Log in

Het leven onder dreigingsniveau 3

HALFWEG MICHEL I

Geachte minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
Geachte heer Jambon,

Aan het begin van een nieuw jaar lijkt het mij gepast om u, minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, een gelukkig ‘nieuwjaar’ toe te wensen. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat 2016 voor u een zwaar jaar moet zijn geweest. Zo eentje dat 10 jaar van een mensenleven heeft gekost. U bent zelfs op het nippertje ontsnapt aan een ontslag. U heeft geluk gehad, want uw socialistische kompanen ministers van Binnenlandse Zaken uit een ver politiek verleden kenden minder genade bij soortgelijke politiële crisissen.

2016 begon ‘grimmig’. Het jaar werd ingezet onder dreigingsniveau 3. Brussel was een belegerde stad en het vuurwerk dat de start van een nieuw jaar moest inknallen, werd vervangen door ‘stilte’. Enkele weken later zou u leren dat dergelijk ‘veiligheidstheater’ (dixit Bruce Schneier) niet kan verhinderen dat een aantal jonge mannen zichzelf opblazen in de vertrekhal van Zaventem en een uur later in de Brusselse metro. Het is nu geminderd, maar lang heb ik hier elke dag aan gedacht toen ik met de metro door het station Maalbeek reed. Eerst langs het zwarte scherm; en later langs een netjes opgeruimd metrostation. Maar helaas is ondertussen niet alles ‘spik en span’ geworden.

Het is niet dat uw kabinet geen werk heeft verricht, integendeel. Onlangs las ik een artikel (De Pauw, 2015) met een overzicht van alle maatregelen en organen die de Belgische regering reeds in het leven heeft geroepen in haar strijd tegen terreur. De lijst is spectaculair. De meest bekende zijn wellicht het Kanaalplan en de FTF (Foreign Terrorist Fighters)-omzendbrief, die ik nog nooit heb kunnen inzien omdat hij hoogst confidentieel is. Ik kan er dan ook weinig goeds of slechts over zeggen.

Het probleem is dus niet het gebrek aan maatregelen, evenwel het basisgedachtegoed waarop het beleid is gestoeld. Het huidige veiligheidsbeleid gaat uit van een risicodenken, waarbij het strafrecht wordt aanzien als ‘het’ instrument van sociale controle bij uitstek. Hierin heerst de idee dat het risico op veiligheid kan worden berekend, straffer nog, kan worden beheerst. Als beleid creëert men ook die verwachting bij de burger, waardoor een aanslag des te onbegrijpelijker overkomt. Een aanslag kun je niet te allen tijde voorkomen, en je mag ook niet verlangen van politie en justitie dat zij dit wel zouden kunnen. Bovendien worden terroristen - net als alle andere daders - inventief. Kijk naar wat er zich heeft afgespeeld in Nice en Berlijn. Het is een oud zeer van staten om onder het mom van ‘terreurdreiging’ meer middelen te eisen om de rechtsstaat te beschermen. Echter, het is steeds meer van hetzelfde: meer middelen en maatregelen voor verhoogde ‘surveillance’ en intelligence, meer bevoegdheden voor politie, meer ‘war against terrorism’.

We vragen ons natuurlijk nog elke dag af wat er zich ‘on the scene’ heeft afgespeeld. Wellicht u en uw regering ook. Vandaar dat jullie resoluut kozen voor de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie ‘Terroristische aanslagen’. Het gerechtelijk onderzoek zal immers nog jaren op zich laten wachten en van een minister van Veiligheid eist men daadkracht op kortere termijn. Vooral haar laatste opdracht trok mijn aandacht: de veiligheidsarchitectuur van ons land onder de loep nemen. Deze kadert mijns inziens in de opportuniteit om, op basis van een crisis, werk te maken van een zoveelste politie- en justitiehervorming. De vraag rijst of daartoe de juiste analyses worden gemaakt. De vraag naar structuurverandering is veelal afkomstig van een interne lobby die hunkert naar andere machtsverhoudingen en meer zeggenschap in de besluitvorming. Hier zit de democratie niet op te wachten, en al zeker de burgemeesters van dit land niet.

Structurele hervormingen lijken me verder weinig oplossingen te genereren, er is vooral werk aan de organisatiecultuur. U heeft alvast duidelijk gemaakt dat de eenmaking van Brussel niet op uw politieke agenda staat. Dat is natuurlijk te begrijpen van een minister wiens partij denkt in termen van gemeenschappen en niet in termen van regio’s. Bovendien zou, op vlak van veiligheid, een ‘Brussels Metropolitan Police’ immers een nimmer te onderschatten zwaargewicht worden en Antwerpen op de tweede plaats zetten in het lijstje grootste korpsen van het land.

Ondertussen leven we verder onder terreurdreiging niveau 3. Allerlei maatregelen worden versneld doorgevoerd met als doel toekomstige terroristen sneller te kunnen opsporen en isoleren. Vrijheid moet daarbij plaats ruimen voor veiligheid. Schoolvoorbeeld hiervan is de te snel doorgevoerde camerawetgeving. Indien we vandaag goed beleid willen voeren, moeten we durven reflecteren over een aantal problemen die zich voordoen in het huidige politielandschap. Hiervoor moeten we echter geen commissierapport afwachten. Deze problemen liggen reeds jaren op de plank! In die zin had ik van een minister van Veiligheid meer daadkracht verwacht. In de media kom je immers over als iemand die zijn dossiers goed kent, die de juiste taal spreekt en die zich niet zo snel van zijn stuk laat brengen. Je geeft de indruk bereid te zijn om knopen door te hakken.

In deze hoopte ik dat je werk zou maken van de verdere professionalisering van de politie. Ons politiebestel heeft immers vooral nood aan culturele en interne organisatieveranderingen: rekrutering, opleiding, personeels- en loopbaanmanagement, diversiteit, enzovoort. Het politiestatuut is een gedrocht; de rekrutering is niet transparant en al zeker niet afgestemd op de behoeften van de organisatie; een audit van de opleiding en de politiescholen wees op het te laag niveau van de opleiding (zelfs bij de officieren); en rapporten van het comité P over racisme verdwijnen in de achterkamertjes.

Dit brengt me bij mijn tweede teleurstelling, met name het gebrek aan transparantie en verantwoording over de politie en het politiewerk. Het kan een indruk zijn, maar sinds u minister van Binnenlandse Zaken bent wordt er nog amper onderzoek verricht naar de (werking van de) politie. De veiligheid, het slachtofferschap en de tevredenheid over de politie worden niet meer gemonitord. De externe controle op de politie hangt aan een zijden draadje en de interne controle wordt op de voorgrond gehaald als een schandaal te grote proporties dreigt aan te nemen in de media. De politie zelf sterkt zich hier verder in. Sinds 1998 worden politieleiders benoemd in een mandaat voor een periode van 5 jaar. Betekent dit dan ook niet dat ze in ruil voor een mandaatvergoeding een resultaatsverbintenis opgelegd moeten krijgen? De stilzwijgende verlengingen en symbolische evaluaties van korpschefs en politiedirecteurs doen iets anders vermoeden.

Ten derde, in 1998 kozen acht partijen samen voor een lokaal verankerd politiebestel dat opereert vanuit een gemeenschapsgerichte politievisie. Vandaag blijkt meer dan ooit dat dergelijke basispolitiezorg noodzakelijk is. Radicalisering ontstaat op straat, in buurten en wijken waar de sociale cohesie verwelkt, waar politie alom aanwezig is wanneer ze (identiteits)controles uitvoert (overpolicing), maar afwezig blijkt te zijn als mensen slachtoffer worden (underpolicing). De politie gaf het onlangs zelf aan in haar mediaberichtgeving: informatie over mogelijke aanslagen vinden politiemensen op straat, in de wijken. In het verleden is meermaals gebleken dat gewapend bestuur voor steden een zeer efficiënt middel is om malafide netwerken en verenigingen uit buurten te verwijderen. Stadsontwikkeling biedt dan weer een uiterst geschikt beleidsinstrumentarium om buurten te herwaarderen, de beste garanties tegen het ontstaan van voedingsbodems voor desintegratie en misschien zelfs radicalisering. Laat ons dus werken aan een proactief politiebeleid dat werkt aan de oorzaken van problemen.

Tot slot, volgens u is ons land er veiliger op geworden. Helaas kan ik of geen enkele van mijn collega’s dat wetenschappelijk aantonen. Volgens u heeft de politie alleen maar goed werk geleverd. Ook dat durf ik te betwijfelen. Ik begrijp dat het als politiek verkozene moeilijk is om kritiek te geven op mensen die zich afgelopen jaar in zeer moeilijke omstandigheden uit de naad hebben gewerkt. Helaas, mijnheer de minister, ook zijzelf hebben kritiek. Immers, net zoals ‘de’ minister niet bestaat, bestaat ook ‘de’ politieman of -vrouw niet. Politie is een systeem, een instituut dat in zijn globaliteit moet worden aangepakt. Je kan dit dus niet doen door één man in Turkije de schuld van alle onheil te geven.

Onlangs stelde u in de media dat ‘iedereen eens een blauw hemd zou moeten dragen en de straat op gaan’. Ik zou zelfs meer durven zeggen: doe dit ook eens ’s nachts en in Molenbeek, maar graag ook eens zonder blauw hemd.

Ik wens u een veilig 2017!

Sofie De Kimpe
Professor Criminologie, VUB

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 10 tot 12