Log in

'Groei of schaarste? De cruciale vraag in tijden van overvloed'

Uitgelezen

Boeken van sleutelfiguren binnen werkgevers- en werknemersorganisaties hebben doorgaans veel met elkaar gemeen: een grote mate van voorspelbaarheid. Dit boek van Voka's hoofdeconoom Stijn Decock is daar een uitzondering op. Geen gezeur over een te hoog overheidsbeslag, te hoge lasten voor ondernemingen of onbetaalbare vergrijzingskosten. Geen jeremiade over een teveel aan lasten voor ondernemers. Wel enkele originele ideeën om de maatschappelijke uitdagingen creatief aan te pakken.

Groei of schaarste? De cruciale vraag in tijden van overvloed

Stijn Decock
Uitgever Lannoo Campus, Leuven, 2017

Decock vertrekt daarbij vanuit de vaststelling dat economen en ingenieurs met een compleet andere bril naar de toekomst kijken. De economen zien alleen tekorten: een groeitekort om de noden van de toekomst te leningen, een tekort aan begrotingsoverschotten om de schulden af te bouwen, een tekort aan productiviteit. De ingenieurs daarentegen zien een wereld van overvloed. In het nieuwe digitale en machinetijdperk kunnen 'heel wat diensten op een haast oneindige schaal voor een extreem lage kost aangeboden worden'. Zonne-energie is zo overvloedig aanwezig en tegen steeds lager kost dat een duurzame energievoorziening binnen handbereik ligt. Recyclagetechnologieën en gebruikersapps zetten ons op weg naar een circulaire economie waarin grondstoffen oneindig hergebruikt worden en producten veel efficiënter worden gedeeld en gebruikt. De digitalisering en robotisering brengen ons zoveel nieuwe diensten tegen een zodanig lage prijs dat steeds meer welvaart in het bereik van steeds meer mensen komt.

Die ogenschijnlijke paradox - schaarste versus overvloed - verklaart de auteur door de meetlat waarmee de economen het wel en wee van onze economie meten: het bruto binnenlands product (bbp). Dat bbp meet enkel de in geld uitgedrukte welvaart. Kwaliteitsverbeteringen die geleverd worden aan eenzelfde prijs, gratis opties, gratis internetdiensten voor lering (Wikipedia) of vermaak (YouTube), ze leveren allemaal bijkomende welvaart op zonder dat die in harde munt wordt betaald en tot uitdrukking komt in het bbp. Kijk naar je smartphone. Naast telefoneren, kan je het kleinood ook gebruiken als wekker, fotoapparaat, camera, antwoordapparaat, dictafoon, gps, spelconsole, rekenmachine en noem maar op. Wat hier wordt vastgesteld, is wat klassieke marxistische economen het verschil tussen gebruikswaarde en ruilwaarde zouden noemen.

Volgens Decock is het de échte waarde van producten en diensten en het productieapparaat dat er achter schuilgaat wat telt. De financiële economie die vooral naar schulden, inkomens of beleggingen kijkt, is daar ondergeschikt aan. 'Geld en schulden zijn een transactiemiddel om de vraag en het aanbod in evenwicht te brengen, maar hebben op zich geen waarde', stelt Decock. 'Een pensioen in de toekomst, spaargeld, een loon ... zijn trekkingsrechten op toekomstige geproduceerde toegevoerde waarde. Produceren we in de toekomst veel toegevoegde waarde, dan kunnen we het impliciete sociaal contract naleven, is er weinig toegevoegde waarde, dan heeft mijn trekkingsrecht (hoeveel ik er ook heb) niet veel waarde.' Decock stelt daarbij voor niet alleen oog te hebben voor de financieel meetbare toegevoegde waarde, maar ook van de niet meetbare. Dat staat ons toe pensioenen niet langer uit te drukken in een vast nominaal bedrag, maar in een resultaatverbintenis op levenskwaliteit, in een garantie op kwaliteitsvol wonen, op mobiliteit, enzovoort.

Niet dat Decock klassieke economische groei in termen van bbp onbelangrijk vindt of opgeeft. Economische groei is voor een overheid de enige manier om meer inkomsten te verwerven zonder de belastingen te verhogen, zo stelt de auteur. Geen overbodige luxe als je weet dat de uitgaven toenemen (bijvoorbeeld door de vergrijzing of duurdere geneeskunde) terwijl het steeds moeilijker wordt om aan belastingen te raken. Technologie en globalisering maken het immers veel makkelijker om elders te produceren, terwijl grote platformbedrijven zoals Facebook en Google in het buitenland zitten en de monopoliewinsten daar naartoe zuigen. Bbp als graadmeter voor betaalde producten en diensten in een economie blijft ook relevant omdat een overheid alleen maar op reële financiële transacties belastingen kan heffen en alleen met die ontvangsten schulden kan afbetalen. Een schuldgraad in percent van het bbp blijft dus een goede indicator voor de mate waarin schuld valt terug te betalen. Al blijft ook rond de schuldproblematiek de auteur voor een VOKA-econoom toch een zekere 'coolness' bewaren. Een teveel aan schulden gekoppeld aan een teveel aan spaargeld leidt tot ultralage rentes die de schuldenberg minder problematisch maken.

Voor het opkrikken van dat bbp gaat de VOKA-hoofdeconoom alleszins niet de neoliberale toer op. 'Volledige vrijhandel tussen zeer verschillende landen is niet altijd de belangrijkste voorwaarde om tot maximale toegevoegde waarde te komen'. En nog: 'Wie liberalisering inroept als enige oplossing voor alle uitdagingen, gaat er niet komen. Naïef toegepast kan het er zelfs toe leiden dat we overspoeld worden door buitenlandse producten en we zo het potentieel voor toegevoegde waarde creatie verliezen'. Decock pleit niet voor protectionisme, maar voor een duidelijk industriebeleid dat door positieve maatregelen (opleiding en vorming, een aantrekkelijker investerings- en onderzoeksklimaat) sectoren met veel toegevoegde waarde verankert en het bbp hoger stuwt. Maar een aanhoudende gemiddelde groei van minstens 2% per jaar die in ons klassiek economisch en sociaal model nodig is om pensioenen mee te betalen, banen te creëren en schulden af te bouwen, moeten we er niet van verwachten. Door het alsmaar groter aandeel van de diensteneconomie moeten we leren leven met een beperkte stijging van de productiviteit. Dienstenjobs zijn nu eenmaal moeilijker te automatiseren.

Met alleen de groei van het klassiek bbp gaan we er dus niet komen. Vandaar dus het voorstel om een deel van de financiële verplichtingen in de toekomst - zoals pensioenen of lonen - in niet-financiële toegevoegde waarde moeten omzetten. 'We zullen dus meer beloftes doen in termen van reële koopkracht in plaats van nominale koopkracht', zo stelt Decock. 'De verzekering dat je met een pensioen een aantal diensten en goederen zult kunnen kopen, veeleer dan de verzekering op een vooraf volledig vastgesteld bedrag'. Bij de aan te bieden diensten wordt goedkoop openbaar vervoer vermeld (zonder bestuurder) en een vorm van goedkope basisgeneeskunde, geholpen door de nieuwe technologie van de smartwatch die constant allerlei gezondheidsparameters bijhoudt en analyseert. Gepensioneerden zouden met vouchers voor trein of tram een mobiliteitsgarantie krijgen. Het lijkt wel of VOKA de gratis bussen en de basismobiliteit van Steve Stevaert opnieuw aan het uitvinden is. De nieuwe technologie, zo stelt het boek, maakt dat we positiever moeten kijken naar zaken zoals ongelijkheid. Die wordt vandaag vaak afgemeten aan de hand van statistieken op vlak van inkomensongelijkheid. De 'consumptieongelijkheid', zo stelt echter Groei of schaarste?, is minder groot doordat er de laatste jaren een enorm aanbod gegroeid is aan lowcostformules waardoor mensen met een laag inkomen zich toch heel wat kunnen permiteren. Denk maar aan het aanbod aan discounters, designmeubelen bij IKEA, patentvrije geneesmiddelen en de producten die kunnen worden ontleend in deelsystemen zonder ze te moeten kopen.

Een basisinkomen als oplossing voor het beter verdelen van de voordelen van een hoogtechnologisch productieapparaat, wordt weggeschreven als een 'fausse, bonne idée'. Ten eerste omdat het uitgaat van de verkeerde vooronderstelling dat verdere robotisering en automatisering ons gigantisch veel jobs gaat kosten. Decock bestrijdt dit. Landen die de nieuwste technieken het meest en het snelst oppikken, zo stelt hij, hebben de laagste werkloosheidscijfers. Ten tweede omwille van de onbetaalbaarheid. Zelfs als alle middelen die we vandaag besteden aan pensioenen, werkloosheids- en ziekteuitkeringen worden aangesproken (wat voor velen een achteruitgang is), dan nog moeten we 50 tot 60 miljard euro per jaar extra vinden om een basisinkomen op het niveau van de armoedegrens te garanderen.

In plaats van een basisinkomen, pleit Decock voor een 'negatieve inkomenstaks'. Als werknemers met een heel laag beroepsinkomen van de belastingen geld krijgen in plaats van aan hen te moeten geven, kunnen extra jobs worden gecreëerd voor het uitvoeren van klussen waarvoor een marktmatch vandaag door de te hoge kostprijs ontbreekt. Het bouwt verder op de dienstencheques en de doelgroepkortingen van vandaag.

Groei of schaarste? pakt nog uit met een pak andere 'out of the box'-ideeën. Zo pleit het boek ervoor om de ECB rechtstreeks te laten investeren in (duurzame) infrastructuurprojecten. Dat is beter, zo wordt betoogd, dan de extreem lage rentes of geldinjecties van vandaag. Die leiden vooral tot hogere aandeelhouderskoersen en komen vooral de financiële in plaats van de reële economie ten goede. Geld pompen in infrastructuurprojecten (weliswaar gekoppeld aan macro-economische voorwaarden om budgettaire cadeaupolitiek te vermijden) helpt het productieritme omhoog en doet iets aan de huidige onderbenutting van ons productieapparaat. 'De centrale bank kan dit 'gratis' geld in de economie pompen tot op het punt dat er weer meer kerninflatie ontstaat en de economie weer op normale productiecapaciteit zit'. De ECB laten interveniëren door geld te pompen in infrastructuurprojecten, zo stelt Decock, is beter dan het uitstrooien van helikoptergeld. Dat kan immers evengoed opgepot worden of besteed aan producten die in het verre buitenland worden gemaakt.

Nog uit de ideeënfabriek van Groei of schaarste?: het creëren van woonmaatschappijen waarin je een kapitaalsaandeel opbouwt en waarbinnen je heel gemakkelijk van woning kan veranderen en een woning kan betrekken die aangepast is aan de fase in je leven. Een 'opeethypotheek'. Het afbreken van verouderde villa's en opdeling van grotere kavels in kleinere. De vervanging van het Europees emissiehandelssysteem voor bedrijven door een soort van 'belasting op toegevoegde koolstof' die de consument moet ophoesten, maar meteen ook betaald wordt op vanuit het buitenland (bijvoorbeeld China) ingevoerde producten en waarin ook nog eens de CO₂ van het transport wordt verrekend.

Natuurlijk kunnen we allemaal gevaren beginnen zien in het boek van Stijn Decock. Gaat een negatieve 'inkomenstaks' niet interen op jobs in het regulier circuit? Creëert dat geen bijkomende arbeidsvallen die werknemers in dat regime gevangen houdt? Is het pleidooi voor rechten op niet-financiële toegevoegde waarde geen sluikse manier om verworven (pensioen)rechten af te bouwen of om de koppeling aan de index van lonen en uitkeringen nog eens op de schop te nemen?

Toch moet dit boek tot nadenken stemmen. Wat ben je immers met een gegarandeerd pensioen als door krapte op de woningmarkt of gestegen ontleningsmogelijkheden de woon- en huurprijzen door het dak gaan? Wat hou je nog over op het einde van de maand als je in een slecht geïsoleerd huurhuis je arm betaalt aan energiefacturen? Is het niet verstandig om naast 'pensioenrechten' ook andere rechten op te bouwen zoals het recht op een betaalbare, energiezuinige woning? Kan de overheid hier ook geen gebruik maken van de technologische ontwikkelingen zoals deze van het modulair en passief bouwen dat - indien op grote schaal toegepast - ook aan lage kost moet kunnen?

Basisdiensten in plaats van basisinkomen, zo zou je het boek kunnen samen vatten. Decocks ideeën zijn het waard om verder te bediscussiëren. Dit is geen boek van een neoklassiek of neoliberaal econoom, maar van iemand die buiten de lijntjes durft te kleuren en een andere bril durft opzetten. Zijn relativering van de schuldenproblematiek en voorstel voor ECB-investeringen in infrastructuur doen eerder neo-keynesiaans aan. Het boek is te waardevol om links te laten liggen. Kortom: een aanrader.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 5 (mei), pagina 90 tot 93