Abonneer Log in

Een Belgisch grondwettelijk hof

De hervormingen van het Arbitragehof

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 26

Net voor de zomervakantie besloot de regering het licht op groen te zetten voor een belangrijke institutionele hervorming. De voorstellen van de Ministerraad konden, op enkele uitzonderingen na, op weinig mediabelangstelling rekenen. Nochtans gaat het om fundamentele kwesties die de burger rechtstreeks aanbelangen.

De Ministerraad keurde twee voorstellen goed. Een eerste voorstel zal een nieuwe bepaling in de Grondwet invoegen die de bescherming verzekert van de rechten en vrijheden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Een groot deel van de rechten en vrijheden van het EVRM is reeds opgenomen in de Grondwet, maar het EVRM bevat ook een aantal bepalingen die vandaag niet of niet expliciet in de Belgische Grondwet weer te vinden zijn.
Het gaat onder meer om het recht op leven, de vrijwaring tegen foltering en onmenselijke behandeling, het verbod van slavernij en dwangarbeid, het recht op een eerlijk en openbaar proces binnen een redelijke termijn en het recht op een effectief rechtsmiddel. Verder werd een voorontwerp van wet goedgekeurd waardoor de bevoegdheden van het Arbitragehof zullen worden uitgebreid. Hierdoor zal het Arbitragehof in de toekomst onze wetten, decreten en ordonnanties rechtstreeks kunnen toetsen aan de in Titel II van de Grondwet opgenomen grondrechten. Daarmee wordt in de eerste plaats een in feite reeds bestaande situatie bevestigd.
Het Arbitragehof werd destijds opgericht om de bevoegdheidsconflicten die de verschillende staatshervormingen onvermijdelijk met zich zouden meebrengen, op een juridische wijze te beslechten. Niettemin toetste dit Hof de regelgeving, uitgevaardigd door de vele wetgevers die ons land rijk is, reeds geruime tijd op onrechtstreekse wijze, via het discriminatieverbod, aan een brede waaier mensenrechten. Toch zal de voorgestelde hervorming van het Arbitragehof een aanzienlijke uitbreiding van haar bevoegdheden betekenen en een ruimere, rechtstreekse grondwettigheidscontrole toelaten, waardoor de vandaag soms nog bestaande terughoudendheid kan verdwijnen.
Zodoende wordt het in 1980 opgerichte Arbitragehof omgevormd tot een volwaardig grondwettelijk hof. Het Arbitragehof wordt de bevoegde instantie om de grondwettelijke rechten en vrijheden te interpreteren, waardoor men tot een uniforme interpretatie van deze grondrechten zal komen. In de toekomst zal de burger zijn rechten dan ook beschermd zien door een college rechters die de wetgever ervan zullen weerhouden zijn grondrechten te schenden.

Schraal debat

Het is opvallend hoe weinig controversieel de voorgestelde hervorming en de reeds bestaande bevoegdheden van het Arbitragehof lijken te zijn. Het toetsingsprobleem is nooit een hot issue geweest in ons land. Uiteraard is er in de traditionele rechtsleer uitvoerig over dit onderwerp geschreven en gedebatteerd.1 Het rechtshistorisch en het rechtsdogmatisch debat werd vooral gevoerd naar aanleiding van de vraag of de gewone rechtbanken de bevoegdheid hebben de wet aan de Grondwet te toetsen. De tegenstanders van het toetsingsrecht wijzen op het gebrek aan democratische legitimiteit van de rechter, en waarschuwen voor een gouvernement des juges. De voorstanders benadrukken daarentegen de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die de rechtbanken zouden bieden.
Tot een breder, vakoverschrijdend maatschappelijk debat is het evenwel nooit gekomen. Over de politieke rechtvaardiging van grondwettigheidscontrole is nog maar weinig geschreven. Dit relatief gebrek aan interesse staat in schril contrast met de ruime belangstelling voor dit onderwerp in landen zoals de Verenigde Staten van Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Na de zaak Marbury tegen Madison,2 dat aan de basis ligt van het moderne idee van grondwettigheidscontrole, werden in de Verenigde Staten een heleboel maatschappelijke thema’s voorgelegd aan het Hoogste Gerechtshof. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is de zaak Brown tegen the Board of Education,3 waarin het Hof rassensegregatie in scholen onwettig verklaarde.
Een ander beroemd en niet minder controversieel voorbeeld van een uitspraak met belangrijke maatschappelijke gevolgen is de zaak Roe tegen Wade,4 toen het Hoogste Gerechtshof besliste dat het recht op privacy het recht inhoudt van vrouwen om zich te aborteren, althans binnen een bepaalde termijn na de bevruchting. Ook het ethisch en politiek debat rond homoseksualiteit leidde uiteindelijk tot een juridische beslissing in de zaak Bowers tegen Hardwick.5 Het spreekt voor zich dat deze en andere arresten konden rekenen op ruime publieke belangstelling, en telkens weer het academisch debat over de democratische legitimiteit van grondwettigheidscontrole deden herleven.

De discussie in het Verenigd Koninkrijk is van meer recente datum maar daarom niet minder scherp. Een van de campagnethema’s van New Labour was de slechte reputatie van het Engelse juridisch systeem op het vlak van de bescherming van de mensenrechten. In 1998, na het aan de macht komen van de nieuwe regering, werd de Human Rights Act van kracht. Hiermee wordt het EVRM in het Engelse recht geïncorporeerd en in een weliswaar zwakke vorm van rechterlijke controle voorzien. Deze bescheiden hervorming en de voorbereiding ervan was en is nog steeds aanleiding tot een debat dat zich niet beperkt tot de rechtsfaculteiten, maar zijn weerslag vindt in de politieke en filosofische vakliteratuur, en zelfs geregeld aan bod komt in de populaire pers. Het eeuwenoude dogma van de onschendbaarheid van de wet en de parlementaire soevereiniteit schrapt men immers niet met een pennentrek weg.

Desinteresse

In België is er op dit ogenblik blijkbaar geen behoefte aan zulk debat. Noch in academische kringen, noch in de politieke wereld wordt veel aandacht besteed aan de geplande hervormingen. Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Reeds verschillende decennia wordt door het Hof voor de Rechten van de Mens in Straatburg een supranationale bescherming van de in het EVRM opgenomen rechten gewaarborgd. Hoewel dit Hof niet de bevoegdheid heeft wetten te vernietigen, betekent deze controle toch dat de nationale wet al van voor de oprichting van het Arbitragehof niet volledig meer onschendbaar was.

Een andere verklaring voor het gebrek aan belangstelling is de weinig activistische en vaak vrij technisch geredigeerde rechtspraak van het Arbitragehof. Aangezien dit onder meer te wijten is aan de tot nu toe beperkte bevoegdheden van het Hof, zou daar in de toekomst wel eens verandering in kunnen komen. Ook het feit dat geen dissenting opinions6 worden geformuleerd en dat weinig beroep wordt gedaan op rechtsvergelijkend materiaal en niet-juridische bronnen, maken de arresten van het Arbitragehof weinig aantrekkelijk voor niet-juristen. Hoe dan ook, de relatieve desinteresse die vandaag bestaat rond dit onderwerp is onterecht en maatschappelijk niet verantwoord. Het gaat immers over een fundamentele materie die ons politiek bestel op ingrijpende wijze kan veranderen.

Niet verkozen rechters zullen in de toekomst de wetgeving aangenomen door de verschillende parlementaire vergaderingen rechtstreeks toetsen aan de vage normen en algemene beginselen vervat in onze Grondwet. De vraag dient dan ook gesteld of de voorgestelde hervorming van het Arbitragehof, en de vandaag reeds bestaande ruime toetsingsbevoegdheid, kan beschouwd worden als een gunstige evolutie. Bestaat het gevaar niet dat onze democratie wordt uitgehold door het beslechten van controversiële en politiek geladen dossiers over te laten aan een selecte club juristen? Is het namelijk niet zo dat de interpretatie van de vage grondwettelijke norm politieke keuzes impliceert en dat zulke keuzes beter aan de parlementsleden worden overgelaten nu die rechtstreeks, voor een bepaalde tijd, door het soevereine volk verkozen worden? Immers, voor het leven benoemde rechters, die beraadslagen in geheime vergaderingen en aan niemand verantwoording moeten afleggen, ontbreekt het toch aan elke vorm van democratische legitimiteit?

Grondwettigheidscontrole

Op deze bezwaren kan enkel geantwoord worden door duidelijk te stellen wat grondwettigheidscontrole wel en niet mag zijn. Op het eerste gezicht bezitten de rechters van het Arbitragehof een veto over de beslissingen van de door de meerderheid van het volk vrij verkozen parlementaire vergaderingen (het fameuze counter-majoritarian dilemma). Het lijkt wel of het nemen van belangrijke politieke beslissingen daardoor wordt overgelaten aan het gezelschap van hoogleraren en ex-politici waaruit het Arbitragehof is samengesteld. Dat probleem kan voor een stuk verholpen worden door een apolitieke constitutionele beslissingstheorie te ontwikkelen.
Een klassieke manier om bovengenoemd dilemma te omzeilen is de zogenaamde leer van de ‘oorspronkelijke wil’ van de grondwetgever. Hiermee wordt de intentie bedoeld van de opstellers van de grondwet of het verdrag in kwestie. De redenering is eenvoudig. Als de rechter de oorspronkelijke wil van de auteurs van de grondwet volgt, maakt hij zelf geen politieke beslissingen, maar voert hij enkel de beslissingen uit die lang geleden gemaakt werden door politiek gelegitimeerde autoriteiten.

Een voorbeeld kan dat verduidelijken. Homoseksuelen kunnen in België niet huwen, waardoor ook de voordelen verbonden aan het huwelijk niet openstaan voor deze groep. Stel dat het Arbitragehof gevraagd wordt uit te maken of het hier gaat om discriminatie op basis van seksuele geaardheid, wat verboden is door de het EVRM. Neem nu dat het Hof het verzoek van de homoseksuelen verwerpt en haar beslissing baseert op de evidente vaststelling dat de grondwettelijke vergadering in de negentiende eeuw, en de opstellers van het Europees Verdrag net na de Tweede Wereldoorlog, nooit zouden geoordeeld hebben dat het discriminatieverbod inhoudt dat de voordelen verbonden aan het huwelijk ook voor personen van hetzelfde geslacht dienen opengesteld te worden. Met deze methode tracht het Hof zich te richten naar de bedoelingen en intenties van de ontwerpers van de Grondwet.

Die aanpak is in verschillende opzichten problematisch. Omdat een volledige weergave van het debat hieromtrent ons te ver zou leiden, kunnen we volstaan met de volgende twee bedenkingen. Een grondwet of een verdrag is niet het werk van één persoon, maar wordt opgesteld en geratificeerd door een groep mensen. Er wordt vaak op gewezen dat het onmogelijk is de intentie na te gaan van een groep of vergadering. Zelfs indien duidelijk kan worden vastgesteld wat de intentie van een bepaald persoon was, dan nog kan de intentie van de vergadering in zijn geheel onzeker zijn.7

Intentie

Verder moet een onderscheid gemaakt worden tussen de abstracte en de concrete wil van de grondwetgever, en stelt zich de vraag welke van beide dient verkozen te worden bij de interpretatie van een grondrecht.8 Nemen we hetzelfde voorbeeld. Stel dat een lid van de constituante stemt voor het opnemen van het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet omdat hij meent dat de staat elke burger gelijk moet behandelen. Daarmee bedoelt hij dat elke overheidsnorm die de gelijkwaardigheid van het individu aantast, ongrondwettelijk is.
Meer dan waarschijnlijk houdt dit lid van de constituante er ook een aantal meer concrete inzichten op na over wat al dan niet als een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel dient te worden beschouwd. Zo kan hij er bijvoorbeeld van overtuigd zijn dat voorrechten voor de adel of rassensegregatie in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, maar tevens van oordeel zijn dat dit niet het geval is voor de ongelijke behandeling van vrouwen of homoseksuelen.
De vraag stelt zich dan onvermijdelijk met welke intentie de constitutionele rechter rekening dient te houden. Moet hij zich richten naar de abstracte wil van de grondwetgever en zelf oordelen hoe het gelijkheidsbeginsel vandaag dient geïnterpreteerd te worden? Of moet hij zich houden aan de concrete (tijdsgebonden) opvattingen van diezelfde grondwetgever? De keuze tussen een van beide intenties kan op zichzelf niet gemaakt worden op basis van de oorspronkelijke wil van de grondwetgever, waardoor deze methode onvermijdelijk faalt. Het terugvallen op de oorspronkelijke intentie is er in de praktijk dan ook vaak op gericht politieke keuzes te maskeren.

Troefkaarten

Er dient daarom gezocht te worden naar een andere methode van grondwettigheidscontrole. Het werk van de Amerikaanse filosoof en jurist Ronald Dworkin vormt een van de belangrijkste en meest overtuigende pogingen om een apolitieke beslissingstheorie te formuleren. Dworkin behandelt deze materie in verschillende artikels en boeken, steeds vanuit een andere invalshoek. Toch zijn er enkele krachtlijnen die telkens terugkomen.
De sleutel tot een goed begrip van Dworkins ideeën over de constitutionele bescherming van grondrechten is zijn notie van ,,rechten als troefkaarten’’ (rights as trumps9). Hij argumenteert dat individuele rechten soms prioriteit hebben op beleidsmatige overwegingen (policies) die er op gericht zijn de algemene welvaart te bevorderen. Natuurlijk zijn de meeste rechten, ook de meest fundamentele rechten en vrijheden, niet absoluut. Het collectief belang kan een voldoende reden zijn om ze te begrenzen. Nochtans heeft volgens Dworkin elk recht prioriteit op minstens sommige collectieve belangen. Indien dit niet het geval is, dan zou de idee van een individueel recht immers geen betekenis hebben, en dan zou een recht niet meer zijn dan een geïndividualiseerde beleidsmatige overweging.
Deze theorie vormt de basis voor Dworkins meer rechtstreekse rechtvaardiging van grondwettigheidscontrole, namelijk zijn idee van een ,,gesprek op basis van principes’’ (the forum of principle10). Volgens Dworkin verzekert grondwettigheidscontrole dat de meest fundamentele onderwerpen van politieke moraliteit besproken en beschouwd worden als principekwesties, en niet als aangelegenheden van politieke macht. Een grondwettelijk hof argumenteert noodzakelijkerwijze, als gevolg van de hem toevertrouwde opdracht, op basis van het bestaande recht en de bestaande grondrechten. Het gevolg daarvan is dat het Hof uitspraak doet over de rechten van het individu, en niet over maatschappelijke of economische projecten.
Uiteraard is ook de wetgever begaan met algemene beginselen en fundamentele rechten, maar de wetgevende vergaderingen zijn noodzakelijkerwijze ook een beleidsforum waar argumenten van algemene welvaart en collectief belang soms primeren. Daarenboven is een grondwettelijk hof, dat zich niet elke vier jaar aan de kiezer dient aan te bieden, de geschikte instelling om erover te waken dat de rechten van de minderheid niet geschonden worden.

Onderscheid

Belangrijk is daarom dat een onderscheid gemaakt wordt tussen twee types van argumenten: principeargumenten enerzijds en beleidsargumenten anderzijds. Principeargumenten steunen enkel op de rechten en vrijheden die deel uitmaken van ons recht. Beleidsargumenten verwijzen daarentegen naar algemeen maatschappelijk doeleinden, zoals bijvoorbeeld de volksgezondheid, de maatschappelijke welvaart of de economische groei. Beleidsargumenten behelzen een oordeel over de opportuniteit en doeltreffendheid van de maatregel terwijl principeargumenten enkel voortbouwen op de toepassing en interpretatie van een grondrecht of een algemeen beginsel. Het is van essentieel belang dat een grondwettelijk hof, wil het niet verworden tot een zoveelste politieke instelling, dit onderscheid respecteert en enkel oordeelt op basis van principeargumenten.

Een voorbeeld aan de hand van een arrest van het Arbitragehof kan dit onderscheid en het nut ervan verduidelijken. In zijn arrest van 30 september 1999 besliste het Arbitragehof dat de zogenaamde Tabakswet niet in werking kan treden voor 31 juli 2003, in zoverre ze van toepassing is op de op wereldniveau georganiseerde evenementen en activiteiten. Het Hof besloot tot een schending van het gelijkheidsbeginsel, en oordeelde dat het reclameverbod op tabaksproducten onevenredig was met het nagestreefde doel. In het arrest wordt wel ingegaan op principeargumenten van de partijen, zoals het recht op vrije meningsuiting en de vrijheid van handel en nijverheid, maar de uiteindelijke vernietiging steunt louter op beleidsoverwegingen.

Het Hof onderbouwde zijn uitspraak door te wijzen op de relatieve ondoeltreffendheid van de verbodsmaatregel voor de op wereldniveau georganiseerde evenementen, en op de economische, financiële en sociale gevolgen die een verplaatsing van dergelijke evenementen met zich mee zouden brengen. Het arrest wordt daarom bekritiseerd als zijnde een politiek gemotiveerd vertoog, waardoor het Arbitragehof zijn status als onpartijdig orgaan op de helling heeft gezet.11 In hun bijdrage in de Financieel Economische Tijd wijzen Erik Claes en Arne Vandaele er terecht op dat het Hof een politiek arrest heeft geveld door zich te bezondigen aan het gebruik van beleidsargumenten.12 Beide auteurs schrijven dat het enkel de wetgever toekomt om zulke beleidsargumenten in het kader van zijn beleid te appreciëren.

Interpretatie

Door beleidsargumenten te weren en enkel recht te spreken op basis van principes, worden de klassieke democratische bezwaren voor een stuk verholpen. Natuurlijk is het probleem daarmee niet van de baan. Ook indien de constitutionele rechter enkel oordeelt op grond van principes, blijft de kans reëel dat hij door een subjectieve interpretatie van de vaag geformuleerde rechten en vrijheden, zijn persoonlijke inzichten aan de burger oplegt.

In zijn meer recent werk introduceert Dworkin de zogenaamde morele lezing van de grondwet13 (moral reading of the constitution). De morele lezing van de grondwet veronderstelt dat wij allemaal - rechters, juristen en burgers - de grondrechten interpreteren en toepassen als morele normen over politieke fatsoenlijkheid en rechtvaardigheid. Nemen we als voorbeeld de vrijheid van meningsuiting. Het recht op vrije meningsuiting, vervat in artikel 19 van de Grondwet en artikel 10 van het EVRM vestigt, volgens de morele lezing, het principe dat het de staat niet toekomt te bepalen wat de individuele burger mag zeggen en horen, schrijven en lezen, en incorporeert deze morele waarde in het Belgische recht.
Door dergelijke morele lezing lijkt het gevaar nog groter te worden dat de rechters van het grondwettelijk hof hun morele overtuigingen aan de rest van de burgers zullen opleggen. Het lijkt ze tot koning-filosofen te tronen, en van de grondwet een boot zonder anker te maken.14 Dworkin introduceert daarom een belangrijke interpretatiemethode die als rem moet dienen op een te vrije, en op persoonlijke overtuigingen gebaseerde lezing van de grondwet. Hij noemt dit het beginsel of de eis van ,,constitutionele integriteit’’15 (constitutional integrity). Constitutionele integriteit vereist van de rechters van een grondwettelijk hof dat ze zich niet laten verleiden hun eigen morele opvattingen in de grondwet te lezen. Een moreel oordeel mag enkel in een grondwettelijk principe gelezen worden, indien dit oordeel consistent is met de achterliggende filosofie en de structurele opbouw van de Grondwet in zijn geheel.

Praktijk

Constitutionele integriteit is nauw verbonden met Dworkins algemene rechtsfilosofie, en meer bepaald met zijn begrip ,,recht als integriteit’’.16 Recht als integriteit veronderstelt dat de rechter in een moeilijk geval, bijvoorbeeld bij de interpretatie van een vaag grondrecht, het bestaande recht reconstrueert als een coherent en samenhangend geheel, dat steunt op een aantal grondbeginselen. Deze interpretatiepraktijk vertoont, aldus Dworkin, twee dimensies. Het komt er vooreerst op aan de norm te interpreteren op een wijze die aansluiting kan vinden bij het bestaande recht. De interpretatie moet met andere woorden ‘passen’ in de bestaande rechtsorde (dimension of fit).

Gelijktijdig moet evenwel getracht worden een interpretatie te vinden die de bestaande rechtsorde in haar beste licht toont (dimension of justification). Hiermee wil Dworkin het bedrieglijk onderscheid tussen rechtsvinding en rechtsschepping ontmaskeren. Beide lopen onvermijdelijk door elkaar. De rechter is gebonden door het bestaande recht, maar moet volgens Dworkin ook oordelen aan de hand van welke interpretatie de huidige rechtsorde, in een concreet geval, het beste kan worden gerechtvaardigd.
Het volgende voorbeeld kan de notie constitutionele integriteit verduidelijken. Stel dat een rechter van het Arbitragehof van oordeel zou zijn dat rechtvaardigheid, in theorie, economische gelijkheid veronderstelt. Dan nog is het hem niet toegelaten het gelijkheidsbeginsel in de Grondwet zo te interpreteren, als zouden collectieve eigendom en gelijkheid van inkomen grondwettelijke rechten zijn. Deze interpretatie zou te ver verwijderd zijn van de ‘geest van de Grondwet’ en van de bestaande rechtsorde in het algemeen. Enkel een grondwetswijziging zou deze rechten kunnen invoeren.

Gespannen voet

Door het onderscheid tussen principe- en beleidsargumenten in acht te nemen, en door het respecteren van de constitutionele integriteit, wordt voor een belangrijk deel het gevaar voor politiek gekleurde en subjectivistische rechtspraak verholpen. De vraag is of daarmee het counter-majoritarian dilemma van de baan is. Tot nu toe werd enkel onderzocht of een grondwettelijk hof geen antidemocratische instelling is. Zelfs indien we de vraag buiten beschouwing laten welke instelling bij de bescherming van de grondrechten het laatste woord dient te krijgen, dan nog lijkt het moderne grondrechtenconcept op gespannen voet met onze democratie te verkeren.

Immers, het verheffen van een bepaald recht tot een grondrecht betekent dat het wordt afgezonderd van het normale politieke proces. Ook al wordt de interpretatie van de grondrechten overgelaten aan de wetgevende macht en niet aan een grondwettelijk hof, dan nog blijft het principe gelden dat de democratische verkozen meerderheid er door gebonden is. Een grondwettelijk recht kan daarenboven niet door de gewone democratische besluitvorming worden afgeschaft, maar enkel door een gekwalificeerde meerderheid van tweederden.
Een volledige analyse van de rechtvaardiging en de kritiek op het moderne grondrechtenconcept valt buiten het bestek van deze verhandeling. We beperken ons daarom tot een korte weergave van de ideeën van twee invloedrijke liberale denkers: Dworkin omdat we reeds aandacht besteden aan zijn theorie over grondwettigheidscontrole, en John Rawls, omdat zijn recente inzichten een belangrijke aanvulling kunnen vormen op Dworkins leer. Dworkins rechtvaardiging van het grondrechtenconcept is nauw verbonden met zijn liberale politieke filosofie. Dworkin is een liberal in de Amerikaanse betekenis van het woord, wat niet verward mag worden met ‘liberaal’ in onze politieke traditie. Een liberal staat voor de herverdeling van de welvaart via een uitgebouwde welvaartsstaat, en voor respect voor de verschillende opvattingen over goed en kwaad in een pluralistische samenleving.

Democratie

De essentie van Dworkins liberalisme is het ideaal van gelijke zorg en respect voor ieder lid van de gemeenschap.17 Dit ideaal komt terug in zijn democratiemodel.18 Democratie betekent voor Dworkin regering door het volk. Regering door het volk heeft volgens hem niet enkel te maken met het resultaat van de besluitvormingsprocedure, en de vraag of een beslissing al dan niet genomen werd door een meerderheid van geïnformeerde burgers. Een democratiebegrip dat enkel daarop steunt, is onvolledig volgens Dworkin. Hij verdedigt een democratieconcept dat als uitgangspunt neemt dat collectieve beslissingen dienen genomen te worden door instellingen, waarvan de structuur en samenstelling toelaten dat alle leden van de gemeenschap aanspraak kunnen maken op gelijk respect.

Voor een groot stuk is besluitvorming bij meerderheid hiervoor de meest geschikte procedure. De meerderheidspremisse garandeert evenwel geen zelfbestuur voor de leden van een gemeenschap, indien er niet gelijktijdig over gewaakt wordt dat een aantal fundamentele rechten worden gerespecteerd. Dit is niet het geval wanneer de politieke meerderheid haar ethische categorieën en haar inzichten over de doelstellingen van het persoonlijk leven, aan de rest van de gemeenschap kan opleggen. Vandaar dat volgens Dworkin moet worden voorzien in een grondrechtenmodel dat beslissingen in dit verband onttrekt aan de meerderheidsbesluitvorming.

Het zal ondertussen duidelijk zijn dat Dworkins grondrechtenconcept volledig steunt op zijn liberale politieke filosofie. Dit is in zekere zin problematisch, daar liberalisme, op zijn zachtst uitgedrukt, een controversiële politieke theorie is. De vraag is of het wel wenselijk is een grondwettelijk systeem te ontwerpen op basis van een controversiële politieke doctrine, rond een aantal betwistbare morele normen. Hoger werd immers reeds benadrukt dat een grondwet of een mensenrechtenverdrag een boven het normale politieke proces verheven document is, dat moeilijk of niet kan worden gewijzigd.

Pluralisme

Het liberalisme dat Rawls vorm geeft in zijn recent werk Political Liberalism is een poging om aan dit euvel te ontkomen.19 Ook Rawls pleit voor het erkennen van een reeks fundamentele rechten met speciale prioriteit, waardoor de meest controversiële thema’s aan het politieke machtsspel worden onttrokken. Hij wil evenwel voorkomen dat zijn grondwettelijk systeem komt te rusten op een van de vele controversiële maatschappijvisies. Hij pleit daarom voor een zogenaamd politiek liberalisme, als alternatief voor het omvattend liberalisme van de klassieke liberale theoretici waartoe hij vroeger zelf behoorde.
Volgens Rawls mogen politieke instellingen niet gegrondvest worden op een omvattende filosofische doctrine. Hiermee bedoelt hij een maatschappijvisie die niet alleen uitspraken doet over politieke instellingen, maar ook over de aard van het menselijk geluk en de doelstellingen van het persoonlijk leven. Hij komt tot deze stelling door zijn observatie van de moderne multiculturele samenleving. Door de ‘lasten’ die verbonden zijn aan het maken van morele oordelen - bijvoorbeeld de moeilijkheid om empirisch materiaal te evalueren - wordt onze samenleving, aldus Rawls, gekenmerkt door ,,redelijk pluralisme’’. Dit betekent dat uiteenlopende ‘redelijke’ opvattingen over het goede naast elkaar bestaan, wat onvermijdelijk leidt tot conflicten.

Vandaar dat redelijke burgers moeten accepteren dat een constitutioneel regime enkel kan gegrondvest worden op een rechtvaardigheidsconcept dat kan aanvaard worden door elke redelijke levensbeschouwing. Er moet dan ook gezocht worden naar een soort ,,overlappende consensus’’ tussen redelijke mensen met uiteenlopende opvattingen over het goede leven. Verder moeten redelijke mensen accepteren dat ze in het publieke debat geen gebruik maken van argumenten die ontleend zijn aan een welbepaalde controversiële doctrine. Volgens Rawls leidt dat onvermijdelijk tot het erkennen en respecteren van een aantal fundamentele rechten en vrijheden, die opgenomen worden in een constitutioneel document. Deze grondrechten zijn echter niet langer gebaseerd op een welbepaalde omvattende filosofische doctrine, zoals het liberalisme, maar op de overlappende consensus tussen de verschillende redelijke levensbeschouwingen.
We behandelden Dworkins omvattend liberalisme en Rawls’ idee van een overlappende consensus, als pogingen om het moderne grondrechtenconcept te rechtvaardigen. Beide zijn zeker niet onomstreden.20 De vraag of het wenselijk is een grondwettelijk systeem te baseren op een welbepaalde omvattende doctrine, of dient gezocht te worden naar een niet controversieel rechtvaardigheidsconcept, is voldoende stof om een bijkomend boek mee te vullen. Het is enkel de bedoeling om in dit hoofdstuk de aandacht te vestigen op deze thematiek, en op de verbondenheid van grondwettigheidscontrole met het grondrechtenconcept in het algemeen. Het werk van beide auteurs kan zeker als uitgangspunt dienen voor een verdere discussie.

Inspraak

Er wordt, tot slot, wel eens beweerd dat de werking van een grondwettelijk hof het publiek debat over controversiële thema’s zou verstarren, en de greep van de burger op het beleid daardoor nog zou verkleinen. Indien deze bewering juist zou blijken, is dat zeker een argument tegen grondwettigheidscontrole. Publieke discussie over de fundamentele eisen van rechtvaardigheid is immers een belangrijk democratisch ideaal.
In ons land, dat van bij haar ontstaan gekenmerkt wordt door politieke en ideologische tegenstellingen, is het gevaar voor een overdreven juridisering van het politieke debat inderdaad niet denkbeeldig. In de zogenaamd ethisch geladen dossiers, waar vaak algemeen aanvaard wordt dat maatschappelijke veranderingen een nieuwe juridische benadering van de problematiek opdringen, bleef ons politiek systeem meermaals in gebreke een adequaat antwoord te formuleren. De voorbeelden zijn legio. Denken we maar aan het tot stand komen van de wetgeving inzake abortus of het verbod op wisselmeerderheden in verband met ethische vraagstukken in het vorige regeerakkoord.
Het gebrek aan democratisch debat en besluitvorming was in deze en andere dossiers nochtans niet te wijten aan de interventie van een grondwettelijk hof. Integendeel, de werking van het door het volk verkozen parlement, en de invloed van de politieke partijen op het parlement en de coalitieregeringen, bleken een remmende factor voor een publieke dialoog in verband met deze thema’s. De vraag kan verder worden gesteld of de wijze waarop de verkiezingen over het algemeen verlopen een vruchtbare discussie over een brede waaier politieke dossiers toelaten. De politiek partijen en, meer nog, de media en de actualiteit van de dag blijken de inzet van de verkiezingen te bepalen.

Partijen

Het is onnodig te wijzen op de diepgaande impact van de politieke partijen op het democratisch bestel. Als beleidsbepalende machtscentra hebben ze het traditionele democratisch ideaal grondig gewijzigd, zoniet aangetast. Een beperkte politieke elite bepaalt voor de burger wat kan en wat niet kan en pretendeert te weten wat de bevolkingsgroep wenst die zij meent te vertegenwoordigen. Natuurlijk dienen de partijen zich om de vier of zes jaar aan de bevolking aan met een verkiezingsprogramma. Maar vergeten we niet dat van de kiezer verwacht wordt dat hij zijn steun verleent aan een programma dat een onbeperkte variatie aan onderwerpen behandelt, en dat het zeker niet de burger is die de inzet van de verkiezingen bepaalt.

Hiertegenover staat de individuele procedure voor een grondwettelijk hof, die de burger een belangrijk middel in handen geeft om een bepaald onderwerp op de politieke agenda te plaatsen. Elke persoon die van voldoende belang doet blijken, eventueel zelfs een vereniging die opkomt voor specifieke rechten of belangen, krijgt de mogelijkheid oude of nieuwe regelgeving in vraag te stellen, en tot een wijziging van het recht bij te dragen. Hiermee is niet gezegd dat de werking van de wetgevende en uitvoerende macht ondemocratisch is en dat het bestuur daarom moet worden overgelaten aan de rechtbanken. We willen enkel aantonen dat door het uitoefenen van grondwettigheidscontrole de betrokkenheid en de inspraak van de burger niet noodzakelijkerwijze wordt gereduceerd.

Besluit

Indien het grondrechtenconcept kan worden aanvaard - wat lijkt te gebeuren in een groeiend aantal democratische rechtsstaten - dan is grondwettigheidscontrole een verdedigbare praktijk. De voorstellen van de ministerraad zijn een belangrijke stap in de richting van een nog betere bescherming van de rechten en vrijheden die fundamenteel zijn voor elke burger. De oprichting van een volwaardig grondwettelijk hof zou een welgekomen evolutie zijn, die ons land eindelijk zal doen aanknopen bij de constitutionele tradities van een groot aantal democratische rechtsstaten.

Noten
1. Voor een weergave van dit debat lees Velaers J. (1990), Van Arbitragehof tot Grondwettelijk Hof, Maklu, Antwerpen, 30-34.
2. Marbury v. Madison 5 U.S. (1 Cranch) 137 (1803).
3. Brown v. Board of Education of Topeka 347 US 483 (1954).
4. Roe v. Wade 410 US 113 (1973).
5. Bowers v. Hardwick 478 US (1986).
6. Met een dissenting opinion motiveren de rechters die niet akkoord gaan met de meerderheid van de rechtbank, hun afwijkend standpunt.
7. Dworkin R. (1986), A Matter of Principle, University Press, Oxford, 38.
8. Ibid., 48.
9. Dworkin R. (1977), Taking Rights Seriously, Duckworth, Londen, xi.
10. Dworkin R. (1986), 9-71.
11. Dirk Achten in De Standaard van 2 en 3 oktober.
12. Zie ook het artikel van Erik Claes en Arne Vandaele “Deed Ecclestone het Arbitragehof uit de bocht gaan?”, Financieel-Economische Tijd, 14 oktober 1999.
13. Dworkin R. (1996), Freedom’s Law, The Moral Reading of the American Constitution, University Press, Oxford.
14. Ibid., 11.
15. Ibid., 10.
16. Dworkin R. (1986), Law’s Empire, Fontana Paperbacks, Londen, 176-276.
17. Zie o.a. Dworkin R. (2000), Sovereign Virtue, A Theory and Practice of Equality, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts.
18. Dworkin R., (1996), 15-38.
19. Rawls J. (1993), Political Liberalism, Columbia University Press, New York.
20. Zie o.a. Waldron J. (1999), Law and Disagreement, University Press, Oxford.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 26