Abonneer Log in

Stemrecht, nationale identiteit en diversiteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 31 tot 38

Op 8 oktober 2000 konden voor het eerst ook niet-Belgen meestemmen in de gemeenteraadsverkiezingen. EU-burgers hadden eindelijk het recht gekregen mee te doen aan de gemeentelijke stembusslag. Inwoners met een nationaliteit van buiten de Europese Unie moesten echter nog steeds aan de kant blijven staan. Vlot was de toekenning van het, sinds het Verdrag van Maastricht (1992) beloofde, stemrecht voor EU-burgers er overigens niet gekomen. Voor er finaal schot in de zaak kwam, moest België in de zomer van 1998 eerst nog eens een veroordeling door het Europees Hof van Justitie oplopen, omwille van niet-naleving van de Europese richtlijn op dat punt.

De thematiek van het stemrecht voor migranten is vandaag in België weer bijzonder actueel. Sinds 1 januari 2001 laat de grondwet toe dat het kiesrecht op gemeentelijk niveau met een gewone meerderheid in het parlement ook aan niet-EU-burgers kan toegekend worden. De gemeenteraadsverkiezingen en het gegeven dat, zo men dat wil, het gemeentelijk stemrecht nu makkelijk met een gewone meerderheid ingevoerd kan worden, hebben het debat alweer aangewakkerd.

Of het er voor de voorstanders van het gemeentelijk kiesrecht goed uitziet, is een andere kwestie. VLD-voorzitter Karel De Gucht liet in oktober 2000 uitschijnen dat zijn partij zich de gehele legislatuur zal blijven verzetten tegen toekenning van dat stemrecht. Alle andere regeringspartijen, ook de PRL-FDF, hebben zich echter duidelijk voorstander verklaard om wel het kiesrecht aan niet-EU-burgers toe te kennen. Politiek secretaris Jos Geysels van Agalev dreigde ondertussen zelfs uit de regering te stappen als het gemeentelijk stemrecht voor migranten er niet komt. De SP ging minder ver en stelde bij monde van voorzitter Patrick Janssens niet in een volgende regering te zullen stappen, als het stemrecht niet in een toekomstig regeerakkoord opgenomen wordt. Binnen de CVP en VU-ID is er over de kwestie interne onenigheid en staat men hoe dan ook niet te trappelen om de voorstanders van het stemrecht binnen de regering aan een wisselmeerderheid te helpen.

Of niet-EU-burgers, net als EU-burgers, in 2006 in Vlaanderen, Brussel en Wallonië aan de gemeenteraadsverkiezingen zullen kunnen deelnemen, is nog steeds onduidelijk. In Nederland is er al sinds 1985 gemeentelijk kiesrecht voor niet-staatsburgers. Als het gemeentelijk stemrecht voor migranten er in 2006 komt, lopen we op dat moment dus 21 jaar achter op Nederland. Is het pas voor de verkiezing daarna, dan zullen we op dit punt maar liefst 27 jaar vertraging op onze noorderburen kennen.

Er zijn tal van redenen waarom het debat over stemrecht voor migranten in België zo moeizaam verlopen is en totnogtoe niet tot verlening van het kiesrecht leidde (zie Jacobs, 1998). In dit stuk wil ik de aandacht richten op (slechts) één aspect dat het debat over verlening van politieke rechten steevast beïnvloedt. Ik zal het verband tussen visies over nationale identiteit, diversiteit en stemrecht behandelen, of anders verwoord, de invloed van het ‘wij-zij’ denken op het stemrechtdebat toelichten. Ik veroorloof me daarbij een aantal kritische bedenkingen te formuleren aangaande de (vaak impliciete) stelling in het kiesrechtdebat dat staatsburgers een homogene (politieke) cultuur delen, die migranten eerst moeten ‘oppikken’ voor ze politieke rechten mogen krijgen.

Nationale identiteit

Tijdens de laatste anderhalve eeuw van het vorig millennium vormde het nationalisme één van de centrale elementen in de Europese politieke geschiedenis. De belangrijkste Europese natie-staten werden volgens verscheidene logica’s en op verschillende tijdstippen opgericht. Eens hun constructie in de negentiende eeuw volgens diverse trajecten voltrokken was, dook er overal een narratief op waarin de natie-staten als ‘natuurlijke’ entiteiten voorgeschoteld werden. Natie-staten werden omzeggens voorgesteld als natuurfenomenen die een eigen specifieke ‘natuurlijke’ geschiedenis - bovendien projecteerbaar op de toekomst - kenden. Zo kregen ‘oude Belgen’ het in onze contreien al aan de stok met de Romeinen, nog tweeduizend jaar voor de staat België het levenslicht zag. Sommigen geloven dan weer dat er al altijd een Vlaamse natie is geweest en België een historische aberratie is, die spoedig rechtgezet moet worden en dat de situatie zich dan weer zal ‘normaliseren’. Fransen werden - overal ter wereld - in de geschiedenisles uitgelegd dat hun glorieuze natie teruggaat tot de oude Galliërs. Corsicanen hebben, als ze de slogan ‘Liberta per u nostru populu’ gebruiken, dan weer een heel ander beeld van hun geschiedenis en hun toekomst.
Zowat alle nationalistische bewegingen buigen zich in hun streven op een ideaalbeeld van het ‘eigen volk’ van wie de ‘historische’ en ‘natuurlijke’ rechten eindelijk eens eerbiedigd moeten worden. De nationalistische ideologie kent als refrein de idee dat de eigen groep een natuurlijke eenheid vormt waarvoor de geschiedenis onvermijdelijk een eigen staat in petto heeft (vgl. Brubaker, 1992). Opmerkelijk is dat eens er een natie-staat bestaat, hoe divers die ook samengesteld mag zijn, individuen er zich ook mee gaan associëren en zich een nationale identiteit aanmeten - die hen soms zelfs bereid maakte belangeloos voor hun land te sterven.

De terminologie van een ‘ingebeelde gemeenschap’ van Anderson (1983) is uitermate geschikt om dit verbazingwekkende aspect van de natie-staten te omschrijven. De natie-staat wist een nieuwe vorm van gemeenschap te creëren met een collectieve identiteit, een soort fictieve nationale etniciteit. De uitkomst wordt gevormd door een uitgestrekt ‘wij’, het volk, dat specifieke karakteristieken toegedicht wordt die teruggaan op het verleden (en bovendien ook tot een gemeenschappelijke toekomst zullen leiden). De bijzondere of typische eigenschappen zijn grotendeels puur symbolisch, maar worden ook ondersteund doorheen een veelvoud aan alledaagse en zelfs banale nationalistische praktijken (zoals in weerberichten, nationale kranten, enz.). Dit banaal nationalisme werd op interessante wijze in detail door Billig (1995) geanalyseerd. Uiteraard is de natie een fenomeen dat sociologen een ‘sociale constructie’ noemen. De natie - en nationale identiteit - is een instrument voor reïficatie, een instrument waarmee gecreëerd wordt wat voorondersteld wordt reeds te bestaan, maar in realiteit (nog) niet bestaat (zie Bourdieu, 1991).
De creatie van een nationale identiteit ondersteunde ook het kapitalistisch economisch regime. In de verschillende natie-staten wist een politieke hegemonie immers de interne conflicten tussen antagonistische sociale groepen en klassen doorgaans goed onder controle te houden (cfr. Jacobs & Maier, 2000). Uiteraard onderdrukt de vorming van een nationale gemeenschap niet alle verschillen tussen individuen en sociale groepen, maar een staat kan enkel haar onderdanen succesvol mobiliseren indien deze verschillen op de tweede plaats komen te staan en ondergeschikt blijven aan het nieuwe gemeenschapsgevoel. Interne verschillen verbleken in het gemeenschappelijke ‘wij’.

Er is echter niet alleen een ‘wij’. Parallel is er ook een constructie van een ‘zij’, van de ander. De ‘eigen’ groep moet onderscheiden kunnen worden van vreemdelingen. Op een opmerkelijke wijze worden de staatsgrenzen zelfs geïnternaliseerd. Balibar (1991) verwoordt het proces als volgt: ‘de buitengrenzen moeten voortdurend ingebeeld worden als een projectie en bescherming van een interne collectieve persoonlijkheid, die elk van ons in zich draagt en die ons toelaat om de ruimte van de staat te bewonen als een plek waar we altijd “thuis” geweest zijn en zullen blijven’ (Balibar & Wallerstein, 1991: 95; mijn vertaling).

Het ‘wij/zij’-denken en uitoefening van het kiesrecht

Binnen het op nationale identiteit gefixeerd denken is de aanwezigheid van migranten met hun veelvuldige verplaatsingen en hun meervoudige culturele affiniteiten een verontrustende anomalie (Sayad, 1991). De vreemdeling kan in dit perspectief in essentie eigenlijk enkel een gastarbeider zijn, een vreemdeling-als-arbeidskracht, omdat er voor de vreemdeling-als-burger in het onderscheid tussen staatsburgers en vreemdelingen op basis van een etnisch-culturele dimensie geen ruimte is. De samenleving wordt er gezien als een coherent en homogeen geheel waarin in zuivere vorm de niet-staatsburger geen ruimte kent, tenzij men hem nodig heeft. De aanwezigheid van de vreemdeling kan enkel functioneel zijn. Alleen staatsburgers hebben recht op onvoorwaardelijke aanwezigheid (Sayad, 1991). In een dergelijk referentiekader menen sommigen dat nieuwkomers staatsburgers kunnen worden mits ze ‘versmelten’ in de ontvangende natie - die gepostuleerd wordt een gemeenschap rond een gedeelde cultuur te zijn - tot een punt waar elk onderscheid met de ‘gewone’ staatsburger verdwijnt (Jacobs, 1998; Féher & Heller, 1994). Integratie wordt verengd en afhankelijk gesteld van culturele assimilatie. Op cynische wijze constateerde Abdelmalek Sayad dat evenwel ook in een enkelvoudige visie op burgerschap erkend moet worden dat de vreemdeling-als-arbeidskracht geen pure machine is, waaraan enkel eisen van functionaliteit gesteld kunnen worden. De vreemdeling is uiteindelijk ook een mens en moet daarom een minimum aan voorzieningen en rechten gegund worden (Sayad, 1991) en tot op zekere hoogte integratie in de samenleving gegund worden. Immigratie leidde zo in het naoorlogse Europa de facto toch tot gradaties in formeel burgerschap en differentiële vormen van integratie. Bepaalde rechten, sociale goederen en diensten worden niet langer voorbehouden aan staatsburgers maar komen toe aan allen die duurzaam op een bepaald grondgebied gevestigd zijn. Zo werden in het kielzog van de ontwikkeling van de verzorgingsstaat (Heisler & Heisler, 1991) bepaalde sociale en economi­sche rechten aan migranten ver­leend, ongeacht hun nationali­teit.

Een aantal rechten, zoals politieke rechten, bleven echter uitdrukkelijk voorbehouden aan staatsburgers. Precies het feit dat vreemdelingen, ‘zij’, géén politieke rechten kennen en staatsburgers, ‘wij’, wél, laat immers toe een daadwerkelijke vertaling te geven aan de idee van een bijzondere nationale identiteit. Vreemdelingen moeten eerst die nationale identiteit integraal opnemen, vooraleer ze politiek mee mogen doen. Paradoxaal genoeg draagt de eis tot assimilatie van vreemdelingen en het a priori aanduiden van vreemde­lingen als etnisch-culturele ‘anderen’ bij tot de geloofwaardigheid van de fictie van de natie als een inherent homogene culturele gemeenschap. Het (gepostu­leerde) beeld van de natie als een homo­geen geheel wordt als ijkpunt gebruikt om te bepalen of buiten­staan­ders deel mogen uitmaken van de politieke gemeen­schap (Bauman, 1990: 161). Vreemde­lingen moeten onderworpen worden aan een test vooraleer zij deel mogen uitmaken van de politieke gemeenschap, terwijl staatsbur­gers het diploma van culturele aangepastheid zomaar cadeau krijgen. Zo kunnen staatsburgers geloven dat zij een cultuur met elkaar delen, niet omdat zij daar in realiteit iets van hoeven merken, maar simpel­weg omdat hen verteld werd dat vreemdelingen die cultuur in beginsel alleszins niet delen. Zo lijken burger­schap en cultureel conformis­me elkaar te overlap­pen, ook al is er in realiteit misschien helemaal geen sprake van een gedeelde cultuur binnen de natie.
In het politieke debat wordt de natie, als het op politieke competentie aankomt en het delen van - overi­gens niet gedefinieerde - politieke basiswaarden betreft, inderdaad doorgaans als een homogene entiteit voorge­steld (vgl. Blommaert & Verschueren, 1992). Lidmaatschap van de natie wordt als een onontbeerlijke voorwaar­de voor een goed functioneren binnen de politieke gemeen­schap geduid. Vreemdelingen worden impliciet voorge­steld als personen met een andere (politieke) cultuur die niet te rijmen valt met het functione­ren binnen het eigen politieke systeem. Pas in geval van assimila­tie zouden allochtonen op te nemen vallen binnen de nationale politieke gemeenschap. Vreemdelin­gen die kiesrecht wensen, zo luidt het, moeten zich maar naturali­seren omdat dat de enige garantie vormt om voldoende culturele assimilatie af te dwingen. Bij aanpassin­gen van de nationaliteits­wet­geving die als alternatie­ve remedie tegen het democratisch deficit kunnen gelden, blijft diezelfde zorg om voldoende assimilatie een belangrijk element. Een leefbare multicultu­rele samenle­ving waarin allochtonen politiek participe­ren, wordt immers impliciet enkel als een reële optie beschouwd indien de vooronderstel­de culturele bagage van de allochtonen geen invloed zou hebben op hun politiek functio­ne­ren. In verregaande vorm wordt een acculturatie - een eigen maken van de leefwijze, praktijken en gewoon­ten van de autochtone cultuur (ook al blijft onduidelijk wat die is) - geëist. In milde vorm wordt een uiterlijke aanpassing en loyaliteit verwacht. Klaarblijkelijk is dit een hardnekkige visie. Precies die visie heeft verhinderd dat het democratisch deficit aangaande de niet-staatsburgers opgelost kon worden.

Pluriformiteit en democratie

De roep om ‘aanpassing’ van nieuwkomers voor deelname in het politieke veld is vreemd als men bedenkt dat het a) enerzijds volstrekt onduidelijk is of vreemdelingen wel een andere (politie­ke) cultuur in zich dragen die inherent in strijd is met het politiek functione­ren van de gastsa­menleving en dat het b) anderzijds een fictie is dat er in een natie-staat een overkoepelende homogene (politieke) cultuur is die adequaat politiek functio­neren van alle leden garandeert. De vooronderstelling dat geves­tigden ‘voldoende’ aangepast zijn om adequaat politiek te functioneren, berust op een fictie; een ideaal dat stelt dat democratie de beste regeringsvorm is en indivi­duen in staat zijn op een collectieve én rechtvaardige manier een samenleving te besturen. Pluriformi­teit wordt eenheid omdat men gezamenlijk wikt en weegt en verdeelt. Hoort een democra­tisch systeem diezelfde fictie niet voor nieuw­komers te hanteren? Waarom zouden vreemde­lingen daar plots niet toe in staat zijn? Moet ‘inburgering’ niet in de eerste plaats verband houden met onvoor­waar­delijke verlening van kiesrecht?

Vreemd genoeg zijn deze zelden gestelde vragen. Zelfs de filosoof Jürgen Habermas onderschrijft de idee dat een minimum aan assimilatie noodzakelijk is om politiek te participeren (Habermas, 1995: 159). Hij meent dat staten het recht hebben hun histori­sch gegroeide politiek-culturele levens­vorm te beschermen tegen immigran­ten. Van nieuwkomers kan geëist worden dat zij de politieke cultuur van het nieuwe vaderland omhelzen (Ibid.: 160). Wat Haber­mas over het hoofd ziet, is dat helemaal niet vaststaat a) wat de politieke cultuur is en b) of het inderdaad klopt dat vreemdelingen die in beginsel niet delen. Hij vergeet dat de definiëring van de politieke cultuur op zichzelf al een politieke daad is en makkelijk als een voorwendsel voor gecontinu­eerde uitsluiting kan dienen. Zoals Charles Taylor (1995: 55) benadrukte, mag men niet uit het oog verliezen dat on­der het mom van universalisme en het verdedi­gen van de ‘goede’ politieke cultuur vaak wat al te makkelijk discriminatie gerechtvaar­digd werd. Zo had men in de jaren vijftig in het zuiden van de Verenigde Staten voorge­steld kiezers bij de inschrij­ving in het stemre­gis­ter een ‘examen’ te laten afleggen om hun politieke kennis en politiek-culturele attitudes te toetsen. Het is duidelijk dat gecontinueerde uitsluiting van zwarten de verborgen agenda was.
Politiek is in een liberale democratie een collectieve onderneming. Zeker, er moet een gezond evenwicht gevon­den worden tussen het ‘algemeen belang’ en het pluralisme. Pluralisme is geen doel op zich. Wie in een democratie de grondprin­cipes van vrijheid en gelijkheid niet wil aanvaarden, zet zichzelf buiten spel en moet buiten spel gezet worden (cfr. cordon sanitaire tegenover extreemrechts). Zeker, wie meent dat onvoor­waardelijk pluralisme in een democratie mogelijk is en de enige restrictie van democratie erin bestaat dat er procedu­rele regels moeten overeen­gekomen en ontworpen worden, gaat voorbij aan het feit dat er geen pure, neutrale procedures bestaan zonder enige referentie aan normatieve kwesties (Mouffe, 1992: 12). Vanuit die visie is het oude streven naar een nationale identiteit die een gemeenschappe­lijkheid van waarden en normen moet garanderen en de vervulling daarvan kan faciliteren, begrijpelijk. Men zoekt een alternatief referentiekader voor normativiteit buiten procedures in een mythische een­heid. De natie-staat als organi­sche en cultureel homogene samenleving met natuurlijk gedeelde normen en waarden is echter een fictie en een onmogelijk ideaal waarvan het koesteren en het nastre­ven een te hoge prijs vraagt. Het is een illusie te denken dat een cultureel homogene natie met gemeenschap­pelijke zuivere waarden ooit bestaan heeft of kan bestaan. Het is dan ook een misvat­ting waardenpluralisme eenduidig gelijk te stellen aan multiculturalis­me. Een cultuur is geen monolitisch geheel van waarden. Multicultu­ralisme is geen strijd tussen verschillende eenduidige normatieve systemen die inherent onverzoenbaar zijn.

Indien vreemdelingen inderdaad een andere politieke cultuur en andere funda­mentele waarden aanhangen die niet reeds in de diversiteit aan opvattin­gen in de ‘autochtone’ samenleving aanwezig zijn, stelt zich natuurlijk de vraag hoe eventuele ongerijmdhe­den met de ‘autochtone’ politieke cultuur (met al haar diversiteit) en andere ‘allochtone’ culturen overbrugd moeten worden. Onderhand zal wel duidelijk zijn dat ik niet akkoord ga met de premisse dat consensus een noodzake­lijke voorwaar­de vormt voor het goede functione­ren van het democra­tisch systeem (of de samenleving). Ik meen dat Herman Van Gunsteren (1997: 148) gelijk heeft als hij stelt: ‘Consensus is not a condition, but precisely a problem that citizens have to work on. Consensus is not a precondition, but rather a desired outco­me of citizen activities’. Consensus zie ik daarbij niet als een ontkenning van verschillen, een blind streven naar gelijkvormigheid, maar als een streven naar verenigbaarheid van verschillende opvattin­gen (zie De Ruijter, 1995). Als er tussen (etnische) groepen verschillen zijn, lijkt het mij de grote uitdaging te zijn tot een politieke (en juridische) erkenning van de verschillen te komen zonder die verschil­len tegelijkertijd te reïficeren. Aan de ene kant getuigt het van een superioriteits­waan om conformisme aan een dominant systeem te eisen of te verlangen (De Ruijter, 1995: 225). Aan de andere kant werkt het beklemmend en consoli­derend om nadruk te vestigen op wat mensen onderscheidt eerder dan op wat hen bindt. Wanneer men (vermeende) verschil­len institutionali­seert, winnen ze aan belang. Wanneer bestaande verschillen institutio­neel niet erkend worden, vindt er onderdruk­king plaats. Het is een moeilijke opgave die twee kwalijke mechanis­men terzelfder tijd te vermijden (Bousetta, 2001). Het lijkt me belangrijk in de omgang met dit probleem twee leidraden als toetssteen te hanteren. Ten eerste de idee dat verschillen niet noodzakelijk eeuwigdurend zijn of moeten zijn. Ten tweede het uitgangspunt dat iedereen, ondanks verschillen, een zeg in de politieke besluitvorming moet hebben...

Slot

Diversiteit is steeds een wezenskenmerk van onze democratie geweest. De negatieve aandacht voor culturele diversiteit in het kiesrechtdebat strookt daar niet mee. Op kunstmatige wijze wordt een cultureel onderscheid tussen ‘wij’ staatsburgers en ‘zij’ vreemdelingen gecreëerd en in stand gehouden. Samenleven en politiek bedrijven is steeds een zoeken naar compromis­sen tussen verschillende belangen en een afweging volgens verschil­lende normatie­ve kaders. In een democratie wordt daarbij een optimaal recht­vaardi­ge collec­tie­ve toekomst voor alle betrokkenen nagestreefd. Een politieke gemeen­schap moet in dat licht zo open mogelijk zijn. In het politieke spel moet in beginsel iedereen mee kunnen spelen. Vreemdelin­gen worden nog vaak afgeschilderd als in essentie te-cultureel-verschillende of onaangepaste personen en worden daarom de toegang geblokkeerd tot het politieke veld. Daarmee wordt de fictie van een homogene nationale identiteit (het ‘wij-gevoel’) misschien versterkt maar wordt meteen ook ontkend dat de samenleving in realiteit steeds een pluriform karakter heeft gekend. Daarmee wordt ontkend dat democratie ondanks verscheidenheid mogelijk is en zin heeft. Daarmee wordt uiteindelijk zelfs de democratie in haar fundamenten ondergraven.

|

Lambermont en het gemeentelijk stemrecht voor migranten

Eind januari 2001 stelde premier Verhofstadt dat het stemrecht voor migranten deel uitmaakte van het Lambermont-akkoord. Volgens het Lambermont-akkoord zouden de gehele gemeentelijke- en provinciale kieswetgeving (incluis het stemrecht voor migranten) naar de gewesten overgeheveld worden. Vlaanderen, Brussel en Wallonië zouden dan zelf kunnen bepalen of en onder welke voorwaarden ze het kiesrecht aan niet-EU-vreemdelingen toekennen. Het is echter maar de vraag of dat gerealiseerd kan worden zonder ook nog eens artikel 8 van de Grondwet te wijzigen. Dit grondwetsartikel luidt, pas sinds december 1998, als volgt:

De staat van Belg wordt verkregen, behouden en verloren volgens de regelen bij de burgerlijke wet gesteld.
De Grondwet en de overige wetten op de politieke rechten bepalen welke de vereisten zijn waaraan men moet voldoen, benevens de staat van Belg, om die rechten te kunnen uitoefenen.
In afwijking van het tweede lid kan de wet het stemrecht regelen van de burgers van de Europese Unie die niet de Belgische nationaliteit hebben, overeenkomstig de internationale en supranationale verplichtingen van België.
Het stemrecht bedoeld in het vorige lid kan door de wet worden uitgebreid tot de in België verblijvende niet-Europese Unie onderdanen, onder de voorwaarden en op de wijze door haar bepaald.
Overgangsbepaling. De wet bedoeld in het vierde lid kan niet worden aangenomen vóór 1 januari 2001.

Wat is het probleem nu voor het Lambermont-akkoord? Er wordt in het grondwetsartikel expliciet gesproken over ‘de wet’, wat verwijst naar federale wetgeving, terwijl het bij overheveling van de bevoegdheid naar het gewest om ‘decreten’ (met kracht van wet) - en voor Brussel ‘ordonnanties’ - zou gaan. Artikel acht zou dus in die zin aangepast moeten worden wanneer stemrecht voor migranten ook overgeheveld wordt naar de gewesten. Als tegenargumentatie zou men kunnen stellen dat ‘wet’ hier ook als ‘decreet (met kracht van wet)’ mag opgevat worden, eens er (volgens artikelen 39 en 134 van de grondwet) een overheveling van bevoegdheden naar de gewestelijke organen heeft plaatsgevonden. Voor beide argumentaties valt iets te zeggen, maar de eerste interpretatie (er is een grondwetswijziging nodig ingeval van overheveling naar de gewesten) lijkt toch de meest steekhoudende te zijn. Het is uiteindelijk aan de Raad van State om hier een uitspraak over te doen.
Sinds 1 januari 2001 kan (door het verlopen van de overgangsclausule bij artikel 8 van de Grondwet) met een simpele meerderheid en dus op relatief korte termijn de kieswetgeving veranderd worden om niet-Belgen het gemeentelijk stemrecht te verlenen. Indien eerst op de overheveling van de kieswetgeving naar de gewesten wordt gewacht en die ook nog eens een grondwetswijziging zou noodzaken, dan kan het nog jaren duren voor het migrantenkiesrecht er kan komen. Ten eerste omdat elke grondwetswijziging verkiezingen vereist (het parlement moet constituant verklaard worden) en ten tweede omdat die grondwetswijziging dan ook weer eens een tweederde meerderheid noodzaakt. Voorstanders van kiesrecht binnen de regering maken er dus best een punt van dat dit specifieke element van de kieswetgeving een federale materie blijft. Een andere voor de hand liggende optie is, ongeacht de plannen voor overheveling naar de gewesten, dat de kieswet nu alvast zo gewijzigd wordt dat niet-Belgen het gemeentelijk stemrecht krijgen en de gewesten, na een toekomstige grondwetsherziening en overheveling van de bevoegdheid, daar later (indien zij dat zouden wensen) eventueel nog wijzigingen aan kunnen aanbrengen.

(tekst afgesloten 20/2/2001)

|

Dirk Jacobs 1
Onderzoeker aan het Instituut voor Politieke Sociologie en Methodologie van de KUBrussel
Adjunct assistant professor aan het Vesalius College van de VUB

Noot
1/ De hier ontwikkelde argumentaties werden eerder al geformuleerd in mijn proefschrift (Jacobs, 1998), in Ethiek & Maatschappij (Jacobs, 1999) en in Oikos (Jacobs & Maier, 2000). Website over de thematiek: http://users.skynet.be/stemrecht-voor-migranten

Bibliografie
-
Anderson, B. (1996) Imagined Communities: Reflections on the origin and spread of nationalism. Verso, London.
- Ballibar, E. & Wallerstein, I. (1988) Race, Nation, Class. Ambiguous Identities. London: Verso.
- Bauman, Z. (1990) ‘Modernity and Ambivalence’, Theory, Culture and Society, 7 (2): 143-169.
- Billig, M. (1995) Banal Nationalism. Sage, London.
- Blommaert, J. & Verschueren, J. (1992) Het Belgische migrantendebat. Antwerpen: Ipra.
- Bourdieu, P. (1991) Language and Symbolic Power. Cambridge: Polity Press.
- Bousetta, H. (2001) Immigration, Post-immigration politics and the political mobilisation of ethnic minorities. A comparative case-study of Moroccans in four European cities. Proefschrift, Brussel: KUBrussel.
- Brubaker, R. (1992) Citizenship and nationhood in France and Germany. Cambridge: Harvard University Press.
- De Ruijter, A. (1995) ‘Cultural Pluralism and Citizenship’, Cultural Dynamics, 7 (2): 215-231.
- Féher, F. & Heller, A. (1994) ‘Naturlization or Culturalization?’, pp. 149-186 in Bauböck, R. (red.) From Aliens to Citizens. Redefining the Status of Immigrants in Europe. Avebury: Aldershot.
- Habermas, J. (1995) ‘Strijd om erkenning in de democratische rechtsstaat’, in: Gutman, A. (red.) Multiculturalisme. De politiek van erkenning nader onderzocht. Meppel: Boom.
- Heisler, M. & Heisler, B. (1991) ‘Citizenship - Old, New and Changing: Inclusion, Exclusion and Limbo for Ethnic Groups and Migrants in the Modern Democratic State’, pp. 98-128 in J. Fijalkowski, H. Merkens & F. Schmidt (red.) Dominant National Cultures and Ethnic Minorities. Berlin: Free Univer­sity of Berlin.
- Jacobs, D. (1998) Nieuwkomers in de politiek. Het parlementaire debat omtrent kiesrecht voor vreemdelingen in Nederland en België (1970-1997).Gent: Academia Press.
- Jacobs, D. (1999) ‘Stemrecht voor migranten: kiezen of delen?’, Ethiek en Maatschappij, (1): 93-103.
- Jacobs, D. & Maier, R. (2000) ‘Europese identiteit en Europees burgerschap als constructie, feit en fictie’, Oikos. Politiek, Milieu, Cultuur, (4): 63-79.
- Mouffe, C. (1992) Dimensions of Radical Democracy. Pluralism, Citizenship , Community. London: Verso.
- Sayad, A. (1991) L’immigration. Les paradoxes de l’alterité. Brussel: De Boeck Université.
- Taylor, C. (1995) ‘De politiek van erkenning’, in: Gutman, A. (red.) Multiculturalisme. De politiek van erkenning nader onderzocht. Meppel: Boom.
- Van Gunsteren, H. (1997) ‘Does Vital Citizenship Require Moral Consensus?’, Acta Politica, 32 (2): 128-152.

minderhedenbeleid - allochtonen - inburgering - integratie - discriminatie - stemrecht

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 31 tot 38