Abonneer Log in

De commissie Lumumba

Wetenschap en politiek zoeken samen naar de waarheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 7 (september), pagina 4 tot 8

Op 24 februari jongstleden werd een parlementaire onderzoekscommissie opgericht, ,,belast met het vaststellen van de precieze omstandigheden waarin Patrice Lumumba werd vermoord en van de eventuele betrokkenheid daarbij van Belgische politici’’. De rechtstreekse aanleiding voor de oprichting ervan was het boek De moord op Lumumba van Ludo De Witte.1 Ondertussen werd de commissie samengesteld en met de werkzaamheden begonnen. Vier experts, gekozen uit een vijfentwintigtal kandidaten, moeten tegen oktober een rapport voorleggen. Wetenschappers en politici gaan eindelijk samen de waarheid naar boven spitten. Moeten wetenschappers nu juichen of huilen?

Het lijkt mij een bijzonder vreemd verhaal. In het najaar van 1999 verschijnt een publicatie van socioloog De Witte over de moord op Lumumba in 1961. In die degelijke studie, gebaseerd op veelvuldig archiefmateriaal, kwam de auteur tot de conclusie dat de Belgische overheid daadwerkelijk (en niet enkel in gedachten, zoals lange tijd werd verondersteld) schuldig was aan de moord op de Congolese politicus Lumumba. Alvast een nieuwe stap in een zoektocht naar de omstandigheden in een niet zo fraaie episode uit de Belgische geschiedenis. In de wetenschappelijke wereld was de publicatie aanleiding tot discussie. Tot enkele weken na de verschijning van het boek leek er verder niet veel aan de hand te zijn.
Plots raakte het onderwerp niettemin in een stroomversnelling. Ludo De Witte zelf zegt daar het volgende over: ,,Hij (minister Michel -BDW) zette het licht voor een onderzoek pas op groen toen de Vlaamse media de zaak maar bleven aankaarten en Kinshasa lucht van de zaak begon te krijgen’’.2 De media-aandacht en de interesse van Kinshasa voor het onderwerp zorgden er met andere woorden voor dat er langzaam een klimaat werd gecreëerd waarbij ook de politiek wel voordelen zag in een behandeling van het onderwerp.

Waarheid

De tijd leek rijp voor een onderzoek over het onderwerp. Een van de toenmalige verantwoordelijke politieke partijen maakt voor het eerst sinds lange tijd geen deel uit van de regering. Het thema past wonderwel in de agenda van de vernieuwde Afrikapolitiek van de Minister van Buitenlandse Zaken en sluit aan bij het vernieuwd belang van morele principes in de politiek (en zeker in de buitenlandse politiek). Bovendien biedt het een aantal politici de kans zich, liefst in een commissie, te profileren.
Opvallend was dat deze meer aardse bekommernissen in het debat van meet af aan werden gecamoufleerd achter hoogdravende taal. Enkel de waarheid en niets anders dan de waarheid leek de politici plots te bewegen. ,,Collega’s, het is tijd om de waarheid te achterhalen…”, stelde Stef Goris van de VLD. Leen Laenens van Agalev-Ecolo zei dat het ,,…de uiteindelijke doelstelling moet zijn om maximaal de waarheid te achterhalen…’’. Beide uitspraken komen uit tussenkomsten tijdens het parlementaire debat over het onderwerp.3 In een interview met Le Soir verantwoordde Daniel Bacquelaine (PRL-FDF-MCC), indiener van het voorstel tot oprichting van de parlementaire onderzoekscommissie betreffende het onderwerp, zijn initiatief met ,,pour la vérité’’.4
Ook wetenschappers gingen kritiekloos mee in deze redenering. Professor Luc De Vos, een van de vier aangestelde experts, zei: ,,De waarheid en niets dan de waarheid moeten we vinden’’.5 Ludo De Witte zelf benadrukte in een opiniestuk in De Morgen dat het ,,een zoektocht naar waarheid, naar gerechtigheid’’ betrof.6 Van hem en een aantal betrokkenen kan ik daar nog enigszins inkomen. Het is een thema waar zij jarenlang onderzoek naar verrichtten.
Toch had ik ook een aantal kritische opmerkingen verwacht. Vooreerst is er het achterhalen van de waarheid waar ik het moeilijk mee heb. De waarheid is een begrip dat, zeker in de menswetenschappen, moeilijk hanteerbaar is. Onderzoekers beklemtonen andere bronnen, interpreteren dezelfde bronnen op een andere manier of hechten al dan niet belang aan bepaalde getuigenissen en komen zo tot andere conclusies, waarheden als het ware. ,,Historische waarheden laten zich zelden in scherpe zwart-witcontrasten van schuld en onschuld vatten… Een strikt moreel oordeel is overigens ook niet iets waartoe historici zich graag laten verleiden’’.7

Onderzoekscommissie

Bovendien valt het mij op dat de waarheid blijkbaar slechts van belang is voor dit onderwerp alleen. Er is nogal wat onduidelijkheid over nogal wat andere historische onderwerpen. Moeten wij ook niet op zoek naar de waarheid in andere domeinen? Wat maakt de affaire Lumumba tot een prioritaire zaak voor de politici? Wie bepaalt over wat de waarheid moet geweten worden en over wat (nog) niet? Al deze vragen en bemerkingen staan volgens mij in nauwe relatie met de door de politici naar voor gebrachte en door de wetenschappers aanvaarde oplossing.
De roep om de waarheid werd door de politici bijzonder vlug verbonden aan de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie. Dat lijkt dan misschien voor hen een evidentie te zijn, maar dat is het voor mij alvast helemaal niet. De veronderstelde meerwaarde die een dergelijke onderzoekscommissie biedt (de macht als onderzoeksrechter op te treden waardoor zowel privé- als publieke archieven beschikbaar komen) kan ook op andere manieren worden bereikt. Er is zeker en vast een aantal alternatieven voor een dergelijke zoektocht naar de waarheid te bedenken. Nergens werden deze alternatieven noch door de politici, noch door de wetenschappers in dit stadium ter sprake gebracht. Eén alternatief althans leek mij ter zake doende.

Archief

Wanneer immers, hun redenering volgend, de waarheid de echte reden was van hun optreden, leek het mij pas zinvol, wettelijk te voorzien in de mogelijkheid voor iedere onderzoeker om in de toekomst de waarheid over dit en andere thema’s te achterhalen. Concreet zou dat moeten hebben betekend dat de bestaande archiefwet zou moeten worden gewijzigd. De nu nog altijd van toepassing zijnde wet dateert nog van 1955, een periode waarin geschiedschrijving in hoofdzaak was gebaseerd op Ancien Régime-documenten en waarin van bijvoorbeeld eigentijdse geschiedenis nog geen sprake was. Die wet voorzag dan ook in een bepaling waarbij archief 100 jaar lang ontoegankelijk bleef voor onderzoek. Ondertussen werd reeds meer dan eens een wetswijziging bepleit.
Professor Herman Balthazar bepleitte reeds een grondige wetswijziging in 1974.8 In zijn analyse toen wees hij reeds op onvolmaaktheden in de bestaande wetgeving voor onderzoekers uit de historische, sociologische of politieke wetenschappen. De Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek-, Archief- en Documentatiewezen (VVBAD) werkte in 1987 een gefundeerd voorstel uit.9 Een heleboel parlementairen diende in de periode 1970-1999 reeds verschillende voorstellen en ontwerpen in tot aanvulling en/of wijziging van de archiefwet. Onder meer Van Oothegem (1982), Hancké (1983 en 1992), Coens-Bertouillle (1985) en Garcia (1994) namen ter zake initiatief. In maart jongstleden werd in de commissie voor Cultuur, Media en Sport van het Vlaams Parlement trouwens nog een hoorzitting over deze problematiek gehouden waarin de onderbouwde wensen en verzuchtingen van de sector eens te meer naar voren werden gebracht.10
De meeste van deze initiatieven trachtten de archiefproblematiek terecht zo ruim mogelijk te behandelen. Naast een drastische verkorting van de termijn waarop documenten beschikbaar zouden moeten worden, behandelden zij ook de archiefzorg van bij het ontstaan van de stukken, zodat bijvoorbeeld archiefstukken niet zoek zouden kunnen raken en archieven binnen een bepaalde termijn ontsloten zouden raken. Dat alles impliceerde ook een noodzakelijke, aanzienlijke verruiming van de beschikbare middelen.
Slechts een dergelijke wetswijziging zou een grondige oplossing hebben kunnen bieden voor heel wat problemen. De toegankelijkheid van archieven zou aanzienlijk dienen vervroegd te worden en slechts in heel uitzonderlijke gevallen beperkt. De scheiding tussen openbaar en privéarchief zou eventueel moeten worden herbekeken en er zou in het verlengde van de openbaarheid van bestuur aansluiting moeten worden gezocht bij inzagerecht.11 Deze maatregelen zouden bovendien moeten passen in een veel ruimere, nieuwe kijk op dynamisch archief waarin ook continuïteit en overzichtelijkheid van belang zouden zijn. Daarbij zou de archiefwetgeving in het buitenland tot voorbeeld kunnen dienen. Makkelijk zou deze denkoefening niet zijn en problemen zouden er wel altijd rijzen. Een heleboel problemen zou er wel alvast door kunnen worden opgelost.12

Democratisch recht

Door het creëren van een degelijk wettelijk kader zouden Ludo De Witte en anderen tijdens hun onderzoek, onder meer over de moord op Lumumba, automatisch toegang hebben gekregen tot die archieven die voor hen tot nu toe gesloten bleven en waarvoor in het geval van het onderzoek naar de moord op Lumumba nu de zogenaamde hulp nodig is van een parlementaire onderzoekscommissie. De voordelen van een dergelijke aanpak zijn mijns inziens overduidelijk: enkel op deze manier wordt informatie over bepaalde onderwerpen een democratisch recht en hangen onderzoekers niet langer af van de willekeur van bepaalde instellingen of personen, die de toelating om bepaalde stukken in te zien als een gunst beschouwen. Het signaal zou gegeven zijn dat informatie en toegankelijkheid een recht is. Onderzoekers zouden op die manier niet langer als bedelaars behandeld worden aan wie slechts wordt gegeven wat men kwijt wil.
Tekenend voor deze situatie is alvast de reactie van het koninklijk paleis op de vraag van de commissievoorzitter om documenten ter beschikking te stellen die een licht kunnen werpen op de zaak Lumumba. In de marge van hun positief antwoord op de vraag van de commissie benadrukten zij tevens ,,dat de vrijgave van de documenten geen precedent mag vormen om in de toekomst allerlei stukken op te vragen die de grondwettelijke onschendbaarheid van de koning in het gedrang kunnen brengen’’.13
Concreet betekent het dat wanneer een onderzoeker er meer wil te weten komen over bijvoorbeeld de rol van de koninklijke familie in Chili tijdens de jaren zestig,14 hem de mogelijkheid om deze waarheid te achterhalen hoogstwaarschijnlijk wordt ontzegd. Wanneer krijgt die onderzoeker toegang tot die documenten die hem interesseren? Even opvallend en schokkend was de bekendmaking dat de verslagen van het Comité Ministériel restreint des Affaires Africaines (het ministercomité voor Afrikaanse Zaken uit de betreffende periode) werden teruggevonden door de diensten van de premier. Onderzoekers zonder de hulp van een onderzoekscommissie zouden ongetwijfeld bot hebben gevangen met hun vraag naar deze pv’s. Ludo De Witte bijvoorbeeld kon deze belangrijke bron niet raadplegen voor zijn studie.

Willekeur

Zijn deze doorbraken in het onderzoek redenen om te gaan juichen of net integendeel aanleiding om te gaan huilen om deze illustratie van het trieste, alledaagse verhaal van onderzoekers? Een onderzoekscommissie noch het werk van de aangestelde experts biedt oplossingen voor deze problemen. Integendeel zelfs, ze bevestigen slechts de willekeur van de archiefbeheerders. Die dilemma’s zouden slechts via een wetswijziging kunnen worden opgelost. De voordelen van die oplossing zijn echter ook de nadelen ervan en lijken mij al even evident. Vooreerst zouden heel wat andere waarheden het licht kunnen zien. Verder zouden politici én wetenschappers minder in de schijnwerpers komen te staan en zou hun werk lang en anoniem geweest zijn.
Nu de onderzoekscommissie werd geïnstalleerd en de werkzaamheden werden aangevat duiken overigens plotseling berichten op van verwondering bij de commissievoorzitter en bij de ondertussen vier aangestelde experts over de slechte toestand van het archiefwezen. ,,Zelfs het koninklijk paleis blijkt maar één archivaris in dienst te hebben’’, merkt Geert Versnick verwonderd op.15 De slechte toestand van het archiefwezen in België is voor de betrokkenen, archivarissen en gebruikers, al jarenlang meer dan bekend en werd even lang aangeklaagd.

Grote ogen

De hoop bestaat nu dat door de werkzaamheden van de commissie plots de aandacht op deze kwestie wordt gevestigd en dat er oplossingen zouden volgen. ,,Het voordeel is dat de politieke wereld dat nu ook moet vaststellen en dat er daardoor nu misschien een en ander zal veranderen. Ik kan u verzekeren dat Geert Versnick al een paar maal grote ogen heeft opgezet’’, verklaarde Luc De Vos nog. Die hoop wordt gevoed door een uitspraak van Versnick: ,,Het is duidelijk dat er een structureel probleem is: te weinig mensen’’. Laat de experts er deze keer op wijzen dat een verhoging van de middelen op zich zou helpen, maar dat er ook bijkomende fundamentele veranderingen nodig zijn. Bij mij blijft de hoop bestaan dat vooralsnog aan een globale oplossing wordt gedacht voor het archiefwezen in België en dat de archiefwet en het archieflandschap in zijn totaliteit worden herbekeken.

Noten
1. De Witte, L., De moord op Lumumba. Leuven: Van Halewijck, 1999.
2. De Witte, L., ”De inzet van de Lumumba-commissie”, De Morgen, 22 april 2000.
3. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Handelingen van de Plenaire Vergadering 23 februari 2000.
4. Le Soir, 3 mai 2000.
5. De Morgen
, 31 mei 2000.
6. De Witte, L., “De inzet van de Lumumba-commissie”, De Morgen, 22 april 2000.
7. Reynebeau, M., “Niets dan de waarheid”, Knack, 7 juni 2000.
8. Balthazar, H., “Hedendaags archief: zorg en hoop”, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, V, 1974, 1-2, pp. 246-251.
9. Zij bepleitten er een model naar analogie van de Nederlandse en Franse archiefwet en stelden er onder meer in voor om alle archief openbaar te maken 30 jaar na datum van het afzonderlijke stuk of na afsluiten van het dossier mits een drietal uitzonderingen (veiligheid van de staat; privacy particuliere personen of individuele medische dossiers) waarbij het archief na 50 jaar openbaar werd. Mertens, J., Verhelst, J., “Voor een nieuwe archiefwet. Advies van de Werkgroep Archiefbeleid”, Archiefkunde. Verhandelingen aansluitend bij bibliotheek- en archiefgids, nr. 2, 1987, 85 pp.
10. VVBAD, Nota van de Sectie Archief van de Vlaamse Vereniging voor Bibliotheek-, Archief- en Documentatiewezen naar aanleiding van de hoorzitting in het Vlaams Parlement - Commissie voor Cultuur, Media en Sport, 13 maart 2000. Ook in het Vlaams regeerakkoord van 8 juli 1999 werd een passage over een Vlaams archiefbeleid met aangepaste middelen opgenomen.
11. De vraag kan bijvoorbeeld worden gesteld of het archief van het koninklijk paleis, van Kamer en Senaat, van de Ministerraad en de ministeriële kabinetsarchieven, tot nu allemaal beschouwd als privéarchief, niet op een of andere manier verplicht bewaard en toegankelijk dienen te worden gemaakt. Zie over deze problematiek: Verhelst, J., “Horen de archieven van de wetgevende en uitvoerende machten onder een nieuwe archiefwet te vallen?”, Voor een nieuwe Belgische archiefwet, Brussel, 1984-1986, Archief- en Bibliotheekwezen in België, extranummer 23, 5delen, pp. 57-63.
12. Ondertussen genoodzaakt door de praktijk dat onderzoek naar Wereldoorlog II praktisch onmogelijk was, werd door de algemeen rijksarchivaris een richtlijn uitgevaardigd die voorzag in de terbeschikkingstelling van archief na een termijn van 50 jaar.
13. Dr. Staf Janssens, de archivaris van het koninklijk paleis, ziet het koninklijk archief als een privéarchief dat niet valt onder de wet op de openbare archieven. Hij hanteert doorgaans een termijn van 50 jaar voor een terbeschikkingstelling. ,,Maar op vraag van commissievoorzitter Versnick krijgen de Lumumba-experts inzage in alle documenten die betrekking hebben op de periode januari 1960 tot het voorjaar 1961’’, aldus Janssens. Van een gunst gesproken. De Standaard, 30 en 31 mei 2000.
14. In april verscheen in De Morgen het verhaal van de oud-ambassadeur van de V.S.A. in Chili die verklaarde dat het Belgische koningshuis de christendemocratische presidentskandidaat Edouardo Frei financieel steunde tegen de linkse tegenkandidaat Salvator Allende tijdens de verkiezingen van 1964. De Morgen, 21 april 2000.
15. De Morgen, 11 augustus 2000.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 7 (september), pagina 4 tot 8