Log in

Met huidig beleid raakt voedselcrisis niet opgelost!

Stijgende voedselprijzen en voedselrellen in vele steden in ontwikkelingslanden haalden de pers in 2008. Deze crisis ging niet onopgemerkt voorbij. De media-aandacht vertaalde zich in een buitengewone politieke belangstelling. Maar sindsdien werd de voedselcrisis opgevolgd door de financiële en economische crisis. De voedselprijzen duiken in elkaar, en staan veel lager dan één jaar geleden. Is het einde van de voedselcrisis dichterbij gekomen? Niet met het bestaande beleid, aangezien het mede aan de oorzaak van de crisis ligt.

INLEIDING

Egypte, Mauritanië, Mexico, Haïti, Burkina Faso, Marokko, Bolivia, Pakistan, Indonesië. Sinds 2007 heeft de voedselcrisis haar intrede gedaan in de steden van staten die we niet altijd bij de minst ontwikkelde landen rekenen. Deze voedselrellen haalden plotseling de koppen van de internationale pers. Hierdoor werden we met de neus op de harde realiteit gedrukt, de realiteit van de honger. De voedselprijzen schoten omhoog. In vergelijking met de periode 2002-2004, was de prijs van landbouwproducten in juni 2008 met 114% gestegen. Producten als graan, zuivel en plantaardige olie kenden zelfs een prijsstijging van respectievelijk 174%, 141% en 183%, met nieuwe recordprijzen die we de afgelopen tien jaren niet meer hadden gezien. Er ontstond paniek wanneer rijstuitvoerende landen hun export begonnen te staken, terwijl invoerende landen (zoals de Filippijnen) geen rijst meer vonden op de internationale markten.
Sindsdien hebben de economische en de financiële crisis alle media-aandacht opgeëist. De voedselcrisis lijkt zelfs voorbij. De voedselprijzen storten in elkaar. In februari 2009 zakte de voedselprijsindex tot haar niveau van mei 2007. Voor graan, zuivel en plantaardige olie zijn de prijzen tussen juni 2008 en februari 2009 respectievelijk met 35%, 53% en 54% gezakt.
De crisis is daarom nog niet voorbij. De prijzen blijven nog verontrustend hoger voor de armere lagen van de bevolking. Nog steeds in vergelijking met de periode 2002-2004 liggen de prijzen begin 2009 gemiddeld 40% hoger. Voor granen loopt dit zelf op tot 78%!1 En ook al dalen de graanprijzen op de internationale markten, een recente studie van de FAO2 toont aan dat de lokale marktprijzen van de graanproducten in de meeste Afrikaanse landen hoger zijn dan een jaar geleden.
De voedselrellen van 2008 geven echter een vertekend beeld van de crisis. Ze vonden plaats in de steden, omdat de arme stedelijke bevolking bijzonder kwetsbaar is bij sterke prijsstijgingen. Maar naast de dramatische gevolgen voor de stedelijke armen, vindt de structurele honger hoofdzakelijk plaats op het platteland. Paradoxaal genoeg, in een wereld die de hele wereldbevolking kan voeden, zijn het in grote meerderheid boeren die aan honger lijden. De helft van hen overleven op boerderijen met minder dan twee hectaren, op marginaal land. Een op vijf zijn landloze boeren die voor hun inkomen afhankelijk zijn van landbouw. Tien procent zijn inheemse volkeren, herders of vissers. De overigen zijn arme stedelingen, die doorgaans het platteland zijn ontvlucht naar de grootstad, of op weg naar een ver eldorado. Het aantal hongerige zou volgens het landbouwministerie van de Verenigde Staten zelfs kunnen oplopen tot 1,2 miljard tegen 2017.3 De millenniumdoelstelling om de honger tegen 2015 met de helft te verminderen lijkt af te stevenen op een stijging met 50%!

EEN VOEDSELCRISIS MET MEERDERE GEZICHTEN

Het beeld van de honger wordt al te vaak verbonden met de uitgehongerde moeders die, in regio’s zoals Darfour, te zwak zijn om hun kind nog borstvoeding te geven, ofwel met lange rijen van mensen die na een natuurramp alleen door internationale voedselhulp nog aan eten geraken. De honger als resultaat van crisissituaties zoals oorlogen of natuurrampen vormt echter minder dan 8% van de hongerigen in de wereld.
Vooral de armste mensen die 60 tot 80% van hun budget aan voedingsmiddelen besteden, hebben zwaar te lijden onder deze drastische prijsstijgingen. Niet enkel de stedelijke bevolking, maar hoofdzakelijk de armere plattelandsbevolking, die ondanks het feit dat ze voedsel produceren, toch netto-aankoper van voedsel is. Niet zozeer omdat er niet genoeg voedsel voorhanden is, maar omdat ze het niet meer kunnen betalen. Zo krijgen de Congolese marktkramers, door de stijging van de voedselprijzen, hun waar nog amper verkocht. Daarom zijn op de markt van Kinshasa halve uien en in stukjes gesneden tomaten te koop. Het fenomeen om groenten in stukjes te verkopen en ook andere producten, zoals poedermelk en zelfs haargel, in kleine hoeveelheden te koop aan te bieden, wordt in Kinshasa miniaturization genoemd.4
Ook binnen de gezinnen zijn het de meest kwetsbare leden die het meest getroffen worden: 60% van de mensen die aan honger lijden zijn vrouwen. Nochtans zijn de vrouwen meer verantwoordelijk voor de familiale voedselproductie. In een context van feminisering van de landbouw zijn vrouwen de eerste slachtoffers van de voedselcrisis, en worden ze verder gemarginaliseerd door ongelijke toegang tot hulpbronnen (grond, krediet, productiemiddelen voor de landbouw, technologieën), die tot een verhoging van hun voedselproductie zou kunnen leiden.

De crisis werd voorgesteld als een situatie waar voedselprijzen te hoog zijn. Het niveau is niet zozeer het probleem, eerder de grilligheid en de omvang van de prijsschommelingen. Wanneer de prijzen te laag zijn, betekent dit dat het inkomen van honderden miljoenen kleine landbouwproducenten te laag is om voor hun eigen voedselbehoefte te kunnen voorzien. Bij te hoge prijzen zijn het de honderden miljoenen consumenten, arme kopers, die op hun beurt honger lijden, en dit geldt ook in de eerste plaats voor arme boeren, werklozen en onderbetaalde werknemers. De grillige en moeilijk voorspelbare evolutie van de voedselmarkten van de laatste twee jaren wijst wellicht op een diepere crisis. Iedereen voorspelt immers dat de prijsvolatiliteit het belangrijkste probleem zal worden voor de toekomst.
De crisis heeft ook macro-economische gevolgen. De prijsstijging heeft natuurlijk ook gevolgen op de invoerfactuur van ontwikkelingslanden. In 2008 steeg de factuur met 35% ten opzicht van 2007, terwijl het voor rijke landen slechts beperkt bleef tot 18%. In drie jaar tijd hebben ontwikkelingslanden de kost van hun voedselimport meer dan zien verdubbelen!5 Dit plaatje wordt nog somberder als er rekening wordt gehouden met de stijgende energieprijzen in dezelfde periode.

AANBOD VOLDOET DE VRAAG NIET

De meest aangehaalde redenen voor de voedselcrisis hebben betrekking op een stijging van de vraag en een sputterend aanbod. Dat de vraag naar voedsel blijft stijgen, is op zichzelf geen nieuws. De wereldbevolking blijft groeien. Men schat dat men de voedselproductie tegen 2050 zou moeten verdubbelen om iedereen te kunnen voeden. Maar de vraag wordt ook bepaald door drie andere factoren. Door een groeiende middenklasse in de opkomende economieën en de toenemende verstedelijking wijzigt het consumptiepatroon van vele mensen. Zo is de vraag naar vlees en melkproducten in China of India sterk gestegen, met als gevolg dat er meer granen moeten worden geproduceerd voor veevoeder.6 Deze sectoren worden nu ook het sterkst getroffen door de economische crisis.
Biobrandstoffen vormen een nieuwe afzetmarkt voor landbouwgrondstoffen. De ambitieuze doelstellingen in vele landen om verplicht biobrandstoffen te mengen in gewone brandstoffen voor transport zorgen voor een verzekerde afzet. In de Verenigde Staten werd in 2008 een derde van de maïsproductie gebruikt voor het produceren van ethanol, tegenover 14% in 2005. 7 Zolang de olieprijzen niet abnormaal goedkoop zijn, vormen biobrandstoffen een rendabelere afzetmarkt dan de (arme) lokale bevolking te voeden. Een brede consensus bestaat binnen internationale instellingen om te zeggen dat de stijgende vraag naar biobrandstoffen voor 30% tot 70% van de stijging in de voedselprijzen kon verklaren.
Ten slotte zorgde de financiële crisis in de vastgoedsector ervoor dat speculatieve fondsen op grootschalige wijze zijn tussengekomen in landbouwmarkten. Ophefmakend was de slagzin ‘Haal voordeel uit de stijging van voedselprijzen!’ die KBC midden in de voedselcrisis gebruikte om de voordelen aan te prijzen van een financieel product dat in landbouwgrondstoffen investeerde. Honger en voedselschaarste als een buitenkans voor investeerders. KBC was geen uitzondering. Hedge funds en andere pensioenfondsen kochten massaal op termijnmarkten, met een sterke verhoging van de vraag als gevolg. Bij de verkoop ervan werd de dalende trend op haar beurt aangewakkerd.

Tegenover die stijgende vraag stond er een relatieve verzwakking van de aanbodzijde. De productiekosten zijn sterker gestegen dan de voedselprijzen. Zo is de index van de olieprijzen en meststoffen verviervoudigd tussen 2004 en 2008, tegen slechts een verdubbeling van de voedselprijzen.8
De klimaatveranderingen en slechte weersomstandigheden hebben een belangrijke impact op de oogst in belangrijke uitvoerende landen gehad. Australië bijvoorbeeld, de grote tarweproducent, werd geteisterd door opeenvolgende jaren van droogtes en veroorzaakte een productievermindering van 60%. Die vermindering van de productie werd nauwelijks gecompenseerd door een stijging in andere werelddelen. De wereldvoedselvoorraden die de laatste 25 jaar nog nooit zo laag waren geweest, konden het aanbod ook niet verhogen.

MEER DIEPGAANDE OORZAKEN

Dat het aanbod onvoldoende bleek, is ook het gevolg van een fundamenteler probleem: een decennialange verwaarlozing van de landbouwproductie en het afbouwen van landbouwbeleid. De afgelopen 40 jaar werden de budgetten en investeringen ten behoeve van de landbouwsector in ontwikkelingslanden - en ook in de geïndustrialiseerde landen - voortdurend teruggeschroefd. Tussen 1987 en 2005 daalde de ontwikkelingshulp voor de landbouwsector van 11,5 miljard dollar naar 3,9 miljard dollar tot nauwelijks 3% van de totale hulp, ondanks het feit dat de armoede voor meer dan 70% ruraal is.
Door de sterke productiviteitsstijging in de geïndustrialiseerde landen en in enkele opkomende ontwikkelingseconomieën, zakten in de vorige decennia de prijzen tot historische laagtepunten. Prijzen die voor de meerderheid van de producenten de kosten niet eens konden dekken. Prijzen die veel te laag waren om er in te investeren. Tot het moment dat het aanbod de stijgende vraag niet meer kon volgen en de plotse stijging van voedselprijzen. Een cyclus van lange periodes van ondergewaardeerde prijzen, gevolgd door periodes van hoge en onzekere prijzen. Een cyclus die ongeveer elke dertig jaar terug opduikt.
Maar de laatste decennia werd voedselzekerheid steeds meer onderhevig gemaakt aan de integratie in de wereldeconomie. Na de structurele aanpassingsprogramma’s werd een multilateraal kader binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) gecreëerd ter bevordering van de vrijhandel in de landbouwsector. Deze akkoorden vormen het kader dat bepalend is geworden voor het landbouwbeleid in alle landen van de wereld. Landbouwproducten worden beschouwd als grondstoffen die tegen de laagste prijs moeten worden geproduceerd, om tegemoet te komen aan de groeiende vraag van de agro-voedingsindustrie. Ieder land moet zich specialiseren in de productie waar het comparatieve voordelen heeft. De markt, die ‘van nature’ efficiënt is, zou voor een natuurlijke regulering moeten zorgen, op voorwaarde dat alle mogelijke marktverstorende staatsinterventie wordt opgeheven; ondersteuning van de binnenlandse producenten, douanetarieven, mechanismen voor de stabilisering van prijzen en voor het beheer van de vraag, zijn in naam van de concurrentievervalsing verboden. De vermindering van de armoede zou een automatisch gevolg moeten zijn van de groei en de vrijhandel.

Maar de Europese Unie en de Verenigde Staten hebben oneerlijke handelsregels kunnen afdwingen die het mogelijk maken hun marktaandelen te veroveren door dumpingpraktijken, terwijl ontwikkelingslanden hun douanetarieven (een essentieel en toegankelijk instrument voor landbouwbeleid) moeten afbouwen. Samenwerking op de internationale markten om prijsvolatiliteit tegen te gaan door een betere afstemming tussen vraag en aanbod, zoals grondstoffenakkoorden, werden ontbonden. De opgelegde vrijhandel impliceert dat de prijzen op de wereldmarkt als norm worden gehanteerd voor de binnenlandse markten, wat niet zonder gevolgen is voor de kleine producenten en voor de voedselzekerheid. Het overgrote deel van de landbouwproducten wordt verhandeld in het land van productie. De internationale handel vertegenwoordigt nauwelijks meer dan 10% van de wereldproductie. Maar deze 10% bepaalt de marktvoorwaarden voor de meeste producenten. De liberalisering zorgt voor een toenemende concurrentiestrijd tussen alle landbouwers, groot of klein, zowel op nationaal als op internationaal vlak.
In naam van de economische efficiëntie hebben vele producenten zich echter gespecialiseerd in bepaalde exportproducten zoals koffie, cacao of groenten in tegen seizoen. Maar de prijzen van landbouwgrondstoffen zijn voor de crisis echter enorm gekelderd: rekening houdend met de inflatie lag de prijsdaling voor basisproducten zoals suiker, katoen, koffie of cacao in de periode van 1980 tot 2005 met 25%, 32%, 44% en 47%, of in constante waarde tussen 69 en 78%.9 Door deze waardevermindering konden de verhoopte inkomsten niet worden behaald. De grote meerderheid van de ontwikkelingslanden die in de jaren 1970 zelfvoorzienend waren, hebben de waarde van hun ingevoerde voedselproducten veel sterker zien stijgen dan het inkomen van de uitvoer van hun landbouwgrondstoffen. Ondanks het feit dat de landbouw nog steeds de ruggengraat van hun economie betekent, worden de ontwikkelingslanden - en in het bijzonder de minst ontwikkelde landen - met de jaren steeds meer afhankelijk van de invoer voor hun voedselvoorziening.

CRISIS DIE TOT MEER ONGELIJKHEDEN LEIDT

Ondanks het feit dat vele armen vanwege de honger het platteland hebben verlaten en naar de stedelijke zones zijn getrokken, maakt de landbouwbevolking nog altijd 43% van de actieve wereldbevolking uit. Tweederde van hen werkt uitsluitend met handgereedschappen. En al hebben velen tegenwoordig toegang tot verbeterde zaden, pesticiden en minerale meststoffen, die onder bepaalde omstandigheden voor een verhoogd rendement zorgen, hebben 500 miljoen boeren - ofwel ongeveer 40% van de landbouwbevolking - geen toegang tot die middelen. Aan de ene kant een half miljard boeren die het equivalent van 1 ton graan per landbouwer per jaar produceren, en aan de andere kant landbouwers in rijkere en competitieve landen, die in staat zijn een productie van 2000 ton per werkkracht te bereiken.10
Aan de ene kant twee miljard mensen die te weinig koopkracht hebben om zich adequaat te kunnen voeden, aan de andere kant een overvloed aan voedsel voor rijke landen, waar onnodig veel voedsel verspild wordt. De Verenigde Naties schatte dat in de Verenigde Staten tussen veld en vork jaarlijks tussen 90 en 100 miljard dollar verspild werd. Drie keer meer dan het jaarlijkse bedrag dat nodig is om de honger uit de wereld te helpen. In Groot-Brittannië wordt één derde van het aangekochte voedsel weggesmeten.11 Voedselmarkten blijven gekenmerkt door ongelijkheid in de toegang tot voedsel, met schaarste voor armen en overvloed voor rijken.

De toegang tot hulpbronnen die nodig zijn voor een verhoging van de productie, zoals grond, energie, water, kennis, economische informatie en technologie, zijn ongelijk verdeeld. En dit wordt met de crisis nog gesterkt. Kapitaalsintensieve landbouw, als gevolg van de verhoogde concurrentie op de landbouwmarkten, versterkt de ongelijke verdeling van de gronden. In Latijns-Amerika bezitten de helft (46,04%) van de landbouwbedrijven slechts 1,26% van de landbouwoppervlakte. De grootste eigenaars (14,64%) bezitten daarentegen 68% van het landbouwareaal. In Azië zijn de cijfers gelijkaardig: 58,17% van de bedrijven bezitten 14,27% van de gronden.12 De voedselcrisis heeft de drang naar land nog versterkt. Privé-investeerders, soevereine fondsen en overheden sluiten akkoorden af in armere landen om rechtstreeks voor hun voedsel- of energievoorziening te zorgen. Het meest gekende voorbeeld is de geplande investering van het Zuid-Koreaanse concern Daewoo in Madagaskar, goed voor de helft van het landbouwareaal van Madagaskar (1,2 Mio ha). De deal werd afgeblazen door de nieuwe president, maar een nieuwe investeerder, het Indische Varun, onderhandelt enkele dagen nadien al een contract van 600.000ha. Saoedi-Arabië, Japan, Koeweit, Quatar, China, India, Zuid-Korea, Libië en Egypte zijn enkele van de landen die voor hun eigen voedselvoorziening op zoek zijn naar vruchtbare gronden in andere landen, zoals Madagaskar, Soedan, Cambodja, Oeganda, Brazilië, Kazachstan, Filippijnen of Indonesië.13 Dit gaat gepaard met een zelfde drang naar gronden voor biobrandstoffenproductie. Naast een zeer groot aantal kleinere investeringen worden in Brazilië 3 miljoen ha voor ethanolproductie en in Indonesië tegen 2020 20 miljoen ha voor palmolieplantages voorzien. De voorzitter van het Forum van de Verenigde Naties voor inheemse volkeren schatte dat 60 miljoen boeren en inheemse volkeren door nieuwe investeringen in biobrandstoffen van hun land verdreven zouden worden.14
Ongelijkheid ook tussen de verschillende actoren in de productieketen. Deze wordt gekenmerkt door een groot aantal kleine producenten en een sterke concentratie van de agro-voedingsindustrie. In 2007 controleren slechts 3 bedrijven de helft van de zadenmarkt. Ze behoren eveneens tot de 6 grootste chemische bedrijven, die drie vierde van de pesticiden produceren.
De top 10 van de verwerkingsbedrijven controleert 26% van alle verpakte voeding. In 2004 was dit slechts 14%.15 De distributiesector is in vele landen te herleiden tot een beperkt aantal grootwarenketens. In 2007, terwijl de honger met 10% steeg, verdubbelden ook de winsten van de drie grootste meststofbedrijven, graanhandelaars en zaad/pesticidenbedrijven. Samen goed voor 11,2 miljard dollar winsten voor 9 bedrijven16, of ongeveer hetzelfde bedrag dat in 2008 door de internationale gemeenschap werd beloofd om de voedselcrisis op te lossen en waarvan slechts één tiende werd uitgegeven!

Binnen een context waarin de ontwikkelingslanden moeite ondervinden om zich te beschermen (omwille van structurele aanpassingen, WTO verbintenissen en gebrek aan politieke wil van de landen), dreigt de afhankelijkheid van ingevoerde voedselproducten vanuit Europa of andere uitvoerende landen te leiden tot een ontregeling van hun familiale landbouw. De Europese Unie wil de liberalisering van de landbouwmarkten opleggen door vrijhandelsakkoorden die ze met ontwikkelingslanden onderhandelt. Met staten van Afrika, het Caraïbisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS) worden Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) onderhandeld. In naam van het vrijhandelsprincipe voorzien zij in de verlaging - en vervolgens in de opheffing - van de invoerrechten op de Europese producten. De Europese Unie voert al vijf jaar onderhandelingen, maar stuit op hevig protest van de ACS-landen en de boerenorganisaties. Ze klagen de EPA’s aan en benadrukken de noodzaak om bescherming te kunnen bieden aan de landbouwsector, tegenover de Europese concurrentie die nog grotendeels wordt gesubsidieerd.

BUSINESS AS USUAL IS GEEN OPTIE MEER

De huidige voedselcrisis is zonder voorgaande. Het huidig beleid heeft grotendeels gefaald. Het landbouw-, handels- en ontwikkelingsbeleid zijn er niet in geslaagd het recht op voedsel te garanderen, de armoede op het platteland te verminderen, de markten te stabiliseren, de nodige landbouwinvesteringen te promoten en de natuurlijke grondstoffen op een duurzame manier te beheren. Nieuwe uitdagingen dringen zich bovendien op: klimaatsveranderingen, de energie- en financiële crisis.
Omdat landbouw aan essentiële behoeften (voedselzekerheid, tewerkstelling op het platteland, milieubeleid, vermindering van de armoede) beantwoordt, moet voldoende erkend worden dat voedsel geen koopwaar is zoals alle andere. Landbouw blijft een specifieke sector die niet enkel gereguleerd kan worden door de regels van een - oneerlijke - markt. De verschillende functies die landbouw bekleedt, verdienen een sterk landbouw- en voedselbeleid, des te meer in ontwikkelingslanden die er voor hun economische ontwikkeling sterk afhankelijk van zijn.

In antwoord op de logica van vrijhandel vindt er een mobilisatie plaats binnen de boerenbeweging. Sinds de FAO Voedseltop van 1996 verdedigt het netwerk van boerenorganisaties, Via Campesina, het recht op voedselsoevereiniteit als alternatief. Het recht op voedselsoevereiniteit staat haaks op de huidige logica van vrije handel. Het wordt gedefinieerd als het recht van volkeren op een gezonde voeding, aangepast aan de lokale culturen, geproduceerd op basis van duurzame en milieuvriendelijke methodes, alsook het recht van volkeren en staten om hun eigen landbouw- en voedingssystemen te definiëren, zonder dat deze schade berokkenen aan andere volkeren. Voedselsoevereiniteit impliceert dat de staten hun verantwoordelijkheid opnemen om het recht op adequaat voedsel van hun bevolking te bevorderen. Hiertoe moeten ze de noodzakelijke politieke ruimte hebben om hun landbouw te ondersteunen.
Het handelsbeleid is hier centraal. Maatregelen rond het openstellen of beschermen van grenzen zijn immers bepalend voor het vastleggen van de interne landbouwprijzen. Die prijzen moeten gekoppeld zijn aan de productiekosten, zodat de inkomsten van de meerderheid van de producenten gegarandeerd zijn. Dit is een randvoorwaarde voor de verdere ontwikkeling van landbouw in de door de voedselcrisis getroffen landen. Door de vrijhandelslogica om te draaien en prioriteit te geven aan de ontwikkeling van nationale en regionale markten kan de landbouw veel beter aan de lokale productievoorwaarden en aan de voedselzekerheid beantwoorden. Zowel lonende en stabiele prijzen voor de grote meerderheid van de familiale boeren kunnen worden gegarandeerd, met eventuele koopkrachtondersteunende maatregelen voor de minderheid van stedelijke armen. Daarvoor moet een zekere mate van marktafscherming mogelijk zijn door middel van variabele douanerechten of beperkingen op ingevoerde hoeveelheden.

Meer dan 400 wetenschappers zijn tot de conclusie gekomen dat de industriële landbouw geen toekomst biedt voor de uitdagingen van armoede, voedselzekerheid, klimaatverandering, biodiversiteit en duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen. Ze heeft wel voor productieverhoging gezorgd, maar tegen een zware prijs (betaald door kleine boeren, landarbeiders, plattelandsgemeenschappen en het milieu). Een radicale kentering in de landbouwproductie is voor hen onontbeerlijk. Kleinschalige familiale, duurzame, gediversifieerde en agro-ecologische productiesystemen moeten centraal staan. De Verenigde Naties beamen door te bevestigen dat de oplossing van organische landbouw zal komen en van een optimaler gebruik van de geproduceerde biomassa en door verspilling tegen te gaan.17 Deze systemen moeten gepaard gaan met rechtvaardige toegang tot productiemiddelen, in het bijzonder door steun aan programma’s van landhervormingen, van rurale infrastructuren (wegen, scholen, verzorging, elektriciteit) en door de ondersteuning van lokale economieën via lokale stockering, verwerking en vermarkting.
Duurzame familiale landbouw kan de uitdaging aan, maar hiervoor moeten de staten hun verantwoordelijkheid opnemen. Het recht op voedselsoevereiniteit legt de klemtoon op de noodzaak tot het versterken van het voedsel- en landbouwbeleid. Boerenorganisaties zijn vragende partij om hun verantwoordelijkheid hierin op te nemen. Ze moeten hiervoor niet enkel erkend worden als legitieme gesprekspartners, maar ook ondersteund worden in hun legitimiteit, expertise of onderhandelingscapaciteit met bedrijven in de productieketen. Als vertegenwoordigers van de rurale gebieden hebben ze zich georganiseerd rond het protest tegen de ontmanteling van het landbouwbeleid van vele staten en eisen ze dat hun overheden hun verantwoordelijkheid opnemen. Waar een openheid bestaat, hebben ze bewezen dat ze in staat zijn zich in een onderhandelingskader te integreren. Verschillende staten zoals in Mali, Ecuador, Nepal of Senegal hebben al belangrijke elementen van het recht op voedselsoevereiniteit in hun wetgeving opgenomen.
Aangezien voedsel- en landbouwbeleid belangrijke keuzes inhouden, legt voedselsoevereiniteit het accent op de noodzaak alle relevante belanghebbenden te betrekken in het bepalen ervan: consumenten, vrouwenbewegingen, inheemse volkeren, vissers, herders, vakbonden, milieugroeperingen en ngo’s. Waar het om gaat is dat men rekening houdt met de belangen van de verschillende partijen, en dat men hun terechte bekommernissen integreert en de verschillende standpunten tracht te verzoenen ten gunste van een zo groot mogelijk aantal mensen. Het Internationaal Forum voor Voedselsoevereiniteit in Mali is daar een belangrijke mijlpaal in geweest.18

Het recht op voedselsoevereiniteit is in tijden van voedselcrisis niet enkel een verantwoordelijkheid van ontwikkelingslanden. Het vereist eveneens een coherent beleid van rijke landen. Al te vaak wordt het recht immers tenietgedaan door het gevoerde beleid in verschillende domeinen. Een landbouwbeleid dat de familiale landbouw in ontwikkelingslanden vernietigt door oneerlijke praktijken. Een klimaatbeleid dat in eerste instantie de toekomst van de landbouw in ontwikkelingslanden hypothekeert. Een energiebeleid waar ontwikkelingslanden grotendeels gedreven worden in een rol van leveranciers van grond(stoffen). Een handelsbeleid dat de landen ontneemt van hun noodzakelijke beleidsruimte. Een onderzoeksbeleid dat privéondernemingen toelaat de biodiversiteit en inheemse kennis in ontwikkelingslanden te plunderen. Een consumptiepatroon met een zware ecologische voetafdruk. Enzovoort, enzovoort. België staat voor de uitdaging het recht op voedsel en het recht op voedselsoevereiniteit te versterken met het voorzitterschap van de Europese Raad dat ze tijdens het tweede semester van 2010 zal bekleden. Als voorzitter zal België in de gelegenheid worden gesteld om een coherenter Europees beleid te bepalen, gericht op de bevordering van een duurzame en solidaire familiale landbouw in het Zuiden en in Europa.

Thierry Kesteloot
Onderzoeker landbouwbeleid bij Oxfam-Solidariteit

Noten
1/ http://www.fao.org/worldfoodsituation/FoodPricesIndex/en/
2/ FAO national basic food price data base: http://www.fao.org/giews/pricetool/
3/ ETC Group, Who owns nature? Corporate power and the Final Frontier in the Commodification of Life, november 2008, p. 5.
4/ De Standaard, 12/8/2008
5/ Eigen berekening op basis van FAO, Food Outlook, Global Market Analysis, november 2008, p. 94.
6/ Er is gemiddeld 7 kg granen nodig om 1 kg rundvlees te produceren.
7/ Een auto voltanken = 248 kg maïs = genoeg om één persoon gedurende één jaar voeden.
8/ FAO, The State of Food Insecurity in the World, 2008, p. 35.
9/ Koning N., Robbins P. (2005)‚Where There’s a Will There’s a Way: Supply Management for Supporting the Prices of Tropical Export Crops. In: IIED, ICTSD, Agricultural Commodities, Trade and Sustainable Development, pp. 181-200.
10/ Mazoyer Marcel, Pauvreté paysanne, sous-alimentation et avenir de l’humanité, In: Nourrir la planète, comprendre la souveraineté alimentaire, 2008, p. 18
11/ UNEP, the food environmental crisis, 2009, p. 34.
12/ Kesteloot Thierry, Le régime foncier, facteur déterminant de justice sociale, In : Nourrir la planète, comprendre la souveraineté alimentaire, 2008, p. 83.
13/ GRAIN, Briefing paper, Seized, the land grab for food and financial security, oktober 2008.
14/ Oxfam International, Bio-fuelling the poor, Briefing Note, november 2007, p. 3.
15/ ETC Group, op. cit.
16/ GRAIN, Seed aid, agribusiness and the food crisis, oktober 2008.
17/ IAASTD, international assessment on agricultural science, technology and development: http://www.unep.org/dewa/agassessment/docs/IAASTD\_EXEC\_SUMMARY\_JAN\_2008.pdf, UNEP, op.cit.
18/ Info op www.nyeleni2007.org.

voedselveiligheid - voedselcrisis - ontwikkelingssamenwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 61 tot 69