gestoeld op racistische motieven en leidt ertoe dat men de Turkse kandidatuur als een zeer gevoelige materie behandelt. De Europese Commissie is daarom extra voorzichtig bij de beoordeling. Commissaris Verheugen heeft onlangs zelf nog benadrukt dat aan alle politieke criteria moet zijn voldaan en dat hij “geen millimeter” van deze positie zou afwijken.
Deze tegenstanders beseffen blijkbaar niet dat hun weigering belangrijke gevolgen heeft voor de kandidaat-lidstaat. Met hun wantrouwige houding veroordelen ze het Turkse volk in feite tot een levenslange dictatuur. De redenering gaat als volgt. Zolang het leger haar macht behoudt, zullen de geschillen met Griekenland blijven bestaan. Als de Europese Unie haar eisen niet afzwakt, kan Turkije dus onmogelijk toetreden. Zonder hoop op een mogelijke toetreding zullen de Turkse generaals er weinig moeite mee hebben om de democratische krachten monddood te maken. Ze hoeven hun veto dan niet eens te gebruiken en kunnen zich achter dezelfde politieke criteria verschuilen als de weigerachtige EU-lidstaten. Zolang de geschillen blijven bestaan, hebben de militairen niets te vrezen. Zonder het zelf te beseffen reikt de EU hen een dekmantel aan voor hun dictatoriale praktijken.
Of beseffen de Europese politici dit maar al te goed? Is het zo vergezocht om te denken dat sommige EU-lidstaten misschien helemaal geen democratisch Turkije willen? Naast de gangbare egoïstische motieven, speelt vast ook het veiligheidsthema een rol. Turkije is momenteel een trouwe NAVO-bondgenoot aan de buitengrens van de Europese Unie. Een militair bastion dat Europa scheidt van het woelige Midden-Oosten. De militairen staan bovendien aan dezelfde kant in de strijd tegen het islamitisch fundamentalisme. Als Turkije een democratie wordt, zou hier wel eens snel verandering in kunnen komen. En wie wil er zo’n bondgenoot nu verliezen?
We kunnen die bedenking ook maken voor de Verenigde Staten. Ondanks hun vele steunbetuigingen is het twijfelachtig of de VS echt voorstander zijn van een Turkse toetreding. Naast de generaals zijn er weinig Turken die sympathie kunnen opbrengen voor de Israëlische bondgenoot. Het Amerikaanse ‘imperialisme’ zal beslist voor spanningen zorgen met de Turkse regering. Zeker als deze politici overtuigde soennieten blijken te zijn. President Bush zou één van zijn belangrijkste NAVO-bondgenoten kunnen verliezen. Om nog maar te zwijgen van steun voor zijn ‘war on terror’-campaign. De Amerikanen hebben er dus hoegenaamd geen belang bij dat er op politiek vlak iets verandert. De beloofde steun is waarschijnlijk enkel bedoeld als een lippendienst aan de Turkse politici. Het leger heeft naast haar binnenlandse machtspositie dus ook machtige vrienden.
Over het buitenlands beleid van de Verenigde Staten hebben we natuurlijk weinig te zeggen, maar dat van Europa bepalen we zelf. En daar moeten we consequent in zijn. Als de Europese Unie echt een democratische unie wil zijn, moet ze die waarden ook uitdragen. Dictators steunen lijkt mij dan geen optie. Als we toch zoveel geld in Turkije pompen, laat dat belastingsgeld dan goed gebruikt worden. Zorg ervoor dat het Turkse volk er beter van wordt. Dat de Turken hun eigen land kunnen besturen. De Europese hervormingspakketten zijn zeker een stap in de goede richting, maar het is nog veel belangrijker dat we de deur op een kier houden. Zonder hoop zal er in Turkije niet snel iets veranderen.

Nicollo
Nikolaas ROSSILLION
1e laureaat Emile Zola-prijs, editie 2004

Samenleving en politiek, Jaargang 11, 2004, nr.3 - Bijlage (maart), pagina 2 tot 12

Bibliografie

Interviews/Lezingen
- DEPREZ, G. (26/02/2003), Europarlementslid, ondervoorzitter van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije, ‘De toetreding van Turkije’, interview afgenomen te Brussel van 15.00 tot 15.45u.
- LATOUDIS, I. (31/04/2003), Adviseur van KATIFORIS, G., lid van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije, ‘De Grieks-Turkse relaties’, interview afgenomen te Brussel van 12.30 tot 13.50u.
- MAES, N. (28/02/2003), Europarlementslid, plaatsvervangend lid van de Commissie Buitenlandse Zaken, ‘Europa en de toetreding van Turkije’, interview afgenomen te Sinaai van 11.00 tot 12.00u.
- SÖRENSEN, P. (21/02/2003), Europarlementslid, voormalig lid van de Commissie Buitenlandse Zaken, ‘De toetreding van Turkije’, interview afgenomen te Antwerpen van 14.00 tot 14.45u.
- VAN LANCKER, A. (14/03/2003), Europarlementslid, plaatsvervangend lid van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Turkije, ‘Cyprus en de Toetreding van Turkije’, interview afgenomen te Gent van 15.50 tot 16.30u.

Lezingen/Voordrachten
- AVGOUSTIDIS, A. (22/4/2003), Persattaché van de Griekse ambassade, ‘Het Griekse EU-voorzitterschap’, lezing gegeven te Wilrijk van 14.00u tot 16.00u.
- GAZIOGLU, A. (26/05/2003), Adviseur van DENKTASH, R. R., president van de TRNC, ‘Cyprus’, lezing gegeven te Wilrijk van 16.00 tot 18.00u.
- VERHEUGEN, G. (02/04/2003), Europees Commissaris verantwoordelijk voor de uitbreiding, ‘The Enlargement and the Future of Europe’, lezing gegeven te Antwerpen van 21.00 tot 21.45u.

Boeken
- ATHANASOPULOS, H. (2001), ‘Greece, Turkey and the Aegean Sea’, North Carolina: McFarland, 194 p.
- ATTALIDES, M (1979), ‘Cyprus: Nationalism and International Politics’, Edinburgh: Q Press Ltd., 226 p.
- BOSSUYT, M. (2000), ‘Volkenrecht en Volkenrechtelijke instellingen’, Wilrijk, 246 p.
- DENKTASH, R. R. (1988), ‘The Cyprus Triangle’, London: K. Rustem & Brother, 419 p.
- KERIDES, D. en D. TRIANTAPHYLLOU (eds.) (2001), ‘Greek-Turkish Relations in the Era of Globalization’, Herndon: Brassey’s, 283 p.
- KRAMER, H. (1999), ‘A Changing Turkey: the challenge to Europe and the United States’, Washington D.C.: Brookings Institution, 304 p.
- ROCHTUS, D., DE VYLDER, G. en V. YUKSEL (eds.) (2002), ‘Turkije: springstof voor de Europese Unie?’, Antwerpen: Garant, 208 p.

Kranten en tijdschriften
Internationale Spectator
Le Monde Diplomatique
The Economist
De Standaard
NRC Handelsblad
The Independent
EU Observer
Financieel Economische Tijd

Turkije - Europa - uitbreiding EU 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk