Log in

Begin eraan

Klein filosofisch pleidooi voor enige onzekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 41 tot 44

Op het eerste zicht beschikt een wandelaar best over een kaart. Hij kan dan exact bepalen waar hij naar toe wil, hij weet precies welke weg hij neemt en hij weet ook hoe ver hij moet. Bijkomend voordeel is dat hij vlug en accuraat zijn route kan aanpassen als zich een onverwacht obstakel voordoet. Ikzelf ben niet zo’n gedisciplineerde wandelaar. Ik waag mij telkens weer in de wijde natuur, zonder duidelijk vooropgesteld doel. Ik loop maar wat, in het beste geval met een gebrekkige kaart die mij slechts vage aanwijzingen geeft.

Het is me dan ook al ontelbare malen overkomen dat ik op een bepaald moment gewoon niet meer weet welke richting ik uitmoet. Soms dwaal ik dan uren rond vooraleer weer in een herkenbare richting terecht te komen. Dat kan soms aardig tegenvallen, vooral als je al vele kilometers in de kuiten hebt. Het zorgt gegarandeerd voor een echtelijke ruzie. Mijn vrouw vertrouwt er bij het begin namelijk op een of andere manier nog altijd op dat ik goed mijn weg vind. Ik wil hier dan ook zeker geen ongenuanceerd pleidooi houden voor mijn exploratiemethode. Maar ik denk dat ze toch ook voordelen heeft. Ze garandeert verrassingen natuurlijk. Maar vooral, ze verlegt je grenzen. Als je alleen maar op stap gaat als je absolute zekerheid hebt, leg je jezelf aan een koord. Je gaat zover als je vooraf denkt te kunnen gaan, verder niet. Of je vertrekt gewoon niet! Als ik na een dwaaltocht wat uitgerust ben, ben ik telkens heel blij over mijn prestatie. Ik heb mijn eigen weg bewandeld en ik ben altijd verder geraakt dan ik dacht aan te kunnen.

In heel veel omstandigheden willen mensen eerst een uitgewerkt plan opstellen. Ze willen doelstellingen heel precies omschrijven en vooraf uitgebreid invullen op welke manier ze die doelstellingen willen bereiken. Er komen uren discussies aan te pas. Veel getob en studiewerk lijken een absolute voorwaarde om een project te starten. Neem nu iemand die een artikel wil schrijven. Hij stelt een schema op en gaat daarna naar de bibliotheek om te bepalen wat hij allemaal moet gelezen hebben. Liefst loopt hij aan bij een aantal specialisten in de materie en tegenwoordig surft hij natuurlijk ook op internet. Je kunt gewoon geen informatie genoeg hebben. Dat kan natuurlijk wel zijn en die methode heeft ongetwijfeld al toegelaten om prachtige werkstukken af te leveren. Alleen ken ik ook maar wat mensen die zodanig opgaan in hun voorbereidingen dat hun studie er nooit komt. Ze bedelven zichzelf onder informatie of zelfs eigenlijk onder informatie over informatie. Soms moet je gewoon beginnen en gaandeweg je weg banen. Ik noem dat associatief bezig zijn, je ideeën hun eigen gang laten gaan, want dat kunnen ze echt wel. Datzelfde geldt voor een grote opdracht die je moet uitvoeren. Neem nu een nieuwe dienst uit de grond stampen of een nieuwe richting geven aan bestaande diensten. Je kunt proberen een ideaal ontwerp te bedenken, bijna een Platoonse perfectie. Maar je zou daar wel eens zoveel tijd kunnen insteken dat er van de werkelijke realisering niet veel meer in huis komt. Denk aan het hoofdpersonage in Elsschots ‘Kaas’, dat nooit verder kwam dan de voorbereidende fase van zijn onderneming. Hij werd opgeslorpt door steeds weer nieuwe details. Misschien is het beter te beginnen met onvolkomen plannen. Zo werden vroeger kathedralen gebouwd. De doelstelling was heel globaal. De plannen werden bijgesteld naarmate het werk vorderde. En het leverde geen enkel probleem dat bouwmeesters weggingen of stierven. Een nieuwe bouwmeester kon gewoon verder, maar hij kon ook zonder meer zijn eigen ideeën in het bouwwerk steken. Ik weet maar van één kathedraal die ingestort is, die van Beauvais in Frankrijk. Het project was gewoon - en in dat geval ook letterlijk - over zijn hoogtepunt heen.

Want een project moet levensvatbaar zijn. Een uitgebloeid project leidt nergens naar toe, zoals in Barcelona de ‘Sagrada Familia’ van Antoni Gaudi zo hartvochtig toont. Hij probeerde een hedendaagse gotiek uit, op het ogenblik dat de ambitie om hemels hoog te bouwen zijn spirituele kracht verloren had. De gotiek werd mogelijk door nieuwe technieken, werd misschien zelfs gestuwd door heel externe krachten. Ik las ooit een volstrekt aanvaardbare theorie die de houtschaarste aanwees als verklaring voor de ontwikkeling van gotische technieken, die namelijk minder hout nodig hebben dan de Romaanse. Maar de gotiek is toch niet denkbaar zonder de betrachting om naar het goddelijke te reiken, om de muren open te breken en het licht overdadig binnen te laten. Gotiek is het hoofd verheffen. Ze is triomf, godverhevenheid van de mens. Zonder die gedrevenheid zou geen enkele bouwmeester eraan begonnen zijn. Hij zou verlamd worden van schrik, want hij had bijvoorbeeld geen flauw benul van de invloed van stormwinden op de torens en hoge muren. Vanaf de vijftiende eeuw was het over. Hoe krampachtig Gaudi de middeleeuwen wilde restaureren, tot vandaag wordt uitgerekend in zijn bouwput getoond dat ze definitief voorbij zijn. Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw wist de mens zich godgelijk, maar hij had geen god meer nodig. Dat is de tragische vergissing van Gaudi. Vandaag bouwt men verder aan zijn levenswerk, maar de kathedraal kan nooit meer dan een toeristische attractie zijn. Men moet zelfs een beetje hopen dat ze nooit afraakt, want vanaf dat ogenblik zou alle belangstelling kunnen verdwijnen. Persoonlijk had Gaudi nog altijd een gedrevenheid, maar ze kon niemand meer aansteken. Zijn gotische project bleef dood, omdat het niet meer ingebed was in een samenleving en in een tijdperk.

Het is niet makkelijk om te bepalen wat een project is. Het heeft te maken met een doel dat men naloopt, maar dat hoeft niet zo nauwkeurig vast te liggen. Het is eerder een algemene oriëntering, een vage richting. Ieder individu slaat zo’n richting in. Het maakt een keuze, zonder evenwel alle consequenties te zien. Niet dat de keuze willekeurig is. De familie en de samenleving waarin iemand terechtkomt, geven een belangrijke duw. Jean-Paul Sartre ging er in elk geval van uit dat iedereen voor zichzelf zo’n richting bepaalt, een oorspronkelijke keuze maakt. Als men die keuze achterhaalt, kan men iemands geschiedenis volgen, zijn levensverhaal navertellen. Voor Charles Baudelaire gaat het terug op zijn ‘verbanning’ uit de symbiose met zijn moeder op het ogenblik dat ze hertrouwde. Voor Jean Genet had het te maken met de stigmatisering in zijn jeugd tot diefje. Gustave Flaubert werd dan weer getekend door de manier waarop zijn moeder hem verzorgde. Ze had al verschillende kinderen verloren en investeerde slechts een minimum aan liefde in dat kind dat zo weer dood kon zijn. En hij werd ook bepaald door het gevoel van minderwaardigheid waar zijn vader hem mee doordrenkte. Precies in de Flaubert-studie probeert Sartre bijna eindeloos die persoonlijke keuze ook te situeren in de samenleving waarin de auteur terechtkwam en groot werd. Want ook al noemt Sartre iedereen verantwoordelijk voor zijn eigen oorspronkelijke keuze, dat hoeft niet te betekenen dat we zelf onze keuze echt beseffen. Hij heeft het letterlijk over iemands project. Wij projecteren onszelf, wij werpen onszelf vooruit en wij proberen dat beeld te realiseren. Alleen lukt dat nooit echt, het beeld blijft altijd voor ons. Wie er werkelijk probeert mee samen te vallen verstart. Het merkwaardige is dat dit ook telkens opnieuw geprobeerd wordt. De vrijheid boezemt schrik in. Mensen proberen zichzelf veilig te stellen door hun levensweg precies uit te stippelen, vast te leggen. Zij gaan niet wandelen zonder kaart. Als er geen zekere weg is, blijven ze nog liever thuis. Maar eigenlijk bedriegen ze dan zichzelf. Ze zijn ter kwade trouw, zegt Sartre. Want ze kunnen gewoon niet thuis blijven! En dan gaan ze ’s zomers maar naar Benidorm, om er in cafés met Vlaamse kasteleins grote hoeveelheden Belgische bieren te zuipen. Dat geeft een goed, maar vooral een veilig gevoel.

Men kan hetzelfde ook met Hannah Arendt zeggen, maar zij gaat toch ook een stapje verder. Voor haar maken handelen en spreken het menselijke uit. Daardoor onderscheiden mensen zich van elkaar, maar verschijnen ze ook aan elkaar. Door handelen en spreken ontstaat pluraliteit, wat niet hetzelfde is als anders zijn. Dingen en dieren kunnen anders zijn, maar zij drukken dat op geen enkele manier uit. Mensen wel. En dat heeft te maken met het nieuwe. Handelen betekent initiatief nemen, beginnen, aan de gang brengen. Op het ogenblik van de geboorte begint iets nieuws, een kind treedt binnen in de mensenwereld. De mens is in staat tot het onverwachte, het onwaarschijnlijke. Alleen wordt niet van vooraf aan begonnen. Het nieuwe begin sluit aan bij het reeds bestaande netwerk van intermenselijke verhoudingen. Er komt inderdaad een nieuw proces op gang, er ontstaat een uniek levensverhaal, maar niemand is auteur of maker van dat verhaal. Het is namelijk ingebed in dat grote verhaal, zonder begin of einde. De uitkomst van het handelen is altijd onvoorspelbaar. Het proces dat erdoor in gang wordt gezet is onomkeerbaar. Het wordt in anonimiteit in gang gebracht. Het zijn drie aspecten van onzekerheid, die altijd aanleiding geven tot het zoeken van een houvast buiten het handelen. Alle pogingen om zo’n substituut te vinden komen neer op de poging om de menselijke aangelegenheden te laten regelen door één man, die heer en meester blijft. Het is telkens weer een poging het handelen te vervangen door het maken, dat het proces wel degelijk controleert en dat duurzame producten oplevert. Het is een poging de menselijke plurariteit op te heffen. Dat staat gelijk aan een poging het publieke domein op te heffen, de politiek te vernietigen. De burgers moeten zich maar met hun eigen zaken bemoeien. De heerser zal de publieke zaken wel behartigen. Hij zorgt voor een uitgewerkt plan, hij bezit het weten. Waarom zou iemand zelf zoeken, risico’s nemen als men zich blindelings kan laten leiden? De moderne wetenschap is trouwens een instrument bij uitstek, om zelfs de natuur voorwaarden op te leggen.

Ik loop graag rond zonder plan. Hoewel ik mijn voorkeur niet wil veralgemenen, kan ik niet verbergen dat ik wantrouwen koester tegen wie volledig afgewerkte plannen wil vooraleer hij in beweging komt. Mij lijkt dat onzekerheid en zelfs angst te verbergen. Al te makkelijk geeft men zich dan over aan plannenmakers. Ze zitten overal, ja zowel bij rechts als bij links. En vooraleer men het weet, heeft men zijn vermogen tot politiek handelen afgegeven. De plannenmakers nemen dit graag van jou over. Ze zullen je trouwens proberen onder druk te zetten. In de onvolmaaktheid van je plannen zullen ze een voorwendsel vinden om je tot niets doen te dwingen. Of sterker nog, ze zullen proberen de situatie steeds complexer te maken, zodat je noch min noch meer verlamd raakt. Begin liever, ook al is niet alles voor honderd procent duidelijk. Geef je over aan het elan van een project. Dit kan jezelf overstijgen, zonder dat dit een probleem hoeft te zijn. Integendeel, als het maar een maatschappelijke inbedding heeft, zal je meebouwen aan grotere dingen. En als die inbedding er niet is, zul je dat meestal vlug genoeg merken. Als je het niet merkt, zal je een Don Quichotte zijn, vechtend tegen windmolens alsof er nog ridders waren. Je wordt een tragische figuur, maar daar valt niets aan te verhelpen. Je zult tenminste nog geprobeerd hebben. Ik besef dat ik op die manier een beetje inga tegen de moderne trends in bijvoorbeeld de managementliteratuur. Doelstellingen, doelstellingen … het gaat over bijna niets anders. Maar eigenlijk wil ik daar ook geen afbreuk aan doen. Het is belangrijk om te weten waar je naar toe wilt. En hoe exacter dat kan bepaald worden, hoe beter natuurlijk. Maar als een doelstelling niet exact afgebakend is, hoef je niet altijd te wachten om iets uit te voeren. En soms begin je beter, om onderweg je doelstelling scherper te zetten. Want als je zou wachten, zou je wel eens nergens kunnen geraken. En als het echt om belangrijke doelstellingen gaat, zul je ze nooit exact kunnen afbakenen. Kan iemand zich voorstellen dat Columbus het zeegat zou uitgevaren zijn als hij alles op voorhand had geweten?

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 41 tot 44