Abonneer Log in

Het multiculturele kaartenhuis

Pleidooi voor een debat over harmonieus samenleven

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 10

In Nederland heerst al enige tijd beroering naar aanleiding van een artikel van Paul Scheffer in het NRC-Handelsblad van 29 januari 2000 met de weinig aan de verbeelding overlatende titel ,,Het multiculturele drama’’.1 Scheffer maakt erin brandhout van het Nederlandse beleid ten aanzien van minderheden en stelt niets minder dan het ineenstorten van het kaartenhuis van de multiculturele samenleving in het vooruitzicht.

Bedreiging van de maatschappelijke vrede

Scheffer hekelt de onverschilligheid waarmee de Nederlandse overheid de problemen rond de allochtone gemeenschap bejegent, terwijl alles erop wijst dat deze gemeenschap in haar geheel het moeilijk heeft om aan te klampen. De tolerantie of verdraagzaamheid waarop men zich in Nederland zo graag beroept, werkt volgens Scheffer deze onverschilligheid in de hand.
,,Het multiculturele drama” is een interessant artikel, alleen al omdat het niet vaak voorkomt dat vanuit politiek-correcte hoek - Scheffer was in een vorig leven medewerker van de Wiardi Beckmanstichting, de studiedienst van de Nederlandse PvdA - een zo vlijmende kritiek op het falen van de multiculturele samenleving wordt geuit. Ook al hoef je het niet met alles eens te zijn, je kunt op je klompen aanvoelen dat hij in zijn artikel het probleem grijpt waar het moet, namelijk in de kern.
Scheffer maakt zich zorgen over de achterblijvende allochtone gemeenschap, die zoals onder meer blijkt uit de minderhedenrapportage van het Sociaal Cultureel Planbureau (1999), mede door de voortdurende immigratie gekenmerkt wordt door méér werkloosheid, méér armoede, méér schooluitval en méér criminaliteit dan bij de autochtone bevolking. Scheffer vraagt zich af hoe dat komt en bovenal waarom daar niet krachtiger tegen wordt opgetreden. De auteur pleit in zijn artikel voor minder tolerantie en meer integratie, waaronder hij voornamelijk lijkt te begrijpen dat de allochtoon zijn oude vormen en gedachten moet afzweren: ,,integratie met behoud van eigen identiteit is een vrome leugen, die niet zoals nu door de overheid moet worden aangemoedigd.” Zonder het met zoveel woorden te zeggen pleit Scheffer dus voor assimilatie, hoewel hij in een vervolgartikel zijn oorspronkelijk betoog nuanceert: ,,mijn pleidooi voor meer nadruk op integratie is dus beperkt en moet niet worden opgevat als een dwang tot assimilatie.”2 Waarin zijn ,,integratie met afwerping van de oorspronkelijke identiteit” dan wel bestaat, maakt hij niet duidelijk.
Scheffer hekelt de kortzichtigheid van het politieke establishment waardoor ,,onder de oppervlakte van het openbaar leven een zee van verhalen [drijft] over de botsing van culturen, die niet of nauwelijks worden gehoord”. Terwijl dit establishment vroeger over een duidelijke beschavingsmissie beschikte, twijfelt het vandaag aan zichzelf en verliest het meer en meer zijn greep op de maatschappelijke werkelijkheid. ,,Zo kan men de weigering begrijpen van kabinet en parlement voor iedereen zichtbare en vaak gesignaleerde problemen rondom etnische minderheden in Nederland onder ogen te zien. Een parlementair onderzoek naar het immigratie- en integratiebeleid is nodig, want nu worden hele generaties onder het mom van tolerantie afgeschreven. Het huidige beleid van ruime toelating en beperkte integratie vergroot de ongelijkheid en draagt bij tot een gevoel van vervreemding in de samenleving. De tolerantie kreunt onder de last van achterstallig onderhoud. Het multiculturele drama dat zich voltrekt is dan ook de grootste bedreiging voor de maatschappelijke vrede.”
Met zijn polemisch geschrift gooide Scheffer duidelijk een knuppel in het hoenderhok. Wat volgde was een stroom van brieven, commentaren en discussies, tot in het parlement, zodat iedereen die dat wenste wel zijn zegje heeft kunnen doen. Hoewel daarmee de problemen in de Hollandse steden verre van opgelost zijn, is het alvast Scheffers verdienste dat zijn pleidooi een samenlevingsprobleem in ieder geval weer eens zichtbaar én bespreekbaar heeft gemaakt.

Opkomst van Arab Pride

Vooraleer het artikel van Scheffer te plaatsen in een Vlaamse context, moeten eerst wat definitieproblemen van de baan. In het verdere verloop van dit artikel zullen migranten, of zij al dan niet de Belgische nationaliteit hebben verworven, aangeduid worden onder de noemer ‘allochtonen’, daarbij aansluitend bij de begripsomschrijving die Van Dale voor deze noemer aanreikt: ,,van elders aangevoerd; niet-inheems; vreemd’’.3 A contrario worden alle andere inwoners aangeduid als ‘autochtonen’, dus als de oorspronkelijke bewoners van dit land. Het weze duidelijk dat de allochtonenvlag nog vele ladingen dekt. Ook de Amerikaan die in de Vlaamse language valley werkt of de Nederlander die hier om het (voor hem) aardige belastingsklimaat verblijft, zijn sensu strictu allochtoon. In het bestek van dit artikel wordt de vlag in eerste instantie gebruikt om de allochtonen uit de moslimgemeenschap aan te duiden.

Ik besef echter terdege dat de gehanteerde tweedeling tussen allochtone en autochtone inwoners niet geheel overtuigend is, en bovendien stigmatiserend. Zij doet ten onrechte vermoeden dat de kloof tussen beiden niet te dichten is en dat een vreemde eend in de bijt dat ook altijd zal blijven. Als sociaaldemocraat (de term socialist lijkt tegenwoordig uit de mode te zijn) die gelooft in de maakbaarheid van de samenleving, kan ik daarin uiteraard niet meegaan. Deze tweedeling maakt het echter wel mogelijk mijn stellingen te verduidelijken.

In België is tot op heden geen Scheffer opgestaan. Het debat zoals dat in Nederland vaak verloopt, kennen wij hier te lande niet. Polemiseren hoort nu eenmaal niet in onze volksaard thuis. Bij ons verloopt het gesprek veeleer aan de toog, tijdens de middagpauze in de kantine of in de beslotenheid van de gezellige woonkamer. Niet voor niets kennen wij de uitdrukking ,,we dronken een glas, we deden een plas en alles bleef zoals het was’’. Wel zijn er de voorbije maanden in de krant De Morgen enkele opiniërende bijdragen verschenen, voornamelijk van de hand van allochtone vertegenwoordigers, die het waard zijn niet onmiddellijk met de papierkar mee te geven. In die bijdragen zien de auteurs de Vlaamse autochtone welzijnswerker het liefste vervangen door een allochtone confrater onder het motto ,,wat we zelf doen, dat doen we beter’’.4 Deze bijdragen wijzen op een, alvast voor mij, nieuwe tendens die een variante lijkt op de Black Pride-beweging die de Amerikaanse jaren zestig kenmerkte. Zij wordt door een lezeres van De Morgen dan ook terecht als Arab Pride omschreven.
Zo schrijft Mohamed Talhaoui in dezelfde krant van 27 april 2000 dat ,,de personen die het best de positie van migranten kennen, de migranten zelf [zijn]’’, een bewering wars van ieder paternalisme die empirisch inderdaad niet kan worden betwist - dergelijke ervaringsdeskundigheid kan de autochtoon uiteraard niet voorleggen. Verder schrijft hij nog dat ,,het is af te raden dat autochtone islamologen en antropologen in migrantenorganisaties of instellingen die met migrantenthema’s werken, de beleidslijnen uitstippelen in deze organisaties, aangezien het eerste doel van zulke wetenschappers in overheidsfunctie vaak niet is de rechten van minderheden te bevorderen maar vooral ze beter in kaart te brengen en zodoende ze beter te controleren en domineren.’’ Talhaoui ziet blijkbaar een complot, gesubsidieerd door de staat tegen zijn gemeenschap. Daarbij doet hij de Belgische overheid te veel eer aan. In zijn visie heeft de Belgische staat een duidelijk beleid, minstens een hidden agenda die tot assimilatie van de allochtone aan de autochtone gemeenschap zou aanzetten.

Tot op heden lijkt de Belgische politiek echter vooral gekenmerkt te worden door de afwezigheid van enig beleid, waarbij het eerste, echte debat over de inburgering van nieuwe groepen in onze samenleving nog moet plaatshebben. Misschien kan de uitwerking van het hoofdstuk over ,,inburgering en integratie’’ in de Vlaamse regeringsverklaring van 13 juli 1999 tot dit debat aanleiding geven.5 In deze verklaring worden de samenlevingsproblemen tussen de autochtone en allochtone bevolking in ieder geval onderkend: ,,Een integraal beleid voor etnisch-culturele minderheden wordt met concrete doelstellingen en maatregelen op de verschillende Vlaamse bevoegdheidsdomeinen en -niveaus gevoerd om de ontvangst en de integratie van die groepen te bevorderen.’’

Stuitend gebrek aan interesse

Zo zijn we geraakt waar we in dit artikel moesten zijn: hoe staat het eigenlijk met de visie van onze decision makers over de samenlevingsproblemen die menig lid van onze burgerdemocratie zegt te ervaren? Overdrijf ik wanneer ik stel dat onze volksvertegenwoordiging vooral uitblinkt door een stuitend gebrek aan interesse voor deze problemen? De voorbije jaren kwamen de gebreken van onze multiculturele samenleving in het parlement slechts af en toe aan de orde. Om het cru te stellen: er moest eerst een vluchtelinge de afloop van haar asielprocedure met de dood bekopen vooraleer het parlement besloot niet meer de andere kant op te kijken.

Het lijkt er sterk op dat samen met het cordon sanitaire rond het Vlaams Blok ook een cordon is opgetrokken rond de problemen waarop deze politieke partij groot is geworden. De monopolisering van dit debat door deze partij is nochtans geen goede zaak. De herleiding van alle conflicten tot etniciteit is vanzelfsprekend onaanvaardbaar en kwaadaardig. Ook wie tot op vandaag vasthoudt aan de opvatting dat de samenlevingsproblemen te reduceren vallen tot een louter probleem van sociale achterstelling dat geheel door emancipatie kan worden opgelost, dwaalt. Toch is dit het discours waarmee de democratische partijen iedere stembusgang de strijd aangaan. Zonder succes.

Indien men in België een debat wil voeren over de multiculturele samenleving dan loopt men al gauw verloren in het bos van de bevoegdheden. De verkaveling van bevoegdheden tussen federatie, gemeenschap en gewest maakt het er inderdaad niet eenvoudiger op. Het (deel)parlement dat toch besluit over de multiculturele samenleving van gedachte te wisselen, spreekt al gauw over materies waarover het niets te vertellen heeft, omdat het constitutioneel toevertrouwd is aan een ander bevoegdheidsniveau. Toch mag deze bevoegdheidsverkaveling geen excuus vormen om vooral niets te doen. Het zou immers al een heel eind weegs zijn wanneer de verschillende partijen hun visie op de multiculturele samenleving zouden verduidelijken. De Senaat, met zijn aanwezigheid van gemeenschapsvertegenwoordigers, vormt voor dergelijke gedachtewisseling wellicht het beste instrument. Het lijkt mij belangwekkend te horen hoe deze vertegenwoordigers des volks de multiculturele samenleving zien evolueren. En bovenal: te vernemen hoe zij gaan trachten die evolutie te sturen.

Angst essen Seele auf

In 1973 maakte de Duitse filmmaker Rainer Werner Fassbinder de magistrale film Angst essen Seele auf, over de ontmoeting van de jonge Marokkaan Ali met Fraue Emmi, een dame op leeftijd. De verfilming van deze relatie bood de regisseur een exquise gelegenheid om op de samenlevingsproblemen tussen de autochtone en de allochtone bevolking in te zoomen. Deze film schokte mij toen ik hem de eerste maal zag en wel om twee redenen: noch de allochtone stereotypering, noch het getoonde racisme zijn ondertussen voor één haar veranderd. Opmerkelijk toch, dat gebrek aan belangstelling bij de verschillende nationale overheden voor de integratie van de allochtone arbeiders, die het Europese Wirtschaftswunder moesten ondersteunen. Ook de houding van de (Belgische) socialistische beweging doet niet jubelen: er was geen belangstelling voor de allochtone arbeiders of enkel in die mate dat hun belangen samenliepen met die van de autochtone kameraden.

Scheffer schrijft in zijn artikel dat er een verschil is tussen het welslagen van de multiculturele samenleving in het officiële politieke discours en het falen van deze samenleving in de perceptie van de bevolking ,,waarbij de angst voor de Marokkaanse jongeren in een stad als Amsterdam inmiddels spreekwoordelijk [is]’’. Ook op de apologeten van de diversiteit ,,die niet geïnteresseerd zijn in wat zich in de grote steden van Nederland afspeelt’’, heeft hij het niet begrepen. Hier gaat Scheffer mijns inziens te ver. De interesse van deze intellectuelen is er wel degelijk, zij wordt echter gekenmerkt door een grenzeloze naïviteit waarbij de fouten veelal worden gezocht in het eigen (overheids)falen en nooit bij de allochtone gemeenschap.
In het discours van intellectueel links is de autochtone kiezer die voor het Vlaams Blok stemt eenvoudigweg een dommerik. Zo schreef Herman De Coninck, naar aanleiding van de eerste zwarte zondag op 24 november 1991, dat hij niet kon geloven dat een kwart van de Antwerpse bevolking baarlijke racisten waren, dommekloten, dat waren het misschien wel. Hij besluit dat deze vaststelling ook wel kan opgaan voor de helft van de Antwerpenaren.6 Dergelijke minachting bij de intellectuele elite voor de bevolking heeft mij steeds geschokt.

Het falen van de overheid is uiteraard slechts één zijde van het verhaal. Feit is dat ook vanuit de allochtone gemeenschap zelf weinig pogingen zijn ondernomen om aansluiting te zoeken met de Westerse samenleving. Ook in Scheffers verhaal wordt dat te weinig beklemtoond. Wie Scheffer leest, zou immers kunnen besluiten dat de sociale ontvoogding van de arbeidersklasse in de negentiende eeuw door de politieke elite werd gedragen. Scheffer trekt deze visie door naar deze eeuw en besluit dat de politieke elite vandaag deze beschavingsdrang ten aanzien van sociaal zwakkere groepen niet meer heeft. Scheffer schrijft het wel maar beklemtoont wat mij betreft te weinig dat de ontvoogding van de arbeidersklasse initieel aan de agitatie van deze klasse zelf is te danken. Dergelijke emancipatorische krachten om de oorspronkelijke cultuur te overstijgen, zijn echter in de allochtone gemeenschap vandaag niet of nauwelijks aanwezig. Integendeel, in de mate dat de huidige opiniebijdragen die in de krant De Morgen verschijnen, treffend zijn voor de opvattingen en het bewustzijn van de hele allochtone gemeenschap, dan pleiten zij eerder voor een ideologische gettovorming rond de eigen cultuur.

Wij zijn hier en blijven

In De Morgen van 26 mei 2000 verscheen een bijdrage van de hand van vier bestuursleden van Al Rabita, ‘een niet-gouvernementele organisatie met als hoofddoelstelling het behartigen van belangen van Arabische migranten op lokaal en Europees niveau’, met als titel ,,Wij zijn hier en wij blijven hier’’.7 Wat volgt is een voor mij onbegrijpelijk pleidooi voor een volstrekte scheiding tussen de autochtone en de allochtone gemeenschap waarin Vlamingen die pleiten voor integratie worden afgeschilderd als ,,westerse fundamentalisten’’. De kans dat u ook, lieve lezer, tot deze categorie behoort is erg groot aangezien dat Westers fundamentalisme ,,oververtegenwoordigd [is] bij de blanke meerderheid’’. Wij zijn ,,kleine Milosevic-jes’’ die lijden aan een nieuwe vorm van antisemitisme ,,want arabieren zijn ook semieten!’’, maar die niet mogen vergeten dat het internationaal tribunaal van Den Haag erg dichtbij is.

Ik vraag me af of de betrokken krantenredactie een gelijkaardig pleidooi voor een volstrekt gescheiden samenleving, waarin het overgrote gedeelte van de allochtonen als islamitische fundamentalisten of als kleine ayatollahs zou worden afgeschilderd, ook zou publiceren wanneer de auteur van autochtone afkomst is. Hoogstwaarschijnlijk niet. Ik herinner me immers nog levendig hoe de vroegere Antwerpse burgervader Bob Cools de progressieve beau monde tegen zich in het harnas joeg toen hij pleitte voor gettovorming. Dat is nochtans wat ook de spreekbuizen van Al Rabita voorstaan. Zij wensen de uitbouw van een islamitische enclave naar het joods gemeenschapsmodel, dat wil zeggen: ,,eigen voorzieningen, eigen structuren (scholen, bejaardentehuizen) en een goede organisatie.’’ Wat er niet bij wordt verteld is niet alleen dat de joodse gemeenschap in haar structurele uitbouw zelfbedruipend is, maar ook arbeidsmatig bijna volstrekt los functioneert van het ‘autochtone’ arbeidscircuit. Of hebt u ooit al eens een chassidische jood als bediende bij de supermarkt om de hoek gezien? Of als politieagent?
De heren van Al Rabita zijn ziende blind. Zij zien en hekelen het latente racisme dat inderdaad bij een gedeelte (let op: een gedeelte) van de autochtone bevolking leeft. Zij zijn echter blind voor de oorzaken ervan. De sofistische eenvoud waarmee ze zaken omkeren - er is geen migrantenprobleem, er is enkel een autochtonenprobleem - is te eenvoudig en niet van die aard om de samenlevingsproblemen te helpen oplossen. Waarom wordt met geen woord gerept over de verantwoordelijkheid van de eerste en, in mindere mate, de tweede-generatie allochtonen die het niet nodig oordeelden dat hun kinderen regelmatig school liepen? Waarom wordt met geen woord gerept over het gebrek aan inzet van deze ouders om een minimum van de Nederlandse taal te leren, al was het maar om de rapporten van hun kinderen te begrijpen? De eerlijkheid van hun pleidooi zou er bij gebaat zijn.

Het samenlevingsmodel dat Al Rabita voorstaat, is niet het mijne. Hun definitie van een multiculturele samenleving ook niet. Zij definiëren dat als ,,een maatschappij waar meerdere etnische culturele groepen naast elkaar leven’’. Slechts tussen haakjes wordt daar aan toegevoegd: ,,al dan niet mét elkaar’’. Dat is geen multiculturele samenleving, maar een keuze voor een multi-etnische samenleving, wat zoveel inhoudt als de archipelisering ervan: ieder etnie zijn eiland ,,want al dan niet mét elkaar’’.
Deze archipelisering opent de mogelijkheid tot verdere segregatie van de verschillende etnische groepen. We zijn dan misschien niet meer veraf van de invoering van het Milletstelsel dat het Ottomaanse rijk kenmerkte en dat aan de Grieks-orthodoxe, de Armeens-orthodoxe en de joodse minderheden zelfbestuur verleende. Zo aanvaardden de Ottomaanse Turken dat deze niet-islamitische minderheden, weliswaar binnen bepaalde grenzen, zowel op burgerrechtelijk als strafrechtelijk vlak aan een afzonderlijke rechtsmacht werden onderworpen.8 ** ** Het Millet-stelsel waarborgde tevens de vrijheid van eredienst, het eigendomsrecht van kerken en kloosters en de mogelijkheid om eigen onderwijs in te richten. Will Kymlicka schrijft over dit stelsel dat het in het algemeen humaan en tolerant was ten aanzien van groepsverschillen. Toch is de eindbalans die Kymlicka opmaakt niet positief omdat de individuele vrijheid van geweten ontbreekt.9
In alle eerlijkheid: nergens in het geciteerd betoog wordt de keuze voor dit stelsel gemaakt of verdedigd. Integendeel, de leiding van Al Rabita bevestigt zijn gebondenheid aan de wet. Ik mag dus maar hopen dat hier ook de acceptatie bij hoort van de verplichting die artikel 9, eerste lid van het Europees Mensenrechtenverdrag aan de staat oplegt om niet alleen het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van eenieder te waarborgen maar ook het recht om van godsdienst of overtuiging te veranderen. Met dit laatste hebben islamieten, zoals de Zuid-Afrikaanse moslim-theoloog (en islamiet) Farid Esack onlangs nog impliciet bevestigde, het ook vandaag nog erg moeilijk (behalve in de situatie uiteraard dat een niet-islamiet zich tot de islam bekeert).10 Getuigen hiervan zijn de schrijnende verhalen over de gevaren die vele allochtone vrouwen lopen wanneer zij besluiten hun voorbestemd lot niet te aanvaarden en te huwen of concubineren met een niet-islamiet.11

Kwalijke houding

Ziende blindheid. Niet alleen de woordvoerders van Al Rabita lijden eraan. Ook progressief Vlaanderen lijdt aan deze kwaal. Ik heb mij steeds verwonderd over de mate waarin deze groep zich enerzijds afzet tegen de bevoogding van de katholieke kerk, maar anderzijds het cultureel-religieuze terugplooien aanvaardt van de allochtone gemeenschap. Deze dualiteit is zeker terug te vinden in de krant De Morgen, de enige die ik als abonnee elke dag doorneem, en die zowat de huiskrant van bovenvermelde sociale groep is. De vastberadenheid waarmee zij verslag uitbrengt over misstanden binnen de katholieke gemeenschap doet verbazen in het licht van de goodwill die zij aan de dag legt voor de, naar westerse normen, conservatieve opvattingen van de islam, ook op de wijze waarop deze godsdienst in België wordt beleden.
Progressief Vlaanderen werkt dus kennelijk met twee maten en twee gewichten. Enerzijds is er de (terechte) verontwaardiging voor, pakweg, de weigering van de katholieke kerk om vrouwen tot het priesterambt toe te laten, anderzijds is er een gebrek aan kritisch vermogen voor de islamitische gemeenschap wanneer zij hun dochters verbieden uit te gaan, te studeren en zelfstandig een partner te kiezen. Met dat laatste voorbeeld kunnen we terug aansluiten bij het pleidooi van het bestuur van Al Rabita waarin zij de gelijke behandeling eisen van alle culturen, godsdiensten, overtuigingen en rassen omdat dit de enige manier zou zijn om aan een conflictrijke toekomst te ontsnappen. Tegen dergelijke gelijke behandeling kunnen we uiteraard niet zijn.

Maar …
Ik heb vaak het gevoel dat in hun pleidooi de gelijke behandeling louter wordt bekeken vanuit een groepsperspectief. Daarmee bedoel ik dat de gelijkheid die zij voorstaat voor ons de eerbiediging impliceert van hun groepsrechten waartoe ook de traditie van uithuwelijken, verstoten en de hiermee samenhangende minderwaardige positie van de vrouw behoort. Ik ben er echter van overtuigd dat deze tradities onverenigbaar zijn met het samenlevingsmodel dat zich sedert 1789 in Europa heeft ontwikkeld. De gelijke behandeling dient daarom niet vanuit groepsperspectief maar vanuit individueel perspectief te worden begrepen. Met andere woorden, in de mate dat de allochtone bevolking aan ieder lid van haar gemeenschap meer bewegingsvrijheid toestaat en vrijlaat zelfstandig te besluiten op welke wijze religie een rol zal spelen in diens leven, is er geen probleem. Wie zelfstandig opteert voor een gesluierd leven, dagelijks te bidden, enkel halal-vlees te eten, moet in deze keuze, hoe anders mijn of uw persoonlijke voorkeur ook moge wezen, gerespecteerd worden.
Nochtans bestaat vandaag de dag deze zelfstandige optie niet (altijd), zeker niet voor de vrouwelijke allochtonen voor wie, eens de huwbare leeftijd bereikt, de jaarlijkse reis naar de heimat een ware verschrikking kan zijn omdat zij nooit weten of zij nog wel ongehuwd zullen terugkomen. Voor deze interne discriminatoire positie van de vrouw hebben wij in het algemeen veel te weinig oog. Om eerlijk te zijn: we zijn er blind voor. Jaarlijks komen er na de zomervakantie jonge vrouwen terug die in het thuisland gehuwd zijn omdat zij daartoe verplicht werden. Waarom? Omdat zij in de ogen van de ouders te westers werden en zij hen tot schande konden brengen. Of omdat de ouders niet meer aan de familiale druk konden weerstaan en dan maar hebben ingestemd met het huwelijk van dochterlief met een volle neef. Elk jaar arriveren op deze wijze, volstrekt legaal, nieuwe allochtonen, veelal ongeschoold en steeds Nederlandsonkundig, die de druk op het kaartenhuis van de multiculturele samenleving verhogen. De tolerantie die vandaag de houding van progressief Vlaanderen kenmerkt, houdt in dat deze jonge vrouwen aan hun lot worden overgelaten.

Nood aan breed debat

Het is duidelijk dat iedereen baat heeft bij een breed debat over de multiculturele samenleving, een kritisch debat bovenal, een debat zonder taboes. Want wat opvalt in het huidige debat is de eenzijdigheid waarmee de problemen worden benaderd en waardoor men vrij spoedig vervalt in een dovemansgesprek tussen voor- en tegenstanders van ‘allemaal terug’. Bovendien heerst in de groep van de tegenstanders de vrees dat dit debat vroeg of laat zal interfereren met de vrijheid van godsdienst. Het kan daarom nuttig zijn om van in het begin aan te geven dat het niet de bedoeling is om het proces van een geloofsovertuiging te maken. Maar wel om een grondige gedachtewisseling te houden over de wijze waarop verschillende etnische groepen harmonieus kunnen samenleven, wat mij betreft liefst mét elkaar, en over de mogelijkheid van elkeen om al dan niet tot een bepaalde groep te behoren zónder lijfsdwang. Dat debat is nodig. Dringend nodig. Het gaat immers om niet minder dan het veiligstellen van onze maatschappelijke vrede. Ik voorspel immers dat wanneer niet meer werk wordt gemaakt van een integraal allochtonenbeleid, deze maatschappelijke vrede vroeg of laat zal doorbroken worden. De grens van coëxistent samenleven is immers voor velen al lang overschreden.

Noten
1. Scheffer, P., “Het multiculturele drama”, NRC-Handelsblad, 29 januari 2000.
2. Scheffer, P., “Het multiculturele drama: een repliek”, NRC-Handelsblad,25 maart 2000.
3. In het Decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaamse Beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden (B.S. 19 juni 1998, err. B.S. 11 september 1998) worden “allochtonen” gedefinieerd als de ,,personen die zich legaal in België bevinden, ongeacht of zij de Belgische nationaliteit hebben, en die tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoen: a) minstens één van hun ouders of grootouders is geboren buiten België; b) zij bevinden zich in een achterstandspositie vanwege hun etnische afkomst of hun zwakke sociaaleconomische situatie’’. In tegenstelling met deze definitie, die mijns inziens eveneens stigmatiserend is, beschouw ik hier ook als allochtoon: de persoon waarvan beide ouders in België zijn geboren doch van vreemde afkomst zijn.
4. Talhaoui, M., “Naar een actieve migrantenbewustwording”, De Morgen, 27 april 2000.
5. Regeringsverklaring van de Vlaamse Regering van 13 juli 1999 Parl. St. Vlaams Parlement 1999, nr. 31, 32-33.
6. De Coninck, H., “Iemand, en nog iemand, en nog iemand”, 73 in: Piryns, P., Zwarte zondag. Beschouwingen over de democratie in België. Antwerpen: Dedalus 1992, 94p. Voor alle eerlijkheid: het volledig artikel geeft wel blijk van een meer genuanceerde kijk op de zaak.
7. Jahjah, D.A., Arkob, H., Azzuz, A., Ahmed, A.A., “Wij zijn hier en wij blijven hier”, De Morgen, 26 mei 2000.
8. Evans, M.D., Religious Liberty and International Law in Europe. Cambridge: University Press 1997, 59 e.v.
9. Kymlicka, W., Multicultural Citizenship. Oxford: Clarendon Press 1998, 156-158.
10. Zie zijn ongepubliceerd referaat tijdens de Multatuli-lezing die op 19 mei 2000 te Breda werd gehouden.
11. Zie als voorbeeld het interview met “verloren dochter” Sabah Mahani in de Weekend Knack-reeks A la limite.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 10