Abonneer Log in

In de olijfhof van de Italiaanse politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 45 tot 48

Als Silvio Berlusconi in mei de parlementsverkiezingen wint, komt er einde aan vijf jaar centrumlinks bestuur in Italië. Al maanden ligt het Huis van de Vrijheden, de centrum -rechtse coalitie van de partij van Berlusconi (Forza Italia), de postfascistische Nationale Alliantie en rechts-populistische Liga Noord, voor in de peilingen. In het noorden is de winst verzekerd. Daar, in het rijkste deel van het land, zijn de belangrijkste regionale regeringen reeds in handen gevallen van centrumrechts. In het midden van het land, waar links traditioneel sterker staat, blijft centrumlinks wellicht overeind. Terwijl Berlusconi, met de steun van extreemrechts, in het zuiden betere resultaten gaat boeken dan in 1996. Geen goed nieuws dus voor de Linkse Democraten (Democratici di Sinistra, DS). Dat is de belangrijkste sociaaldemocratische partij, en haar bondgenoten - socialisten, linkse christendemocraten, groenen, communisten - verzameld in de Ulivo (Olijfboom) o.l.v. kandidaat-premier Francesco Rutelli. Zij lijken niet opgewassen tegen de mediamagnaat uit Milaan. Nochtans heeft de Olijfboom, onder premier Romano Prodi, het land rijp gemaakt voor toetreding tot de EMU en belangrijke hervormingen aangevat. Maar dat lijkt nu even niet te tellen. Nog voor de uitslagen bekend zijn, weerklinkt de vraag waarom links niet sterker is en vooral waarom de Olijfboom geen meer solide constructie is gebleken. Een poging tot reconstructie.

Geen voorbeeld

In de politicologische literatuur is Italië niet meteen een voorbeeld te noemen. Tot in de jaren negentig kon het land nauwelijks een volwaardige democratie worden genoemd, vanwege de zogenaamde niet-regeerfähigheid van de communisten en het daaruit voortvloeiend gebrek aan politieke alternantie. Daarnaast waren er de politieke corruptie, het cliëntelisme en de versnippering van de partijen. Allemaal fenomenen die na 1989 uitmondden in de desintegratie van het politieke systeem en de verregaande devaluatie van de democratische instellingen. Feitelijk ging het vooral om de implosie van de Democrazia Cristiana (DC). De partij spatte uiteen in zeven stukjes, die vandaag nog steeds door het politieke systeem zweven. Sindsdien is dat systeem op zoek naar stabiliteit en regels om die stabiliteit gestalte te geven. De belangrijkste aanpassing was de wijziging van het kiessysteem, waardoor drie vierden van de volksvertegenwoordiging nu via een meerderheidsstelsel worden verkozen. Daardoor werden partijen verplicht om coalities te vormen. Aan centrumrechtse kant ontstond de Polo della libertà, die in 1994 ging regeren, maar uiteenviel door de politieke onervarenheid van Berlusconi. Aan centrumlinkse kant werd de Olijfboom gevormd, die in 1996 nipt de verkiezingen won en daarmee de ex-communisten in de regering loodste. Telkens ging het om een novum in de Italiaanse politiek: kiezers hadden een duidelijke keuze, ze wisten wie de regering ging leiden. Dat werd als democratischer ervaren dan de ‘particratie’ van vroeger. Vooral het feit dat er een voorkeur werd uitgesproken voor de progressieve christendemocraat Prodi (de Italiaanse Dehaene), wees erop dat het profiel van de kandidaat - competent, komende van buiten de politiek - doorslaggevend was. Centrumkiezers schonken eerder vertrouwen aan de coalitie dan aan individuele partijen.

Dat was 1996. Voor de Olijfboom zou het vervolgens zaak zijn om de stimulerende samenwerking in stand te houden en een structuur te geven. Dat leek de eerste twee jaren ook te lukken. Daarna was het afgelopen of werd het althans heel wat minder. In april 1998 bleek het EMU-ticket binnen, zes maanden later zegde Rifondazione Comunista - goed voor vijf procent van de kiezers - haar lidmaatschap van de Olijfboom op. De gevolgen waren aanzienlijk. De kloof tussen sociaaldemocraten en communisten bleek niet meer te dichten. Er diende een nieuwe partner in de regering te worden ingepast, en daarbij werd duidelijk dat over andere prioriteiten en programmapunten dan de ‘Europeanisering’ van Italië, niet zo’n stevige consensus was gegroeid. Ook persoonlijke ambities gingen opspelen. Daar waar in Frankrijk en Duitsland progressieve coalities worden geleid door de grootste partij, die de premier levert en de samenwerking aanstuurt, ligt dat in het land van Dante anders. Na de implosie van de DC kunnen centrumkiezers slechts worden gelokt met een ‘onafhankelijke’ kandidaat, van een kleinere formatie, liefst zonder ex-communistische signatuur. Op termijn geeft die constellatie - met twee hanen in het kippenhok - kwalijke gevolgen voor het functioneren van een heterogene coalitieregering. Tussen Massimo D’Alema (DS) en Prodi nam de animositeit toe. Regeringswissels werden onvermijdelijk. Aan de kiezer had men nochtans een legislatuurregering beloofd, maar met Prodi, D’Alema (twee keer) en Amato kwam men aan het einde van de rit toch uit op drie eerste ministers en vier regeringen. Dat heeft de Olijfboom geen goed gedaan. De gebleken verdeeldheid, de verdere versplintering ter linkerzijde (Rifondazione scheurde in tweeën), de wisselvalligheid van de christendemocratische partijtjes en de zoektocht naar een geloofwaardige verkiezingskandidaat voor de Olijfboom, dat alles leek niet van aard om de kiezer te overtuigen het land opnieuw in handen te geven van de centrumlinkse coalitie.

De implosie van de christendemocratie

Over de Olijfboom, als progressief project, koestert men dus best een nuchtere opvatting. De voornaamste opdracht (of doelstelling) bestond erin Italië in het koppeloton van de Europese Unie te houden, door een sanering van de staatsfinanciën. Daarin is men ook geslaagd. Dat is een niet geringe verdienste, want sommigen gaan er van uit dat een eventuele mislukking catastrofale gevolgen kon hebben gehad voor de cohesie van de Italiaanse staat. Naar hun inzicht zou het rijkere noorden zich dan definitief hebben afgekeerd van de Mezzogiorno, met het risico op een afscheidingsscenario. Daarnaast zetten de centrumlinkse regeringen ook belangrijke hervormingen - inzake de bestuursinstellingen, onderwijs, gezondheidszorg en pensioenen - in de steigers, zij het dat die niet volledig werden uitgevoerd. Sommige van die hervormingen hadden ook de bedoeling om het, door corporatisme en protectionisme getekende, Italiaanse kapitalisme rijp te maken voor de nieuwe wereldeconomie. Voor het aanvatten van dat proces van sociaaleconomische modernisering, in een land met een activiteitsgraad van slechts 50% en een werkloosheidsgraad van 23% in het zuiden, mag de Olijfboom geprezen worden. Zij waakte erover dat bij die modernisering de sociale cohesie niet uit het oog werd verloren. Waarom het dan toch lijkt mis te lopen met de kiezer, daarvoor moeten wellicht andere oorzaken worden gezocht.

Ons lijkt de belangrijkste verklaring te liggen in het feit dat de Olijfboom voor een schier onmogelijke opdracht stond. Medio de jaren negentig had Italië niet alleen behoefte aan een sociaaleconomische modernisering, een pro-Europese regering en instellingen die de staat een meer federaal karakter zouden bezorgen. Er moest ook vorm worden gegeven aan een nieuw politiek systeem. Het herstel van het geloof in de democratische instellingen hing immers ook af van de snelheid waarmee daadkrachtige politieke coalities werden opgericht, bij voorkeur twee blokken die het land afwisselend zouden regeren (bipolarismo). Op dat punt konden D’Alema en Berlusconi elkaar vinden. In de praktijk bleek die ontwikkeling moeilijker te sturen, om twee redenen. Ten eerste laten partijen die landelijk nooit samen hebben geregeerd en politieke culturen die zeer heterogeen zijn, zich niet zo gemakkelijk samen leggen. Dat kost tijd, vertrouwen en communicatie. Ten tweede - en dat is niet toevallig in het land van de paus - raakt de kwestie van de politieke erfenis van de DC minder snel opgelost dan verwacht. Terwijl Forza Italia er alles aan doet om de nieuwe christendemocratie te belichamen en veel rechtse christen-democratische professionals binnenhaalt, ziet men anderzijds opnieuw pogingen om een grote christendemocratische centrumpartij te doen herrijzen (en zo opnieuw een multipolair politiek systeem te scheppen). De grootste christendemocratische partij (de Italiaanse Volkspartij) kant zich om die reden tegen de invoering van een volledig meerderheidssysteem. De gevolgen van de implosie van de DC bleken dus allerminst gemakkelijk te controleren. Binnen de Olijfboom bleven christendemocraten wantrouwig t.o.v. de Linkse Democraten en bereid om eventueel andere configuraties te overwegen. Tussen het Huis van de Vrijheden en de Olijfboom vochten ook kleine christendemocratische formaties om de centrumkiezers. Kortom, het centrale karakter en de complexiteit van de christendemocratische kwestie werden onderschat. Een nieuw scenario voor de Italiaanse politiek kon niet op commando worden gerealiseerd.

Een grote reformistische partij

De DS, met 22% van de stemmen de grootste component in de Olijfboom, maakte ook kennis met een andere onplezierige realiteit. Onderweg heeft zij ongeveer drie miljoen kiezers verloren. In de wetenschap dat Rifondazione er ook een miljoen kwijtspeelde, betekent dit een aanzienlijk verlies voor de klassieke linkerzijde. Het gaat daarbij vooral om niet-stemmers. Die kunnen wellicht worden teruggewonnen, maar aangezien de voorwaarden voor een politiek en programmatisch akkoord tussen sociaaldemocraten en communisten niet aanwezig zijn, lijkt dit geen zaak voor deze verkiezingen. Fundamenteel kampte de DS dus met een probleem van herkenbaarheid. Terwijl men de toekomst van het land een onschatbare dienst bewees, had men intussen grote moeite om gematigde en als te liberaal gepercipieerde keuzen aan leden en kiezers te communiceren. Wellicht kan een deel van het sociaaldemocratische publiek minder gemakkelijk leven met de afwezigheid van een radicale kritiek op de moderne samenleving en de nieuwe wereldeconomie. Ook over de finaliteit van de Olijfboom is binnen de DS niet altijd helder gecommuniceerd. Voor ex-premier D’Alema is de Olijfboom een puur electorale alliantie, in afwachting dat de DS kan doorgroeien naar het electorale niveau van de grote Europese zusterpartijen. Partijvoorzitter Veltroni waardeert dan weer vooral een interessant experiment van vermenging van diverse progressieve politieke culturen, een proces dat kan uitmonden in een brede, minder klassieke sociaaldemocratische partij(DS light). Veltroni heeft bijvoorbeeld voorgesteld om de parlementsfracties van de Olijfboom samen te voegen en te voorzien van één communicatiestrategie. Dat is voorlopig nog toekomstmuziek. Wellicht dat de visie van Veltroni beter aansluit bij de moderne opvatting van politiek, dan de kunst van overtuigende pragmatische oplossingen vanuit diverse inspiraties. Vijf jaar Olijfboom heeft echter aangetoond dat de herkenbaarheid van partijen en de compatibiliteit van politieke culturen wezenlijke elementen zijn in het debat. Daarmee zal bij de belangrijkste uitdaging voor de Olijfboom - de herovering van het noorden - rekening moeten worden gehouden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 4 (april), pagina 45 tot 48