Abonneer Log in

Derde Weg in Europa

Europese sociaaldemocratie op het einde van de twintigste eeuw

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 6 (juni), pagina 21 tot 28

Begin jaren tachtig voorspelden sommige sociologen het einde van de sociaaldemocratie. Toch moeten wij vandaag vaststellen dat zij over Europa regeert. Wolfgang Merkel vraagt zich wel af of de huidige Derde Weg een zuiver sociaaldemocratisch beleid is en of zij niet bij het neoliberalisme aanleunt. Hij gaat ook in op de mogelijke gebreken van enkele Europese modellen.

De metafoor van de ‘derde weg’ vergezelt de sociaaldemocratie al sinds de jaren twintig. Zij werd voor het eerst gebruikt door de Oostenrijkse marxisten en dook ook op bij de oprichting van de Socialistische Internationale in 1951. Het begrip stond altijd voor een derde weg tussen kapitalisme en communisme. In de jaren negentig waren de adviseurs van de Amerikaanse president Bill Clinton de eersten om weer van een ‘derde weg’ te spreken. Bij de sociaaldemocraten vulden Tony Blair en Anthony Giddens de term in 1998 aan met vernieuwde strategieën en programma’s. De Britse premier en zijn raadgever willen van de Derde Weg hét hervormingsproject maken voor de Europese sociaaldemocratie in de eenentwintigste eeuw. Vandaag leidt die weg niet langer tussen kapitalisme en communisme maar wel langs het smalle pad tussen radicaal neoliberalisme en de oude geleide sociaaldemocratie.
Vooraleer ik de politieke ideeën vergelijk van de sociaaldemocraten in het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Frankrijk en Zweden in een Europese context, wil ik ingaan op de verhouding tussen politieke programma’s en het politieke bedrijf. Volgens Jon Elster staan gewoonlijk minstens twee filters tussen de principes, doelstellingen en beleidsvoorstellen van een partijprogramma en zijn verwezenlijking. Zij beïnvloeden niet alleen de eigenlijke politieke beslissingen en resultaten, maar worden ook dikwijls in rekenschap gebracht bij de formulering van strategieën en programma’s. Wij kunnen de eerste filter de structurele filter van het politieke bedrijf noemen. Hij bestaat zowel uit de middelen waarover een partij beschikt om haar doelstellingen uit te voeren als uit de beperkingen die dat bemoeilijken.

Structuur en keuze

Voor een groot deel structureert deze eerste filter het politieke actieterrein en definieert hij de corridors die voor de politieke actoren openstaan. De voorstelling en beoordeling van deze filter bepalen het strategische blikveld van politieke actoren. Binnen deze grenzen staat dus maar een beperkt aantal opties voor hen open, waaruit zij in een tweede filteringsproces hun keuze maken. Dat tweede proces wordt meer bepaald door de interactie van strategieën en politieke belangen dan door normatieve overwegingen. Het wordt in grote mate beïnvloed door wedijver en samenwerking tussen relevante politieke actoren, vooral regeringen, partijen, organisaties, commerciële belangengroepen en de media. Terwijl de eerste filter ‘structuur’ vertegenwoordigt, staat de tweede voor ‘keuze’.
Beide bepalen de strategische en inhoudelijke contouren van de politiek. De grenzen van deze structurele corridor liggen evenwel helemaal niet vast, omdat politieke beslissingen de aard van de eerste filters beïnvloeden, die op hun beurt de corridor kunnen versmallen of verbreden. Elke regering is aldus de erfgenaam van het voorgaande beleid, of het nu dat van de eigen partij of van een tegenstrever is. De wisselende waarde van die erfenis speelt een grote rol bij de mogelijkheden waarover de sociaaldemocratische partijen vandaag kunnen beschikken. Wat zijn nu de belangrijkste elementen van die filters die een invloed hebben op de sociaaldemocratische zoektocht naar ‘derde wegen’ en het ‘nieuwe centrum’?

Middelen en beperkingen

Globaal genomen is het stemmenaandeel van de Europese sociaaldemocratische partijen in de jaren negentig niet groter dan kort na de Tweede Wereldoorlog. Ook de regeringsdeelname is nu niet groter dan toen, al werd in 1999 wel een historisch niveau bereikt. Het is niet zozeer een tendens maar wel een toeval zonder voorgaande dat sociaaldemocratische partijen in 12 EU-landen alleen regeren of de grootste coalitiepartner zijn. Of deze historische gelegenheid zich op middellange termijn handhaaft, hangt deels af van de geloofwaardigheid en het succes van die partijen op belangrijke politieke domeinen. De terugval van de conservatieve en neoliberale partijen in de jaren negentig is ook geen onomkeerbare tendens. Het lijkt eerder op de tijdelijke flauwte in een politieke evolutie van twee decennia durende neoliberale politiek.
Tegenover die middelen staan aanzienlijke beperkingen die vooral in de economie en de samenleving traditionele sociaaldemocratische controlevormen bemoeilijken. De belangrijkste zijn mondialisering (vooral van de financiële markten), de Europeanisering van goederenmarkten en de onafhankelijke Europese Centrale Bank. Voorts beperken grote staatsschulden de bewegingsruimte en dwingen demografische veranderingen wegens de kosten tot een herziening van het pensioenstelsel en de gezondheidszorg. Daarnaast kan de voornaamste doelgroep van een sociaaldemocratisch beleid niet langer de kleiner wordende mannelijke beroepsbevolking zijn. Ook de individualisering verplicht de politiek tot een veelzijdiger inhoud. In vergelijking met de ‘Gouden Periode’ van 1950 tot 1973 zijn de sociaaldemocratische kiezers sociostructureel en -cultureel minder sterk verankerd in een kernkiesdistrict. Die kiezers zijn veranderlijker geworden. Sociaaldemocratische partijen moeten dus rekenen met een electoraat dat nu gemakkelijker van partij verandert tussen de verkiezingen dan kort na de Tweede Wereldoorlog. Daardoor vervagen de politieke grenzen en worden zij sterker beïnvloed door tactische electorale overwegingen.

Sommige elementen van de structurele filter kunnen niet als beperkingen of middelen a priori worden bestempeld, onafhankelijk van nationale politieke contexten. Het maakt vooreerst een belangrijk verschil of de regeringssystemen meer neigen naar een centralistische meerderheidsdemocratie of naar een federaal overlegmodel. In het eerste geval kan de regering beter en vlugger een politieke agenda opstellen dan wanneer zij moet onderhandelen en compromissen sluiten. Andere aspecten zijn het coalitiepotentieel van een partijsysteem, de sterkte van de vakbonden en hun bereidheid om mee te werken, en de sterkte van de commerciële belangengroepen. Bovendien beperkt de Europese Unie voorlopig de macht van de nationale regeringen. Als men evenwel bereid is om compromissen aan te gaan, zouden nieuwe mogelijkheden kunnen ontstaan in specifieke domeinen. Tot slot hangt de politieke regeringscontrole nauw samen met de verscheidene nationale politieke culturen. Enkel op middellange of lange termijn kunnen de sociale waarden en politieke voorkeuren in de afzonderlijke landen worden beïnvloed. Op korte termijn beperken zij in aanzienlijke mate de uitstippeling van het beleid.

Hier volgt een vergelijking van de verschillende ‘derde wegen’ aan de hand van voorbeelden van vier beleidsdomeinen die van specifiek belang zijn voor de sociaaldemocraten, namelijk het fiscaal beleid, het monetair beleid, het sociaal beleid en ten slotte het arbeidsbeleid. Ik zal een uitvoerig beeld schetsen van de vier stromingen die kenmerkende profielen hebben inzake programma en politiek. Het zijn New Labour met een marktgeöriënteerde koers, de Franse Parti Socialiste die de geleide weg volgt, de Nederlandse PvdA die voor overleg kiest en het Zweedse model van de hervormde welvaartsstaat.

New Labour

New Labour kiest voor een conservatief fiscaal beleid en knoopt met haar budgettair beleid aan bij de aanpak van John Major, Blairs voorganger. De partij is bereid de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank te aanvaarden en volgens Blair ,,ten gepasten tijde’’ tot de EMU toe te treden. Zij houdt vast aan de deregulering van de arbeidsmarkt zoals onder Thatcher en aan het idee van de sociale investeringsmaatschappij, waarin actieve maatregelen worden genomen om sociale uitsluiting tegen te gaan en waarin iedereen gelijke kansen krijgt. Daarom wil zij meer uitgeven aan onderwijs en de normen handhaven voor de openbare voorzieningen in de gezondheidszorg. Toch zijn de investeringen in het onderwijs beneden de verwachtingen gebleven. Bovendien heeft de partij nog niet duidelijk gemaakt wat de staat gaat doen met hen die door de actieve welvaartsstaat niet op de arbeidsmarkt geraken.
Het beleid van New Labour bevat ontegensprekelijk enkele sterke punten. Het opheffen van protectionistische economische maatregelen heeft een gunstige invloed op de economische groei en de welvaart. De deregulering van de arbeidsmarkt vermindert de sociaal onrechtvaardige discriminatie van buitenstaanders (vooral jongeren en vrouwen) ten voordele van ingewijden zoals bij een vakbond aangesloten arbeiders. Bovendien bevordert het een snelle omschakeling van oude industrieën naar een kenniseconomie. De heroriëntering van de welvaartsstaat met wortels in het industriële tijdperk en een sociaal onrechtvaardige vooringenomenheid voor de middenklasse naar de echte hulpbehoevenden leidt tot gewenste gevolgen van de herverdeling. De specifieke aandacht voor onderwijs en bijscholing erkent dan weer de waarde van menselijk kapitaal. Zowel vanuit individueel als sociaal oogpunt blijkt het sociaal gerechtvaardigd dat de staat druk legt bij mensen om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen met betrekking tot hun eigen menselijk kapitaal.

Toch kunnen wij ook argumenten formuleren tegen het beleid van New Labour. Door het opgeven van het belastingsysteem als een doelbewuste manier van herverdeling zal de sociale ongelijkheid toenemen. Zoiets is schadelijk voor de sociale cohesie en het vertrouwen zowel bij de burgers onderling als in hun relatie tot de staat. Het nadeel van een flexibele arbeidsmarkt is de discriminatie van oudere werknemers en de gedwongen horizontale en geografische migratie van werkzoekenden. Bovendien is de onderhandelingssterkte van de vakbonden verzwakt, wat kan leiden tot lagere lonen en een verdere herverdeling van inkomsten naar kapitaal. De grotere aandacht van de welvaartsstaat voor de hulpbehoevenden zal haar kwetsbaarder maken omdat de middenklasse minder in die staat is geïnteresseerd als zij geen voordeel meer haalt uit overdrachten en diensten. De middenklasse zal haar verdere afschaffing vragen omdat zij vooral wordt gefinancierd met haar belastinggelden. Op die manier zou een invloedrijke politieke stem wegvallen. Het gevaar bestaat dat de hulpbehoevenden geen invloed op het beleid zullen hebben en afhangen van ‘altruïstische medestanders’. Het risico op een zogenaamde ‘tweederdensamenleving’ is in het Britse geval niet alleen denkbeeldig, maar zelfs waarschijnlijk, aangezien het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft twee keer hoger is dan in Duitsland en de meeste andere Europese landen.

Nederlands poldermodel

De PvdA voert net als New Labour een beperkend begrotingsbeleid, vooral door besparingen op de sociale uitgaven. Zij zijn ook sterk voorstander van de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank. De arbeidsverhoudingen zijn er geflexibiliseerd en de arbeid is herverdeeld door middel van deeltijds werk. Zo steeg het vrouwelijke werkgelegenheidscijfer van 35 procent in 1983 naar 55 procent in 1997. Het totale aantal werkuren nam evenwel niet toe. Op lange termijn zien de Nederlandse sociaaldemocraten de welvaartsstaat vooral als een vangnet voor de hulpbehoevenden. In eerste instantie moet een dynamische en flexibele arbeidsmarkt sociale ongelijkheid en uitsluiting voorkomen. Het hoofddoel is een flexibele toegang tot, mobiliteit in, uitstappen uit en herintrede in het beroepsleven.
De druk om werk te zoeken is toegenomen, al is die wel kleiner dan in het Verenigd Koninkrijk. Dat wordt grotendeels gecompenseerd door deeltijds werken te vergemakkelijken zonder nadeel voor pensioen of gezondheidszorg. Op lange termijn verzekert het overlegmodel meer steun van de burgers voor de hervormingen. Er zijn evenwel ook tegenargumenten. Zo wordt het misbruik van de welvaartsstaat nog onvoldoende uitgeschakeld, al is de opwaartse tendens wel gestopt. De werkgelegenheid is ook niet gestegen in absolute cijfers omdat nieuwe banen bijna uitsluitend deeltijds of van bepaalde duur zijn. Er is ook een bepaalde tendens waardoor oudere mensen op de flexibelere arbeidsmarkt worden gediscrimineerd.

Zwedens hervormde welvaartsstaat

Zoals bijna alle sociaaldemocratische partijen in de jaren negentig steunt het Zweedse model een consoliderende fiscale praktijk. Het uitgavenbeleid wordt niet gebruikt om de vraag te stimuleren. De belastingdruk op bedrijven werd verminderd en in plaats van directe inkomstenbelasting ging men meer in de richting van indirecte verbruiksbelasting. Zo heeft het belastingsysteem veel van zijn herverdelend vermogen verloren. Het opvallendste kenmerk van het Zweedse werkgelegenheidsbeleid is de actieve arbeidsmarktpolitiek. In de jaren negentig was er wel geen bereidwilligheid bij de vakbonden en werkgeversorganisaties om mee te werken zoals in Nederland. Aan de andere kant zijn de vakbonden te sterk voor de regering om eenzijdige hervormingen door te drukken om de arbeidsmarkt naar Brits model te flexibiliseren. Sinds 1994 wordt de Zweedse welvaartsstaat hervormd. Verschillende sociale overdrachten werden meestal met 5 procent verminderd. In geval van ziekte gelden nu ‘wachtdagen’ om misbruik en profitariaat te vermijden. De pensioenen werden verlaagd en voor het eerst dragen de werknemers nu bij tot de financiering ervan.

Ondanks de hervormingen blijft Zweden een van de meest vrije nationale economieën in de OESO. De uitstroming van Zweeds investeringskapitaal is verminderd en de instroming van buitenlandse directe investeringen is toegenomen. Het profiteren van de welvaartsstaat is fel bestreden, zodat de sociale rechtvaardigheid verbeterde en de individuele verantwoordelijkheid werd versterkt. Het actieve arbeidsmarktbeleid bleef behouden. Dalende werkgelegenheidscijfers, vooral bij vrouwen, wijzen wel op het einde van zowel de traditionele sociaaldemocratische doelstelling van volledige werkgelegenheid als het Zweedse streven naar gelijkheid van kansen voor man en vrouw. In de toekomst kan dat ook gevolgen hebben voor de met belastinggelden gefinancierde welvaartsstaat. Bovendien is de economische groei nog altijd betrekkelijk klein.

Frankrijks geleide model

Inzake hun fiscaal beleid laten de Franse socialisten sinds het midden van de jaren negentig enkele verschillen noteren met de belangrijkste regeringen in de OESO. Aan de kant van de opbrengsten voerden zij gematigde belastingverhogingen door, vooral voor bedrijven en inkomsten uit financiële investeringen. Voor de lagere inkomens was er een kleine belastingverlaging. Zij trachten de uitgaven te stabiliseren of enkel te verhogen wanneer er voldoende tegenfinanciering is. Monetair gezien is het hun bedoeling een minder restrictief beleid te voeren, zo veel mogelijk in samenwerking met de Europese Centrale Bank. Op het vlak van werkgelegenheid werden verscheidene maatregelen genomen. Naast de beoogde vermindering van de jeugdwerkloosheid met overheidssteun, subsidieerden zij bijkomende prepensioenregelingen. Daarnaast werd de 35-urenwerkweek ingevoerd, terwijl er nauwelijks maatregelen zijn geweest om de arbeidsmarkt te dereguleren. De linkse regering is ook voorzichtig begonnen met de sociale bijdragen los te koppelen van het inkomen en de welvaartsstaat te financieren via belastingen.
De Franse socialisten krijgen aanzienlijke steun voor hun opvatting om sociale criteria te hanteren bij het sturen van de economie. Door samenwerking binnen de EU compenseren zij het verlies aan het eigen vermogen om de economie te controleren. Daartoe behoren het plan Delors en het ‘sociale protocol’ dat al formeel is opgenomen in de EU-verdragen. Hun welvaartsstaat geeft bijzondere steun aan de lagere klassen, terwijl zij een actief arbeidsmarktbeleid voeren in plaats van blind te geloven dat privé-investeringen banen zullen creëren. De herverdeling van welvaart beschouwen zij nog altijd als een wezenlijk onderdeel van sociale rechtvaardigheid. Op lange termijn is de financiering van dat traditionele model echter niet verzekerd en wordt er geen rekening gehouden met de ouder wordende samenleving. De individuele verantwoordelijkheid om in het eigen menselijk kapitaal te investeren, wordt er ook niet door gestimuleerd.

Europese Derde Weg

De externe beperkingen, vooral de mondialisering van de financiële markten en de regionalisering van de goederenmarkten, leiden niet tot een duidelijke programmatische convergentie van de West-Europese sociaaldemocratische modellen. Afgezien van New Labour besteden de sociaaldemocratische regeringen binnen de Europese Unie toch meer aandacht aan een grotere samenwerking op belangrijke beleidsdomeinen. Vooraleer we een dergelijke coördinatie en samenwerking kunnen beoordelen, moeten we wel eerst de vraag stellen op welk gebied een gemeenschappelijk kenmerk onder die regeringen kan worden gevonden. Bovendien moeten we nagaan of de Europese Raad, het Parlement en de Commissie die domeinen op elkaar kunnen afstemmen. Daartoe beschouwen we er vier, namelijk het fiscale, het monetaire, het sociale en het werkgelegenheidsbeleid

Fiscaal beleid

Tegen het einde van de jaren tachtig hadden alle sociaaldemocratische regeringen gekozen voor een fiscaal bezuinigingsbeleid, met andere woorden een budgettaire consolidatie. Er zijn vandaag geen aanwijzingen dat zij binnen Europa streven naar een gecoördineerde fiscale reflatie van de economie en een stimulering van de vraag. Niettemin lijken de linkse regeringen van Italië en Frankrijk de criteria voor fiscale stabiliteit van het Maastrichtverdrag minder strict te interpreteren dan het ‘groei en stabiliteitspact’ van de Europese Monetaire Unie. Die opvatting wordt niet gedeeld door andere linkse regeringen zoals die in het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Denemarken en nu in Duitsland. Die landen zouden zich verzetten tegen een dergelijk reflatoir belastingsbeleid van de EU-lidstaten.
Bovendien is er weinig hoop dat een dergelijke politiek doeltreffend zou kunnen worden toegepast, zelfs al was er sociaaldemocratische overeenstemming over een nieuwe vorm van ‘Euro-Keynesianisme’. Door de ingewikkelde procedures van besluitvorming in de EU zouden de periodes van besluitvorming en toepassing te lang duren. Het gevaar van een laattijdige interventie in de economische conjunctuur zou in een Europese context nog groter zijn dan nu al het geval is bij de federale staten. De EU heeft momenteel niet de fiscale middelen om een eigen beleid te voeren, en zal dat in de nabije toekomst ook wel niet kunnen. Om die redenen zou een vraagpolitiek op Europees niveau waarschijnlijk noch doeltreffend zijn.

Wel blijkt bij sommige sociaaldemocratische regeringen enige bereidheid te zijn tot samenwerking op het vlak van de belastinginkomsten. Vanuit sociaaldemocratisch standpunt bestaat daar een grotere behoefte aan een akkoord zodat men niet terechtkomt in een spiraal van belastingverlaging om toch maar buitenlandse investeerders aan te trekken en de binnenlandse hier te houden. Toch toont de geschiedenis van de voorbije tien jaren ook, hoe moeilijk het is om bepaalde belastingsystemen binnen de EU te coördineren, laat staan te harmoniseren. Uitgezonderd bij de voormalige Duitse Minister van Financiën Lafontaine en zijn Oostenrijkse collega leeft er een duidelijk voorbehoud en zelfs tegenstand tegen een nauwere samenwerking op dat gebied.
Vooral New Labour en de Franse socialisten zijn tegen een dergelijke samenwerking. Voor de eerste ligt het aan haar economische filosofie, terwijl de Franse tegenstand hoofdzakelijk te maken heeft met de nationale reflex om zoveel mogelijk autonoom te blijven. Denemarken, Zweden en Finland zijn waarschijnlijk voor een Europese samenwerking omdat die landen met een klimaat van hoge belastingen het meest te vrezen hebben van elke nieuwe belastingverlaging. Maar zelfs hier wordt de aanvaarding van een gemeenschappelijke Europese belastingpolitiek tegengewerkt door de cultureel bepaalde neiging van de Scandinaviërs om de eigen voorrechten te beschermen.

Monetair beleid

Sinds 1999 hebben de EU-lidstaten hun monetair beleid gecentraliseerd. Door de oprichting van de Europese Monetaire Unie en de filosofie erachter verbindt de Europese Centrale Bank zich tot een beleid van prijsstabiliteit dat de Duitse Bundesbank al voerde. De linkse regeringen in Europa zijn min of meer bereid om die strenge monetaire filosofie te corrigeren, vooral wanneer er geen inflatoire druk is en het gevaar bestaat van een economische depressie, in de hand gewerkt door het beleid. Dat houdt geen bereidheid in om het beleid op een neo-Keynesiaanse manier uit te rusten voor een spreiding van de conjunctuurcyclus.
Wel wil men naast prijsstabiliteit ook streven naar groei en werkgelegenheid. Er lijkt een sociaaldemocratische meerderheid te bestaan voor een minder strenge monetaire politiek zoals de Amerikaanse Federal Reserve Bank in de voorbije jaren heeft gevoerd. Vanuit dat oogpunt bieden de Europese Centrale Bank en de monetaire unie blijkbaar meer kans om een sociaaldemocratisch economisch beleid te steunen dan vroeger mogelijk was onder de dictaten van de Duitse Bundesbank.

Werkgelegenheidsbeleid

Op het vlak van een werkgelegenheidsbeleid bestaat onder de linkse regeringen de grootste overeenstemming om een gemeenschappelijk programma te lanceren binnen de Europese Unie. Velen zijn het erover eens om het Delors-programma uit 1993 opnieuw op te starten, hoewel de Britse Labour-regering en de sociaal-liberale regering van Nederland er enigszins tegen gekant zijn. De lidstaten moeten dan wel meer middelen geven aan de EU en bereid zijn hun nationale begrotingen te herstructureren. Alleen zo werkt een dergelijk beleid niet enkel inzake (de)regulering, maar kan er ook actief op de arbeidsmarkt worden ingegrepen.

Zeker voor de landbouwuitgaven is er potentieel. Dat zou wel een politieke wil vereisen die niet bij alle regeringen te vinden is. Niet bij de Franse linkse regering met betrekking tot de landbouwuitgaven, en ook niet bij de Duitse rood-groene regering die totnogtoe alleen heeft getracht haar netto-bijdrage tot de EU-begroting te verminderen. Dat heeft niets met sociaaldemocratische principes of programma’s te maken, maar veeleer met populistische electorale overwegingen. Wel werd op de top van Luxemburg in 1997 en de EU-top in Keulen van 1999 een werkgelegenheidspact opgericht, de ,,European Employment Pact: cooperation for employment and economic reforms.’’ Dat is beslist de meest veelbelovende ‘eerste sociaaldemocratische stap’ die de Europese Unie heeft gezet.

Sociaal beleid

Sociaal beleid valt uiteen in een regulerende en een herverdelende politiek. Het laatste bleef totnogtoe een nationale zaak van de lidstaten. Er blijkt geen mogelijkheid of politieke wil bij de sociaaldemocratische regeringen om een gemeenschappelijke politiek van herverdeling op Europees niveau te organiseren. Een beleid dat tegelijkertijd de noden van Portugal en die van Denemarken zou lenigen. Er is wel een grotere kans dat men er een regulerend kader doorkrijgt. In 1997 ondertekende de Labour-regering eindelijk het ‘sociale hoofdstuk’ van de Single Europe Act (1986) en het ‘sociaal protocol’ van het Verdrag van Maastricht (1992). Daarbij gaat het voornamelijk om een minimumnorm voor de collectieve rechten van arbeiders, veiligheid op de werkvloer en Europese Fabrieksraden. Maar de ‘sociale dialoog’ binnen de Europese Unie is zelfs in deze socio-politieke kwesties heel ingewikkeld gebleken. Aangezien al die beslissingen ook moeten worden beschouwd als stimulering of belemmering van investeringen, zijn de nationale en ook sociaaldemocratische regeringen maar in beperkte mate bereid om nationale autonomie af te staan aan Europa. Om die reden blijven de bovenvermelde socio-politieke kwesties unanimiteit in de Commissie vereisen. De sociaaldemocratische regeringen zijn overigens niet van plan die unanimiteitsregel te veranderen. De gedocumenteerde vetoposities zouden zeker verhinderen dat op dat vlak vlug stappen worden ondernomen.

Onderontwikkeld

De vraag hoe en in welke mate de sociaaldemocratische regeringen de EU als politiek strijdperk kunnen gebruiken om meer controle over de markten te kunnen uitoefenen, vergt een nadere analyse. Oppervlakkig beschouwd is het actieterrein kleiner dan de herhaalde verwijzingen naar de ‘behoefte aan een Europees gecoördineerd beleid’ zouden veronderstellen, met uitzondering van het werkgelegenheidsbeleid en een minder strenge monetaire politiek. Het is dus geen wonder dat in de meeste sociaaldemocratische programma’s, de recentste memoranda en discussienota’s, de sociaaldemocratie die Europese ruimte niet voldoende heeft ontwikkeld. Desondanks geven de hier besproken beperkingen en het voortdurende uiteenlopen van programma en beleid ook aan wat de grenzen zijn van een Europees sociaaldemocratisch beleid.

Conclusie

New Labour doet de meest vernieuwende voorstellen. Hun programma moet niet meteen als sociaal onrechtvaardiger worden gezien dan de welvaartsstaat in Zweden en Frankrijk. De verschillende opvattingen over sociale rechtvaardigheid moeten wel tegenover elkaar worden afgewogen. New Labours idee van de sociale investeringsstaat houdt blijkbaar rekening met de parameters van economische efficiëntie en individuele sociale rechtvaardigheid. Toch geeft Blairs Derde Weg niet duidelijk genoeg aan hoe zij sociale bescherming wil geven aan hen die zich niet kunnen integreren in de arbeidsmarkt of behoren tot de groter wordende groep van ‘werkende armen’. Gezien de armzalige toestand van de overheidsvoorzieningen en scholen, de grote armoede en de klasseverschillen die elders in Europa ongewoon zijn, kan de huidige toestand in het Verenigd Koninkrijk, althans voor het ogenblik, geenszins als rolmodel dienen voor een algemene Europese sociaaldemocratie. Met betrekking tot het beleid op het niveau van de nationale staat geeft het Franse voorbeeld weinig vernieuwende en overtuigende antwoorden op de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw. Toch zou de, zij het enigszins dubbelzinnige, bereidheid moeten worden benut, om elk afzonderlijk beleid op het Europese niveau te coördineren.
Het lijkt waardevol na te denken over een hervorming van de welvaartsstaat die gericht is op de strijd tegen misbruik en over meer aandacht voor sociale dienstverlening met het oog op sociale rechtvaardigheid, gelijke kansen voor man en vrouw, en de principes van de arbeidsmarkt. Het Nederlandse voorbeeld is om vier redenen aan te bevelen. Er is de overlegstijl als een politiek model, de herverdeling van arbeid, de mogelijkheden om individueel een werkregeling te kiezen en tot slot de blijvende hoge levensstandaard. Toch berust het Nederlandse model op heel specifieke basisvoorwaarden. De Europese Unie moet veel meer worden gebruikt als een belangrijke strategische ruimte voor een sociaaldemocratisch beleid. Want afgezien van het werkgelegenheidspact van 1997 verlenen de sociaaldemocraten meer lippendienst aan een dergelijke ruimte dan ze daadwerkelijk te gebruiken.

Noten
1. Het artikel is een bewerking van Wolfgang Merkels verhandeling The Third Ways of European Social Democracy at the End of the Twentieth Century, voorgesteld op de Curso de Verano : ,,La Tercera Via’’ in Madrid, juli 1999.

Literatuur
-
Blair, T., The Third Way. New Politics for the New Century. London: Fabian Pamphlet 588, 1998.
- Giddens, A., The Third Way. The Renewal of Social Democracy. Cambridge: Polity Press 1998.
- Elster, J., Ulysses and the Sirenes. Cambridge: 1979.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 6 (juni), pagina 21 tot 28