Log in

'Wat op het spel staat'

Uitgelezen

Wat op het spel staat

Philipp Blom
De Bezige Bij, Amsterdam, 2017

Vrolijk wordt een mens niet van de lectuur van Wat op het spel staat van Philipp Blom. Maar dat was ook niet de bedoeling van de historicus, zoon van een Duitse vader en Nederlandse moeder. De kiem van het jongste boek werd gelegd in zijn vorige publicatie De opstand van de natuur over de samenhang tussen de verlichting en de kleine ijstijd (afgerond van 1550 tot 1680). In dat boek over de structurele gevolgen van klimaatverandering op de samenleving betoogde Blom dat - anders dan in de kleine ijstijd - de hedendaagse mens perfect weet dat een dramatische klimaatverandering gaande is, maar daar voorts niet naar handelt.

De komende decennia staat onze samenleving ook door de verregaande robotisering onder zware druk. Beide fenomenen luiden het einde van een tijdperk in, aldus Blom: het consumptietijdperk dat steunde op uitbuiting in perifere landen en op een met fossiele brandstoffen aangedreven industrie. ‘In het Westen kan nog geademd worden, omdat de smerigste troep, de ergste verwoesting die de samenleving er produceert, naar de periferie is verbannen, daar waar niemand kijkt. De aardolie heeft een geheel eigen geografie van terreur en burgeroorlogen geschapen, de honger van het Westen vreet zich met de dag dieper de regenwouden in. Maar terwijl palmolie en soja elders alle leven en levensvormen vernietigen, zien de consumenten alleen maar cosmetica en chocola en hamburgers.’

Wat de robotisering betreft, is Blom helder. De gevolgen zullen veel ingrijpender zijn dan in de periode waarin de samenleving aan het digitaliseren sloeg. In die eerste fase konden veel mensen nog overschakelen naar nieuwe en dikwijls zelfs comfortabelere banen. In het tweede tijdperk zal dat niet het geval zijn. Robots zullen mensen vervangen zonder dat er uitzicht is op extra, laat staan fijnere banen. En het zijn heus niet alleen arbeiders of lagere bedienden die voor hun werk moeten vrezen. Blom citeert het hoofd van de afdeling Oncologie van een Weens ziekenhuis. ‘De beste oncoloog is in principe degene die het meest gelezen heeft. Maar de mens kan niet op tegen een systeem dat alle publicaties en studies, alle nieuwe medicijnen en procedures, diagnoses, scans, bloedwaarden en succesvolle behandelingen meteen kan toepassen.’ Volgens dezelfde arts zullen we het straks ook zonder radioloog of apotheker kunnen stellen.

Blom vindt dat wie over de toekomst wil nadenken, één zin uit zijn vocabulaire moet schrappen. Die zin is: ‘Dat kan nooit gebeuren.’ De auteur verwijst naar het 17de eeuwse Spanje dat niet afdoende reageerde op de kleine ijstijd en in een eeuwenlange neerwaartse spiraal terechtkwam. Hij citeert encyclopedist Denis Diderot die de stoommachine in het midden van de 18de eeuw nog een speelgoedje zonder veel betekenis noemde. Hij heeft het over Weimar als opstap naar het nazisme en over de val van het Romeinse Rijk. ‘De gedachte dat alles is zoals het is omdat het niet anders kan, doet elke poging na te denken over alternatieven teniet. (..) Het is destabiliserend maar ook bevrijdend om van het tegendeel uit te gaan. Niets aan de tegenwoordige situatie is natuurlijk en noodzakelijk, niet het beroemde democratische bestel, niet het bestaan van mensenrechten, niet de klimaatverandering of de digitalisering van de menselijke arbeid, niet de stijging van de levensstandaard en de levensverwachting in veel landen, niet het idee dat een samenleving kan worden geleid als een bedrijf.’

Voor Blom zijn mensen primaten die verhalen over zichzelf vertellen. En na het verhaal van het consumentisme, is het tijd voor een ander verhaal. Want ‘samenlevingen zijn niet noodzakelijk geworden zoals ze zijn. Ze worden ook bewust beïnvloed en gevormd.’ Zoals dat met de consumptiemaatschappij het geval was. Die is na de Eerste Wereldoorlog bedacht en na de Tweede Wereldoorlog vormgegeven. ‘We maken van de consumptie de inhoud van ons leven’, schreef Victor Below in 1955.

Tussen 1945 en de val van de Muur in 1989 functioneerde die consumptiemaatschappij in de westerse landen ogenschijnlijk uitstekend. Consumptie groeide in die periode uit tot een nieuw ritueel in een samenleving die haar wonden likte na twee wereldoorlogen, de gruwel van het nazisme en gold als symboliserend tegenwicht voor de desastreuze planeconomie in de Sovjet-Unie. Na de ineenstorting van het communistische Oostblok leek het er even op of Francis Fukuyama gelijk had met zijn ‘Einde van de geschiedenis’. De democratie en de vrije markt hadden gezegevierd en zouden voortaan exportproducten van in de eerste plaats de Verenigde Staten worden. Irak bewees dat het zo vlot niet zou lopen en snel bleek dat toch vooral de markt moest worden uitgebreid - en die gedijt ook wonderwel in autoritaire of dictatoriale regimes.

De bankencrisis en de daarop volgende financiële crisis was een andere mijlpaal. Spaarders en overheid mochten financieel opdraaien voor het wanbeleid van bankiers, van wie er geen enkele de gevangenis in draaide, en die snel opnieuw hoge bonussen mochten opstrijken. ‘We onderschatten de emotionele en morele kracht ervan.’ De angst zit iedereen op de hielen, de gedachte dat de toekomstig rooskleurig zal zijn, verdwijnt uit de samenleving. De hoop is weg. Er ontstaat een nieuw proletariaat. ‘Tegenover die kleine, maar invloedrijke laag van door de consumptie gestreste brand-shoppers, theaterbezoekers en stadsbewoners staat een groeiende massa arbeiders en jobbers, die weliswaar toegang hebben tot goedkope consumptiegoederen, maar die reeds lang begrepen hebben dat ze zijn uitgesloten van de bordenwassersdroom over een miljonairsbestaan.’ Blom geeft de pessimisten geen ongelijk: ‘Het is moeilijk hoopvol te zijn als hoop dom lijkt.’ En: ‘Welke rationele mens kan indachtig die situatie serieus in een betere toekomst geloven? Het succes van onze samenleving is afhankelijk van de groei van de economie, die alleen door consumptie en het onverzadigbare, immorele gebruik van hulpbronnen gaande te houden is, en dit betekent dat elke verandering een verslechtering zal zijn.’

Bijgevolg klampen we ons vast aan het verleden en het heden en laten we het na een nieuw verhaal over onszelf te schrijven. Toch is dat broodnodig. De meeste mensen geloven niet meer in de American Dream en velen hebben, terecht, het gevoel dat ze er niet meer toe doen. Het systeem heeft gefaald en het dreigt helemaal op de klippen te lopen. ‘Democratie is geen natuurtoestand, geen historische noodzaak.’ Democratie met algemeen stemrecht is een jong en kwetsbaar westers fenomeen, zeker in economisch turbulente tijden. ‘De traagheid van samenlevingen die geheel op het behoud van hun status zijn gefixeerd is niet verenigbaar met de dynamiek van de mondiale transformatie en wil dat ook niet zijn. Stel je voor, het is geschiedenis, niemand heeft daar zin in.’

Wat gedaan? De lat ligt hoog: een nieuwe economie zonder fossiele brandstoffen, een samenleving waarin arbeid een beperkte rol speelt en het debat over herverdeling van de rijkdom cruciaal is, een nieuwe democratie. Vraag is dus of een per definitie trage democratie zo’n transitie aankan. En of er politici zijn die aan hun kiezers durven te vertellen dat we allemaal armer worden. We moeten durven hopen, ‘desnoods tegen alle pragmatische evidentie in’, schrijft Blom. ‘Pessimisme van de ratio, optimisme van de wil’, wist Gramsci. De auteur besluit: ‘Tegelijkertijd heb ik nog nooit een boek geschreven dat me zoveel hoop gaf dat mensen er over dertig of veertig jaar hartelijk moeten om lachen, als een grappig voorbeeld van waar mensen zich maar één generatie geleden zorgen over maakten.’ Het zal wel, maar van alles wat aan die optimistische conclusie voorafgaat, wordt een mens toch niet bepaald vrolijk. Ook niet van de laatste zinnen van Blom. ‘Wat op het spel staat? Alles.’

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 10 (december), pagina 82 tot 84