Log in

Kroniek van een aangekondigde nominatie in de Verenigde Staten

De eerste fase van de presidentsverkiezingen in 2000

Op 7 november 2000 kiezen de Amerikanen zoals bekend de opvolger van Bill Clinton. Hoeveel Amerikanen die dag naar het stemlokaal zullen gaan, is nog maar de vraag. De deelname van de kiezers aan de presidentsverkiezingen daalt al jaren en bereikte in 1996, toen meer dan de helft van de kiezers het liet afweten, een voorlopig dieptepunt. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat er dit jaar een einde komt aan deze dalende trend, want de eerste rondes van de verkiezingscampagne kenden een weinig begeesterend verloop.

De keuze van Al Gore bij de Democraten en van George ‘W’ Bush jr. bij de Republikeinen lag zo goed als vast nog voor de eerste voorverkiezing had plaats gevonden. Veel kiezers kregen de indruk dat zij er nauwelijks aan te pas kwamen en haakten af. Er was evenmin sprake van diepgaande maatschappelijke keuzes of verscheurende buitenlandse conflicten. Integendeel, de Amerikaanse economie doet het uitstekend. Bij afwezigheid van acute conflictsituaties speelt de toestand van de wereld maar een beperkte rol in de presidentscampagne.
En toch. Alle voorspelbaarheid en kleurloosheid ten spijt geeft een presidentiële campagne een indringend beeld van het Amerikaanse politieke bedrijf: de koele politieke berekening bij de keuze van de kandidaten van Democraten en Republikeinen, de relatieve geslotenheid van de Amerikaanse politieke elites, het peilloze cynisme van met name de Republikeinse partij, de verregaande voorbereiding en grooming van de kandidaten, de peperdure campagnes en het grote belang van fundraising, en ten slotte de apathie van veel kiezers.
Eveneens op 7 november worden het volledige Huis van Afgevaardigden (435 Congresleden) en een derde van de Senaat (33 senatoren) verkozen. In beide Kamers hebben de Republikeinen een kleine meerderheid. De partij van de winnende presidentskandidaat versterkt meestal haar positie in het Congres, maar dat is geen algemene regel. De laatste jaren lijkt de kiezer de voorkeur te geven aan een Amerikaanse versie van de cohabitation, waarbij de president en de meerderheid van de Congresleden tot verschillende partijen behoren.

Kandidaten

Van een echte open strijd om de nominatie is er bij de Democraten noch bij de Republikeinen sprake geweest. Wat ze verder ook over Al Gore mochten denken, de Democraten konden moeilijk om de vice-president heen. Na acht jaar in de schaduw van Clinton maakte de veep (vice-president) zich op om een gooi te doen naar het hoogste ambt. Zelfs Gores tegenstanders moesten erkennen dat hij een invloedrijke vice-president was, die op crisismomenten de Clinton-regering bijeen hield. De schertsende woorden van vader Bush over zijn tijd als veep, “If I fall out of favor at the White House, I might end up attending a lot of funerals in funny little countries”, waren niet op Gore van toepassing.

Ook over de keuze van George Bush jr. was al vroeger beslist. De partijleiding van de Republikeinen had lessen getrokken uit de nederlagen van 1992 en 1996. Zij meende dat de invloed van de Religious Right veel te groot en tijdens de partijconventies veel te zichtbaar was geweest. Na de nederlaag in 1996 ging de Republikeinse partijleiding op zoek naar een presentabele kandidaat die in 2000 een goede kans maakte om het Witte Huis te heroveren. Acht jaar in de presidentiële woestijn is voor de Republikeinen wel erg lang. Per slot van rekening hebben zij tussen 1968 en 2000 het Witte Huis alleen aan de Democraten moeten overlaten onder Jimmy Carter (1977-1981) en Bill Clinton (vanaf begin 1993).

Progressieve Democraten mogen dan morren dat Clinton de binnenlandse en sociale agenda van de gematigde Republikeinen heeft overgenomen, voor veel Republikeinen blijft de president een gevaarlijke liberal in schaapskleren. De kingmakers in de partij, bestaande uit een groep toonaangevende Congresleden, gouverneurs en rijke tot zeer rijke zakenlui, bankiers, lobbyisten en advocaten, bereikten al snel een consensus over de figuur van Bush jr.. Als zoon van voormalig president George Bush beschikte hij over de juiste achtergrond en het indrukwekkende netwerk van zijn vader in Washington en daarbuiten. Bush jr. is een betrouwbare conservatief en een verdediger van de familiewaarden, maar niet het soort fanaticus dat de gematigde Republikeinen of onafhankelijke kiezers schrik aanjaagt. Tot zijn eigen verbazing vernam Bush in de zomer van 1997 dat hij voorop lag in de strijd om de Republikeinse nominatie voor de presidentsverkiezingen van 2000. Hij werd al vroeg gezalfd door de Republikeinse partijtop, wat hem de niet echt flatterende bijnaam Establishment Kid opleverde. Een leger politieke adviseurs en communicatiemanagers toog aan het werk om Bush, een intellectueel lichtgewicht en voormalige losbol, te transformeren in een geloofwaardige presidentskandidaat.

Gore en Bush zijn niet alleen de uitverkorenen van het Democratische en Republikeinse partij-establishment, zij zijn door afkomst en connecties exponenten van de politieke aristocratie van Washington. Beide kandidaten hebben bovendien de taak om het werk van hun vader(s) af te maken. Al Gore senior vertegenwoordigde gedurende meer dan dertig jaar de zuidelijke staat Tennessee in het Congres. Hij stoomde zijn zoon van op jonge leeftijd - boze tongen beweren van in de wieg - klaar voor een nationale politieke carrière, die hem zo mogelijk tot in het Witte Huis moest brengen. Bovendien verwacht Clinton dat Gore zijn presidentiële nalatenschap bewaakt en verderzet. De relatie tussen de afscheid nemende president en presidentskandidaat Gore is, zeker tijdens de campagne, niet eenvoudig. Gore moet zich in zijn eigen partij en bij de publieke opinie losmaken uit de lange schaduw van Clinton, een geïnspireerd campagnevoerder en een president die met duidelijke tegenzin een stap terugzet. Maar Clintons politieke erfenis is zeer ambivalent, en Gore wil zich distantiëren van de minder fraaie kanten van deze erfenis. Bush jr. van zijn kant moet de nederlaag van zijn vader in 1992 wreken door acht jaar later Clintons heir apparent te verslaan. Het is geen toeval dat verschillende getrouwen van de regering van vader Bush, zoalsvoormalig Minister van Defensie Dick Cheney en de nog steeds erg populaire generaal Colin Powell, present zijn in de entourage van zijn zoon, respectievelijk als kandidaat vice-president en officieus kandidaat voor het ministerschap van Buitenlandse Zaken.

Vader op zoon

Ook de loopbaan van Gore en van Bush werd volledig bepaald door de carrière van hun vader. Gore groeide op in Washington en werd opgeleid aan elitescholen en aan de universiteit van Harvard. Hoewel hij een tegenstander was van de Amerikaanse interventie in Vietnam, trad Gore, ook om de verkiezingscampagne van zijn vader te helpen, in dienst. Hij vocht niet aan het front maar werkte vijf maanden bij de persdienst van het leger. De jonge politicus Gore trad bijna letterlijk in de voetsporen van zijn vader. Ook hij vertegenwoordigde de staat Tennessee in het Congres: van 1977 tot 1985 in het Huis van Afgevaardigden en van 1985 tot eind 1992 in de Senaat. In 1988 deed hij voor het eerst mee aan de strijd om de Democratische presidentiële nominatie. Hij profileerde zich als een eerder conservatieve Democraat, die zich als favorite son voornamelijk op de zuidelijke staten richtte. Bij het begin van de voorronde vroeg hij de steun van een andere jonge zuidelijke politicus, met name gouverneur Bill Clinton van de buurstaat Arkansas, maar die weigerde. Gore stapte al vlug uit de race en keerde terug naar de Senaat. In 1992 werd hij running mate van diezelfde Bill Clinton en een jaar later volgde hij hem naar het Witte Huis.

George Bush jr. vertegenwoordigt de derde generatie van de familie Bush, die intussen de allures heeft aangenomen van een heuse politieke dynastie. Bush jr. stelt zich graag voor als een ongesofisticeerde good ol’ boy uit Texas, als een outsider in het politieke adderkluwen van Washington, zelfs als een a-politieke kandidaat. Die indruk is misleidend. Vader en zoon Bush zijn op de eerste plaats producten van het Eastern Establishment, zeg maar van de politieke en financiële elites van de oostkust. De wortels van de familie Bush en Walker - de ‘W’ slaat op de familienaam van de grootmoeder van Bush jr. - mogen dan in de Midwest liggen, hun klim naar de top begon aan de oostkust. Grootvader Prescott Bush maakte carrière als bankier en was tussen 1952 en 1963 een relatief vooruitstrevend Republikeins senator. De politieke carrière van vader George Bush is genoegzaam bekend, maar over zijn jaren als oilman in Texas bestaan enkele zorgvuldig gecultiveerde misverstanden. Hij vocht als gevechtspiloot in de Tweede Wereldoorlog en vestigde zich daarna in Texas. Hij maakte er fortuin als onafhankelijk petroleumproducent, maar toch bleven zijn politieke ambities in aanzienlijke mate steunen op de vele familiale connecties aan de oostkust. George Bush werd Congreslid voor de Republikeinen in 1966 en bekleedde in de volgende jaren zowat elke denkbare politieke functie: vertegenwoordiger van de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties, officieus gezant bij de Volksrepubliek China, directeur van de CIA, vice-president onder Ronald Reagan van 1981 tot 1989 en ten slotte president van 1989 tot 1993.

Bush jr. dankt zowel zijn succes in zaken als zijn politieke carrière aan de vele connecties van Bush sr. Hij begon in 1987 te werken voor zijn vader, die zich toen als vice-president voorbereidde op de presidentsverkiezingen van het volgende jaar. Bush sr. won de verkiezingen en meteen gingen de zakenbelangen van zijn zoon op spectaculaire wijze vooruit. Texaanse zakenlui verdrongen zich om zaken te doen met de zoon van de president. Zijn kleine oliemaatschappij Harkan won een belangrijk contract met het oliestaatje Bahrain in de Perzische golf. Zijn bescheiden participatie in de baseballploeg Texas Rangers werd dankzij de steun van een consortium van bevriende zakenlui een winstgevende associatie van 15 miljoen dollar. Bush werd in 1994 gouverneur van Texas en is intussen bezig aan zijn tweede ambtstermijn. Zijn jongere broer Jeb is gouverneur van Florida. Vader George Bush gaf geregeld de indruk dat het presidentschap hem omwille van zijn patricische afkomst en lange staat van verdienste ‘toekwam’. Ondanks alle pogingen om zich te profileren als politiek outsider geeft zijn zoon een gelijkaardige indruk.

Dollars

Zoals bij alle serieuze kandidaten voor de nominatie dateert het echte begin van de campagne van Gore en Bush van enkele jaren geleden. De steun van het partij-establishment heeft voor gevolg dat de uitverkorene kan rekenen op ruime financiële middelen, op een goed uitgebouwde nationwide organisatie en op de steun van de kingmakers en powerbrokers binnen de partij. Niet minder dan 31 Republikeinse gouverneurs zegden Bush jr. begin 2000 hun steun toe. De financiële middelen waarover Bush kan beschikken, tarten alle verbeelding. In februari 2000, bij het begin van de campagne, kon hij 70 miljoen dollar uitgeven, en de stroom geld is sindsdien alleen maar toegenomen.

De warchest van Democratische kandidaten is gewoonlijk iets minder goed gevuld, maar ook Gore beschikt over veel geld. De overkoepelende vakbond American Federation of Labor-Congress for Industrial Organisation (AFL-CIO) sprak al in oktober 1999 zijn steun uit voor Gore. In theorie kan de vakbond zijn leden mobiliseren om campagne te voeren en te gaan stemmen, maar het verschil tussen theorie (de keuze van de vakbondsleiding) en praktijk (de stem van de rank and file) is erg groot. De steun van de vakbondsleden voor de Democratische kandidaten is sinds het begin van de jaren zeventig al lang geen certitude meer. In 1980 en 1984 stemden de vakbondsleden massaal op Reagan, en velen hebben de weg naar de Democratische schaapsstal niet meer teruggevonden.
Om het Witte Huis te veroveren moeten zowel Bush als Gore de slag om het centrum of the middle ground winnen. Tot dat centrum behoren gematigde Republikeinen die gekant zijn tegen de te grote invloed van de Religious Right, meer behoudsgezinde Democraten die een te grote invloed van de liberals vrezen en onafhankelijke kiezers, die ook in de VS een steeds talrijker groep vormen. Om het centrum voor zich te winnen doet Bush zich minder conservatief voor dan hij is (en dan uit zijn staat van dienst in Texas blijkt), en toont hij althans in theorie aandacht voor thema’s als onderwijs en gezondheidszorg. Clinton en Gore van hun kant behoren beiden tot de stichters van de Democratic Leadership Council. Deze groep New Democrats wilden hun partij meer in het politieke centrum positioneren. De Democraten moesten steun zoeken bij werkende Amerikanen uit suburbia en komaf maken met hun imago van verdedigers van sociaal zwakkeren, etnische minderheden en allerlei single issue groups.

Bush en Gore zijn niet de enige kandidaten in de race naar het Witte Huis. Zoals gewoonlijk presenteert zich een bonte schare van min of meer marginale kandidaten aan de kiezer, maar hun invloed op de uitslag is verwaarloosbaar. Twee andere kandidaten kunnen wel een zekere impact hebben. Ter rechterzijde verliet de ultraconservatieve journalist en televisiecommentator Pat Buchanan de Republikeinse partij voor de Reform Party. Deze partij ontstond in het kielzog van de presidentiële campagnes van de Texaanse miljardair Ross Perot, maar hij haakte intussen af. Momenteel fungeert de Reform Party als een asiel voor allerlei marginale of excentrieke kandidaten, zoals vastgoedmiljardair Donald Trump en worstelaar-politicus Jesse Ventura, de gouverneur van de staat Minnesota. Aan de andere kant van het politieke spectrum opereert voormalig consumentengoeroe Ralph Nader. Hij is de kandidaat voor de Green Party en kan heel wat stemmen afsnoepen van liberale Democraten, die Gore te conservatief en te weinig opwindend vinden.

Voorverkiezingen

Tijdens de voorronde worden de kandidaten voor de partijnominatie en de delegaties voor de partijconventies aangeduid in voorverkiezingen (primaries) en tijdens gesloten lokale partijvergaderingen (caucuses). De caucus in Ohio van eind januari is traditioneel de eerste echte krachtmeting van de campagne. Gedurende enkele weken kan deze landelijke staat in de Midwest zich in een grote nationale en internationale mediabelangstelling verheugen, maar de impact op de definitieve keuze van de genomineerden is niet altijd zo groot. De eerste voorverkiezing heeft begin februari plaats in het kleine noordoostelijke New Hampshire. De overwinning in deze staat heeft vooral een symbolische betekenis: sinds 1952 heeft de latere president doorgaans de primary van New Hampshire gewonnen. Sinds het begin van de jaren zeventig is het aantal voorverkiezingen aanzienlijk gestegen, en het aantal partijvergaderingen gedaald. Aan de basis van deze evolutie lag een ‘democratische’ bekommernis, namelijk verhinderen dat kandidaten die zwak presteerden in de voorverkiezingen dankzij de steun van de party bosses toch de nominatie binnenhaalden. Zo werd in 1968, toen de campagne volledig overschaduwd werd door de Amerikaanse interventie in Vietnam, de Democratische vice-president Hubert Humphrey genomineerd, hoewel hij ondermaats had gepresteerd tijdens de primaries. De snelle toename van het aantal voorverkiezingen, gekoppeld aan de exponentieel gestegen impact van de alomtegenwoordige media, heeft de aard van de campagne grondig gewijzigd. De campagne is langer, slopender en vooral veel duurder geworden, wat de Republikeinse en vooral de Democratische partijleiding sinds het midden van de jaren tachtig heeft toegelaten om haar greep op de selectie opnieuw te versterken.
De keuze van Gore en Bush mocht dit jaar nagenoeg vastliggen, de Democratische en Republikeinse partijleidingen wilden geen enkel risico nemen en waren vastbesloten de selectie stevig in de hand te houden. Door een sterke concentratie in de tijd van de primaries, met voorverkiezingen in cruciale staten op dezelfde dag (Super Tuesday met verkiezingen in 15 staten en Southern Tuesday met verkiezingen in de meeste zuidelijke staten) waren Establishment Candidates als Gore en Bush duidelijk in het voordeel. Aangezien de voorverkiezingen in staten als Californië, New York en Texas, die uitgebreide delegaties naar de nationale partijconventies sturen, al vroeg plaats hadden, zou de beslissende fase van de voorronde snel achter de rug zijn. Bij de Democraten won Gore alle voorverkiezingen. Hij kreeg alleen enig symbolisch weerwerk van Ben Bradley, senator voor New Jersey. Inhoudelijk waren de verschillen tussen Gore en Bradley gering, en veel Democratische kiezers zagen het nut van Bradleys kandidatuur niet in. Bradley kon Gore op geen enkel moment bedreigen en trok zich al snel uit de race terug.

Bij de Republikeinen ging het er veel geanimeerder aan toe. Bush jr. mocht dan de kandidaat van de partijtop zijn, de warme steun van de partijleiding is in het verleden al meer kandidaten zuur opgebroken. De Amerikaanse kiezers laten geregeld merken dat zij niet erg ingenomen zijn met kandidaten, die hen worden opgedrongen. Bovendien maakte Bush jr. aanvankelijk een zeer zwakke indruk. Tijdens een debat over internationale politiek viel hij lelijk door de mand, en sommige journalisten hadden het smalend over an empty suit. Sommige Republikeinse powerbrokers begonnen luidop te twijfelen aan de capaciteiten van hun kandidaat, en vroegen zich af of de investering Bush wel zou renderen. Als in dergelijke omstandigheden een onverwachte challenger opstaat, mag hij rekenen op een grote mediabelangstelling. Als het dan nog gaat om een man met een interessant verleden zoals Vietnamveteraan John McCain, groeit deze aandacht spectaculair en wordt een challenger snel a serious contender. Zelfs gehaaide campagnewatchers zijn geneigd zijn kansen te overschatten.

Populistisch

McCain voerde een uiterst merkwaardige campagne, die vooral opviel door haar vele interne tegenstrijdigheden. Hij zit in de Senaat voor de staat Arizona, maar de Republikeinse zwaargewichten in het Congres vinden hem grillig en individualistisch. McCain presenteerde zich als een soort anti-politieke kandidaat, een integere Einzelgänger die zich ophoudt in de periferie van de Republikeinse fractie. In tegenstelling tot zijn rivaal George Bush had hij niets te danken aan het politieke establishment van Washington. Bush jr. ontsnapte dankzij de invloed van zijn vader aan actieve dienst in Vietnam en werd veilig geparkeerd bij de Nationale Wacht van Texas. McCain, de zoon van een admiraal, werd tijdens zijn diensttijd in Vietnam krijgsgevangen gemaakt en gemarteld. Hij weigerde een vervroegde vrijlating en bleef meer dan vijf en een half jaar in krijgsgevangenschap. McCain stemde in de Senaat consequent conservatief en beriep zich op de politieke erfenis van Ronald Reagan, maar toch slaagde hij er in zich als een halve liberal te profileren bij heel wat kiezers. Hij koppelde nogal militair klinkende slagzinnen als patriotism, honour and duty aan fiscale voorzichtigheid en een zekere antipathie voor Big Business. Zijn populistische aanpak, maar ook zijn bereikbaarheid, ongezouten standpunten en wat plagerige machohumor droegen bij tot zijn plotse populariteit. En dus was, in het soort rechtlijnige vergelijkingen waar weekbladen als Time dol op zijn, Bush de kandidaat van The System, en McCain de kandidaat van The People.

Na zijn verrassende overwinning in de primary van New Hampshire op 1 februari werd McCain voor velen een serieuze kandidaat. Hij scoorde onverwacht goed bij gematigde Republikeinen en bij weifelende Democraten die niet echt onder de indruk waren van Gore.
McCains onverwachte succes zorgde voor luid gemor bij de Republikeinse partijleiding, die haar zorgvuldige plannen voor een rustige campagne al zag mislukken. McCains succes in New Hampshire dwong Bush jr. ook tot enkele merkwaardige tactische zwenkingen. Hij werd gedwongen toenadering te zoeken tot diezelfde Religious Right, die hij in het begin van de campagne angstvalling had gemeden. De Religious Right gaat terug op de beruchte Moral Majority, die opgericht werd door dominee Jerry Falwell in 1979. Die drukkingsgroep verwierf in de jaren tachtig een zeer grote invloed in de Republikeinse partij, vooral bij het opstellen van het kiesprogramma. (Of de presidenten zich daar later veel van aantrokken, is een andere zaak. Zelfs Ronald Reagan kreeg geregeld te horen dat hij naliet de bepalingen van het kiesplatform in daden om te zetten.) In 1992 zagen geschrokken televisiekijkers hoe Pat Buchanan tijdens de Republikeinse conventie a religious war in de States uitriep. Gematigde Republikeinen wisten niet wat ze hoorden en kloegen dat de fundamentalisten hun partij gekaapt hadden.
McCains onverwachte succes in New Hampshire liet Bush weinig keuze en voor de voorverkiezing in South Carolina flirtte hij onbeschaamd met de plaatselijke Religious Right. South Carolina is een uiterst conservatief bolwerk, waar de Stars and Bars, de vlag van de afgescheiden zuidelijke staten tijdens de Burgeroorlog, nog altijd boven het lokale parlement wappert. Bush begon zijn campagne aan de fundamentalistische Bob Jones-universiteit, waar afspraakjes tussen blanken en zwarten tot voor kort verboden waren. Weldenkend Amerika mocht dan de wenkbrauwen fronsen, Bush won op 19 februari wel de voorverkiezing in South Carolina. Na overwinningen in Alaska, Delaware, Washington, North Dakota, Virginia en Puerto Rico was hij goed op weg naar de nominatie. De zege van McCain enkele dagen later in zijn thuisstaat Arizona en in Michigan veranderde daar maar weinig aan. Op 7 maart volgde Super Tuesday. Bush won toen overtuigend en meteen was de voorronde virtueel ten einde. McCain stapte uit de race, maar het is weinig waarschijnlijk dat hij tijdens de eindstrijd enthousiast campagne zal voeren voor Bush.

Conventies

Op de partijconventies worden de kandidaten voor het presidentschap en het vice-presidentschap officieel aangeduid en de hoofdlijnen van hun programma (het platform) goedgekeurd. De conventies zijn in de loop der jaren uitgegroeid tot gladde, geldverslindende mediaspektakels die strakker geregisseerd worden dan de Oscarceremonie. De kostprijs van de Republikeinse conventie schommelde dit jaar rond 63 miljoen dollar, de Democratische kostte tussen de 35 en de 50 miljoen. Ondanks dat vele geld is de Amerikaanse kijker hoe langer hoe minder geïnteresseerd en lagen de kijkcijfers laag. De tijd dat de conventies nog iets te betekenen hadden, is lang voorbij. Bij de Republikeinen is het van 1976 geleden dat er tot op de convention floor werd gestreden voor de nominatie. President Gerald Ford moest toen een ultieme aanval afslaan van Ronald Reagan, die op dat moment wat meewarig werd afgedaan als een eeuwige kandidaat en in politiek Washington niet serieus werd genomen. Het kan verkeren, want de conventies van 1980 en 1984 groeiden uit tot regelrechte kroningsplechtigheden van diezelfde Reagan.
Het meest opvallende aspect aan de Republikeinse conventie van 2000 was de tegenstelling tussen het spektakel op het podium, de aanwezigen in de zaal en de vele bijeenkomsten in de coulissen. De gala’s, diners en samenkomsten in de marge van de officiële conventie stonden volledig in het teken van het grote geld en van onbeschaamde fundraising. Na afloop hadden de Republikeinen alle reden tot tevredenheid: tijdens de maand juli alleen rijfde de partij 38 miljoen dollar binnen. Tot de bedrijven die meer dan 1 miljoen schonken, behoren onder andere Microsoft, General Motors en de telecommunicatiebedrijven AT&T en Motorola.

De aanwezige Republikeinen op de conventie zijn doorgaans blank, mannelijk en rijk tot zeer rijk. De aanwezige vrouwen zijn ‘Huisvrouwen’, die de ‘Amerikaanse Waarden’ verdedigen. Dat was dit jaar niet anders, maar het spektakel op het podium - en op televisie - toonde een heel ander beeld van de Grand Old Party. Clintons multiculturele conventie van 1996 werd zonder veel scrupules gekopieerd. Vertegenwoordigers van alle mogelijke minderheids- en etnische groepen wisselden elkaar in hoog tempo af. Voormalig militair stafchef Colin Powell gaf opnieuw de indruk dat hij zich van partij had vergist, toen hij in een gepassioneerd pleidooi positieve discriminatie van minderheden en beter onderwijs voor kansarme, vooral zwarte jongeren verdedigde.
De officiële aanvaardingsspeech van Bush bevatte een vergelijkbare combinatie van voor Republikeinen traditionele en zeer ongewone thema’s. Hij pleitte voor een herstel van het fatsoen en de familiewaarden, een duidelijke sneer richting Clinton, maar daar dienen campagnes voor. Bush had ook aandacht voor belastingverlaging, de versterking van het leger en de defensie, opnieuw onderwerpen die de Republikeinen sinds jaar en dag na aan het hart liggen. Maar de toespraak van Bush viel vooral op door het schaamteloos geflirt met de middle ground en de bijhorende hypocrisie. In een poging om zich te distantiëren van het hardvochtige Republikeinse imago en te tonen dat hij de zorgen van de gemiddelde Amerikaan deelde, deed Bush zich voor als een sociaal bewogen compassionate conservative. Af en toe leek het zelfs alsof hij de Clinton-regering van links wilde aanvallen. Al tijdens de campagne had Bush zich Democratische thema’s als onderwijs en gezondheidzorg eigen gemaakt, en hij deed er tijdens de conventie nog een schepje boven op.

Bush wil de sociale zekerheid ‘regelen’, geneesmiddelen voor senioren ‘betaalbaar’ maken en ,,share that gift of education with every child”. Maar achter dit wel zeer wollige taalgebruik gaat een harde conservatieve realiteit schuil. Zo wil Bush ouderwetse liefdadigheid in eer herstellen, faith-based organizations zoals kerken en synagogen een grotere rol geven in de zorg voor de sociaal zwakkeren en onderstreept hij dat iedere burger ‘zijn buurman in nood’ moet helpen. Het lijkt alsof de tijden van Herbert Hoover, de president die de gevolgen van de economische crisis van de jaren dertig met liefdadigheid wilde bestrijden, teruggekeerd zijn. Wat bij een eventuele zege van Bush van al deze voornemens zal terechtkomen, is zeer de vraag. Als gouverneur van Texas geeft Bush niet onmiddellijk blijk van veel sociale of ecologische bekommernissen en voert hij het soort harde conservatieve beleid, waarvan hij op de conventie afstand wilde nemen.

Clintons schaduw

Op de Democratische conventie in Los Angeles moest Gore zich definitief losmaken uit de schaduw van Clinton. De keuze van Joe Lieberman als running mate was al een duidelijke aanwijzing, want de senator veroordeelde als eerste Democraat Clintons escapades met Monica Lewinsky. Bij de aanvaarding van de nominatie onderstreepte Gore niet zozeer de verwezenlijkingen van de Clinton-regering, maar sprak hij vooral over wat zij had nagelaten te doen. Af en toe was de verleiding groot om te vragen of de echte Al Gore eindelijk wilde opstaan. Net als Clinton behoort de vice-president tot de New Democrats, die hun partij aanzienlijk naar het politieke centrum deden opschuiven. Maar tijdens de conventie klonk Gore af en toe als een ouderwetse liberal, die de erfenis van Franklin Roosevelt wilde veilig stellen. Hij hield een ronduit populistische speech, waarin hij zijn bekommernis uitsprak voor de ,,working families of America” en scherp uitviel tegen Big Oil, Big Tobacco en Big Insurance. Daarmee wilde hij niet alleen rivaal Bush onrechtstreeks typeren als een kandidaat van Big Business, hij probeerde ook die Democraten die ontgoocheld zijn na acht jaar Clinton, over de brug te halen.

Over hun toekomstig buitenlands beleid bleven beide kandidaten nogal vaag. Bush pleitte voor ,,a distinctively American internationalism” en het behoud van de traditionele relaties met de bondgenoten in Europa en Azië. Gores weinige uitspraken over dit onderwerp wijzen in dezelfde richting. Bij onverwachte gebeurtenissen of crisismomenten zal er meer dan waarschijnlijk, net als onder de Clinton-regering, een ad hoc-beleid worden gevolgd. Het belangrijkste verschil lijkt tot nu toe hun houding tegenover de bouw van een raketafweersysteem, dat door Clinton werd uitgesteld.
Na de conventies begint de echte eindstrijd en zetten de kandidaten de campagne in een hogere versnelling verder. Het wordt waarschijnlijk een nipte eindstrijd, met een harde en grimmige eindspurt. Ook George Bush sr. voerde in 1988 een gemene campagne tegen de Democraat Michael Dukakis, en verschillende oudgedienden van toen zijn actief in de entourage van zijn zoon. In het andere kamp heeft Clinton, die niet echt meer op zijn woorden moet letten, al een paar keer de botte bijl boven gehaald.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 7 (september), pagina 31 tot 39