Log in

Minder werklozen, meer armoede

De beste bescherming tegen armoede is een vaste job met een voldoende hoog inkomen. Maar een degelijke werkloosheidsverzekering voor wie moeilijk werk vindt of zijn job verliest, is evenzeer onontbeerlijk. Het is een buffer tegen armoede. De discussie over hoeveel bescherming een werkloosheidsverzekering moet bieden, is nooit afgerond. De laatste jaren volgen de reglementaire wijzigingen elkaar in snel tempo op: we zien de werkloosheidscijfers dalen, maar eveneens meer uitsluiting en minder bescherming. Gevolg? Minder werklozen, maar meer mensen die in armoede leven.

In dit stuk werpen we een blik op enkele recente evoluties in de werkloosheidsverzekering.Allereerst gaan we wat dieper in op de werkloosheidscijfers. De regering-Michel pronkt met een aanhoudende daling van de werkloosheidscijfers, maar zijn die cijfers wel een correcte weerspiegeling van de realiteit? Bij de hoeraberichten horen een aantal kanttekeningen, waaronder ook de vele uitsluitingen ten gevolge van de beperking van de inschakelingsuitkeringen in de tijd. In een tweede deel focussen we op het lot van de werkzoekenden die in 2015 werden uitgesloten van uitkeringen. Behalve verstrenging van voorwaarden voor het recht op uitkeringen, wordt er ook ingebroken op het statuut van werklozen. In het derde deel bekijken we hoe het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (het SWT-statuut, of het vroegere brugpensioen) beetje bij beetje wordt afgebouwd. In een laatste deel doen we enkele voorstellen om werkzoekenden beter te ondersteunen, zowel door de creatie van kwaliteitsvolle jobs als door een betere sociale bescherming.

MINDER WERKLOZEN, MEER MENSEN MET EEN JOB?

Sinds 2013 vertoont de werkloosheid in de EU een dalende trend. Dat is goed nieuws. Maar hier horen wel een paar kanttekeningen bij. Om als werkloze beschouwd te worden, volstaat het niet dat je geen werk hebt; je moet ook naar werk zoeken en beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Wie niet aan deze voorwaarden voldoet, wordt beschouwd als 'inactief' (niet als werkloos). Anderzijds wordt al wie tijdens een referentieweek minstens één uur betaald gewerkt heeft, beschouwd als tewerkgesteld. Heel wat mensen die vragende partij zijn om (méér) te werken, vinden we dus niet terug in de werkloosheidsstatistieken.

Verschillende studies pogen ook deze groep in kaart te brengen. Een studie van Eurofound1 wijst uit dat er in 2015 naast de 23 miljoen werklozen nog eens 38 tot 44 miljoen inactieve personen op beroepsleeftijd waren. We stellen bovendien vast dat de groep inactieven tussen 2008 en 2015 sneller aangroeide dan het aantal werklozen (Figuur 1).

Figuur 1. De werkloosheidsgraad versus de inactiviteitsgraad - EU.

| EU | Werkloosheidsgraad (%) | Inactiviteitsgraad (%) |
| --- | --- | --- |
| 2008 | 7,1 | 11,8 |
| 2015 | 9,5 | 14,9 |

Hoewel deze inactieven niet aan de voorwaarden voldoen om als werkloze te worden beschouwd, geven de meesten onder hen aan te willen werken. De grootste groep onder hen zijn onvrijwillig deeltijds werkenden (10 miljoen in 2015, of een vierde van de deeltijds werkenden). Een tweede grote groep (bijna 9 miljoen in 2015) zijn mensen die beschikbaar zijn om te werken, en ook willen werken, maar niet naar werk zoeken. Zij hebben de zoektocht naar werk opgegeven, ontmoedigd door de beperkte jobkansen, meestal omwille van hun leeftijd of hun lange werkloosheidsduur. De cijfers van Eurostat voor 2016 tonen een lichte verschuiving: de groep van potentiële arbeidskrachten is met meer dan 11 miljoen de grootste geworden, terwijl de groep van onvrijwillig deeltijdsen van bijna 9,5 miljoen mensen licht gekrompen is (Figuur 2).

Figuur 2. De werkloosheid in ruime zin in 2016: EU-28.

In België zien we gelijkaardige verhoudingen (Figuur 3). In 2016 waren maar liefst 162.000 werknemers onvrijwillig deeltijds tewerkgesteld (Figuur 4). Meer algemeen is het aandeel van de deeltijdse tewerkstelling in de totale tewerkstelling licht gestegen, van 22% in 2007 tot 25% in 2016.2

Figuur 3. De werkloosheidsgraad versus de inactiviteitsgraad - België.

| BE | Werkloosheidsgraad (%) | Inactiviteitsgraad (%) |
| --- | --- | --- |
| 2008 | 7,0 | 9,4 |
| 2015 | 8,6 | 12,1 |

Figuur 4. De werkloosheid in ruime zin in 2016 - België.

MINDER WERKLOZEN, MEER ARMOEDE

Kijken we naar de werkloosheidscijfers in België, dan kunnen we ook niet heen om de impact van de vele reglementaire wijzigingen de afgelopen jaren. Door de voortdurende verstrenging van de voorwaarden om recht te hebben op uitkeringen zijn heel wat werklozen uit de statistieken verdwenen. Niet omdat hun situatie is veranderd, wel omdat ze geen recht meer hebben op uitkeringen. De inschakelingsuitkeringen zijn hiervan het meest frappante voorbeeld.

De inschakelingsuitkering is de opvolger van de wachtuitkering: ze is bedoeld voor werkzoekenden die onvoldoende gewerkt hebben om recht te hebben op volwaardige werkloosheidsuitkeringen. Het bedrag ligt dan ook een stuk lager dan dat van 'gewone' werkloosheidsuitkeringen. Je krijgt inschakelingsuitkeringen niet zomaar: je moet een jaar werkloos zijn geweest (de zogenaamde beroepsinschakelingstijd, verlengd sinds 1/1/2012), gedurende die tijd actief gezocht hebben naar werk, en je inspanningen moeten tweemaal positief beoordeeld zijn door de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling (invoering Dispo J - jongeren in beroepsinschakeling - sinds 1/8/2013).

In 2012 werd de inschakelingsuitkering voor samenwonenden in de tijd beperkt tot 36 maanden.3 Gezien de termijn van 36 maanden voor al wie inschakelingsuitkeringen ontving op 1/1/2012 begon te lopen, werd de impact pas voelbaar vanaf 1/1/2015. Op dat moment ging ook de verlaging van de maximumleeftijd van 30 naar 25 jaar in. Vanaf 1/9/2015 kwam daar de diplomavoorwaarde voor schoolverlaters jonger dan 21 jaar bovenop.

De RVA maakte een boeiende studie over de gevolgen van deze maatregelen.4 Hierbij werd een onderscheid gemaakt tussen de werklozen die uitstroomden in januari 2015 en deze die later in het jaar uitstroomden. De groep van januari 2015 heeft andere karakteristieken, gezien die de werklozen omvat die al inschakelingsuitkeringen ontvingen vóór de beperking in de tijd van kracht werd, de zogenaamde 'stock'. Een groot deel van hen zijn oudere werklozen en werklozen met een heel lange werkloosheidsduur, die hierdoor verder verwijderd zijn van de arbeidsmarkt.

Tussen 2010 en 2015 is het aantal gerechtigden op inschakelingsuitkeringen gedaald van 206.792 tot 129.228 (-77.564). Verschillende maatregelen hadden een invloed op de instroom en de uitstroom, maar het is duidelijk de beperking van het recht in de tijd die de grootste impact had (59%). Zonder het pakket van maatregelen zou het aantal gerechtigden op inschakelingsuitkeringen hoogst waarschijnlijk met ongeveer 10.000 personen zijn gestegen.

Van de uitstromers in januari 2015 (de 'stock') is 6 maanden na de uitstroom bijna de helft werkzoekend zonder inkomen. Ook van de uitstromers van februari tot december 2015 gaat het nog om ruim een vierde (26,2%). Daarbovenop stroomde van de 'stock' 27% en van de uitstromers van februari tot december 14,9% door naar het leefloon. Voor zover het de bedoeling is om mensen aan het werk te helpen, faalt deze aanpak dus voor 73% van de uitstromers van de 'stock' en voor 50,3% van de latere uitstroom.

Bovendien is ook de instroom met meer dan 45% gedaald (Figuur 5). We hebben geen zicht op het lot van de jongeren die nooit gerechtigd waren op inschakelingsuitkeringen omdat ze niet aan de leeftijds- of diplomavoorwaarde voldeden.

Figuur 5. De daling van het aantal nieuwe intreders (Jaarverslag 2016, RVA). 5

Figuur 6. De evolutie van de uitkeringsgerechtigden in de werkloosheid en de bijstand.

| | Werkloosheid | Bijstand |
| --- | --- | --- |
| Absolute cijfers in duizendtallen | %; basis 2007 | Absolute cijfers in duizendtallen | %; basis 2007 |
| 2007 | 449.0 | 100 | 54.7 | 100 |
| 2008 | 423.4 | 94 | 56.7 | 104 |
| 2009 | 455.0 | 101 | 62.8 | 115 |
| 2010 | 460.7 | 103 | 65.6 | 120 |
| 2011 | 445.4 | 99 | 64.8 | 119 |
| 2012 | 441.4 | 98 | 65.3 | 119 |
| 2013 | 457.8 | 102 | 67.4 | 123 |
| 2014 | 458.6 | 102 | 69.6 | 127 |
| 2015 | 417.4 | 93 | 79.5 | 145 |
| 2016 | 395.2 | 88 | 86.6 | 158 |

MINDER WERKLOZEN, MINDER BESCHERMING

Zoals hierboven voor de inschakelingsuitkeringen werd uitgelegd, worden de toegangsvoorwaarden voor sommige uitkeringen steeds strenger. Tegelijkertijd wordt er ook steeds verder ingebroken in het statuut van werklozen. Dit gebeurt op verschillende manieren: enerzijds worden meer plichten opgelegd waaraan ook sancties worden verbonden, anderzijds wordt geknibbeld aan afgeleide rechten zoals de gelijkstelling voor het pensioen.

Een duidelijk voorbeeld hiervan is het SWT (het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, of het vroegere brugpensioen). Dit stelsel biedt een bijkomende bescherming aan werknemers die op het eind van hun loopbaan worden ontslagen, bijvoorbeeld omdat ze het werk niet meer aankunnen of als gevolg van herstructureringen. Zij ontvangen van de werkgever een aanvulling bij hun werkloosheidsuitkering. Sinds het Generatiepact zijn de leeftijdsvoorwaarden voor SWT stelselmatig opgetrokken. Daarnaast zijn werklozen in SWT sinds 2015 ook onderworpen aan de controle op beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Dankzij een akkoord van de sociale partners werd deze verplichting afgezwakt tot 'aangepaste beschikbaarheid', wat wil zeggen dat ze niet actief moeten zoeken naar werk maar dat een individueel aangepast begeleidingstraject wordt uitgewerkt door de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.

Een vrijstelling van aangepaste beschikbaarheid is mogelijk op basis van leeftijd of loopbaanduur (de voorwaarden verschillen naargelang van het stelsel) maar moet steeds worden aangevraagd. Er is dus (in tegenstelling tot vroeger) geen automatische vrijstelling als je aan de voorwaarden voldoet. Ook de gevolgen van een vrijstelling zijn beperkter dan vroeger: een werknemer in SWT mag, zelfs met vrijstelling van beschikbaarheid, niet méér dan 4 weken per kalenderjaar in het buitenland verblijven, geen nevenactiviteit starten en geen activiteiten meer verrichten die betrekking hebben op zijn eigen bezit, wanneer die activiteiten de waarde van het bezit in een meer dan beperkte mate zouden laten toenemen (lees: hij mag zijn huis niet zelf renoveren).

Daarbovenop wordt nu gemorreld aan het pensioen van werknemers in SWT. In het algemeen stelsel (CAO17) en het stelsel lange loopbanen, worden de SWT-jaren voortaan niet meer gelijkgesteld op basis van het laatst verdiende loon, maar wel op basis van het minimumrecht. Ongeacht het SWT-stelsel worden SWT-jaren niet langer gelijkgesteld zodra een werknemer voor zijn pensioenberekening een loopbaan van 45 jaar heeft. Met andere woorden: werknemers die heel vroeg zijn beginnen werken, worden afgestraft.

Het is dus weinig verwonderlijk dat ook het aantal werknemers in SWT al enkele jaren gestaag afneemt. We hebben geen informatie over in welke statuten deze mensen terechtkomen. Wellicht blijft een deel onder hen langer aan de slag en stroomt een ander deel uit naar vervroegd pensioen (ook al kan dat financieel nadelig zijn), ziekte of gewone werkloosheid.

Figuur 7. Het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT-statuut) in cijfers (exclusief halftijds brugpensioen).

ACTIEPUNTEN VOOR EEN OMMEKEER IN HET BELEID

1/ Alle uitkeringen moeten worden opgetrokken tot boven de armoedegrens

Op 1 september 2017 gingen alle minimumuitkeringen omhoog met 1,7% (minima pensioenen, ziekte- en invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepszieken). In de werkloosheid werd fors extra geïnvesteerd aangezien het armoederisico voor werkzoekenden zeer hoog is. De minima in de werkloosheid werden verhoogd met 3,5% voor gezinshoofden en bevoorrecht samenwonenden, met 2% voor alleenstaanden en met 1% voor samenwonenden. Deze verhoging kwam er als gevolg van een akkoord van de sociale partners over de toekenning van de welvaartsenveloppe.

Dit is nog lang niet voldoende. Een grotere verhoging was mogelijk geweest, ware het niet dat de regering bij de begrotingsbeslissingen in oktober laatstleden de wettelijk verankerde enveloppe eenzijdig verminderde met 40% (of 161 miljoen euro in 2017 en nog eens zoveel in 2018). Het is duidelijk dat de politieke wil om iets te doen aan armoede bij deze regering volledig ontbreekt.

2/ Afgeleide rechten moeten gegarandeerd

Het statuut van uitkeringsgerechtigden moet duidelijk en zeker zijn. Per definitie bevinden zij zich buiten hun wil om in een moeilijke situatie. Zoals hierboven werd beschreven, is het recht op werkloosheidsuitkeringen onderworpen aan tal van voorwaarden en verplichtingen. Wie in aanmerking voor uitkeringen wil komen, moet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en inspanningen doen om werk te vinden. Die inspanningen worden op geregelde tijdstippen gecontroleerd en, als ze onvoldoende worden bevonden, gesanctioneerd. Als dit systeem al een voordeel heeft, dan is het wel dat we met zekerheid kunnen stellen dat wie recht heeft op uitkeringen zich in een niet erg benijdenswaardige situatie bevindt. Er is dan ook geen reden om hen extra te bestraffen, bijvoorbeeld bij de berekening van hun pensioen. Met een loopbaanvoorwaarde van 45 jaar is de gelijkstelling voor het pensioen bovendien nodig als we armoede bij ouderen willen tegengaan.

Overigens is het snoeien in gelijkgestelde periodes voor het pensioen een erg vrouwonvriendelijke maatregel. 'Vrouwelijke' loopbanen vertonen meer periodes van onderbreking maar vooral ook veel meer periodes van deeltijds werk. Enerzijds nemen zij vaker zorgtaken op zich die moeilijk te combineren vallen met voltijds werk, maar anderzijds zijn ze ook oververtegenwoordigd in sectoren waar deeltijdse contracten de regel zijn (distributie, dienstencheques). Ook vandaag, dus mét gelijkgestelde periodes, is bijna de helft van alle vrouwen aangewezen op een pensioen van minder dan 1.000 euro.

3/ Rechten aanpassen aan maatschappelijke realiteit

We stellen vast dat de reglementering, of de interpretatie ervan door de RVA, vaak achterloopt op de maatschappelijke realiteit. Een voorbeeld hiervan is de invulling van het begrip 'samenwoning'. Als meerdere mensen gedomicilieerd zijn op hetzelfde adres, gaat de RVA er in de regel van uit dat zij samenwonenden zijn en stelt ze op basis hiervan de hoogte van de uitkering vast. Nochtans zijn er heel veel samenwoningsvormen waarbij er geen sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. We denken hierbij aan mensen die elk hun kamer hebben in een gemeenschappelijke woning en de kosten van de huur delen, kangoeroewonen, vormen van begeleid wonen voor mensen met een handicap, enzovoort.

Het ABVV behaalde in dit verband recent een belangrijke overwinning. In een rechtszaak tegen de RVA besliste het Hof van Cassatie dat het feit dat de bewoners financieel voordeel halen uit een samenwoning, niet volstaat om vast te stellen dat ze samenwonend zijn in de zin van de werkloosheidsreglementering. Om te spreken van samenwoning is ook vereist dat de bewoners 'taken, activiteiten en andere huishoudelijke aangelegenheden, zoals het onderhoud van de woonst en eventueel het inrichten ervan, de was, de boodschappen, het bereiden en nuttigen van de maaltijden gemeenschappelijk verrichten en daarvoor eventueel financiële middelen inbrengen'.

4/ Een werkgarantieplan voor jonge en langdurige werklozen

De beste bescherming tegen armoede is natuurlijk kwaliteitsvolle tewerkstelling. De regering pronkt met cijfers over bijgekomen jobs. Te veel van die jobs zijn deeltijdse jobs of werk in precaire statuten die weinig zekerheid bieden en slechts beperkt (of helemaal niet) bijdragen aan de sociale zekerheid.

Wij pleiten voor het creëren van kwaliteitsvolle jobs en stageplaatsen. Dit kan bijvoorbeeld door het invoeren van een afdwingbare verplichting voor bedrijven om voldoende kwaliteitsvolle stageplaatsen en werkplekken (duaal leren) te voorzien, en door het beter afdwingbaar maken van de bestaande verplichting inzake startbaanovereenkomsten. Voor werkzoekenden die het verst van de arbeidsmarkt (mensen met een medisch, mentaal, psychisch en/of psychiatrisch probleem) verwijderd zijn, moeten er mogelijkheden worden voorzien voor werkhervatting op vrijwillige basis, bijvoorbeeld via PWA, werk op maat, enzovoort. Daarnaast zijn meer investeringen nodig in onderwijs en begeleiding door de regio's van de zwakste groepen werkzoekenden. Tijdelijke werkervaringen moeten gebeuren onder een beter statuut. Zo zou studentenarbeid onderworpen moeten worden aan de normale sociale bijdragenregeling, en dus ook aanleiding moeten geven tot de opbouw van sociale rechten. Gerichte controles en afdoende sancties moeten onbetaalde stages tegengaan.

Tot slot lijkt het ons aangewezen om grenzen te stellen aan het gebruik van precaire contracten. Er zou een bijzondere werkgeversbijdrage in het leven geroepen kunnen worden die verschuldigd is door bedrijven die disproportioneel veel gebruik maken van precaire contracten (uitzendarbeid, studentenarbeid, flexi-jobs).

REDEN TOT OPTIMISME?

De sociaaleconomische context evolueert gunstiger, en dat biedt kansen. Tegelijkertijd weten we dat een groeiende economie de werkloosheid niet vanzelf zal doen oplossen; er is ook een omkaderend beleid nodig.

De weg die de regering-Michel hierbij kiest, baart ons zorgen. De federale regering zet vooral in op werk voor wie al werk heeft via uitbreiding van overuren, flexi-jobs en nu ook onbelast bijverdienen. Met de regeling die vandaag op tafel ligt voor verenigingswerk, occasionele diensten van burger tot burger en deeleconomie kan iedereen die minstens 4/5 in loondienst werkt 6.000 euro bijverdienen zonder dat er belastingen of sociale bijdragen geheven worden. Het kan niet anders dan dat dit een impact zal hebben op de reguliere tewerkstelling en de financiering van de sociale zekerheid. Daarnaast dreigen verdere precarisering van werklozen en een verstrenging van het beleid in het licht van het toenemende aantal vacatures die niet ingevuld geraken ('wie wil werken, vindt wel werk'). Weinig reden tot optimisme dus.

We moeten als vakbond waakzaam zijn, aan de alarmbel trekken en correcties voorstellen. Waar nodig stappen we naar de rechtbank om het behoud en de versterking van de sociale bescherming af te dwingen.

Noten

  1. Eurofound (2017), Estimating labour market slack in the European Union, Publications Office of the European Union, Luxemburg.
  2. RVA (2017), De werkloosheid in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland volgens drie benaderingen - editie 2016, http://www.rva.be/sites/default/files/assets/publications/Etudes/2017/20170623_Etude_werkloosheid_B_D_FR_NL_3benaderingen_NL.pdf.
  3. Voor andere gezinscategorieën geldt de beperking tot 36 maanden ook, maar begint ze pas te lopen vanaf de 30ste verjaardag.
  4. RVA (2017), Impact van de beperking van het recht op inschakelingsuitkeringen, http://www.rva.be/sites/default/files/assets/publications/Etudes/2017/20170615_Etude_impact_limitation_alloc_insert_NL.pdf.
  5. RVA (2017), De RVA in 2016. Volume 2: indicatoren van de arbeidsmarkt en evolutie van de uitkeringen, http://www.rva.be/nl/documentatie/publicaties/jaarverslag/jaarverslag-2016.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 9 (november), pagina 59 tot 66