Abonneer Log in

Work in progress

De vernieuwing van de SP en de open brief van Patrick Janssens

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 7

De SP wil zich vernieuwen en de open brief van Patrick Janssens is een etappe in dit proces. De partij wil haar programma en profiel aanpassen en moderniseren om bredere bevolkingslagen en nieuwe groepen aan te spreken.

De actualisering van het programma werd al een tijd geleden ingezet, vooral met het toekomstcongres in 1998 en recentelijk met het pleidooi voor een actieve welvaartstaat. Dat de geesten gerijpt zijn, bleek vooral uit het economisch contract van het toekomstcongres. De verdiensten van het marktmechanisme op economisch vlak worden expliciet erkend. De overheid krijgt een andere rol: minder zelf roeien maar meer sturen. De bedrijfsleider die ‘verantwoord’ onderneemt wordt een medestander. De actieve welvaartstaat, versie Frank Vandenbroucke, verwijst in de eerste plaats naar een vernieuwde visie op sociaal beleid. Een sociale politiek die beter dan de traditionele welvaartstaat kan inspelen op de huidige maatschappelijke behoeften. Een actieve werkgelegenheidspolitiek is hiervan de kern. Een inkomensbeleid, onder meer via werkloosheidsuitkeringen, volstaat niet. Essentieel is het verhogen van de arbeidsparticipatie, ook om de sociale welvaart op termijn te garanderen.

Janssens’ brief sluit daarbij naadloos aan. Hij legt minder de nadruk op de middelen zoals de overheid, maar wel op de doelstelling: een samenleving die iedereen gelijke kansen biedt. Hij vraagt aandacht voor bestaande maar ook voor nieuwe ongelijkheden op het gebied van scholing, kennis van nieuwe technologie, milieuvervuiling of veiligheid. We moeten ook verder nadenken hoe we de middelen van de sociale zekerheid kunnen gebruiken om mensen meer kansen te geven in plaats van ze schadeloos te stellen voor gemiste kansen.

In zijn open brief kiest Patrick Janssens ook voor een grotere openheid ten aanzien van nieuwe partners en doelgroepen. Hij pleit voor een bevoorrechte, maar geen exclusieve, relatie met de socialistische vakbond en mutualiteit. Het is niet belangrijk vanuit welke levensbeschouwelijke overtuiging iemand aansluit bij het sociaaldemocratisch gedachtegoed. En bovenop onze klassieke achterban van arbeiders, ambtenaren, bedienden en gepensioneerden moeten we nieuwe mensen bereiken, stelt de SP-voorzitter. ‘Waarom zou een kaderlid, een zelfstandige of een moderne ondernemer per definitie afkerig zijn van onze strijd tegen sociale ongelijkheid’, vraagt Janssens zich af. Naast de interne verruiming blijft de bereidheid om over de partijgrenzen heen de krachten te bundelen.
Deze strategische oriëntaties komen niet uit de lucht vallen. De poging tot ‘doorbraak’ bij andersdenkenden, zeg maar gelovigen, en het zoeken naar frontvorming onder progressieven dateren niet van gisteren. De laatste jaren werd er wel een tandje bijgestoken. Op het gebied van frontvorming was er het onvoldragen experiment van Het Sienjaal. Nu de CVP op de oppositiebank zit, wordt openlijker gelonkt naar de christelijke arbeidersbeweging.
De open brief houdt geen breuk in met het recente verleden. Wel worden de nieuwe inhoudelijke en strategische oriëntaties beter zichtbaar. Het is dus tijd om een tussenstand op te maken, weliswaar in hoofdlijnen.

Radicale doelstellingen, maar vage middelen en wazige instrumenten

De open brief heeft alvast de verdienste dat hij aantoont hoe actueel de socialistische waarden zijn: sociale rechtvaardigheid toegepast op nieuwe terreinen en actuele maatschappelijke problemen zoals ongelijke verdeling van kansen op het vlak van gezondheid, huisvesting, onderwijs en permanente vorming. De maatschappelijke rol van de sociaaldemocratie is dus nog lang niet uitgespeeld, ook niet in het ‘rijke’ Vlaanderen. Meer zelfs, er is sprake van een nieuwe radicalisering in de doelstellingen.
Spijtig genoeg ontbreekt een visie over de basismechanismen waarin deze maatschappij functioneert en de ongelijkheden produceert of bestendigt. Evenmin komt er een afdoend antwoord op de vraag hoe die socialistische waarden moeten gerealiseerd worden. Integendeel, de middelen of instrumenten die nodig zijn om het doel van grotere sociale rechtvaardigheid te bereiken, zoals een sterke overheid en een actief middenveld, komen nauwelijks aan bod. Deze leemte zat reeds gedeeltelijk ingebakken in het toekomstcongres. Ook al waren we toen verheugd te kunnen vaststellen dat er opnieuw aandacht bestond voor het economisch beleid met het ‘economisch contract’. Dat contract hield rekening met de grote maatschappelijke veranderingen: de globalisering, de informatiesamenleving, de nieuwe rol van de overheid, het tweeverdienersmodel. Hierdoor kon men verwachten dat de SP wou blijven uitgaan van de maakbaarheid van de samenleving waarin het economisch en fiscaal beleid een strategische rol te spelen hebben. Dit was een opluchting, want de indruk werd gewekt dat de SP en de socialistische partijen in het algemeen, reeds jaren hadden afgehaakt inzake economische politiek.
Bovendien waren de oriënteringen uit het economisch contract vrij radicaal: groei moet in dienst staan van sociale vooruitgang, wat zowel moest begrepen worden als ‘verbetering van de kwaliteit van het leven’ als ‘meer zekerheid voor de mensen’ en zelfs als ‘volledige tewerkstelling’. Tegelijk werd gepleit voor duurzame ontwikkeling. Dat betekent dat groei niet ten koste mag gaan van de anderen en dus ook niet van de komende generaties en dat de SP dus de ambitie heeft om de manier van produceren te sturen. Voorwaar een ambitie die in niets moet onderdoen voor de standpunten van partij en vakbond in de jaren zeventig, toen we met Georges Debunne zegden dat we niet alleen wilden spreken over ‘de verdeling van de koek maar ook over het bakken van de koek’.
Maar reeds ten tijde van het toekomstcongres ging deze radicalisering van de doelstellingen niet gepaard met een geloofwaardige versterking van de instrumenten om ze te realiseren. Dit was duidelijk in essentiële onderdelen van het contract, zoals de visie over de markt en de overheidsdiensten en het nieuw ondernemerschap.

De vrije markt werd erkend als motor voor de economische ontwikkeling maar moet wel in dienst gezet worden van het algemeen belang. Daarom werden een aantal sectoren opgesomd waar de vrije markt niet mag spelen: justitie, onderwijs, sociale voorzieningen. Voor een aantal andere sectoren werd gesteld dat ze in een grensgebied zitten tussen vrije markt en overheidsinitiatief, zodat er een duidelijke afbakening nodig is. Maar de criteria voor de afbakening waren helemaal niet duidelijk zodat de indruk ontstond dat het uitgangspunt het volgende was: ‘als een taak zonder sociale brokken kan uitgeoefend worden door de privésector, laat ons dan voor deze laatste kiezen ‘. Dit leek nauw aan te leunen bij een nogal simplistische visie over een ‘verouderde en ondoeltreffende openbare sector tegenover een dynamische en performante private sector’.

Het economisch contract plaatste de markt centraal. De sterke en zwakke kanten van de markt werden echter slecht geargumenteerd. De rol van de overheid is de markt te reguleren en te sturen. Ze mag niet zelf optreden in de markt. De kerntaken van de overheid werden zeer beperkt afgebakend. De tekst erkende wel dat regulering niet alles kan oplossen. ‘De markt laten spelen’ betekent liberalisering van overheidsmonopolies en concurrentiebeleid. Ook dit debat wordt nauwelijks geargumenteerd, hoewel een opdeling gemaakt wordt tussen liberaliseerbare diensten, zoals telecom, media, productie van elektriciteit, en niet liberaliseerbare diensten, zoals briefpost, energie- en waterdistributie. De notie ‘universele dienstverlening’ wordt echter helemaal niet vermeld.
De manier om de markt te sturen werd grotendeels overgelaten aan de ondernemingen: de overheid legt normen vast, maar de middelen om ze te bereiken zijn een verantwoordelijkheid van de ondernemingen. Zo werd de autoriteit van de ondernemer in onze maatschappij sterk benadrukt zonder de fundamentele drijfveer van de onderneming, winstmaximalisatie vóór alles, juist in te schatten en zonder duidelijk verifieerbare tegenprestaties te vragen aan de ondernemers. Nochtans veronderstelt een contract dat rechten en plichten van alle partijen worden vastgelegd.We zagen het voorbije decennium hoe dit voor de werknemers werd ingevuld met de beheerste loonontwikkeling. Het contract gaf onvolledig aan hoe dit voor de overheid zou kunnen ingevuld worden maar niet hoe dit voor de ondernemingen moet gebeuren, tenzij via de invoering van een vrijblijvend ‘certificaat voor verantwoord ondernemerschap’. Dat deze schuchtere opstelling botst met het gebrek aan openheid van het Belgische en Vlaamse bedrijfsleven, werd de laatste weken en maanden pijnlijk geïllustreerd door de ‘spraakmakende’ foutieve cijferraportering door Vlaanderens meest gekoesterde IT-bedrijf.
Ook in het betoog over de actieve welvaartstaat vinden we diezelfde leemtes voor een stuk terug. De actieve welvaartstaat, versie Frank Vandenbroucke, formuleert ambitieuze doelstellingen en niet in het minst het recht op arbeidsparticipatie voor iedereen. Dat betekent volledige werkgelegenheid voor mannen én vrouwen en betere combinatie arbeid-gezin-vrije tijd. Dit betoog komt sterker uit de hoek als het om de overheid gaat, met o.m. een armoedenorm en minimale fiscale coördinatie op Europees vlak, sociale uitkeringen die aangveuld worden met sociale investeringen,… Maar het blijft in gebreke als het op de verantwoordelijkheid van de werkgevers aankomt. Er is vooral sprake van activering van werknemers, die best wat langer actief blijven, en van werkzoekenden die niet alleen meer kansen moeten krijgen, maar ook hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. Dat kan bijvoorbeeld onder de vorm van een opleidingsplicht, zoals Janssens in zijn nieuwjaarsbrief vermeldt. De rol van het sociale middenveld komt in dit betoog nauwelijks aan bod. Binnen de sociaaldemocratie worden bevoorrechte en andere vakbonden nogal eens geassocieerd met de passieve verzorgingsstaat.

Op weg naar een progressieve centrumpartij ?

Wat baat het als sociaaldemocratische partij nog een belangrijke maatschappelijke rol willen vervullen, als de kiezers afhaken of uitsterven ? Op een moment dat je amper 15% van de Vlaamse kiezers weet te bekoren, is het geen overbodige luxe om actief op zoek te gaan naar nieuwe doelgroepen en medestanders, stelt de open brief.
Openheid ten opzichte van gelovigen lijkt ons een evidente zaak, zolang men maar niet vergeet dat niet-gelovigen - zeker in rurale gebieden - dikwijls ongelijke kansen hebben, bijvoorbeeld als het op schoolkeuze aankomt of keuze van een ziekenhuis. Maar de uitbraak richting zelfstandigen en ondernemers is op zijn minst bevreemdend.
Natuurlijk hoeft een kaderlid, een zelfstandige of een ondernemer, niet per definitie afkerig te zijn van onze strijd tegen sociale ongelijkheden. Maar wat voor individuele mensen geldt, is daarom nog niet van toepassing op de hele groep. De strategie die gevolgd wordt lijkt eerder een keuze voor het samenbrengen ‘van mensen van goede wil’. Het is totaal niet duidelijk hoe dit in lijn moet gebracht worden met de verontwaardiging als motor voor veranderingen.
Is de verontwaardiging van de werknemer over de hoge fiscale druk op zijn loon van eenzelfde orde als de verontwaardiging van de zelfstandige over zijn fiscale rekening? Kan aan beide klachten tegemoetgekomen worden door dezelfde voorstellen voor meer fiscale rechtvaardigheid? Is de verontwaardiging over de fiscale discriminatie tussen arbeid en kapitaal even groot bij ondernemers als bij werknemers? Zal men beide groepen verzoenen door een pleidooi te houden voor de invoering van een belasting op de meerwaarde?

Uiteraard is het een nobele doelstelling om aan alle burgers, ongeacht hun socio-economisch statuut, een billijke sociale bescherming te garanderen. Maar het is onrechtvaardig om zoals UNIZO, waarmee de SP voortaan structurele contacten wil onderhouden, gelijkaardige rechten op te eisen zonder eenzelfde solidariteit op te brengen onder de groep van ‘zelfstandigen’.
Is het misschien daarom dat de instrumenten en de middelen zo vaag worden geformuleerd? Dit is dan een handige manier om een aantal fundamentele tegenstellingen in de samenleving toe te dekken en zo iedereen - ongeacht zijn socio-professionele situering - als een potentieel medestander te begroeten. In dergelijke visie is het handig om als opdracht voor de vakbonden vooral de gelijkschakeling van het statuut van arbeiders en bedienden te beklemtonen. Gemakshalve wordt hierbij het onvermogen van de politiek over het hoofd gezien om te beslissen bijvoorbeeld de carensdag voor arbeiders af te schaffen of om een syndicale werking mogelijk te maken in KMO’s.

De nieuwe economische en budgettaire context waarbij stilaan opnieuw over ‘uitdelen’ in plaats van over ‘afnemen’ kan gepraat worden, biedt voorlopig perspectieven voor een opstelling die blind blijft voor belangentegenstellingen. Maar de vraag blijft of dit houdbaar is op lange termijn. Ook al zou het maar om een charme-offensief gaan ten opzichte van de zelfstandigen en andere ondernemers, dit lijkt ons geen verstandige optie. Een recente VBO-enquête toont aan dat de werkgevers al een groeiend vertrouwen hebben in de SP-ministers. Wie men daarentegen wel tegen de haren instrijkt, is de eigen ‘traditionele’ achterban. Maar ook in de toekomst zal het die achterban van arbeiders, bedienden, ambtenaren en gepensioneerden zijn, die het grootste kiespotentieel zal uitmaken.
Vóór alles was de brief van Patrick Janssens een uitnodiging voor een gesprek over wat ons bindt en scheidt. Onze bijdrage moet dan ook gezien worden als een aanzet tot verder debat, zowel naar inhoud als strategie. De oriëntaties uit de brief zouden in elk geval moeten bijgespijkerd worden. Dat moet gebeuren voor de rol van de overheid, de plaats van het sociale middenveld en het sociaal overleg.
Over het muurtje kijken om nieuwe ideeën en allianties te zoeken kan verfrissend werken, als het niet ten koste gaat van de geloofwaardigheid ten opzichte van de eigen achterban.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 7