Abonneer Log in

Spanje: liberaal nationalisme tegen sociaal liberalisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 34 tot 38

Sedert de Partido Popular in Spanje aan het bewind is, vertoont het Spaanse beleid in de EU uitgesproken nationalistische trekken. Aznar is zoals Tony Blair een tegenstander van het federalisme die de Duitse kanselier Gerhard Schröder en zijn minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer voorstellen. Deze aangelegenheid zal besproken worden op de EU-conferentie van 2004. In dat jaar zullen er in Spanje verkiezingen voor de Cortes worden gehouden. Is er enige kans dat Aznar wordt verslagen en dat de Spaanse socialistische partij, de PSOE, opnieuw aan het bewind komt? Deze staat veel gunstiger ten opzichte van de Europese éénmaking.

Het Aznarisme

José Maria Aznar ving zijn politieke carrière aan als voorzitter van de deelstaat Castilië-Léon (1987-’89). In de hoofdstad Valladolid verzamelde hij een groep jonge medewerkers, waarvan de meesten aanhangers waren van het neoliberaal beleid, zoals het toen werd gevoerd door Margaret Thatcher in Groot-BrittannIê en Ronald Reagan in de Verenigde Staten. In april 1989 richtte Aznar de studiegroep FAES op om voor Spanje een neo-liberaal regeringsprogramma te ontwerpen.
Manuel Fraga, een oud-minister van Franco en voorzitter van de ultra-rechtse ‘Alianza Popular’, begreep dat zijn partij een verjonging nodig had. Begin 1989 herdoopte hij zijn partij in Partido Popular (PP) en knoopte betrekkingen aan met vooraanstaande christelijke democraten en liberalen, die na de ontbinding in 1981 van de ‘Unión del centro democrático’, de partij van de eerste minister van het democratisch Spanje Adolfo Suárez, over geen degelijke organisatie meer beschikten. Op 15 maart 1989 besloot de liberale partij met de PP te versmelten en in september 1989 volgde Aznar Fraga op als partijvoorzitter (El País, 11 feb. 2001, Domingo pp.2-3.)
Spanje werd toen geregeerd door de socialistische partij onder leiding van Felipe González. Ze had bij de verkiezingen van 1982 een volstrekte meerderheid behaald in de Cortes met 48% van de stemmen. In 1986 bekwam ze evenwel slechts 44 % en in 1989 39,8 % (El País, 7 juni 1993, p.1). Het beleid van González was de voornaamste oorzaak van deze teruggang. Hij wou Spanje integreren in West-Europa. De integratie van het Spaanse leger in de NAVO was een middel om nieuwe pogingen tot staatsgreep van hogere officieren te voorkomen. Aansluiting bij de EEG zou Spanje subsidies bezorgen voor de verbetering van zijn infrastructuur en de modernisering van zijn landbouw. González bereikte zijn doel. In 1986 werd Spanje lid van de EEG. En zijn streng fiscaal beleid maakte het mogelijk de inflatie terug te dringen van 14 % in 1982 tot 5,8 % in 1988 (R.M.Catoña, 1990, p.47 en 49).
Dit beleid vertoonde evenwel schaduwzijden. De grote overheidsbedrijven opgericht onder Franco voor de productie van staal, schepen en auto’s waren te verouderd om te concurreren met de West-Europese ondernemingen en moesten geprivatiseerd of gesloten worden. Dat leidde tot een stijging van de werkloosheid, die in 1988 ongeveer 20 % van de actieve bevolking bereikte (G. Vandewalle, 20 sept. 1989, p.923).
Om vreemde kapitalen aan te trekken hield González de belastingen en sociale lasten laag. In 1990 bedroeg de fiscale en sociale heffing 35,8 % in Spanje, tegen 40,8 % in Duitsland, 45 % in Frankrijk, 45,1 % in Nederland en 46 % in België (El País, 31 mei 1999,p.32).
Maar de beperkte overheidsinkomsten maakten het onmogelijk een degelijk sociaal beleid te voeren. Minder dan 30 % van de werklozen ontvingen een uitkering. Velen verwierven een inkomen in de parallelle markt (vooral in de horecasector) waar de lonen laag waren (G. Vandewalle, art.cit., p. 923).

Dit alles zorgde voor verbittering en in december 1988 organiseerde de socialistische vakbond een algemene staking tegen het regeringsbeleid (F.G.Cortázar,1998, p.414). González liet het binnenlands beleid grotendeels over aan zijn vice-premier Alfonso Guerra, die als een linkse socialist beschouwd werd, maar zich in feite vooral bekommerde om de benoeming van socialistische kameraden in openbare functies. De bekende auteur Jorge Semprún vertelt in een boek dat toen hij minister van cultuur was, op de zittingen van de ministerraad die door Guerra werden voorgezeten, vooral werd gesproken over benoemingen (J.Semprún,1993, p.333). Het cliëntelisme kwam onsympathiek over bij de meerderheid van de bevolking. Zonder lidmaatschap van de PSOE, was het moeilijk vooruit te komen in de openbare diensten. Bovendien werden in het begin van de jaren 90 meerdere gevallen van corruptie bekend.
Aznar dacht dat zijn partij de verkiezingen van 1993 kon winnen, maar de PSOE bleef de grootste partij met 38,68 % van de stemmen tegen 34,81 % voor de PP. González kon zijn bewind voortzetten met de steun van enkele regionale partijen in de Cortes (El País, 7 juni 1993, p.1). Aznar begreep dat hij zijn programma moest wijzigen en werkte een gematigder project uit (El País,11 feb.2001, art.cit., p.2).
González had geen geluk. De economische regressie, die Europa teisterde in de jaren 1993-1994, leidde tot een daling van de buitenlandse investeringen en van de inkomsten uit toerisme. De werkloosheid steeg tot ongeveer 25 % (The Economist, 25 nov. 2000, Survey Spain, p.4). Daarenboven kwamen nieuwe gevallen van corruptie aan het licht. Dat de algemene directeur van de Guardia Civil zich had verrijkt met steekpenningen van bouwmaatschappijen, die opdrachten hadden ontvangen voor de bouw van kazernes, was een ongelooflijk schandaal. Toen uitlekte dat Spaanse militairen een terreurorganisatie (GAL) hadden opgericht die aanhangers van de Baskische afscheidingsbeweging ETA had vermoord tijdens de jaren 1984-1987, werd aan González verweten dat hij dat niet had belet (El País, 30 maart 2001, p.1). Bij de verkiezingen van juni 1997 won de Partido Popular meer zetels dan de PSOE en kon een minderheidsregering vormen, die de steun ontving van regionale partijen.
Aznar had geluk. De conjuncturele evolutie in West-Europa was erg gunstig en de groeivoet van het BBP overtrof regelmatig de 4 % in Spanje. De werkloosheid daalde van 24 tot minder dan 14% van de actieve bevolking (The Economist, Survey Spain, art.cit., p.4). De verkiezingen van maart 2000 bezorgden aan de PP een volstrekte meerderheid in de Cortes. De stijging van de olieprijzen en allerhande andere moeilijkheden laten evenwel voorzien dat de PP-regering een zware periode tegemoet gaat.

Het herstel van de PSOE en de moeilijkheden van de PP-regering

Na haar verkiezingsnederlaag kende de PSOE een diepe crisis. Haar algemene secretaris Joaquín Almunia nam ontslag en niet minder dan vier kandidaten dongen naar de opvolging. Luis Rodríguez Zapatero, een advocaat en parlementslid van León werd verkozen. Zoals Aznar wil Zapatero een vernieuwing van zijn partij realiseren. Hij is voorstander van een liberaal beleid, waarbij de opdrachten van de staat beperkt worden gehouden. Hij wenst dit evenwel te koppelen aan een pro-Europees beleid en een fiscale politiek om de toenemende materiële ongelijkheid te beperken.
Vóór zijn verkiezing tot voorzitter richtte hij een studiegroep op nl. ‘Nueva Vía para el cambio’, die een sociaal beleid moest uitstippelen. Zapatero verwijt Aznar dat hij in de ministerraad van de EU alleen de nationale belangen op korte termijn verdedigt. Aznar heeft geen oog voor de voordelen die Spanje bij verdieping en verbreding van de Europese samenwerking kan verwerven. De recente weigering van Marokko om aan de Spaanse vissers toe te laten in de Marokkaanse territoriale wateren hun netten uit te slaan wijdt hij aan de toenemende onverschilligheid van de Europese commissarissen voor de Spaanse belangen (El País, 1 april 2001, p.20). Hij nodigde in de Cortes Aznar uit om naar Marokko te reizen ten einde er de belangen van de Spaanse vissers te verdedigen. Dit is een valstrik want hij weet dat Aznar daar bot zal vangen indien hij over geen harde steun beschikt van de EU instanties (El País, 5 april 2001, p.22).

Zapatero’s populariteit stijgt door de moeilijke problemen waarmee de regering geconfronteerd wordt en voor dewelke ze niet altijd een populaire oplossing kan vinden.
De toename van de inflatie. In het jaar 2000 zijn de prijzen van de verbruiksgoederen met 4 % gestegen tegen gemiddeld slechts 2,3 % in de andere lidstaten van de EU. Dat bemoeilijkt de uitvoer en bevordert de invoer en leidt tot een passieve handelsbalans. Voor zijn aansluiting bij de Euro kon Spanje zo’n evolutie tegengaan door de peseta te devalueren. Nu is dit niet meer mogelijk en moet de vraag naar goederen beperkt worden door een renteverhoging en een verzwaring van de belastingdruk. Aznar heeft evenwel een verlaging van de belastingen beloofd, wat van aard is de vraag naar goederen en dus ook de inflatie te versterken.
De staatsschuld aan de ambtenaren. In september 1998 blokkeerde de PP-regering de wedden van de ambtenaren teneinde het deficit van de schatkist te verlagen en Spanje aanvaardbaar te maken voor toetreding tot de Euro. Er werd toen beloofd dat de voorziene maar niet uitgekeerde verhogingen zouden betaald worden als de begroting een overschot zou vertonen. Normaal zou in 2001 zo’n situatie bereikt worden, maar de regering wil het overschot op de begroting aanwenden voor de beloofde belastingverlaging. De vakbonden hebben klacht neergelegd bij het hoger gerechtshof en een voor hen gunstige uitspraak bekomen. De regering betwist evenwel de bevoegdheid van de rechtbanken in deze materie en sluit niet uit de betaling van de achterstallen te blokkeren door een stemming in de Cortes (El País, 29 jan. 2001, p.1 en 30 jan.2001, p.13).
De overbezetting in de universiteiten. De Spaanse universiteiten hebben onvoldoende plaatsen ter beschikking voor de vele studenten die in hun baccalaureaat slaagden. Daarom deelde de minister van onderwijs Pilar de Castillo mee dat wie aan een universiteit wil studeren, vooraf in een proef (la reválida) zal moeten slagen. Het wetsontwerp tot verhoging van de kwaliteit van het onderwijs zal zo’n proef voorzien. In alle universitaire steden manifesteerden de studenten tegen deze maatregel (El País, 30 maart 2001,p. 16). Ze zijn ook ontevreden omdat het aantal studiebeurzen niet wordt verhoogd ondanks de sterke groei van het aantal studenten. In het academiejaar 1985-’86 waren er 65.892 beurzen en in het huidige academiejaar slechts 62.365 (El País, 2 april 2001, p.29)
Het nationaal hydrologisch plan. Droge zomers verwekken een gebrek aan water in de oostelijke en zuidelijke streken van Spanje. Er ontstaan dan twisten tussen enerzijds de landbouwers, fruit- en groentekwekers en anderzijds de horecabedrijven, die veel water nodig hebben voor hun zwem- en stortbaden. De regering wil dit probleem oplossen door water af te tappen van de Ebro en langs leidingen te voeren naar de gewesten waar gebrek aan water heerst. Dit nationaal hydrologisch plan botst op weerstand bij de landbouwers van Aragón en Catalonië alsook van de ecologisten. Ze vrezen de vernietiging van het milieu door de inzijpeling van zeewater in de delta van de Ebro. Het parlement van Catalonië heeft het plan verworpen. De regerende regionale partij ‘Convergencia i Unió’ (CiU) stemde met de oppositie tegen het plan en wekte de woede op van de PP-parlementsleden. Die weigerden de regionale regering nog langer te steunen, wat nieuwe verkiezingen zou noodzakelijk maken.. Waarschijnlijk zou de CiU een nederlaag lijden. Om die te voorkomen aanvaardde Pujol, de president van Catalonië en leider van de CiU, een compromis. De parlementsleden van de CiU verbonden zich in de Cortes het plan goed te keuren mits enkele wijzigingen. Er zou niet alleen water worden gehaald uit de Ebro maar ook uit de Ródano, een rivier in Zuid-Frankrijk. Aznar liet later horen dat Spanje voldoende water heeft en niet bij de Fransen moet gaan bedelen. Als nationalist beschouwt hij het hydrologisch plan als een middel om de eenheid van het land te versterken. Pujol voelt zich bedrogen en heeft verklaard bij de volgende regionale verkiezingen niet meer op te komen (El País, 25 maart 2001, Domingo p.5, 29 maart 2001, p.13 en 1 april 2001, p.16)
De wet op de immigratie. Spanje heeft goedkope arbeidskrachten nodig om tegen lage lonen te werken in de watertuinen (acuíferos) van de streken rondom Valencia, Murcia en Almería. Daarom werden vele immigranten uit Noord-Afrika en Latijns-Amerika toegelaten. Hun aantal nam evenwel overmatig toe. De regering vaardigde een wet uit die de inwijkelingen zonder papieren naar hun land verplicht terug te keren om er in een Spaans consulaat een visum aan te vragen. Dit lokte veel verzet uit met onder meer een hongerstaking van inwijkelingen in een kerk van Barcelona. In de provincie Málaga aanvaardden de meeste Ecuadoraanse arbeiders naar Quito te vliegen op kosten van de Spaanse staat om er een visum te halen, op voorwaarde dat ze mochten terugkeren. Zo werden 1.210 Ecuadoranen gerepatrieerd, hetgeen 523 miljoen peseta’s heeft gekost. Meer dan 20.000 wachten nog op hun repatriëring. Dit was uiteraard onzinnig en de regering heeft nu aanvaard 20.789 Ecuadoranen een visum te verlenen in Spanje. Ook voor de vele Noord-Afrikanen zal ze een oplossing moeten zoeken. Deze zaak eindigt met een gezichtsverlies voor Aznar, want Zapatero had reeds voordien voorgesteld aan alle immigranten die in Spanje werken een verblijfsvergunning te verlenen (El País, 27 jan. 2001, p.21 en 9 april 2001, p.19).

Conclusie

Het triomfalisme van Aznar na de verkiezingen van maart 2000 is voorbij. Enquêtes hebben uitgewezen dat Zapatero nu door de meeste Spanjaarden als een betere politicus wordt beschouwd. Aznar heeft bovendien het nadeel klein van gestalte te zijn en mist elk charisma. Hij voelt aan dat hij het bij de volgende verkiezingen waarschijnlijk niet tegen Zapatero kan halen en heeft verklaard dat hij dan geen kandidaat meer zal zijn voor het voorzitterschap van de regering. Dit kan een strijd uitlokken voor zijn opvolging, wat de PP nog meer zou verzwakken (The Economist, 21 jan.2001, p.34).
Enquêtes over de kiesintenties tonen nochtans aan dat de PP nog een voorsprong van 6 % heeft op de PSOE. Deze laatste haalt haar achterstand geleidelijk in. Door zijn ongelukkige beslissingen verwekt Aznar heel wat tegenstand bij diverse groepen van de bevolking. Of de verkiezingen van 2004 een socialistische overwinning zullen opleveren blijft onzeker, want van nu tot 2004 kan nog veel gebeuren.

Bronnen
- het dagblad El País en het tijdschrift The Economist.
- E.G. Cortázar, Biografía de España, Galaxia Gutenberg, Barcelona, 1998.
- R.F.M Cortina, La transición económica de España, Ediciones Ciencias Sociales, Madrid, 1990.
- J. Semprún, Federico Sánchez vous salue bien, Bernard Grasset, Parijs, 1993.
- G. Vandewalle, ‘De integratie van Spanje in de EG’, Economisch Statistische Berichten, 20 sept. 1989, pp.920-923.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 34 tot 38