Log in

'Rooddruk voor een nieuw socialisme'

Uitgelezen

Rooddruk voor een nieuw socialisme

Erik De Bruyn
epo, Berchem, 2009

Erik De Bruyn neemt het op tegen de predikanten van de angst, die de mensen braaf houden met valse toekomstbeelden. Er is helemaal geen vergrijzingsprobleem bijvoorbeeld, dat hebben ze ons alleen maar laten geloven. Zijn eigen politiek project zal tegengas geven. Op die manier zal hij terrein veroveren op extreem en populistisch rechts. Want de mensen zijn helemaal niet verzuurd. De buurten waar massaal Vlaams Belang gestemd wordt, zijn warm en sociaal. De mensen worden gewoon misleid en moeten de ogen geopend worden. De huidige leiding van sp.a zal daar niet toe bijdragen. De partij wordt van bovenaf beheerst door sterke netwerken. Het is een machtsinstrument in functie van politieke loopbanen. Geen wonder dat het er steeds voor te vangen is om water in de wijn te doen. Sp.a is verlamd, het is een zwijgende partij. Echte socialisten luisteren naar de basis. Die heeft heus zelf wel ideeën, ‘misschien niet altijd even helder of juist, maar in elk geval geworteld in de dagelijkse ervaring.’ (p. 32)

Je moet angst niet voeden; je moet energie kanaliseren. De Bruyn is een coach. Hij luistert en geeft dan de richting aan. Nee, hij is niet paternalistisch. Hij biedt een rooddruk aan, met nieuwe vormen van rationaliteit, humanisme en socialisme. Maar hij ijvert voor participatieve democratie en is ervan overtuigd dat een wereld met zelfbestuur mogelijk is. Dat is voor hem een fundamenteel onderscheid met het sp.a establishment. Dat heeft angst voor de gewone man. Hij geeft uiteindelijk wel toe dat hij eigenlijk niet zo veel nieuws te vertellen heeft. Daar gaat het hem dan plots niet om, wel om een nieuw elan. Voor de rest blijft hij oude socialistische doelstellingen nastreven. Hij wil een rechtvaardige en duurzame samenleving realiseren door een democratisering van de economie. Er mag best wel plaats zijn voor de vrije markt, maar deze mag niet alles overheersen. De sleutelsectoren moeten onder gemeenschapscontrole gebracht worden. Er moet minstens een overheidsbank komen, maar we mogen indien nodig ook niet terugschrikken om bedrijven te nationaliseren. De economie moet worden georganiseerd in functie van ecologische en sociale criteria.

De Bruyn maakt zich sterk dat dit kan worden gerealiseerd, maar dan moeten we ons durven bevrijden van onze ketenen. Het zijn virtuele ketenen, ingebakken in onze hoofden, dwanggedachten. We moeten er ons van losmaken. En we moeten dat vooral zelf doen en niet leunen op een klein groepje, dat bijvoorbeeld de leiding van de partij heeft. Dat heet klassenstrijd, weet je wel. Die ‘is er gewoon, net als de zwaartekracht.’ (p. 136) Ze wordt gevoerd door iedereen die van zijn loon moet leven, inclusief de kleine zelfstandige en de vrije beroepen.

Een bloemlezing van wat je allemaal kan zien als je eenmaal bevrijd bent: je laat je niet vangen door de mythe dat de lonen te hoog zijn. Wanneer een werkgever een werknemer nodig heeft, omdat hij iets op zijn orderboekje heeft, dan zal hij wel aanwerven. De loonhoogte doet daar niets toe. Je doorziet dat wie de betaalbaarheid van de pensioenen in vraag stelt, een primitief verhaal vertelt. Je beseft dat je gewoon verslaafd bent aan een eenzijdige economische groei, die de maatschappelijke kosten afwentelt op de gemeenschap. Er is een andere economie nodig, het volstaat niet concurrentie en duurzaamheid aan elkaar te verbinden. Je ontmaskert flexicurity als oplichterij. Iedereen moet een duurzaam arbeidscontract hebben. En met technologische innovatie en creativiteit is dat mogelijk. Het wordt mogelijk zich te oriënteren op de echte behoeften van de samenleving. Het kapitalisme heeft kansen genoeg gehad, nu gaan we het zelf doen.

Er is natuurlijk het puur fantaisistisch verhaal over de loonkost en zijn bedrieglijke voorstelling van het gebeuren rond het generatiepact. Maar zijn idee dat we nood hebben aan een andere (democratische) economie klinkt zo slecht nog niet. Verrassend is wel dat finaal alles van innovatie en creativiteit moet komen. Zo simpel is het dus. Alleen, de idee dat de economie in dienst van de mensen moet staan, vind je ook in oude en nieuwe teksten van sp.a. De Bruyn doet wel een onnozel verhaal over een tekst over economie die de partij zogezegd liet verdwijnen. Onnozel, want die tekst bevond zich op dat moment op misschien wel twintig computers. Echt niet alleen op die van hem, zoals hij beweert. Dat suggereren van bedrog is echter kenmerkend voor een man die waarschijnlijk zelf niet helemaal te vertrouwen is. Het kan geen toeval zijn dat hij niet verwijst naar bestaande teksten.

Voor een keer zal ik niet naar het toekomstcongres verwijzen of naar de teksten van Het Sienjaal. Ik verwijs wel naar het resultaat van werkgroepen die onder het voorzitterschap van Patrick Janssens gemaakt en uitgegeven werden door Samenleving en politiek (themanummer, oktober 2002, jg. 9). Men kan het Janssens misschien aanrekenen dat hij er toen niet veel mee gedaan heeft. Maar niet dat hij ideeën over participatieve democratie of een economie in dienst van de behoeften niet zou hebben toegelaten. De pretentie van De Bruyn dat de partij op hem zat te wachten om haar ideeën over economie aan te scherpen is nergens op gebaseerd. Dat er vandaag, in de crisiscontext die we kennen, een en ander bijgezegd moet worden, is een andere zaak. Ik citeer slechts enkele zinnen uit de inleiding van toen: ‘Een modern socialisme heeft zijn koudwatervrees voor de vrije markt verloren. Het aanvaardt dat de markt een goed mechanisme is om een economie te sturen (…).’ Maar, ‘Een modern socialisme heeft het niet voor blinde privatisering en liberalisering. Het kiest voor een duurzame economie, die alle belanghebbenden respecteert.’

Maar goed de teksten zijn één zaak, de realiteit is een andere. Hoe zal De Bruyn het anders of beter doen dan de huidige sp.a-leiding? Ik heb een mooi voorbeeld gevonden dat hij een beetje tussen de plooien wil laten wegglijden, dat van Opel Antwerpen. Hij haast zich om te zeggen dat die arbeidsplaatsen moeten worden gered, maar tegelijk worstelt hij met de milieuproblemen die auto’s nu eenmaal stellen. Zolang het kapitalisme bestaat, moeten er boterhammen op tafel komen, ‘desnoods met de productie van terreinwagens in een Vlaanderen waar het terrein al lang verdwenen is onder een dikke laag asfalt.’ (p. 31) Nee, de stoere en principiële socialist durft niet stellen dat die fabriek beter zou verdwijnen, ook al is dat eigenlijk de logica uit zijn eigen redenering. Hij durft (terecht overigens) de consequentie van zijn redenering niet aan en bewijst dat hij (als het erop aan komt) ook pragmatisch is, pragmatisch moet zijn.
Hoe zal hij het doen? Met de vakbond natuurlijk. En ook hier betrap je de auteur op enige hypocrisie. Hij durft ten aanzien van de vakbond niet wat hij tegenover de partij durft. Hij suggereert alleen maar dat ook daar een spanning bestaat tussen top en basis. Maar hij durft er niet voluit voor uitkomen, want hij weet natuurlijk dat het voor die vakbond niet gemakkelijk is om een lid van een van hun centrales tegen de haren in te strijken en daar ligt zijn voordeel. Hij wil een beetje jennen, maar niet te veel. Zo moedig is hij dus.
Hoe wil hij het doen? Luisteren en dan zeggen hoe de mensen het moeten doen. Zij hebben immers wel veel ideeën, maar ze zijn niet altijd even duidelijk en juist. Ja, De Bruyn zal hen wel corrigeren. Hij zal hen wel bevrijden uit hun imaginaire kerkers. Als hij het doet, kanaliseert hij energie. Als de partijtop het doet, verkracht deze de basis. Maar zoveel is duidelijk, hij die de sp.a-top zo graag van paternalisme beschuldigt, heeft finaal toch zelf niet zoveel vertouwen in de basis!

De Bruyn geeft het zelf toe: hij heeft niet echt veel nieuws te vertellen. Hij schenkt oude wijn in nieuwe zakken. Hij hoopt alleen maar op een nieuw elan. Waarom heeft hij het recente boek van Kathleen Van Brempt niet gelezen? Hij had er wel degelijk nieuwe en stimulerende ideeën kunnen vinden. Waarom moet hij lezers lastig vallen met wat nauwelijks meer is dan een scheldpartij naar de top van zijn eigen partij? Ik zal wel in datzelfde kamp - dat netwerk dat enkel op macht en postjes uit is - zitten zeker? Probleem is dat iedere discussie met De Bruyn daar noodzakelijkerwijze moet op afknappen. Hij denkt nu eenmaal in termen van: wie niet voor mij is, is tegen mij. Hij wil afrekenen met extreemrechts en populistisch rechts. Is populistisch links dan toegestaan? We kunnen nieuwe ideeën gebruiken, maar dan moeten ze wel nieuw zijn. Maar we kunnen vooral geen foute gevechten in eigen rang verdragen. En De Bruyn levert een fout gevecht. Of zou het hem alleen om de macht te doen zijn? Ik zou het niet durven denken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 4 (april), pagina 70 tot 72