Log in

Op zoek naar een derde weg

Duitse sociaaldemocraten varen eigen koers

Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie beschouwden vele sociaaldemocraten het Duitse zogenaamde Rijnlandmodel als een aanvaardbare vorm van kapitalisme. Het onderscheidde zich van het Brits-Amerikaanse kapitalisme door een stabielere werkgelegenheid, gulle sociale voorzieningen en een betere scholing van de werknemers. Vandaag geeft de sociaaldemocratische regering van bondskanselier Schröder dat model een nieuwe invulling.

De sterke positie op de arbeidsmarkt van de vakbonden leidde aanvankelijk tot hogere lonen en geringere loonverschillen dan in landen met een uitgesproken kapitalistische structuur zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De lonen werden namelijk per sector vastgesteld door collectieve overeenkomsten tussen de ondernemersgroeperingen en de vakbonden. Deze laatste droegen er zorg voor dat aan al hun leden, ook de minder geschoolden, een aanvaardbare levensstandaard werd gewaarborgd.
Dankzij de hoge kwaliteit van hun producten konden de meeste Duitse ondernemingen ondanks hun hogere lonen en sociale lasten mededingen met hun Amerikaanse, Britse en Japanse concurrenten. Hun winstmarges waren evenwel in de regel lager dan die van hun Amerikaanse bedrijven. Het nodige kapitaal werd hun overwegend verstrekt door banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, waarmee ze door kruisbeleggingen nauw verbonden waren. De leiding van deze financiële ondernemingen hechtte meer belang aan hun machtsposities in de industrie dan aan het rendement van hun beleggingen en nam daarom vrede met matige dividenden en interesten. De hoge spaarquote van de Duitse gezinnen droeg er toe bij dat deze financiële instellingen genoeg deposito’s ontvingen om hun financiële operaties te waarborgen.

Rijnlandmodel in de problemen

In de loop van de jaren negentig kwam door de economische mondialisering het Rijnlandmodel in de problemen. De financiële instellingen, die tot dan toe hun beschikbare middelen in Duitse bedrijven hadden belegd, keken uit naar meer rendabele beleggingen in het buitenland. Het werd voor de bedrijven moeilijker om hun operaties te financieren. Sommige wendden zich tot de beurs, maar in tegenstelling tot de Amerikanen bleken de Duitsers vooral te streven naar zekerheid en belegden hun spaarcenten hoofdzakelijk in spaarrekeningen en obligaties. De mogelijkheden tot het opnemen van kapitaal door de uitgifte van aandelen bleven beperkt.
De Duitse industriële ondernemingen zochten aan de druk van de hoge lonen, sociale lasten en belastingen te ontsnappen door de overplaatsing van een deel van hun operaties naar lageloonlanden. Uit een enquête uitgevoerd in 1998 door het DIHT (Deutsche Industrie und Handelstag) bleek dat minstens een op vijf Duitse firma’s van plan was in de volgende drie jaar een deel van haar productie te delocaliseren. Per jaar zouden daardoor ongeveer 40.000 arbeidsplaatsen verloren gaan.1 ** **

Werkloosheid

De tragere industriële ontwikkeling in Duitsland dan in de Angelsaksische landen, gekoppeld aan het stelselmatig uitsparen van arbeidskrachten door informatisering van de producties en het delocaliseren van arbeidsintensieve operaties naar lageloonlanden, hadden een geleidelijke stijging van de werkloosheid tot gevolg. In West-Duitsland bereikte ze op het einde van 1997 elf procent van de actieve bevolking. In de voormalige DDR was ze veel hoger. Bijna twintig procent van de actieve bevolking was er werkloos.2
Bondskanselier Helmut Kohl had na de val van de muur aan de Oost-Duitsers beloofd in de loop van de volgende vier jaar hun lonen op te trekken tot het peil van de West-Duitse lonen. Hij rekende erop dat na de privatisering van de overheidsbedrijven de nieuwe eigenaars ze zouden heruitrusten en reorganiseren. De productiviteit van de Oost-Duitse arbeiders zou dan het peil bereiken van hun West-Duitse collega’s. De West-Duitse ondernemers hadden evenwel slechts belangstelling voor de overname van de meest rendabele Oost-Duitse overheidsbedrijven. Ondanks de subsidies verleend door de Duitse staat vonden veel Oost-Duitse ondernemingen geen koper en werden gesloten. Dat leidde niet alleen tot hoge werkloosheid maar ook tot het versluizen van overheidsgeld van het westen naar het oosten om de Oost-Duitse deelstaten toe te laten de nodige economische en sociale voorzieningen te betalen.

Belastingen

Een superbelasting op de West-Duitse inkomens bezorgde de nodige geldmiddelen. De Duitse Bondsrepubliek werd hierdoor een van de Europese landen met de hoogste belastingsdruk. In 1996 legde de overheid er beslag op 49 procent van het Bruto Binnenlands Product, tegen 41,9 procent in Groot-Brittannië, 36,2 in Japan en slechts 33,3 procent in de Verenigde Staten, de drie belangrijkste concurrenten van Duitsland.3 Ondanks deze fiscale inspanning nam de overheidsschuld geleidelijk toe. In 1991 vertegenwoordigde ze 41,5 procent van het BBP. In 1998 was ze opgelopen tot 61,1 procent.4
De Duitse industriëlen kloegen over de hoge sociale lasten en de zware belastingsdruk, die hun concurrentiepositie ten opzichte van de andere grote industrielanden ondermijnde. In 1998 bedroeg in Duitsland de som van de sociale lasten en de inkomensbelasting op de lonen 52 procent van de globale loonkost. Van alle Europese landen overtrof alleen België dat percentage, namelijk met 56 procent. De loonlasten waren veel lager in Groot-Brittannië (31 procent), de Verenigde Staten (30 procent) en Japan (20 procent). De angst voor sluiting van ondernemingen zette de vakbonden ertoe aan hun looneisen te matigen, wat leidde tot wrijvingen met hun leden.

Verkiezingen

De misnoegdheid nam overal geleidelijk toe. De Oost-Duitsers voelden zich tweederangsburgers aangezien de meeste leidende posities in het bedrijfsleven nu werden ingenomen door West-Duitsers. In de vroegere Bondsrepubliek groeide het verzet tegen de afvloeiing van overheidsgeld naar de gewezen DDR. Niemand voorzag een vlug einde van deze aderlating, want de Duitse industriëlen verkozen te investeren in lageloonlanden zoals Polen en Tsjechië, veeleer dan in de vroegere DDR met haar hoge lonen. De grote massa van de bevolking was Der Dicke beu. De partij van Kohl, de CDU, en haar Beierse bondgenoot de CSU leden bij de verkiezingen van 27 september 1998 een zware nederlaag. Ze behaalden slechts 35,1 procent van de stemmen. Hun vertegenwoordiging in de Bundestag daalde van 294 tot 245 leden. De SPD werd de grootste partij met 40,9 pct van de stemmen en 298 zetels. De Groenen, de liberale FDP en de gewezen communisten van de PDS verwierven respectievelijk 47, 43 en 36 zetels. Een coalitieregering van de SPD met de Groenen beschikte voortaan over een meerderheid in de Bundestag. Van dergelijke regering werd verwacht dat ze door een nieuw beleid het economisch herstel in de hand zou werken en een daling van de hoge werkloosheid zou verwezenlijken.

Nieuw kabinet

In de SPD waren er meerdere kandidaten voor het kanselierschap. Na de overwinning van Schröder in de verkiezingen voor de Landtag van Nedersaksen besloot de leiding van de partij hem voor te dragen als de kandidaat van de SPD.5 Het Startprogramma van de SPD voorzag voor de families een belastingsvermindering met 2.500 DM per jaar en een verlaging van de heffing op de bedrijfswinsten tot 35 procent. Ze zouden evenwel een aantal plaatsen voor de opleiding van jongeren moeten ter beschikking stellen of een speciale belasting betalen. De SPD beloofde bovendien de pensioenen, die de vorige regering had verlaagd, terug op te voeren tot het oude peil.
Het was niet erg duidelijk hoe de nieuwe regering al deze beloften zou honoreren, gezien de benarde toestand van de overheidsfinanciën. De leiders van de vakbonden waren tevreden met die voorstellen, maar de voorzitter van het verbond van de Duitse industrie verweet de SPD overmatige uitgaven te plannen waarvoor naderhand het bedrijfsleven zou moeten opdraaien.6 De coalitie van de SPD en de Groenen kwam vrij vlug tot stand. De voorzitter van de SPD, Oscar Lafontaine, werd aangesteld als Minister van Financiën. Hij wou de hoge werkloosheid afbouwen door een combinatie van twee dingen. Ten eerste door het aanbod aan arbeid te verbeteren, met meer mogelijkheden tot technische vorming en herscholing. Ten tweede door met een verlaging van de inkomensbelastingen de vraag naar goederen te vergroten. Hogere milieuheffingen (onder meer op benzine) zouden er voor zorgen dat het
overheidstekort niet toenam.
Bondskanselier Schröder vreesde dat een dergelijk beleid de delocaliseringen en de kapitaaluitvoer in de hand zou werken en wou een bedrijfsvriendelijker politiek. Hij zette door dat Jost Stollmann, een jonge ondernemer die in de computerbranche fortuin had gemaakt en niet tot de SPD behoorde, het Ministerie van Economie kreeg toegewezen. Lafontaine reageerde door een uitbreiding van zijn bevoegdheden als Minister van Financiën te eisen zodat hij alleen het hele macro-economisch beleid zou bepalen. Stollman zou niet zetelen in Ecofin, de Europese Ministerraad voor Ministers van Economie en Financiën. Daarop nam Stollman ontslag en stelde Schröder Werner Müller aan als Minister van Economie. Hij was een gewezen manager van een elektriciteitsmaatschappij.

Wantrouwen

Deze moeilijkheden verwekten wantrouwen in ondernemerskringen. Men vroeg zich af, wie het industrieel beleid zou bepalen, Schröder of Lafontaine.7 Toen Lafontaine in februari 1999 zijn begroting voor dat jaar aan de Bundestag voorlegde, was het hekken van de dam. Die begroting voorzag in een verlaging van de belastingen op de laagste inkomens. De vennootschapsbelasting werd niet verminderd tot 35, maar slechts tot 40 procent. Bovendien werden met ingang van 1 april 1999 ecotaksen voorzien op benzine, gas en elektriciteit, die uiteraard vooral de bedrijven zouden treffen. Voor de komende drie jaren plande Lafontaine verdere verlagingen van de belastingen voor de gezinnen, maar geen vermindering van de vennootschapsbelasting.8 De rechtse Duitse pers viel stelselmatig Lafontaine aan. Toen hij vanwege Schröder slechts zwakjes werd gesteund, nam hij op 11 maart 1999 ontslag als Minister van Financiën, lid van de Bundestag en voorzitter van de SPD.
Ondertussen hadden op 7 februari 1999 in Hessen Landtagsverkiezingen plaatsgehad, waarbij zowel de SPD als de Groenen verlies leden. De regering van deze deelstaat werd een coalitie van de CDU en de FDP. Hierdoor verloor de SPD haar meerderheid in de Bundesrat. De leden van deze instantie worden namelijk benoemd door de regeringen van de verschillende deelstaten. Aangezien de meeste door de Bundestag goedgekeurde wetsontwerpen moeten worden goedgekeurd door de Bundesrat, is het voor de regering vervelend indien ze in die raad niet over een meerderheid beschikt.
Door de Bundesrat verworpen wetsontwerpen worden besproken in een Vermittlungsausschuss met evenveel leden van de Bundestag als van de Bundesrat. Deze commissie werkt een compromis uit. Een regering die niet beschikt over een meerderheid in de Bundesrat moet dus regelmatig toegevingen doen aan de oppositie. De slechte uitslag van de verkiezingen in Hessen had dus de positie van Schröder verzwakt. Blijkbaar was het vertrouwen in de coalitie van de SPD en Groenen bij een deel van de bevolking verloren gegaan.

Aansluiting bij New Labour

Lafontaine werd op 15 april 1999 opgevolgd door Hans Eichel, die als ministerpresident van Hessen daar de verkiezingen had verloren. Dat hield een belangrijke ruk in naar rechts, want Eichel wou niet horen van een Keynesiaans beleid. Hij stelde zich tot doel in de eerste plaats de begroting in evenwicht te brengen. Schröder trachtte ondertussen de programmapunten waarover hij het met Lafontaine eens was, te realiseren op het Europese vlak. Hij wou vermijden dat de Duitse bedrijven door de opgelegde lasten zouden benadeeld zijn ten opzichte van hun Europese concurrenten. Door gebruik te maken van het Duits voorzitterschap van de Europese Ministerraad van 1 januari tot en met 30 juni 1999 zou hij een harmonisering van de belastingen doordrukken, een Europees milieubeleid realiseren en een Europese politiek van tewerkstelling op gang brengen.9
Vele socialisten uit de diverse lidstaten hoopten dat Schröder in zijn opzet zou slagen, maar hij botste op de weerstand van vooral de Britten, die van een harmonisering van de belastingen niet wilden horen en niets voelden voor een uitbreiding van de bevoegdheden van de EU-Commissie. In de hoop de Britse socialisten te overtuigen tot meer samenwerking zocht Schröder toenadering tot Blair. Op 8 juni 1999 publiceerden ze samen een pamflet dat gericht was aan alle Europese sociaaldemocratische partijen en waarin de principes van Blairs Third Way (in het Duits aangeduid als Die Neue Mitte) werden uiteengezet. Dat pamflet werd evenwel door de meeste leden van de SPD slecht onthaald.
Het gaf de indruk dat Schröder volledig wou breken met de traditionele Duitse sociaaldemocratie en zoals Blair de tussenkomst van de overheid in het bedrijfsleven zoveel mogelijk zou beperken. Dat ging in tegen de Duitse traditie dat de staat, de deelstaten en de gemeenten instaan voor het beheer van vele dienstverlenende ondernemingen en participaties bezitten in privébedrijven. Op haar beurt waarborgt die traditie een grotere stabiliteit van betrekking aan het personeel van die ondernemingen.

Verraad

Bij de Europese verkiezingen van 13 juni 1999 leed de SPD een zware nederlaag. Schröders positie binnen de SPD verzwakte verder toen Hans Eichel op 25 augustus 1999 uitpakte met zijn voorstel voor een aangepaste begroting voor 1999 en zijn plannen voor de begrotingen van de volgende jaren. Voor 1999 wou hij de overheidsuitgaven verminderen met 30 miljard DM en voor de komende drie jaren telkens met 150 miljard DM.
De staatspensioenen zouden niet langer worden aangepast aan de stijging van de lonen, maar slechts evenredig toenemen met het indexcijfer van de consumptieprijzen. De huursubsidies aan de lagere overheden, toegekend met het oog op de sociale huisvesting, zouden worden afgeschaft en alle ministeriële begrotingen worden verlaagd met 7 procent. De belastingsvoeten op de inkomsten van de gezinnen bleven behouden maar de vennootschapsbelasting zou dalen van 53 tot 45 procent en naderhand worden afgebouwd tot 25 procent.10
Vele aanhangers van de SPD beschouwden dat project als een verraad aan de socialistische idealen. Toen er in september verkiezingen waren voor de vernieuwing van de parlementen van Brandenburg, Saarland, Saksen-Anhalt en Thüringen, bleven ze thuis en waren de uitslagen voor de SPD rampzalig. De CDU was de grote overwinnaar in drie deelstaten en de PDS won in Saksen-Anhalt tweemaal zoveel stemmen als de SPD. In de Bondsraad bezaten de regeringspartijen nog 26 zetels tegen 28 voor de oppositie. Vijftien afgevaardigden van deelstaten met regeringscoalities van de SPD met een van de oppositiepartijen zouden zich bij stemmingen in de regel onthouden.

Tussen socialisme en kapitalisme

Na die verkiezingen begreep Schröder dat hij de New Labour-politiek vaarwel moest zeggen en meer aansluiting zoeken bij het traditioneel Duits sociaaldemocratisch beleid. Het begrotingsproject van Eichel werd zo gewijzigd dat het aanvaardbaar was voor de linkervleugel in de SPD en ook in de Bundesrat op geen heftige oppositie zou stuiten van de CDU en de FDP. Er werd uitgegaan van de noodzaak de overheidsschuld geleidelijk af te bouwen en daartoe de overheidsuitgaven onder controle te houden. De subsidies aan de steenkolenmijnen, de landbouw, de scheepswerven en de sociale woningbouw zouden geleidelijk worden afgebouwd.
De belastingen op de inkomens van de gezinnen zouden in twee fasen verlaagd worden. Vooral de personen met de laagste inkomens zouden minder belasting moeten betalen. Op de hoogste inkomens zou nog 48,5 procent worden geheven. De vennootschapsbelasting zou vanaf volgend jaar verlaagd worden tot 25 procent. De in het project van Eichel voorziene ecotaksen op de brandstoffen, olie en elektriciteit werden wel behouden. Ook Eichels project om de last van de overheidspensioenen te verminderen werd overgenomen. Een deel van de opbrengst van de ecotaksen zou evenwel aangewend worden om de laagste pensioenen te verhogen.

Ruk naar links

Kort daarop kreeg Schröder de gelegenheid om te tonen dat het hem ernst was met zijn poging om een nieuw en meer links gericht beleid uit te werken. De grote Duitse bouwonderneming Philipp Holzmann zou wegens grote verliezen in vereffening gaan, met een mogelijk verlies van 3.000 arbeidsplaatsen tot gevolg. Schröder ontbood de zaakvoerder Manfred Binder bij zich en samen werkten ze een plan uit om het bedrijf van de ondergang te redden. De banken werden onder druk gezet om 1 miljard DM ter beschikking te stellen om de lopende uitgaven te dekken. Er werd een kapitaalsverhoging voorzien van 1,3 miljard DM naast de verkoop van immobiliën voor eveneens 1,3 miljard DM. Dat zou toelaten alle schulden te vereffenen en 700 miljoen DM over te houden voor het afwerken van alle opdrachten.
Het plan werd heftig bekritiseerd door Olaf Henkel, hoofd van de Duitse industriefederatie BDI. Hij wees overheidstussenkomst om failliete bedrijven te redden af als een verstoring van het principe van de vrije mededinging. Ook de middenstandsverenigingen protesteerden, maar bij de vakbonden werd gejuicht. Op het congres van de SPD begin december 1999 beloofde Schröder dat de regering telkens zou tussenkomen als een bedrijf leefbaar was in de vrije markt maar door wanbeheer dergelijke grote verliezen had geleden dat het met faillissement werd bedreigd. De regering zou ook niet dulden dat Duitse bedrijven door vijandige take-overs in handen kwamen van buitenlandse kapitalisten.11
De politiek van Blairs derde weg werd verlaten. De Duitse regering bereidt nu een wetsontwerp voor dat vijandige overnames van bedrijven moet bemoeilijken. De Groenen en de vakbonden dringen erop aan dat voortaan de overgenomen aandelen moeten worden betaald in contanten en niet met aandelen van de overnemer. Dat zou de meeste overnamepogingen onmogelijk maken. Schröder wenst, in overeenstemming met de richtlijn ter zake van de Europese Unie, de overname van bedrijven niet nutteloos te bemoeilijken. Wel zouden de overnemers de belangen van de werknemers moeten ontzien. Ze zouden onder meer garanties moeten leveren dat geen uitverkoop van het overgenomen bedrijf plaatsvindt, want dat leidt meestal tot een verlies aan arbeidsplaatsen. De wet zal ook de mogelijkheden beperken om de gewezen beheerders om te kopen door voor hen een overmatige gouden handdruk te voorzien.12

Versoepelde immigratiepolitiek

Na deze duidelijke ruk naar links tracht Schröder evenwel de zakenwereld opnieuw goed te stemmen door een versoepeling van de immigratiepolitiek. De werkgevers klagen erover dat 300.000 plaatsen voor geschoolde arbeidskrachten onbezet blijven. De vakbonden dringen aan op een modernisering van het onderwijs en uitbreiding van de mogelijkheden tot herscholing. Schröder ziet evenwel in dat de meeste werklozen zich niet kunnen omscholen voor de vele gespecialiseerde taken waarvoor geschikt personeel ontbreekt. Zijn eerste voorstel is 10.000 vreemdelingen met informaticakennis in Duitsland toe te laten. Vooral in Indië zouden er heel wat te vinden zijn.
Daarmee zou Duitsland dezelfde politiek voeren als de Verenigde Staten en Canada, waarbij slechts immigranten worden toegelaten die kunnen bijdragen tot de nationale welvaart. Hij vindt steun bij de Duitse liberalen en ook de Groenen zijn niet afkerig van een dergelijk beleid. Alleen mag het volgens hen niet leiden tot een beperking van het asielrecht voor politieke vluchtelingen.13 Gezien de vele dictatoriale regimes in ontwikkelingslanden is het evenwel moeilijk dit asielrecht integraal te behouden als men de immigratie drastisch wil beperken.

Naar een nieuw Rijnlandmodel?

De huidige crisis in de CDU geeft Schröder wat ademruimte. De SPD won in februari met 41,6 procent van de stemmen bij de Landdagverkiezingen in Sleeswijk-Holstein en zal waarschijnlijk in mei ook bij de verkiezingen in Noordrijn-Westfalen als overwinnaar uit de bus komen. Schröder krijgt tijd om een nieuw derde-wegbeleid uit te werken. Dat zal, zoals het traditionele model, in de eerste plaats steunen op regelmatig overleg tussen de regering, de ondernemersverenigingen en de vakbonden over het te voeren beleid inzake lonen, sociale lasten en overheidssubsidies.
Bedoeling van het overleg is dat de lonen niet meer stijgen dan de arbeidsproductiviteit en dat er meer opleidingsmogelijkheden worden geboden aan schoolverlaters. De toename van de arbeidsproductiviteit wordt voor dit jaar geschat op 2,6 procent. Dat laat dus slechts een beperkte loonsverhoging toe. In de chemische sector kwam recent een overeenkomst tot stand om de lonen van 580.000 werknemers te verhogen met 2,2 procent en volgend jaar nogmaals met zoveel. De bedrijven uit die sector zullen tien procent meer plaatsen voor schoolverlaters ter beschikking stellen. In de metaalindustrie eist de vakbond 5,5 procent loonsstijging, maar ze zal waarschijnlijk met minder genoegen moeten nemen.

Rood met groen of blauw

Het door Schröder voorgestelde beleid inzake immigratie werd door de meeste lidstaten van de EU op de top in het Finse Tampere bijgetreden. Ook op dat gebied is er een positieve ontwikkeling. Het milieubeleid blijft een heet hangijzer omdat in de partij van de Groenen regelmatig verzet opborrelt tegen het regeringsplan om de atoomenergie slechts in de loop van dertig jaar af te bouwen. De leiding van deze partij is er op haar congres van midden maart in geslaagd een meerderheid te bekomen om de coalitie met de SPD voort te zetten.14 Mocht de coalitie toch uiteenvallen, dan is de kans groot dat de FDP de plaats van de Groenen wil innemen. In deze partij gaan stemmen op om de samenwerking met de CDU-CSU stop te zetten. De crisis in de CDU doet kiezers afvloeien naar de FDP, waardoor die partij na de volgende parlementsverkiezingen wellicht een volwaardige partner zou worden voor de SPD.
Een dergelijke partnerwissel zou evenwel een ruk naar rechts inhouden, want de FDP verdedigt vooral de belangen van de begoede klassen. Of Schröder een dergelijk experiment wil wagen, is moeilijk te voorspellen. Zolang de Groenen geen overmatige eisen stellen, zal hij waarschijnlijk verkiezen de huidige coalitie voort te zetten. Blijft evenwel de vraag of het matige milieubeleid de Groenen geen stemmen zal kosten. Dat zou na de verkiezingen van 2002 de meerderheid met de SPD in de Bondsdag in gevaar kunnen brengen. Bovendien is een vrij vlug herstel van de CDU niet uitgesloten. De weerslag van politieke schandalen op de verkiezingen is in de regel van tijdelijke aard. Ondanks de huidige sterke positie van de sociaaldemocraten blijft de toekomst van het nieuw Rijnlandmodel bijgevolg vrij onzeker.

Noten
1. Die Welt, 14 december 1999, p.1.
2. The Economist
, 6 februari 1999, p.9.
3. The Economist, 20 september 1997, p.11.
4. Wirtschaft und Statistik
, mei 1999, pp.417-421.
5. Lafontaine, O., Das Herz schlägt links. München: Econ Verlag 1999.
6. Frankfurter Allgemeine Zeitung, 21 augustus 1998, p.2.
7. The Economist
, 6 februari 1999, p.9.
8. Keesings Historisch Archief, juni 1999, p.329.
9. El País
, 11 november 1998, p.2.
10. Keesings Historisch Archief, oktober 1999, p.592 en _Frankfurter Allgemeine Zeitung, 28 december 1999, p.15.
11. Financial Times, 8 december 1999, p.1.
12. Frankfurter Allgemeine Zeitung
, 11 maart 2000, p.13.
13. Die Welt, 4 maart 2000, p.3.
14. Frankfurter Allgemeine Zeitung
, 20 maart 2000, p.1.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (mei), pagina 14 tot 20