Log in

'Wat het Vlaams Blok verzwijgt'

Uitgelezen

Wat het Vlaams Blok verzwijgt

Marc Spruyt
Van Halewyck, Leuven, 2000

Vijf jaar geleden kwam de jonge politicoloog Marc Spruyt met het opgemerkte boek Grove Borstels op de proppen. Wellicht mede dankzij de intrigerende ondertitel Stel dat het Vlaams Blok morgen zijn programma realiseert, hoe zou Vlaanderen er dan uitzien? kende het boek een groot succes. In Grove Borstels, dat een herwerking van zijn gesmaakte licentiaatsthesis was, schetste Spruyt een beeld van het gedachtegoed van het Vlaams Blok. Hij ging daarbij systematisch te werk. Zo verrichtte Spruyt een exhaustieve analyse van officiële programmateksten van de extreemrechtse partij. Een dergelijke analyse volstaat, zo bewees Spruyt, om het extreemrechtse karakter van het Vlaams Blok uitvoerig te documenteren.
Hugo Gijsels ging voor zijn boeken over het Vlaams Blok nog snuisteren in obscure geschriften van met het Blok bevriende rechts-radicale groepen om zo het verborgen, ‘donkere’ karakter van het Vlaams Blok te ontmaskeren. Spruyt beargumenteerde overtuigend dat die werkwijze een aantal grote methodologische problemen met zich meebrengt. Zo valt de selectiviteit van verschillende gebruikte bronnen moeilijk te rechtvaardigen en de relevantie niet altijd aan te tonen. Bovendien maakte Spruyt duidelijk dat het niet nodig is om op zoek te gaan naar de wolf achter de schaapskleren. In de officiële programmateksten van het Blok komt de ware aard van de partij immers al overduidelijk naar voren. Over het extreemrechts en racistisch karakter kan door de radicaliteit van de officiële geschriften van het Blok niet getwijfeld worden. Er hoeft in feite weinig of niets ‘ontmaskerd’ te worden.
Net voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 komt Marc Spruyt, die ondertussen als een autoriteit over de ideologie van het Vlaams Blok beschouwd wordt, met een tweede boek over de extreemrechtse partij. Het Vlaams Blok is ondertussen groter dan ooit en heeft zich een nieuwe stijl aangemeten. Electoraal weinig lonende standpunten worden naar de achtergrond gedrukt en het radicalisme lijkt, eens voor de tv-camera’s, ingeslikt te worden. Meer en meer lijkt het gezegde ‘de wolf in schaapskleren’ toch van toepassing te worden op het Vlaams Blok.
Spruyt ontwaart een doelbewuste ‘politieke marketingzet’ en een ‘uitgekiende communicatiestrategie’. Het Vlaams Blok streeft een politieke normalisering na. Het wil aanvaard worden als een normale speler in het politieke veld. Om de aandacht voor het radicale, extreemrechtse gehalte van de partij niet te laten verslappen, reconstrueert Spruyt daarom in het boek Wat het Vlaams Blok verzwijgt nog maar eens het ideologisch verhaal van het Vlaams Blok. Door de verhaallijn van de officiële teksten van het Blok in herinnering te brengen, wordt het beeld van een minder extremistische partij doorprikt. Spruyt bekijkt daarnaast ook het doen en laten van de extreemrechtse partij gedurende de laatste vier jaar in het parlement in een poging hen op hun merites als beroepspolitici te evalueren.
Net als Grove Borstels is Wat het Vlaams Blok verzwijgt een uitermate informatief en goed geschreven boek. Het leest, ondanks de overvloed aan details en verwijzingen, als een trein. Illustrerend is dat een hele passage, die handelt over de ‘inlichtingendienst’ van de partij, zo goed als integraal gepubliceerd kon worden in Humo. De vlotte schrijfstijl doet echter niets af aan de inhoud. Toch vallen er een aantal kritische kanttekeningen te maken. Het is duidelijk dat dit tweede boek van Marc Spruyt los van een academische omkadering geschreven werd. Een methodologische toelichting ontbreekt ditmaal en meermaals stelt zich het probleem dat een selectieve nadruk op bepaalde bronnen niet of nauwelijks onderbouwd wordt.
Vaak blijft onduidelijk wat het relatieve belang van het geciteerde bronnenmateriaal binnen de partij is. Zo worden bijdragen in het partijblad vaak op dezelfde hoogte geplaatst als passages uit programmateksten. De vraag stelt zich of een gelijk gewicht aan de verschillende genres binnen het bronnenmateriaal gehecht kan worden. Spruyt stelt enkel expliciet dat de Grondbeginselen op ideologisch vlak het zwaarste gewicht voor het Vlaams Blok kennen, maar laat verder doorgaans in het midden wat de relatieve status van geciteerd bronnenmateriaal is. Dat is jammer. Het is immers onwaarschijnlijk dat aan alle geschriften van het Vlaams Blok eenzelfde gewicht toegekend moet worden - net zoals dat overigens bij andere partijen evenmin het geval is. Een ander mankement is de grote klemtoon die Spruyt doorheen het boek legt op de stelling dat er absoluut geen sprake is van een spanning tussen de ‘gematigde’ vleugel Annemans-Colen versus een meer radicale vleugel Dewinter binnen het Blok. Spruyt toont overtuigend aan dat Annemans net zo goed de architect en verdediger is van de meest extreme en racistische standpunten van de partij. Daar koppelt hij meteen de conclusie aan dat het onzin is een beeld op te hangen van het Vlaams Blok als een intern verdeelde partij. Wellicht is Spruyt hier wat al te voorbarig in zijn conclusies. De auteur heeft gelijk dat het onzinnig is te stellen dat er louter op inhoudelijk vlak binnen de partij een tweedeling is tussen racisten en extremisten aan de ene kant en Vlaams-nationalisten en conservatieve democraten aan de andere kant. Dit weet hij ook uitvoerig en overtuigend te documenteren. Toch lijkt Spruyt iets te voorbarig meteen uit te sluiten dat er een splijtzwam binnen de extreemrechtse partij aanwezig is of er een bedreigende breuklijn zou kunnen ontwikkelen.
Net als het geval was met het FN in Frankrijk, lijkt het sowieso niet uit te sluiten dat pragmatici die streven naar politieke aanvaarding en deelname aan het beleid zich steeds minder makkelijk zullen kunnen verzoenen met de radicale opstelling van de populisten binnen de partij. Mégret en Le Pen en hun respectievelijke achterban zijn beiden duidelijk van extreemrechtse signatuur, maar kennen elk hun eigen stijl en belangen, die op een gegeven moment onverzoenbaar bleken. Het valt niet uit te sluiten dat, mede door de aanhoudende druk van het cordon sanitaire, een gelijkaardige spanning zich ook binnen het Blok verder zal manifesteren. Spruyt lijkt zich in Wat het Vlaams Blok verzwijgt iets te fel uit te sloven om te beargumenteren dat het Vlaams Blok zeker niet uit elkaar zal spatten omdat het gedeelde extreemrechtse gedachtegoed alle kopstukken te zeer bindt.
Net zoals er geen harde bewijzen bestaan voor een harde stellingenoorlog binnen de extreemrechtse partij, bestaan er echter evenmin duidelijke aanwijzingen dat de ideologische samenhang sterk genoeg is om spanningen tussen pragmatici en populisten eeuwig te blijven lijmen. Spruyt lijkt uit het oog te verliezen dat persoonlijke ambities en meningsverschillen over te volgen strategieën misschien niet altijd omwille van een gedeelde ideologie met de mantel der liefde bedekt zullen worden. Wat dat betreft is het Vlaams Blok wellicht allerminst de vreemde eend in het politieke veld. Politiek gaat immers niet alleen over ideeën maar ook over macht en ambities.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 8 (oktober), pagina 47 tot 48