Log in

De wereld is veranderd, de vakbond ook?

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 11

Het ABVV West-Vlaanderen is in december 1999 ontstaan uit een fusie van drie gewesten. Er was zoveel energie gestoken in de organisatorische uitbouw van het nieuwe en grote gewest, dat nauwelijks tijd overbleef om ook inhoudelijk posities in te nemen. Reeds op het congres werd daarom afgesproken om dit zo vlug mogelijk bij te benen. Maar het mocht zeker niet resulteren in een show-congres, waar vooraf geprepareerde kost wordt opgediend aan een voorgeprogrammeerde applaus- en stemmachine. Er moest eerst ernstig nagedacht en gedebatteerd worden.

Op het congres zelf - ondertussen gepland voor februari 2001 - moeten de laatste en belangrijke knopen doorgehakt worden. Onderhavige tekst wil de discussie zowel onderbouwen als stimuleren. Het is niet de bedoeling er op een of andere manier overeenstemming over te bereiken. Uiteindelijk moet het congres zich uitspreken over een concreet actieprogramma, niet over een abstracte analyse. De discussie over ideologische thema’s vlot niet altijd zo makkelijk als sommigen wel denken. Te vlug wordt verondersteld dat dit soort debatten door de top worden gesmoord, terwijl het gewoon moeilijk blijkt te zijn er de militanten warm voor te maken.
Ter tafel liggen vier thema’s, die op een of andere manier samenhangen. Het thema de wereld verwijst natuurlijk naar de globalisering. De uitsluiting van ganse werelddelen blijft een smet op een mensheid die zichzelf beschaafd noemt. Het tweede thema uitsluiting verwijst naar een zelfde mechanisme in de Westerse wereld, waar een belangrijk aantal mensen achtergesteld blijft. De oplossing kan nooit een toegift zijn aan de democratie , noch onder de vorm van een economisch, noch onder de vorm van een politiek totalitarisme. En een vakbond heeft onmiskenbaar een belangrijke opdracht in een democratie, het derde thema. Ook al kan het democratisch functioneren er nog aanzienlijk beter, het blijft een oefenschool in democratie. Of de socialistische vakbond ook nog een eigenheid heeft of om het in modieuze termen te stellen: een uniek voordeel ten opzichte van zijn concurrenten, wordt in het laatste thema aangeraakt. De vier thema’s moeten een aanzet zijn voor een ideologisch draagvlak waar een moderne vakbond kan op steunen. Dat is er vandaag nog nauwelijks. De begrippen zijn door de tijd vermolmd. Maar ofwel wordt er een nieuw gebouwd en hervindt de vakbond zijn maatschappelijke opdracht, ofwel verschrompelt hij tot een onsamenhangend geheel van sectorale- of bedrijfsbonden. Die kunnen wel nog altijd belangrijk zijn, maar maken niet meer echt een maatschappelijke kracht uit. Deze tekst heeft niet de pretentie van het laatste woord. Ook het ABVV West-Vlaanderen zal uiteraard het laatste woord niet spreken. Maar wij willen de illusie niet opgeven om toch mee te spreken en vanuit de provincie een bijdrage te leveren in een debat dat uiteraard het gewest en zelfs de vakbond veruit overstijgt.

De wereld

Globalisering bepaalt niet alleen de economie, maar bijvoorbeeld ook heel indringend de toekomst van de vakbonden. Globalisering wil niet zomaar zeggen dat de economie op wereldschaal zou georganiseerd zijn. Er bestaat een wereldeconomie sinds de 15° eeuw. Met de nieuwe vaartuigen en scheepvaartinstrumenten werd de wereld geleidelijk ontsloten. Dit gebeurde natuurlijk in dienst van het Westen, de andere landen werden ­gewoon onder de voet gelopen. Miljoenen en miljoenen mensen vonden de dood door oorlog, ziekten, slavernij en noem maar op. Het werd een wereldeconomie, in die zin dat het Westen uiteindelijk gewoon niet meer kon bestaan zonder zijn koloniën. Maar het Westen was nog het centrum. In een geglobaliseerde wereld is er geen centrum meer. De plaats waar bedrijven gevestigd zijn, doet er eigenlijk niet meer toe. Een productieproces kan trouwens op veel plaatsen tegelijk plaats grijpen. Er moet op een bepaald moment alleen maar geassembleerd worden. Essentieel is dat de afstanden razendsnel overbrugd kunnen worden. En het spreekt uiteraard vanzelf dat de computers daarin een sleutelrol vervullen. De essentie van de globalisering heeft trouwens veel meer te maken met informatie dan met materiële productie. Er valt natuurlijk niet aan te twijfelen dat de Europese economie nog grotendeels binnen de Europese grenzen verloopt, zodat Europese en ook nationale politieke besluitvorming nog effectief kan zijn.1 Maar dat weerlegt niet dat diezelfde economie niet meer verankerd is in Europa of zelfs maar op een vaste plaats. Het anker is bij wijze van spreken zo gelicht, het vaartuig kan morgen reeds andere zeeën bevaren.
De geglobaliseerde economie heeft zich gewoon losgemaakt van nationale staten. De negentiende eeuwse industriële revolutie speelde zich wel nog af binnen nationale grenzen. Het was in het begin een heel wild gebeuren, want er bestonden gewoon geen wetten of voorschriften. Arbeiders wroetten tegen een hongerloon. Ze werkten soms 16 uur per dag. Er werd gewoon niet omgezien naar veiligheid en gezondheid. Ook kinderen moesten in diezelfde omstandigheden de fabriek of zelfs de mijn in. De arbeidersbeweging heeft zich daar tegen afgezet. Ze probeerde de werknemers te groeperen. Kassen voor wederzijdse bijstand moesten bijspringen in geval van ziekte en werkloosheid. In het begin waren vakbonden nog verboden, maar ze groeiden uit tot belangrijke tegenmachten. De werkgevers zelf leerden inzien dat ook zij belang hadden bij beperkingen. Een samenleving zou het anders nooit lang kunnen uithouden. En wanneer arbeiders beter betaald en beveiligd worden, kunnen zij ook een rol spelen in de afzet van de massaproductie. Geleidelijk ontstond op die manier de welvaartsmaatschappij. Die is eigenlijk een vrije marktsysteem dat beperkt is door onderling afgesproken regels. Probleem is dat het kader van die welvaartsmaatschappij afgemeten is op nationale wetgevingen, terwijl de economie zich steeds minder aan grenzen gelegen laat. Op wereldvlak bestaan er nauwelijks wetten en regels. Multinationale ondernemingen hebben veel meer financiële mogelijkheden dan nationale staten. Zij regeren de wereld. Een geglobaliseerde economie houdt ons in zekere zin gevangen in de negentiende eeuw. Twee derde van de mensheid leeft tot op vandaag in absolute ellende. En die massa’s zijn een potentiële bedreiging voor het rijke westen. Komt daarbij dat het milieu zo fundamenteel beschadigd is dat het bestaan van de hele planeet gewoon bedreigd is.

Vakbonden zijn daar nog niet aan aangepast. Zij denken nog verschrikkelijk in nationale termen. Natuurlijk hebben ze hun Europese en Internationale organisaties. Maar verhoudingsgewijs steken zij daar ontzettend weinig middelen in. En het beleid wordt quasi volledig vanuit de nationale bonden bepaald. Een voorzitter van zo’n Internationale of Europese vakbond spreekt uit de mond van de vele tientallen leiders uit de aangesloten landen. Er gaat nauwelijks invloed, laat staan kracht vanuit. De nationale bonden zelf hebben heel dikwijls een kortzichtige visie op derde wereldproblematieken. De middelen die zij kunnen binnenhalen zijn vaak een belangrijkere doelstelling dan wat met die middelen kan aangewend worden. Ontwikkelingshulp in functie van de eigen organisatie of af en toe zelfs syndicaal toerisme zijn dan het trieste gevolg. Zij moeten zich trouwens meer en meer de les laten spellen door nieuwe actoren. De strijd tegen het MAI is aangetrokken door ngo’s. Het MAI was een poging om op wereldniveau een totale vrijheid van handel in te voeren. Een land dat zijn werknemers wil beschermen met bijvoorbeeld sociale- en milieuclausules zou gewoon gesanctioneerd kunnen worden. Het MAI is voorlopig tegengehouden door het verzet van tientallen en tientallen grote en kleine organisaties. De vakbonden hebben er maar een heel kleine rol in gespeeld en waren zeker geen voortrekkers. En in plaats van bondgenootschappen aan te gaan met de ngo’s, beschouwen ze deze als concurrenten die bestreden moeten worden. Hetzelfde is eigenlijk in Seattle gebeurd toen de wereldhandelsconferentie er gehouden werd.

Een geglobaliseerde wereld vereist een globaal beleid, met afspraken over de grenzen heen. Vandaag is geen enkel politieke instelling voldoende machtig om zo’n beleid gestalte te geven. Er is nood aan een echte wereldregering. Ook vakbonden moeten hun nationale logica opgeven. De welvaartsmaatschappij zal niet overeind blijven als op termijn geen levenswaardig niveau voor de ganse mensheid bereikt wordt. Vakbonden moeten op zijn minst actiever worden in de bewustmaking in het Westen. Nu doen zij hoogstens mee als het weer eens tijd is voor 11-11-11 en dan nog in een beschamende mate. Maar vakbonden moeten zich ook offensiever in het debat durven werpen. Het volstaat niet om over de hele wereld deel te nemen aan congressen en conferenties. Het volstaat niet om hier en daar en liefst met overheidsmiddelen vormingssessies te organiseren. De Derde Wereld moet daadwerkelijk ervaren dat de vakbonden achter haar staan. De vakbonden moeten het voortouw nemen in de strijd tegen de regelloosheid van de wereldeconomie. Op die manier kunnen zij de ngo’s een politiek project aanbieden, dat deze zelf nu al te veel ontberen. In een boekje als “Don Quichotte voorbij”2 wordt daar precies over geklaagd. ngo’s zijn vooral gespecialiseerd in het verwerven van fondsen, maar de projecten die zij realiseren hebben al te vaak alleen maar hulpafhankelijkheid in Derde Wereldlanden voor gevolg. Zij leveren op die manier geen bijdrage tot echte ontwikkeling en dienen vooral het voortbestaan van de eigen organisatie. Vakbonden moeten er zich vooral voor hoeden eenzelfde richting uit te gaan. Ook al staan zij soms te trappelen om zelf een ngo te worden, zij moeten zich veel meer concentreren op het bewustmaken bij hun achterban van de Derde Wereldproblematiek. Projecten in de Derde Wereld kunnen dan wel degelijk een heel nuttige functie vervullen, zonder een doel op zich te vormen.

Uitsluiting

De Derde Wereld wordt grotendeels uit de welvaart gesloten. Uitsluiting wordt echter ook de grote uitdaging in de Westerse wereld. De economie is er terug op gang getrokken en er lijkt opnieuw geen einde aan de groei meer te komen. De werkloosheid is ondertussen heel sterk aan het dalen. In sommige streken gaat het zelfs razendsnel. Probleem is echter dat een harde kern van werknemers maar niet of onvoldoende aan de bak komt. En dat is niet alleen wie geen werk heeft.
De wereld van de arbeid is de laatste jaren fundamenteel aan het veranderen. Wie vandaag een grote fabriek bezoekt, zal er onvermijdelijk door getroffen worden dat er verhoudingsgewijs eigenlijk niet zo veel mensen aan het werk zijn. Een beperkt aantal personen kan immers heel veel machines bedienen. Maar het is niet alleen dat. Vroeger werkten heel veel mensen een beetje in de rand van de productie. Zij zorgden voor de toevoer van de grondstoffen en ze sprongen in om de producten in verschillende fasen van hun afwerking te verplaatsen. De automatisering heeft hen eruit gezet. En de economische crisis heeft de bedrijven daarbovenop gedwongen het aantal personeelsleden heel scherp te berekenen. Vroeger was er wel wat marge. Een bedrijf kon werk geven aan een arbeider die wat minder getalenteerd was. En het was nuttig werk, alleen voor het bedrijf niet levensnoodzakelijk. Oudere werknemers werden gewaardeerd om hun ervaring. Maar het bedrijf kon het hebben dat ze het wat langzamer aan deden. Jongeren kregen de tijd zich in te werken. Nu moet iedere arbeider vanaf het begin tot het einde van zijn loopbaan maximaal renderen. Het is de wet van de jungle, de wet van de sterkste. Hierbij komt de technologische evolutie. Ook arbeiders worden bedienaars van computers, veel meer dan handarbeiders die rechtstreeks op materie inwerken.

Economische crisis, automatisering en technologische ontwikkeling hebben ervoor gezorgd dat een groep werknemers het zeer moeilijk krijgt om mee te kunnen. Ze worden langdurig werkloos of ze sukkelen in allerlei minderwaardige baantjes. Maar voor de goede vacatures moeten zij passen. Niet omdat ze te lui of te dom zijn, maar omdat ze om allerlei redenen niet over alle geëiste vaardigheden beschikken. Maar ook omdat ze in belangrijke mate verdrongen worden door werknemers die voor de aangeboden functies te veel vaardigheden hebben. Het volstaat hoe dan ook niet om jobs aan te bieden. Uit onderzoek3 blijkt overduidelijk dat het geroemde Nederlandse poldermodel wel degelijk een belangrijk aantal jobs heeft opgeleverd, maar de langdurig werklozen, ongeschoolden en allochtonen hebben er niet veel aan gehad. De positie van de zwakste groepen is nauwelijks verbeterd. En een groot deel van hen die toch werk vonden blijft een zeer laag inkomen hebben. Trouwens, velen verliezen hun job weer na korte tijd. Heel belangrijk is nog de bevinding dat de zogenaamde activeringsmaatregelen hen gewoon niet bereiken.

En natuurlijk moet er geprobeerd worden aan die vaardigheden te werken. Maar toch moet op de eerste plaats die marge weer wat ruimer worden. De bedrijven hebben daar een rol in te spelen. Ze moeten hun rendement wat minder met cijfers na de komma berekenen. En nu het hen economisch weer voor de wind gaat, kan dat toch geen probleem zijn. Bedrijven hebben ook een maatschappelijke opdracht. Alleen hebben zij van nature niet altijd de neiging om daaraan te voldoen. Ze worden er best door regelgeving toe aangespoord, al is het onder de vorm van (financiële) stimulering. Ook vakbonden hebben daar een rol in te spelen, al doen zij daar op vandaag nog niet zo veel aan. Bij de loonlastverlagende maatregelen van nu al vele maanden geleden lanceerde het ABVV bij zijn afgevaardigden de oproep om nauwgezet op te volgen of de bedrijven ook aan de voorwaarden inzake opleiding voldeden. Het is tot vandaag onmogelijk om te zeggen of die oproep ook opgevolgd is. Daar bestaan eenvoudig nog geen instrumenten voor, omdat de bonden het absoluut niet gewoon zijn ook te meten en te evalueren wat het effect van hun acties is. Maar men kan het aan zijn tenen voelen dat het slechts in heel beperkte mate gebeurd is en waar het gebeurde zal er niet veel gevolg aan gegeven zijn. De afgevaardigden beseffen soms onvoldoende dat ook zij een verantwoordelijkheid hebben die verder gaat dan de poorten van hun eigen bedrijf.

Maar ook de overheid heeft natuurlijk een opdracht. Misschien is het overbodig om te herhalen, maar haar eerste opdracht blijft hoe dan ook de bescherming van de sociale zekerheid. De studie waar hierboven naar verwezen wordt, impliceert dat de sociale zekerheid absoluut noodzakelijk blijft om de zwaksten op te vangen. Iets anders is de vraag of aan die opvang niets moet veranderd worden, waarmee we natuurlijk terechtkomen in de discussie over de actieve welvaartsstaat. De verdedigers van de actieve welvaartstaat gaan ervan uit dat de sociale zekerheid niet alleen maar een vangnet mag zijn. Iemand wordt werkloos en kan dan beroep doen op zijn werkloosheidsverzekering. In afwachting dat hij ander werk vindt, krijgt hij een vervangingsinkomen. De idee van verzekering - je betaalt een premie en als het mis gaat krijg je in functie daarvan een uitkering - was inderdaad een basisconcept. Alleen zijn er twee zaken fundamenteel veranderd: de langdurige werkloosheid heeft voor gevolg dat de premie niet meer volstaat om de uitkering uit te betalen. En die categorie die minder risico loopt op werkloosheid vindt het eigenlijk minder en minder evident om daarvoor premies te moeten betalen. En dat zal er in de toekomst zeker niet beter op worden, want het wordt in het algemeen makkelijker om risico’s te voorspellen. Je moet daarom vooral proberen te vermijden dat mensen in de werkloosheid komen en als het dan toch gebeurt, moeten er zo vlug mogelijk weer uit. Niet door uitkeringen af te pakken of te sanctioneren, maar door zoveel mogelijk oplossingen op maat aan te reiken. Precies op dit vlak kunnen de vakbonden een nieuwe rol spelen. Zij beschikken over enorm veel gegevens over hun leden, zij hebben vooral een direct contact met hen zonder dat enige drempel hen hindert en zij hebben tenslotte duizend en één toegangswegen tot de bedrijven. Vakbonden moeten hun functie van uitbetalingsinstelling omturnen tot een actieve tussenschakel die heel nauwgezette diensten aanbiedt. Dat die instelling vandaag meer en meer in een crisis terecht komt als paradoxaal gevolg van de evolutie van de werkloosheid, moet als een uitdaging worden opgevat.

Democratie

Hongersnoden komen niet voor in democratische landen, betoogt Amartya Sen.4 Hij is nobelprijswinnaar economie en van Indische afkomst. Natuurlijk kent Indië, het land met de grootste democratie, voedseltekorten en onvoorstelbare armoede. Maar er komen geen hongersnoden voor die vergelijkbaar zouden zijn met wat in Afrikaanse landen gebeurt. Dat komt omdat dergelijke rampen eigenlijk betrekkelijk makkelijk te voorkomen zijn en ook voor arme landen verhoudingsgewijs niet zo veel kosten. Het is eigenlijk simpelweg een zaak van verdeling. Hongersnoden komen soms op het ogenblik dat de voedselproductie in een land de hoogte ingaat. Als dan om een of andere reden de prijs heel erg stijgt, kan een bevolkingscategorie die niet meer betalen. Alleen in een democratie - zelfs een heel gebrekkige als de Indische - wordt het opgebracht om in die omstandigheden het schaarse voedsel te verdelen, omdat de pers er vrij is en omdat de overheid rekening moet houden met verkiezingsuitslagen. Amartya Sen noemt het ronduit dwaas om tegen de markt te zijn, maar een markt moet gecorrigeerd kunnen worden. Groei is geen doel, maar moet leiden tot de verbetering van het leven en de vrijheden. Soms wordt betoogd dat democratie wel vanzelf komt, een soort luxe die er maar toe doet als iedereen voldoende eten heeft. Als Sen gelijk heeft, maakt democratie ook een verschil uit wanneer er te kort is.

Voor het instorten van de Berlijnse muur in 1989 werd soms gedacht dat de markt volledig gepland kon worden. Achteraf blijkt dat dit alleen mogelijk was met een dictatoriaal regime, dat alle individuele vrijheden aan banden legde. Maar dit besef kan geen voorwendsel zijn om de markt dan maar volledig haar gang te laten gaan. Dan ontstaat er een ander soort dictatuur, deze van de economie. Het socialisme heeft de ambitie de economie te sturen vanuit eenvoudige menselijke waarden. En eigenlijk komt dat neer op dat fameuze primaat van de politiek dat hersteld moet worden. De burger moet inderdaad kunnen meespreken, al zal het niet volstaan om af en toe een referendum te organiseren om zijn mening te leren kennen. De burger moet op een veel actievere manier invloed kunnen uitoefenen. Dirk Holemans heeft daarover een prachtig boekje5 gepubliceerd. Hij waarschuwt ervoor dat de discussie niet mag stranden in technische compromissen tussen belangengroepen. De vraag is dan niet: “Wie wordt er beter van?”, maar: “Hoe worden we er allemaal beter van?” Het gaat dan niet om een compromis, waarbij iedereen water in zijn wijn doet. Door de confrontatie van ideeën en argumenten moet iedereen bereid zijn om zijn uitgangspositie bij te stellen, in functie van het algemeen belang. Om op dat niveau een kwalitatief debat mogelijk te maken, is er nood aan nieuwe publieke ruimtes. Men kan als voorbeeld de burgerjury’s nemen, die in het begin van de jaren zeventig in de Verenigde Staten ingevoerd werden. Bij controversiële milieuproblemen worden burgers drie tot vier dagen samengebracht. De samenstelling moet een weerspiegeling van de samenleving zijn. De jury moet zich informeren over het probleem, waarbij zij beroep kan doen op deskundigen. De verschillende belangengroepen kunnen als getuigen gehoord worden. Maar het is de jury zelf die uiteindelijk een oordeel moet vormen. Democratie veronderstelt vertrouwen in het oordeelsvermogen van de burger. Democratie laat de beslissing niet alleen over aan een elite van technisch hoog geschoolden, die beslissen wat in het algemeen belang zou zijn.

Maar de democratische vaardigheden liggen niet zomaar voor het rapen. Ze moeten ontwikkeld en gekoesterd worden. Er zijn samenlevingen met een hoog sociaal kapitaal, zo blijkt uit onderzoek. Maar dat bereik je niet zomaar. Het verenigingsleven speelt daarin een cruciale rol. Het bevordert het vertrouwen en het verhindert dat iedereen alleen maar zijn eigen belang nastreeft. Dat onderzoek, waar ook Holemans bij aansluit, wordt bevestigd door recente bevindingen in eigen land van Marc Elchardus en zijn team.6 Hij heeft ook gevonden dat het verenigingsleven hier gelukkig springlevend is. Mensen oefenen nog voortdurend in democratie, vaak van jongsaf aan. En wie het jong geleerd heeft, ondervindt daar zijn verdere leven positieve invloed van. Het verenigingsleven verandert wel van uitzicht. Het wordt minder zuilgebonden. De mensen zijn meer actief in vrijetijdsverenigingen. Ook sport in verenigingsverband is duidelijk in. Het zijn vooral de hoger geschoolden die daaraan mee doen en dan vooral mannen. Vakbonden lijken minder aantrekkelijk geworden, tenminste als we het hebben over actief zijn in een vakbond, want op het ledenaantal heeft dat voorlopig niet zo veel effect. Maar dat tij moet gekeerd worden, al is het maar omdat zij de minder hoog geschoolden wel nog bereiken. Alleen door hun eigen democratisch functioneren te verhogen zullen ze die aantrekkelijkheid weer groter kunnen maken. Ook vakbonden lijken niet altijd voldoende vertrouwen te hebben in het oordeelsvermogen van hun leden. Ook vakbonden laten zich verleiden door de techniciteit van de moderne wereld om de beslissingen over te laten aan zogenaamde specialisten.

Eigenheid

In de jaren zeventig leek het heel simpel: het ACV is voor medebeheer, het ABVV is voor arbeiderscontrole. Maar heel geleidelijk aan zijn die begrippen wat uitgehold. Het werd steeds minder duidelijk waarin de beide bonden van elkaar verschilden. Natuurlijk voelt iedereen wel aan dat het nog altijd niet hetzelfde is bij welke bond men aangesloten is, maar leg het maar eens uit. Leg maar eens uit wat vandaag onder socialisme verstaan wordt. En nog moeilijker wordt het om het over klassenstrijd te hebben. Men kan zich daar niet bij neerleggen, want men hoeft geen grote deskundige op het vlak van communicatie te zijn, om te weten dat mensen voor een bepaald merk kiezen omdat ze daar iets unieks in herkennen. En of we dat nu graag hebben of niet, ook voor een vakbond wordt meer en meer gekozen omwille van de merknaam! De eigenheid, datgene wat het onderscheid maakt, is essentieel. Als een vakbond er niet slaagt zijn unieke aantrekkingskracht te tonen, dan kan die organisatie alleen bergaf gaan.

Arbeiderscontrole wil zeggen dat vakbonden in de bedrijven geen verantwoordelijkheid willen dragen voor het beleid. Dat komt de bedrijfsleiding toe. Maar ze willen dat beleid wel heel nauw controleren. Ze willen alles weten en ze willen ook hun kritiek op kunnen uiten. Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Vakbonden hebben effectief recht op informatie en in een beperkt aantal gevallen zelfs recht om mee te beslissen. Maar wie durft beweren dat de bonden op die manier echt controle uitoefenen? Sommige bedrijven hebben hun deuren dicht gedaan, zonder dat de vakbonden doorhadden dat dit in de lucht hing! De juridische instrumenten zijn gewoon heel beperkt. Het komt er bijna op neer dat het van de individuele werkgever afhangt op welke manier hij zijn personeel informeert en consulteert. Wie beweert dat hij nauwlettend kan toezien, om bij het minste onraad alarm te slaan maakt zichzelf iets wijs. Arbeiderscontrole is in praktijk misschien wel een zorgvuldig gekoesterde mythe. Nog voor André Renard was het absoluut geen probleem om voor medebeheer te pleiten. Toen was dat het punt niet. ABVV en ACV wilden medebeheer. Het ACV wilde dit door een zitje te bemachtigen in de raden van beheer, het ABVV door uitgebreide economische bevoegdheden in de ondernemingsraden.7 Niet dat ik die discussie hier wil heropenen, ik wil er alleen op wijzen dat ideeën altijd geëvolueerd zijn.

De bedrijfswereld zelf heeft tegenwoordig de mond vol over verantwoord ondernemerschap. Zij wil rekening houden met alle partijen die een belang hebben bij het bedrijf. Dat zijn natuurlijk de aandeelhouders, maar ook het personeel. En dat is ook de onmiddellijke omgeving waarin het bedrijf functioneert, het milieu en de buurt. Maar het bedrijf draagt ook verantwoording tegenover de samenleving. Het kan niet doen alsof de grondstoffen waar het mee werkt uit de lucht komen vallen. Het moet rekening houden met de omstandigheden waarin die grondstoffen gewonnen zijn. Wat is het effect op het milieu? In welke omstandigheden moeten de arbeiders leven en werken? En als het bedrijf ook in het buitenland produceert, dan kan zeker niet getolereerd worden dat dit niet op een humane manier zou gebeuren. Verantwoord ondernemerschap moet verantwoording afleggen tegenover al die belanghebbenden. Vakbonden moeten een cruciale rol kunnen spelen in het bewaken daarvan. Voorwaarde is dat zij daar ook voldoende - juridische - instrumenten voor hebben. Voorwaarde is ook dat zij aanvaarden dat zij eigenlijk maar een van de spelers op het terrein zijn.

En als de socialistische vakbond de handschoen nu eens zou opnemen? In het hoofdstukje over globalisering is getoond hoe het wilde kapitalisme aan regels onderworpen werd. Iedereen had belang bij die afspraken. Heel geleidelijk is een vorm van consensus gegroeid. Men kan dat in zekere zin een sociaaldemocratische consensus noemen of men kan ook stellen dat er een sociaal contract gesloten werd. Dat contract komt onder druk omdat het te veel afgemeten is op nationale grenzen. Er is een nieuw contract nodig. Rond de tafel zullen echter veel meer partijen moeten zitten. Maar opdat het kans op slagen zou hebben, moet het uitgaan van een gelijkwaardigheid van alle contracterende partijen. Contracten kunnen nu eenmaal alleen tussen gelijken gesloten worden. En op dat vlak is het vorige misschien nooit ver genoeg gegaan, heeft het de verantwoordelijkheid van de werkgevers te beperkt vastgelegd. Zij moet tot echt verantwoord ondernemerschap worden aangezet. In dat opzicht wordt van de socialistische bond geenszins gevraagd in te boeten in radicaliteit, integendeel! En de eigenheid ligt nog altijd in dat socialisme. Men moet alleen de moed opbrengen om het moderner uit te werken. Op dat vlak zal het ABVV nog heel wat koudwatervrees te overwinnen hebben.

Tot slot

Een geglobaliseerde economie vraagt een globaal politiek antwoord. Vakbonden kunnen dat op hun eentje niet geven. Ze kunnen wel zorgen voor sterke Europese en internationale syndicale structuren. Maar dan moeten de nationale bonden bereid zijn daar de simpele consequentie van te dragen. Zij zullen een stuk van hun autonomie moeten opgeven. Zij kunnen zeker een grotere rol spelen in de Derde Wereldproblematiek, maar daarvoor hoeven zij nog geen ngo te worden die de andere ngo’s beconcurreert. Zij moeten er zich trouwens voor hoeden in dezelfde val te trappen als veel van die ngo’s, die doel op zich geworden zijn. Zij moeten vooral meer doen voor de bewustwording van de problematiek bij hun eigen achterban. Als projecten daartoe bijdragen, moeten zij niet aarzelen ze te dragen. Maar projecten mogen geen voorwendsel worden voor de eigen financiering. Ten aanzien van de ngo’s moeten de bonden een inspirerende en leidende rol spelen. Zij kunnen aansluiting geven bij een politiek project, dat die ngo’s zo vaak en zo sterk missen.

In eigen land mogen de vakbonden zich zeker niet laten opsluiten in een eng sectoraal- of bedrijfssyndicalisme. Ze zullen hun maatschappelijke rol moeten blijven opnemen, of ze zullen verschrompelen tot een maatschappelijk weinig relevante kracht. Vakbonden kunnen de bedrijven dwingen hun verantwoordelijkheid op te nemen. Zij hebben een belangrijke opdracht in het opvangen van de groep uitgeslotenen. Die groep dreigt op een blijvende manier uit de boot te vallen. De bonden mogen niet terugschrikken om zich in te schrijven in de idee van een actieve welvaartsstaat, maar ze moeten dan wel proberen de voorwaarden mee gestalte te geven.
Democratie maakt altijd een verschil uit. Vakbonden hebben een belangrijke opdracht op dat vlak, want democratie in een context van een dictatuur van de economie is ondenkbaar. De vakbonden blijven in elk geval oefenscholen in democratie, maar ze mogen ook niet terugschrikken van nieuwere vormen van consultatie en besluitvorming.

De socialistische vakbond heeft het soms moeilijk om zijn eigenheid te bepalen, hoewel dat onmiskenbaar een cruciale zaak is. Het helpt echter niet om dan maar terug te vallen op vermolmde ideologische begrippen. Ook op dat vlak is vernieuwing nodig. Er is geen enkele reden om niet in te gaan op de uitdaging in de begrippen verantwoord en duurzaam ondernemen. Het volstaat consequent te eisen dat iedereen ook zijn verantwoordelijkheid echt opneemt. De socialistische bond staat voor openheid, rechtlijnigheid en doortastendheid. Het lijkt een ideaal imago voor een economie waar op een duurzame manier ondernomen wordt.

Noten
1. Frank Vandenbroucke, Op zoek naar een redelijke utopie - De actieve welvaartsstaat in perspectief. Garant, Leuven 2000.
2. De Ekstergroep, Don Quichotte voorbij - ngo’s zoeken het ritme van de globalisering. NCOC-11.11.11, Brussel 2000.
3. Lieve De Lathouwer, Meer werk is geen garantie voor minder armoede en minder ongelijkheid - Kritische reflecties bij het Nederlandse poldermodel vanuit België. Berichten, Centrum voor sociaal beleid. Ufsia, Antwerpen april 2000.
4. Amartya Sen, Vrijheid is vooruitgang (1999). Uitgeverij Contact, 2000.
5. Dirk Holemans, Ecologie en burgerschap - Pleidooi voor een nieuwe levensstijl. Stichting leefmilieu/uitgeverij Pelckmans, 1999.
6. Mark Elchardus e.a., Tussen burger en overheid. Een sociologisch, politiek-wetenschappelijke en juridisch-wetenschappelijke studie van het middenveld en de democratische politieke structuur. VUB en KUL, februari 2000. In het bijzonder deel 1: een micro-analyse van het functioneren van het maatschappelijk middenveld.
7. Dirk Keulemans, De institutionalisering van het sociaal-economisch verleg - De wet van 20 september 1948 ‘houdende organisatie van het bedrijfsleven’. In Els Witte e.a., Tussen restauratie en vernieuwing - Aspecten van de naoorlogse Belgische politiek. VUB Press, Brussel 1990.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 11