(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

De paradoxale houding van de EU tegenover de Turkse kandidatuur

Inleiding

De invulling van een collectieve Europese identiteit vormt geen vanzelfsprekende of vrijblijvende oefening. De facto kan men vaststellen dat de Europese identiteit slingert tussen vervreemdend instrumentalisme en romantisch (supra)nationalisme. Enerzijds wordt de Europese integratiegeschiedenis gekenmerkt door de pragmatische stelling “We zien wel waar we uitkomen”. Dit leitmotiv heeft er mede toe geleid dat de dagdagelijkse Europese politiek verschraald is tot bestuurlijk beleid, tot een technische zaak. In de perceptie van de burger die het Europese politieke bedrijf gadeslaat, domineert vaak het beeld van een Europa dat voornamelijk regelt hoeveel en welke vissen in welke waters mogen zwemmen. De Europese Unie verliest zodoende als vanzelfsprekend haar wervende kracht en de burgers vervreemden van de constructie. Deze problematiek weerspiegelt zich in het marginale Europese identiteitsbesef dat in de verschillende opiniepeilingen tot uiting komt.
Vele Euro-supranationalisten hebben vervolgens het motivationeel cement voor de Europese constructie gezocht in een romantische verheerlijking van een illusoire mythe. Geografische, religieuze en culturele factoren worden dan ingeroepen om een Europees volk te creëren en te koesteren, dat aan elke vorm van politiek-juridische verbondenheid voorafgaat. Deze prepolitieke identiteitsconstructie wordt in deze bijdrage geconcretiseerd en geproblematiseerd aan de hand van de Turkse casestudy. De Turkse kandidatuur illustreert met glans hoe de Europese prepolitieke identiteit in het spanningsveld komt van de uitbreiding van de Unie. Tegenover Turkije profileert de Unie zich al te vaak als een homogene en statische collectiviteit. Het beeld van de Europese Unie als (super)natiestaat dat sommige protagonisten graag ophangen, is minstens ironisch aangezien de oprichting van een Europese Gemeenschap juist gericht was op de eliminatie van de excessen van natiestaten die hun barbaarse climax vonden in de concentratiekampen en gaskamers van het nazisme.

“La Turquie n’est pas un pays européen”

De betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije gaan terug tot in 1963, het jaar waarin een associatie-overeenkomst (‘de overeenkomst van Ankara’) wordt ondertekend. De hoeksteen van deze overeenkomst is de totstandbrenging van de douane-unie in drie fasen. Hoewel de douane-unie nooit volledig geïmplementeerd wordt omwille van Griekse tegenwerking, toch leidt de douane-unie tot een geleidelijke verbetering in de relatie van de EU met Turkije. De toetredingsaanvraag van Turkije vindt plaats in 1987, maar de Commissie brengt in 1989 een negatief advies uit. Turkije moet geduld oefenen. In 1997 besluit de Europese Raad van Luxemburg dat de deur van de Europese Unie ook voor Turkije openstaat. De Europese Raad van Helsinki (december 1999) bevestigt dat Turkije een volwaardige kandidaat-lidstaat is van de EU op voorwaarde dat het land voldoet aan de Kopenhagen-criteria die voor alle landen gelden. Voor Turkije ligt de weg naar Europa dus open. Dat de uitbreiding van de Unie met Turkije echter met gemengde gevoelens gepaard gaat, hoeft geen betoog. Het land heeft sinds 1999 wel het etiket van 'kandidaat-lidstaat', maar de EU startte nog geen toetredingsonderhandelingen met de Turken. Tijdens de top in Kopenhagen (december 2002) besloten de EU-landen eind 2004 na te gaan of Turkije aan de criteria beantwoordt om onderhandelingen te beginnen. Bekende argumenten van tegenstanders van de Turkse kandidatuur zijn de mensenrechten in Turkije, het Koerdisch probleem en de kwestie Cyprus. Maar er is duidelijk meer aan de hand. Verborgen motieven spelen mee. Sinds de overweldigende verkiezingsoverwinning van de islamitische Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (AKP) in november 2002 worden deze motieven echter steeds nadrukkelijker uitgesproken. Zo sprak de voorzitter van de Conventie, Valéry Giscard d’Estaing zich in een interview met de krant Le Monde in november 2002 in niet mis te verstane woorden uit tegen de Turkse kandidatuur: “C’est un pays proche de l’Europe, un pays important qui a une véritable élite, mais ce n’est pas un pays européen. […] Je donne mon opinion, c’est la fin de l’Union européenne”. Het argument dat Turkije als islamitisch land geen plaats heeft in de EU, weerklinkt misschien wel luider na de verkiezingen van november 2002, maar is, zoals gezegd, zeker niet nieuw. Uit de resultaten van de Eurobarometer blijkt dat de uitbreiding van Turkije nooit echt op veel steun van de Europeanen heeft kunnen rekenen. In het Europees Parlement vreest vooral de christendemocratische fractie dat het karakter van de EU door de toetreding van Turkije in cultureel opzicht zal veranderen. Wilfried Martens beklemtoonde als voorzitter van de Europese Volkspartij: “We creëren een Europese Unie. Dit is een Europees project.” De uitbreiding van de Unie komt zo in het spanningsveld van de Europese identiteit.
De Europese identiteit die in dergelijke uitspraken vóórondersteld wordt, is echter doordrongen van contradicties en ambiguïteiten. Turkije is lid van de Raad van Europa en van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Het land neemt deel aan het Eurovisiesongfestival en aan de Europese voetbalcompetities. Maar de Turkse toetreding tot de Europese Unie is problematisch, aangezien de Unie “een Europees project is”. Het debat rond de Turkse kandidatuur (en de ambiguïteit daaromtrent) toont als geen ander de relevantie aan van de vragen naar wat men verstaat onder Europese identiteit en wat men er zou moeten onder verstaan in een tijdperk gekenmerkt door mondialisering en grote migratiestromen. Het is echter geenszins de bedoeling een concreet antwoord te geven op de vraag of Turkije de Europese identiteitstest kan doorstaan. Er worden geen concrete uitspraken gedaan over de vraag of de toetredingsonderhandelingen tussen Turkije en de Europese Unie van start moeten gaan. Centraal staat echter de logica die bij het afnemen van de identiteitstest gehanteerd wordt. De emotionele logica die uitgaat van een mystieke, culturele Europese verbondenheid, resulteert in een depolitisering van het debat over de Turkse kandidatuur en valt te betreuren.

De illusoire Europese mythe

Al vele decennia lang hebben voorstanders van de Europese integratie de creatie van een Europese identiteit als een cruciaal beleidsdoel gezien. Daarbij worden geografische, religieuze, culturele, linguïstische en historische factoren ingeroepen om een Europese demos te creëren en te koesteren. In de confrontatie met Turkije komt deze romantische identiteitsconstructie op schaamteloze wijze de kop opsteken.
Bij een dergelijke identiteitsconstructie moeten evenwel enkele vraagtekens geplaatst worden. In het vijfde punt worden de normatieve bezwaren uiteengezet. In de eerste plaats echter wordt deze identiteitsconstructie op basis van empirische vaststellingen ondergraven. Zo kan men zich allereerst de vraag stellen of men überhaupt kan spreken over een gemeenschappelijke Europese religie, cultuur, geschiedenis, etc. Bestaat er op Europees niveau een bepaalde graad van homogeniteit inzake deze objectieve factoren? Relevanter nog dan de vraag van de etnograaf of bepaalde objectieve elementen een goede voedingsbodem voor een Europese identiteit kunnen vormen, is de vraag of de burgers van Europa geneigd zijn om zich al dan niet op basis van deze elementen als Europese burgers te identificeren. Zullen Europeanen zich op basis van die objectieve kenmerken als verbonden herkennen en erkennen? Identiteit impliceert met andere woorden een subjectief moment: geen identiteit zonder identiteitsbesef. Zowel de objectieve als subjectieve component worden hier achtereenvolgens empirisch onderzocht.

Objectieve component

In dit punt wordt de nadruk gelegd op die factoren, die in het licht van de uitbreiding van de Unie met Turkije, als problematische criteria fungeren. Achtereenvolgens wordt de geografische factor (“Turkije ligt niet in Europa”), de religieuze factor (“Turkije hoort als islamitisch land niet thuis in het christelijke Europa”) en tenslotte de culturele factor (“De toetreding van Turkije zal de Unie in cultureel opzicht veranderen”) onder de loep genomen.
De geografische factor vormt ongetwijfeld een belangrijk criterium in de Europese identiteitstest. Men identificeert zich als Europeaan omdat men in de geografische entiteit ‘Europa’ woont (of eventueel gewoond heeft). De vraag die zich nu opdringt is: "Waar liggen de grenzen van Europa?" en "Ligt Turkije in Europa?". Het antwoord op de vraag naar de grenzen van Europa is onduidelijk. De grenzen van elk ander continent worden bepaald aan de hand van hun kustlijn. Wat Europa betreft, wordt de Zuid-, West- en Noordgrens bepaald door respectievelijk de Middellandse Zee, de Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee. Maar er heerst geen duidelijkheid met betrekking tot de Oostgrens. Strikt genomen kan men zelfs niet spreken van een continent, maar maakt Europa deel uit van het Aziatische continent. Europa wordt dan herleid tot een klein schiereiland van Azië. Nochtans wordt Europa al meer dan 2000 jaar onderscheiden van Azië. De Grieken verdeelden de wereld in drie delen: Azië, Afrika en Europa. De scheiding tussen Europa en Afrika was de Middellandse Zee, tussen Afrika en Azië de Nijl en tussen Europa en Azië de rivier Tanaïs en de Meotides Paludes, thans genaamd de rivier de Don en de Zee van Azov. Die Griekse driedeling van de wereld werd ook opgenomen in de bijbelverklaring, meer bepaald in Genesis 9, vers 18 en volgende. De adaptatie van de Griekse geografie heeft tijdens, maar ook na de middeleeuwen nog lang standgehouden. Dit blijkt althans uit de overgeleverde wereldkaarten. Kortom, hoe gebrekkig de geografische kennis en de cartografische kundigheid ook was, opmerkelijk is in elk geval het besef van Europa als een aparte geografische eenheid. Ondanks dit eeuwenoude besef van Europa als een aparte geografische eenheid, toch bestaat er dus geen consensus over waar Europa eindigt en Azië begint. Conventioneel ontmoet Europa Azië aan de Bosporus. Dit impliceert dat ongeveer vier percent van Turkije in Europa ligt. Moet Turkije vervolgens beschouwd worden als een Europese staat? De moeizame relatie tussen Turkije en de Europese Unie kwam reeds aan bod. De EU kan zich echter niet schuilen achter geografische factoren om Turkije niet toe te laten tot de Unie. Want vragen over de Zuidoostelijke grens van Europa hebben de EU er niet van weerhouden om onderhandelingen aan te gaan met Cyprus dat verder ligt van Brussel dan het grootste deel van Turkije.
De religieuze factor weegt ongetwijfeld het zwaarst door in de Europese identiteitstest waarmee Turkije geconfronteerd wordt. Deze factor staat centraal in het spanningsveld van de Europese identiteit en de uitbreiding van de Unie met Turkije. De Europese identiteit is ondenkbaar zonder het christendom. De Europese beschaving is gefundeerd op christelijke waarden. De redevoeringen en de geschriften van Europese leiders illustreren dit. Deze visie beperkt zich bovendien niet tot leiders van de christendemocratische strekking. Paul-Henri Spaak, een overtuigd atheïst spreekt eveneens over het christelijke Westen. In 1954 hield de Belgische minister van Buitenlandse Zaken de volgende speech voor de Raad van Europa in Straatsburg: “Il y a quelque chose d'autre en Europe que les drapeaux déployés sur les champs couverts de morts; il y a nos cathédrales qui dressent vers un même ciel leur appel vers un même Dieu; il y a nos peuples qui travaillent et qui souffrent, et qui ont les mêmes intérêts et qui cherchent passionnément à la foi la paix et la prospérité qu'il méritent. Est-ce que vous ne vous rendez pas compte que nous sommes les hommes d'une même civilisation et, quelles que soient nos convictions personnelles et philosophique, d'une même civilisation qui s'appelle la civilisation chrétienne?” Deze overtuiging weerklonk eveneens in de Europese Conventie. Er gingen stemmen op om in de ontwerptekst voor de grondwet te verwijzen naar God en het christelijke erfgoed. De uiteindelijke ontwerptekst stelt echter heel algemeen geïnspireerd te zijn geweest door de culturele, religieuze en humanistische tradities. De normatieve bezwaren op de stellingname dat Turkije als islamitisch land niet thuis hoort in het christelijke Europa komen, zoals gezegd, in het laatste punt van deze bijdrage aan bod. Eerst wordt gewezen op paradoxen die vanuit de empirie blootgelegd kunnen worden. Europa is nog steeds, hoe verdeeld ook in kerkelijk opzicht, een overwegend christelijk continent. Maar op weinig domeinen was de verandering na de Tweede Wereldoorlog duidelijker voelbaar dan op het gebied van de godsdienst. In een door markteconomische imperatieven bepaalde samenleving die de individualisering verder doet evolueren, hoort de 'traditionele christelijkheid' tot het verleden. Zij zorgt niet meer voor een collectieve identiteit. Wereldbeschouwelijke keuzen zijn voortaan geprivatiseerd. Een tweede opvallend fenomeen vormt de 'ontpersoonlijking van God'. Ofschoon de meerderheid in Europa zegt 'christen' te zijn, is slechts minder dan een derde 'gelovig christen', voor zover dat impliceert: geloof in een persoonlijke God en in de verrijzenis. Een derde verschuiving vormt de aanwezigheid van de andere grote niet-christelijke religies. Het zou kortom verkeerd zijn het fenomeen Europa gewoon door het christendom te laten recupereren.
Volgens Morin en andere euro-supranationalisten ligt cultuur in de betekenis van high culture of haute culture aan de basis van de Europese identiteit. Europese muziek, literatuur, schilderkunst overschrijden zowel de nationale grenzen als de taalbarrières en vormen een cultureel erfgoed dat alle Europeanen gemeen hebben. De culturele eenheid-in-verscheidenheid kan geïllustreerd worden aan de hand van verschillende namen: Shakespeare, Molière, Dante, Erasmus, Cervantes, Dostoievski, Tolstoi en natuurlijk Mozart, Beethoven, Malher en nog vele anderen. Zelfs indien deze lijst ingekort wordt, blijven er toch altijd enkele van deze namen overeind. De consensus die men daarover bereikt, vormt volgens Morin het hart van de Europese cultuur die op haar beurt de kern weerspiegelt van de Europese identiteit. Turkije draagt niet bij tot deze Europese cultuur, zo gaat het argument vervolgens. Erger nog, de Turkse toetreding zou het Europese erfgoed aantasten en de Unie in cultureel opzicht veranderen. De notie van een gemeenschappelijk Europees cultureel erfgoed wordt echter vaak verworpen. Er bestaat geen Europese roman maar uitsluitend een Engelse, Franse, of Russische roman. Hetzelfde geldt voor de Europese schilderkunst of de Europese muziek. Men kan vervolgens argumenteren dat zo'n gemeenschappelijk erfgoed niet meer is dan een cultureel criterium dat zijn oorsprong vond in een consensus onder intellectuelen die op zoek waren naar de wortels van Europa of naar een bron voor Europese trots. Dit criterium vormt geen bewijs om hen te bekeren die niet geloven in het bestaan van een gemeenschappelijk cultureel Europees erfgoed en al zeker geen argument in een uitsluitingspolitiek.

Subjectieve component

In het vorige punt kwam tot uiting dat Europa's eenheid uitsluitend berust in haar grote verscheidenheid. De vraag naar de grenzen van Europa werd onduidelijk beantwoord. Het beeld van Europa als christelijk continent moet sterk genuanceerd worden. Een grote verscheidenheid kwam tot uiting in de high culture. Bovendien kan men ook stilstaan bij factoren die niet in de analyse werden opgenomen: het ontbreken van taaleenheid, de historische factor die hoofdzakelijk gekenmerkt wordt door competitie en rivaliteit, etc. Dit gebrek aan objectieve eenduidigheid lijkt elk Europees identificatieproject op basis van dergelijke referentiepunten te ondergraven.
De belangrijkste vraag is echter niet of de Europese Unie in haar identificatieproject kan steunen op een Europese geschiedenis, taal, religie, etc., maar of de burgers van Europa geneigd zijn zich al dan niet op basis van die elementen te identificeren. Welnu, de resultaten van de Eurobarometer weerspiegelen een marginaal Europees identiteitsbesef. De meeste Europeanen identificeren zich niet op de eerste plaats met Europa. Zij verkiezen hun concreet, plaatselijk verworteld-zijn. Bovendien leert men uit de resultaten van de Eurobarometer dat vele mensen in Europa een bedreiging zien voor hun nationale, historische en culturele identiteit, zelfs wanneer ze het lidmaatschap van hun land tot de EU positief ervaren. De Deense leuze “Ja aan Europa, neen aan Maastricht” toonde dit eveneens aan. De Deens bevolking vond de invoering van het symbolisch geladen 'burgerschap van de Unie' in het Verdrag van Maastricht een brug te ver. Via een 'opt out-regeling' kregen ze vrijstelling op dit punt. Om alle misverstanden in de toekomst uit te sluiten zijn er in Amsterdam twee preciseringen toegevoegd aan de algemene bepaling dat eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit tevens burger is van de Unie. De eerste toevoeging bepaalt dat de Unie “de nationale identiteit van de lidstaten eerbiedigt”. De tweede toevoeging stelt dat het burgerschap van de Unie het nationaal burgerschap aanvult en er niet in de plaats van komt. Ook de ontwerptekst voor een Europese grondwet waarover in de Conventie een brede consensus werd bereikt, neemt behoedzaam deze preciseringen over.

Verklaring van de paradox

Ondanks de objectieve interne diversiteit en een quasi verwaarloosbaar Europees identiteitsbesef bij de burgers, profileert Europa zich tegenover Turkije vaak als een homogeen blok. De uitspraken van bepaalde christendemocraten, maar ook de resultaten van opiniepeilingen liegen er niet om. Hoe kan deze paradox verklaard worden?
De verklaring moet gezocht worden in het relatieve en situationele karakter van identiteiten. Identiteitsbesef hangt af van de context waarin men zich bevindt. De manier waarop men zichzelf percipieert wordt beïnvloed door de positie die men inneemt ten opzichte van de ander. Reflectie op zichzelf veronderstelt immers de ander, zonder alteriteit geen identiteit. De ander vormt met andere woorden een relevante factor in het identiteitsbesef. Op basis van waargenomen overeenkomsten en verschillen treedt in het identificatieproces een dialectiek van insluiting en uitsluiting op. Hierbij worden de verschillen van de ander benadrukt en uitvergroot omdat dit de eigen identiteit bevestigt en versterkt. Pierre Bourdieu verwoordt het belang van dergelijke constructies van de sociale werkelijkheid en processen van categorisatie als volgt: “What is at stake here is the power of imposing a vision of the social world trough principles of division which, when they are imposed on a whole group, establish
meaning and a consensus about meaning, and in particular about the identity and the unity of the group, which creates the reality of unity and the identity of the group.” Het vraagstuk rond de Europese identiteit weerspiegelt eveneens dit samenspel van visie (identiteitsbesef) en divisie (onderscheid tussen 'wij' en 'zij'). In het Europese identificatieproces kan Turkije opgevat worden als relevante andere. Het idee van een christelijk Europa bijvoorbeeld krijgt pas vorm in de vijftiende eeuw als gevolg van de islamitische, Turkse uitdaging. In de confrontatie met de islam groeit het zelfbewustzijn van de christelijke Europeanen. Door de kruistochten kon de christelijke identiteit geprofileerd worden. Paus Pius II, een onvermoeibaar pleitbezorger van een 'Europese' kruistocht tegen de Turken, spreekt van “ons Europa, ons christelijk Europa”. Op het einde van de achttiende eeuw wordt het Ottomaanse Rijk langzamerhand erkend als een noodzakelijk en permanent onderdeel van het Europese machtsevenwicht. Maar deze erkenning betekent niet dat de Europese staten het Ottomaanse Rijk als hun gelijke zien. De Turken spelen ook in de negentiende eeuw de relevante rol van 'de ander' in de Europese identiteitsconstructie. Ondanks de militaire en politieke samenwerking percipieerden de Europese staten het Ottomaanse Rijk nog steeds op basis van een culturele logica: “What the civilized world had in common became apparent only when juxtaposed with the barbarous and savage worlds”. Ook het huidige Eurodiscours bevat elementen van een dergelijke logica. In deze paragraaf werden reeds de verschillende pogingen aangehaald die men onderneemt om een cultureel ingevulde Europese identiteit op te zetten. Zo wordt er gerefereerd naar gemeenschappelijke historische en culturele 'roots'. In het officiële discours wordt wel steeds betoogd dat het streven naar Europese identiteit als primair doel de versterking van de Europese integratie kent, het afbouwen van het belang van nationalisme en zeker niet de creatie van nieuwe scheidslijnen. Voorop staat het streefdoel de Europese staatsburgers in een gemeenschappelijk economisch, cultureel en politiek project op te nemen, aldus de officiële stellingname. Maar deze insluiting gaat de facto hand in hand met de uitsluiting van niet-Europeanen. Hoewel de identificatie met het Europese project marginaal blijft, ontstaat er tegelijkertijd toch een onderscheid tussen 'wij' als Europeanen met gedeelde historische en culturele 'roots' en 'zij' als niet-Europeanen. In de identificatie van 'de ander', van de 'vreemdeling' vindt er vervolgens een opvallende trend plaats om niet langer alle niet-staatsburgers als echte vreemdelingen te zien. In landen als België, Nederland, Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland wordt de vreemdeling doorgaans gezien als zijnde Turk of Afrikaan. 

Een normatieve reflectie op de EU als (super)natiestaat

Met de uiteenzetting van de empirische analyse werd getracht het paradoxale en illusoire karakter van de Europese identiteit die vóórondersteld wordt in het debat rond de Turkse EU-kandidatuur, bloot te leggen. Deze vaststellingen zijn mijns inziens intrigerend en bijgevolg vermeldenswaardig, maar vanuit normatief oogpunt ongetwijfeld bijkomstig. Relevanter immers dan de empirische ontrafeling van wat men verstaat onder de Europese identiteit, is de normatieve vraag naar wat men er onder zou moeten verstaan in het huidige tijdperk van mondialisering en grote migratiestromen.
De Europese identiteit die in dit artikel voorwerp van discussie uitmaakt, impliceert een Europees volk dat aan elke vorm van politiek-juridische verbondenheid voorafgaat. Men gaat met andere woorden uit van een prepolitieke identiteit. De Europese volksgemeenschap vormt dan geen abstracte werkelijkheid, maar een levend organisme dat getuigt van een uniek leven en een unieke geest. De volksgeest van de Europese gemeenschap is uitgekristalliseerd in één religie, één cultuur, etc. die alle Europeanen met elkaar delen. De unieke geest vormt het levensbeginsel van de volksgemeenschap en verzekert zodoende de continuïteit van het Europees volk.
Een belangrijke kritiek hierop luidt dat in deze conceptie een essentialiasering van identiteiten plaatsvindt. De pluriforme samenstelling van de wereld wordt dan verschraald tot geografisch keurig gescheiden culturele groepen met herkenbare tradities en gefixeerde gebruiken. Met dit discours gaat vaak een uitvergroting en verabsolutering van externe culturele verschillen gepaard. Dit werd geïllustreerd aan de hand van de problematiek rond de Turkse EU-kandidatuur.
Het verwijt van cultureel-essentialisme moet ernstig genomen te worden. Niet alleen omdat er onrecht wordt gedaan aan de culturele werkelijkheid, maar ook vanuit ethische overwegingen. Wanneer de identiteit van een samenleving herleid wordt tot de identiteit van één prepolitiek volk, afgegrensd en intern uniform, ontstaat er een identiteitsvacuüm voor mensen die niet tot dit volk behoren. Enkel de lotgenoten met wie men een worteling in de unieke volksziel deelt, kunnen immers medeburgers zijn. Maar door de mondialisering en de grote migratiestroom komen zeer vele mensen dichter tot elkaar die juist verschillen in elementen zoals religie, taal en cultuur. Culturele assimilatie, wat een vernietiging van de eigen prepolitieke identiteit impliceert, vormt vervolgens een noodzakelijke voorwaarde om lid te worden van deze samenleving. Dit monolithische identiteitsconcept heeft een ‘moorddadig’ karakter, aldus de Frans/Libanese schrijver Amin Maalouf. De Europese prepolitieke identiteitsconstructie wordt met dezelfde argumenten bekritiseerd. Wanneer de Europese samenleving zich profileert als een homogeen cultureel lichaam, dan dreigt het gevaar van uitsluiting zowel op het civilisatorische niveau als op het staatsniveau. Zo worden, op basis van deze identificatie, niet-Europese migranten afgezonderd van de samenleving en wordt Turkije als kandidaat-lidstaat van de Europese Unie als laatste in de wachtrij geplaatst. 

Besluit

In dit artikel werd een romantische invulling van de Europese identiteit empirisch ondergraven en vanuit normatieve invalshoek betreurd. De aantrekkelijkheid ervan hoeft echter enerzijds geen verrassing te zijn. In Europa was de romantische natie de eerste moderne invulling van een collectieve identiteit. Het valt overigens niet te ontkennen dat de ideeën van democratie, zelfbepaling en volkssoevereiniteit ontstaan zijn in de schoot van de romantische opvatting van de natie. De culturele en etnische homogenititeit heeft de politieke mobilisatie van de burgers en de democratisering van de staat mogelijk gemaakt. De conceptuele ontkoppeling van staat en natie vormt dus geen vanzelfsprekendheid, maar desalniettemin in het huidige tijdperk wel een noodzakelijkheid. De aantrekkelijkheid van de romantische identiteitsconceptie wordt echter nog versterkt door het technocratisch karakter van de Europese Unie. Filosoof Frans De Wachter verduidelijkt dit met volgende woorden: “De nationalist en de technocraat huizen moeiteloos in één ziel. De technocratische afbraak van de politieke dimensie schept een postideologische situatie, waar eigenlijk alleen nog het nationalisme in staat is saamhorigheid te vertolken.”
Anderzijds is de romantische invulling van de Europese identiteit minstens ironisch. Wanneer men naar de Europese geschiedenis kijkt, kan men vaststellen dat de zoektocht naar een manier om met heterogeniteit om te gaan veel eigener is aan Europa dan culturele homogeniteit. De Europese Gemeenschap is in de eerste plaats ontworpen om de Europeanen in staat te stellen in vrede met elkaar te leven, om hen open te stellen voor de anderen en die als hun gelijke te beschouwen, zonder de culturele verschillen tussen hen te assimileren.

De Turkse EU-kandidatuur plaatst de uitbreiding van de Unie zeer uitdrukkelijk in het spanningsveld van de Europese identiteit. Bij de voorstelling in het Europees Parlement van het tussentijds rapport van de Commissie over de vooruitgang van Turkije (november 2003) herhaalden de conservatieven en de christendemocraten van de Europese Volkspartij hun verzet tegen een EU-lidmaatschap van het islamitische land. Ook het Vaticaan vindt dat Ankara niet in het ‘christelijke’ Europa thuishoort. Europa zal christelijk zijn of Europa zal niet zijn. Deze teneur waarin ontrouw aan een illusoire unieke volksziel suïcidale gevolgen heeft voor de samenleving, impliceert een romantische invulling van de Europese identiteit. Het was de opzet van dit artikel aan te tonen dat een dergelijke identiteitsconceptie resulteert in een depolitisering van het uitbreidingsdebat en te betreuren valt.

Stefan Roose
Stefanie DIERCKXSENS

3e laureaat Emile Zola-prijs, editie 2004

Samenleving en politiek, Jaargang 11, 2004, nr.3 - Bijlage (maart), pagina 22 tot 30

Europa - Turkije - uitbreiding EU

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk