Abonneer Log in

Amarty Sen, economist en toch sympathiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 33 tot 41

Oscar Wilde zou eens gezegd hebben dat voor cynici alles een prijs en niks waarde heeft. Vele niet-economisten zijn geneigd te denken dat Wilde het evengoed over economisten had kunnen hebben. Amartya Sen bewijst het tegendeel. Hij weigert economisch gedrag te herleiden tot geborneerd winststreven maar probeert het integendeel te verstaan als volwaardig menselijk gedrag. Hij komt daarbij tot verfrissende inzichten waarvan de heilzame invloed tot in beleidskringen is doorgedrongen.

Toen de Nobelprijs Economie in 1998 aan Amartya Sen werd toegekend, was dit in twee opzichten een primeur. Voor het eerst ging deze prijs naar een economist die in een ontwikkelingsland opgegroeide. En het was ook de allereerste maal, sinds de Nobelprijs voor economie in 1969 voor het eerst uitgereikt werd, dat een economist met uitgesproken linkse sympathieën met deze hoogste onderscheiding bedacht werd. Er werd zelfs hier en daar geopperd dat de Zweedse academie met de keuze van Sen in 1998 haar ‘ongelukkige keuze’ van 1997 snel wilde doen vergeten. In 1997 had de Zweedse Academie immers Myron Scholes en Robert Merton gelauwerd voor hun werk over het functioneren van financiële markten. Het kwam dus enigszins slecht uit dat in de herfst van 1998 het zeer belangrijke investeringsfonds Long-term Capital Management, waarvan Scholes en Merton een soort geestelijke vaders waren, zo’n enorme verliezen maakte dat het financieel systeem van de Verenigde Staten er door dreigde ontwricht te geraken. Dat Sen niet ondanks maar omwille van zijn ideologische positionering werd weerhouden, lijkt echter nauwelijks aanvaardbaar. En Sen heeft meer in huis dan linkse sympathieën. Hij is om verschillende redenen een uitzonderlijk goed economist: hij is technisch zeer onderlegd, bestrijkt een onwaarschijnlijk breed terrein en hij schrijft bijzonder elegant en geestig. Een goede zaak, kortom, dat de man en zijn werk een bredere bekendheid krijgen. In het Nederlands taalgebied kreeg die bekendheid tevens een duwtje door de nominatie voor De gouden uil 2001 van een roman waarin het werk van Sen uitgebreid aan bod komt. Het betreft Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek van M. Februari en Marjolijn Drenth.1 Over de verdiensten van dit boek als roman kan ik geen gefundeerd oordeel vellen. De auteur had waarschijnlijk niet de bedoeling een voor de leek verstaanbare inleiding tot het werk van Sen te schrijven. En dat is het boek dan ook niet geworden. Wie zich voor Sen interesseert begint wellicht beter met het lezen van Sen zelf. In wat volgt probeer ik de geïnteresseerde lezer daarvoor wat aanduidingen te geven. Na enkele relevante biografische gegevens volgt een voorstelling van Sens belangrijkste bijdragen aan het economische denken. Die bijdragen vormen in zekere mate een kritiek op de orthodoxe economische wetenschap. Daarom wordt uitgegaan van een ruwe schets van de kernboodschap van de gangbare economische theorie. Sens werk over sociale keuzes en zijn visie op de ontwikkelingsproblematiek kunnen als een soort alternatieven voor de dominante economische theorie worden beschouwd. Een aantal algemene opmerkingen sluiten het verhaal af.

Wie is Amartya Sen?

Sen werd op 3 november 1933 geboren in Shantiniketan, een kleine stad in West-Bengalen niet ver van Calcutta. Zijn voornaam ‘Amartya’, wat zoveel betekent als ‘hij die onsterfelijkheid verdient’, zou Sen te danken hebben aan Rabindranath Tagore. Nobelprijswinnaar Literatuur Tagore was de stichter van de Viswa Bharati Universteit waar de grootvader van Sen langs moeders zijde een gezaghebbend professor filosofie was. Sens voortdurende belangstelling voor wijsbegeerte vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in de vele gesprekken die hij met die grootvader filosoof had. De vader van Sen was professor scheikunde aan de universiteit van Dhaka, nu de hoofdstad van het ondertussen onafhankelijk geworden Bangladesh. Sens omgeving was wel intellectueel, maar niet rijk. Sen situeert zijn familie in de lagere middenklasse.
In 1943 maakte Sen de grote Bengaalse hongersnood mee die aan 3 miljoen mensen het leven kostte. Hij vertelt hoe hij aan noodlijdenden rijst uitdeelde en hoe hij zich verwonderde over het feit dat er mensen van de honger stierven terwijl er in dezelfde buurt winkels waren, die door de Staat van voedsel voorzien werden en die tegen de hongerende massa moesten worden beschermd. Aan die ervaring hield Sen een levenslange belangstelling over voor ontwikkelingsproblematiek in het algemeen en voor de bestrijding van hongersnood in het bijzonder. Op tienjarige leeftijd liep Sen een ander jeugdtrauma op toen een dodelijk gewonde man de tuin van zijn ouderlijk huis binnenstrompelde. Sen schreeuwde om hulp en gaf de man water. De man bleek een moslim te zijn die als dagloner tegen een hongerloon kwam werken in de wijk die door Hindoes gedomineerd werd en waar Sen woonde. Fanatieke Hindoes hadden hem neergestoken. Meer dan een halve eeuw later verhaalt Sen het trieste voorval als voorbeeld van de vreselijke last die eng omschreven identiteiten op een samenleving leggen en ook als illustratie van de wijze waarop onvrijheden met elkaar samenhangen. Om zijn gezin te kunnen onderhouden was de dagloner verplicht zijn leven in gevaar te brengen. Economische onvrijheid bracht sociale onvrijheid met zich mee.

Andere schokkende ervaringen bleven Sen klaarblijkelijk gespaard tijdens zijn studies en academische carrière. Hij begon zijn hogere studies in Calcutta waar hij moraalfilosofie, politieke filosofie en economie studeerde. Zijn diploma van Bachelor of Arts was een diploma economie. Hij behaalde het in 1953 waarna hij naar Cambridge (Engeland) trok. Daar doctoreerde hij in 1959. Hij studeerde en deed onderzoekswerk bij gerenommeerde ‘linkse economisten’, zoals Joan Robinson, Maurice Dobb en Pierro Sraffa. De uitzonderlijke kwaliteiten van de economist Sen werden vlug erkend. De lijst van wereldvermaarde economiefaculteiten waar hij, eenmaal zijn doctoraat behaald, belangrijke leerstoelen bekleedde en bekleedt oogt indrukwekkend: MIT, Stanford, Harvard, Berkeley, London School of Economics, Oxford en Cambridge horen erbij. Mettertijd ontleenden de betrokken faculteiten economie hun reputatie eerder aan Sen dan omgekeerd. In dit verband moet gezegd worden dat Sen van 1963 tot 1971 aan de Universiteit van Delhi doceerde. Deze universiteit die het nochtans met een laag budget diende te rooien, kende in die periode een opmerkelijke hoogbloei. Sen was daar niet alleen verantwoordelijk voor. Een schare uiterst bekwame Indische economisten en sociologen maakte van deze universiteit van de derde wereld een internationale referentie voor de interdisciplinaire studie van de ontwikkelingsproblematiek. Dat men Sen zowat overal als professor wilde, had natuurlijk ook te maken met zijn wetenschappelijke productie. Sen publiceerde meer dan 20 boeken en meer dan 300 artikels waarvan tientallen vrij algemeen als baanbrekend beschouwd worden. De wetenschappelijke onderscheidingen bleven bij dit alles niet achterop: eredoctoraten, voorzittersposten van geleerde genootschappen, lid van redactiecomités van geleerde tijdschriften waren er bij de vleet. Dat Sen uiteindelijk de Nobelprijs economie kreeg kon bezwaarlijk een verrassing worden genoemd. Dat hij hem pas in 1998 kreeg wellicht wel.

De gangbare economische wetenschap in een notendop

Om Sens benadering te situeren begin ik met een soort karikatuur van de orthodoxe economische wetenschap. Deze zou als volgt kunnen worden getekend.
De wereld is bevolkt met individuen die hun eigenbelang maximaliseren. Die ‘homines economici’ beschikken over arbeid en kapitaal die ze tegen een vergoeding ter beschikking van de ondernemingen stellen. De ondernemingen gebruiken deze productiemiddelen om de goederen te produceren die de consumenten kopen met het inkomen dat ze uit arbeid en kapitaal verwerven. Al die ruiloperaties vinden plaats op markten. De ontmoeting van vraag en aanbod leidt op iedere markt tot een evenwichtsprijs. Ten opzichte van de markt is elk individu ‘marginaal’. Wat een individu koopt of verkoopt kan de marktprijs niet beïnvloeden. Het is niet omdat ik mijn consumptie van vlees verdubbel dat mijn grotere vraag de vleesprijs omhoog zal jagen, of omdat ik beslist heb minder uren te werken dat het uurloon zal stijgen door mijn geringer arbeidsaanbod. Elk individu zal vlees kopen totdat zijn betalingsbereidheid voor de laatste gram vlees precies gelijk is aan de marktprijs van vlees. En elke slager zal vlees verkopen totdat de laatste verkochte gram net evenveel kost als hij opbrengt. Op de arbeidsmarkt geldt dezelfde regel. Men werkt totdat de laatste eenheid gepresteerde arbeid precies genoeg opbrengt om het verlies aan vrije tijd te compenseren. En de werkgever werft arbeiders aan totdat de laatste eenheid hem evenveel in productie opbrengt als ze hem in loon kost. Deze veralgemeende ruil op markten zorgt er aldus voor dat elk individu maximale welvaart haalt uit de productiemiddelen waarover hij beschikt.
Er is natuurlijk wel het probleem van de ongelijke verdeling van de productiemiddelen tussen de individuen. Dat sommigen genoeg verdienen om paleizen te bouwen en anderen niet genoeg om hun kinderen fatsoenlijk te voeden, lijkt moeilijk verenigbaar met een maximale algemene welvaart. Anderzijds is het nagenoeg onmogelijk om het nut dat Bill Gates aan zijn laatste dollar heeft, te vergelijken met het nut dat die dollar zou hebben voor Hamadou Kologo, landbouwer in Burkina Faso. Als interpersonele nutsvergelijkingen onmogelijk zijn, beschikt men over geen betrouwbaar richtsnoer voor een politiek van inkomensherverdeling. Maar we weten wel dat herverdeling de ruiloperaties doorkruist die toelaten de individuele welvaart te maximaliseren. Als Bill een deel van zijn inkomen moet afstaan, zal hij zich minder inzetten. En wie inkomen krijgt zonder er iets voor te moeten doen, zal zich ook minder inspannen. De taart herverdelen maakt dat ze dus wellicht kleiner wordt. Anderzijds is het vanuit een puur wetenschappelijk standpunt onmogelijk vast te stellen of de nieuwe verdeling beter is dan de oude. Het is dus beter zich op de grootte van de taart dan op de rechtvaardige verdeling ervan toe te leggen. Traditionele economisten hebben het dus meer over efficiëntie en economische groei dan over rechtvaardigheid en herverdeling.
Tot zover deze karikatuur. Van karikaturen is geweten dat zij minder nauwkeurig en volledig zijn dan foto’s. Maar men herkent er wel goed het ‘slachtoffer’ in. Zijn eigenaardigheden werden immers speciaal in de verf gezet. Sens economische theorie kan in grote mate gezien worden als een stelselmatige afwijking van deze eigenaardigheden.

De problematiek van de sociale keuze

In het zojuist geschetste beeld schittert de ‘samenleving’ door haar afwezigheid. Een eigenlijke samenleving bestaat niet: er zijn alleen individuen die in de anderen een bron van ruilvoordeel zien. Dit contrasteert fel met de economische werkelijkheid die er één is waarin het vaak beter is ‘samen te beslissen’. Het is voor alle schippers beter dat er een vuurtoren is. Maar schipper Jan zal niet willen betalen voor de vuurtoren zolang hij denkt dat de andere schippers er wel zullen voor betalen. De andere schippers denken echter zoals collega Jan en de nochtans wenselijke vuurtoren komt er niet. Via individuele keuzes die uitsluitend door eigenbelang gemotiveerd worden, komt men in een minder goede situatie terecht dan via een collectieve keuze.
Een groot deel van Sens werk gaat precies over deze ‘sociale keuzes’. Hij heeft onder andere gewerkt op het verband tussen individuele voorkeuren en sociale keuzes (Sen 1970). Sens belangstelling voor deze problematiek werd gewekt door een artikel van Kenneth Arrow, een andere winnaar van de Nobelprijs Economie. Arrow bewees daarin dat welke stemprocedure men ook gebruikt om individuele keuzes tot een sociale keuze samen te voegen, men onder bepaalde voorwaarden nooit tot een oplossing kon komen. Dit kan geïllustreerd worden voor een speciaal geval van meerderheidsstemming over collectieve goederen. Collectieve goederen zijn goederen die door meerdere personen tegelijk kunnen worden geconsumeerd en waarvan men consumenten praktisch onmogelijk kan uitsluiten. De vuurtoren waarover ik het zojuist had, is er één voorbeeld van. Dat schipper Jan de vuurtoren gebruikt, belet andere schippers helemaal niet er zich ook op te oriënteren. Bovendien zou het zeer moeilijk zijn om schipper Jan te verbieden de vuurtoren te gebruiken. Stel nu dat in een vissersdorp moet gekozen worden voor één van drie collectieve goederen die evenveel kosten: een vuurtoren (V), openbare verlichting (O) en een beiaard (B). De volgende tabel waarin V\>O bijvoorbeeld betekent dat V boven O verkozen wordt, geeft de individuele voorkeuren van Victor, Ottilie en Tobias, de drie representatieve personen die de gemeenteraad vormen.

Victor V \>O\>B
Ottilie O\>B\>V
Tobias B\>V\>O

Als de driekoppige gemeenteraad bij meerderheid beslist zal hij niet kunnen kiezen. Als Victor bijvoorbeeld voorstelt dan maar de vuurtoren te bouwen, zullen Ottilie en Tobias een meerderheid vormen om de beiaard te installeren. Maar het beiaardvoorstel zal op zijn beurt verworpen worden door Victor en Ottilie die een meerderheid vormen voor de openbare verlichting. Maar éénmaal het voorstel van openbare verlichting op tafel, vormen Tobias en Victor een meerderheid ten voordele van de vuurtoren. En zo zijn we weer aan het uitgangspunt. Deze voting paradox fascineerde Sen van in zijn studententijd. Het ging immers om een thematiek die tegelijk de technisch uitzonderlijk begaafde economist en de maatschappelijk geëngageerde sociale wetenschapper in hem aansprak. Hij schreef een aantal belangrijke artikelen over de voorwaarden waarin individuele voorkeuren wel tot een coherente sociale voorkeursordening konden samengevoegd worden. Zo stelde hij vast dat de individuele voorkeuren in de werkelijkheid niet zo drastisch verschilden als Arrow in zijn theoretische voorbeelden veronderstelde. En bij minder uiteenlopende voorkeuren kan de voting paradox verdwijnen. Als Victor zijn voorkeurordening met Ottilie en Tobias had gedeeld, dan was de gemeenteraad inderdaad sneller succesvol afgelopen.
Bij bepaalde sociale keuzes is het echter weinig waarschijnlijk dat de individuele voorkeuren op coherente wijze kunnen worden verenigd. De keuze voor een bepaalde inkomensverdeling is daar wellicht het belangrijkste voorbeeld van. In de praktijk valt de keuze voor een inkomensverdeling samen met deze voor een reeks maatregelen van economisch beleid. Het belastingstelsel (met al dan niet sterk progressieve belastingen) en het socialezekerheidstelsel (met een al dan niet grote solidariteitscomponent) vormen daar de belangrijkste elementen van. Belangrijke aspecten van deze uitermate complexe keuze in de praktijk kunnen echter worden geïllustreerd met een eenvoudig voorbeeldje. We keren terug naar onze samenleving met Victor, Ottilie en Tobias. We nemen aan dat er voor deze samenleving drie sociale toestanden mogelijk zijn. Elke situatie wordt gekenmerkt door een bepaald totaal inkomen dat op een specifieke wijze verdeeld is. De tabel die volgt geeft de drie sociale situaties weer.

Gegeven dat Victor, Ottilie en Tobias ‘homines economici’ zijn die alleen in de hoogte van hun eigen inkomen geïnteresseerd zijn, zal voor Victor A\>B\>C gelden, voor Ottilie B\>C\>A en voor Tobias C\>A\>B. Het gaat om dezelfde individuele voorkeurordeningen als deze die golden voor de keuze van het publiek goed. Een definitieve keuze via meerderheidsstemming is dus niet mogelijk.
Sen ging op zoek naar wegen om aan deze onbeslistheid te ontkomen. Een bredere bepaling van het eigenbelang biedt een eerste oplossing. Victor is wellicht niet alleen geïnteresseerd in zijn eigen inkomen maar hecht ook een positieve waarde aan dit van Ottilie en Tobias. In dit verband heeft Sen het over het ‘medeleven’ (sympathy) van Victor met Ottilie en Tobias. Als Victor met Ottilie en Tobias meeleeft is hij zelf ongelukkig omdat Ottilie en Tobias het met zo’n klein inkomen moeten zien te rooien. Door te stemmen voor herverdeling kan hij zijn eigen nut eventueel zelfs verbeteren. Zo komt men tot een coherente sociale keuze. De tweede oplossing is veel radicaler. Zij houdt immers in dat een sociale situatie niet enkel meer zal gekozen worden op basis van persoonlijke voorkeuren. Uitgangspunt is dat als je weigert het nut van verschillende personen onderling te vergelijken je tot bizarre morele houdingen komt. Sen geeft het voorbeeld van de stad Rome die door Keizer Nero in brand werd gestoken omdat de aanblik van een brandende stad hem plezier deed. Wie zich onthoudt van een interpersoonlijke vergelijking van het nut weigert het leed van de brandende Romeinen af te wegen tegen de vreugde van Nero bij het zien van zijn brandende onderdanen. De brand doen blussen is in dit geval geen evidente beslissing. Weigeren inkomensherverdeling te overwegen heeft, alle verhoudingen in acht genomen, hetzelfde moreel statuut als weigeren het brandende Rome te blussen. In voorgaand voorbeeld is het waarschijnlijk dat men C eigenlijk een betere sociale toestand vindt dan A. Als de maatschappij van A naar C evolueert, stel je vast dat ‘de armen’ er respectievelijk 25 en 50 % op vooruitgaan, terwijl het relatief inkomensverlies voor ‘de rijke’ verwaarloosbaar is. De mogelijkheden van de armen worden aanzienlijk uitgebreid terwijl deze van de rijke nauwelijks verminderen. Als de sociale keuze ook op basis van die mogelijkheden gebeurt, wordt de informatiebasis breder dan de individuele nuttigheden. In de volgende paragraaf gaan we dieper in op de inhoud van die persoonlijke mogelijkheden. Voorlopig moet enkel de nadruk gelegd worden op de ‘objectivering’ van de sociale keuze die de nieuwe benadering inhoudt. Met dergelijke objectivering verdwijnt natuurlijk de Arrow-onmogelijkheid. Het is overigens best denkbaar dat ook Victor C boven A verkiest omdat hij de toestand A ‘onrechtvaardig’ vindt. Hij is bereid een stuk van zijn eigenbelang op te offeren om tot een rechtvaardiger inkomensverdeling te komen. In Sens terminologie handelt Victor niet langer uit medeleven maar uit maatschappelijke betrokkenheid (commitment). Deze morele houding is volgens Sen in niets irrationeel. ‘Het is door de kracht van de rede dat we in staat zijn ons niet alleen door onze belangen en voordelen maar ook door onze waarden en idealen te laten leiden’(Sen 1999, blz.272). Als economische agenten ook morele actoren zijn, kunnen individuele voorkeuren m.b.t. de inkomensverdeling uiteraard makkelijker tot een consistente sociale keuze worden samengevoegd.

In de benadering van Sen is economie dus niet langer een ‘amorele’ wetenschap maar is economisch gedrag ook ethisch gedrag. Tot nu hadden we het over het belang van de morele dimensie bij de verklaring van sociale keuzes. Sen betoogt echter dat moraal ook een belangrijke rol speelt in het goede verloop van de ruiloperaties tussen individuen. Een kapitalistische economie kan niet goed functioneren als de regels niet spontaan worden gerespecteerd en de beloften niet natuurlijkerwijze worden nagekomen. Zelfs trouw en loyaliteit zijn vereist. Het is wellicht in de relatie tussen werknemer en werkgever dat de noodzaak aan een morele houding het sterkst aanwezig is. Sens overtuiging dat men beter afstapt van de homo economicus in enge zin om economisch gedrag te begrijpen, beïnvloedt ook zijn visie op de ontwikkelingsproblematiek.

Ontwikkeling als vrijheid

Ontwikkeling wordt veelal geassocieerd met de groei van de productie per inwoner in de landen van de derde wereld. Sen zal zeker niet ontkennen dat deze groei wenselijk is en evenmin dat de rijke landen daar een verantwoordelijkheid in hebben. Maar hij legt er tegelijk de nadruk op dat ontwikkeling meer is dan het verhogen van de productie en de beschikbaarheid van goederen en diensten. En, bijgevolg, dat niet alleen de derde wereld maar alle landen ter wereld ontwikkelingslanden zijn. Geen enkel land ter wereld kan als model dienen voor de andere landen.
Volgens Sen is het verkeerd inkomen of consumptie van goederen en diensten met welzijn te identificeren. Je welzijn kan groter worden zonder dat je meer consumeert en je kan meer consumeren zonder dat je welzijn verhoogt. Wie ziek is en in een land met bar klimaat leeft, waar je bovendien op straat veel kans hebt aangevallen te worden, heeft met hetzelfde inkomen minder welzijn dan wie in goede gezondheid verkeert in een land met mild klimaat en waar de persoonlijke veiligheid ook nog verzekerd is. De sociale context beïnvloedt ook de wijze waarop inkomen in welzijn kan worden omgezet. Wie zich moeilijk een tv kan veroorloven in een land waar elk gezin een tv heeft, is minder goed af dan wie met eenzelfde koopkracht leeft in een land waar tv iets is voor de happy few. Sen doet meer dan het goederenfetisjisme van de gangbare economische wetenschap aanklagen. Hij formuleert een alternatieve doelstelling voor het maximaliseren van het nut door de consumptie van goederen. Het gaat om de uitbreiding van de zogenaamde capabilities of basiscapaciteiten. In de vorige paragraaf verwees ik overigens reeds impliciet naar die basiscapaciteiten als ik stelde dat herverdeling de mogelijkheden van de armen aanzienlijk groter maakte. Concrete voorbeelden zijn: de capaciteit om goed gevoed te zijn, om te ontsnappen aan vermijdbare ziektes en dood, om te lezen, te schrijven en te communiceren, om deel te nemen aan het gemeenschapsleven, om zonder schaamte in het openbaar te kunnen verschijnen.
De associatie van ‘welzijn’ met ‘capabilities’ sluit natuurlijk aan bij de noodzaak om de informationele basis te verbreden waarop de ordening van sociale toestanden gebeurt. In plaats van zich enkel te baseren op hoe de betrokken individuen hun toestand zelf inschatten, gaat men de situatie ook aan de hand van meer objectieve criteria beoordelen. Alfabetisering is een goede zaak. En niet in de eerste plaats omdat kunnen lezen en schrijven leuk is, maar omdat het kunnen lezen en schrijven van iemand een ander mens maakt. Die andere mens zal bijvoorbeeld beter in staat zijn te kiezen wat echt goed voor hem is. ‘De voorwaarden moeten gecreëerd worden waarin mensen werkelijk de kans krijgen om te oordelen welk soort leven zij echt willen leiden’ schrijft Sen ( Sen 1999, blz.63). Hij wijst bij herhaling op het gevaar dat mensen voorkeuren laten blijken die minder overeenkomen met wat zij echt willen dan met wat zij denken te kunnen krijgen. Er zijn dus objectieve behoeften die niet noodzakelijk volledig tot uiting komen in de individuele voorkeuren van de betrokken mensen. Een ander aspect van de benadering van welzijn in termen van capabilities is dat het om mogelijkheden en niet om feitelijkheden gaat. De afwezigheid van een tv in het rijke intellectuele gezin dat geen tv in huis wil, heeft een totaal andere betekenis dan de afwezigheid van een tv bij het gezin waar de deurwaarder onlangs op bezoek was. Sen noemt capabilities ook substantiële vrijheden (substantive freedoms). Het gaat tegelijkertijd om de vrijheid te doen en te beslissen wat men zelf wil en om vrij te zijn van bedreigingen als vermijdbare ziektes en het lijden van honger. Aldus neemt Sen een intermediaire positie in tussen de zogenaamde libertarians die enkel belang hechten aan procedures en de zogenaamde consequentialists die welzijn enkel zien in termen van uitkomsten.

Deze visie van ontwikkeling als uitschakeling van onvrijheden in plaats van groei van de productie per inwoner is niet alleen theoretisch innoverend. Ze heeft belangrijke implicaties voor het ontwikkelingsbeleid. Sens invloed is onmiskenbaar op bepaalde internationale instellingen die in dat domein actief zijn. Zo propageerde in de jaren zeventig de Internationale Arbeidsorganisatie de idee van ontwikkeling als ‘basisbehoeftenbevrediging’. In die visie moet het nationale en internationale ontwikkelingsbeleid de volgende prioriteiten hebben: de voedselvoorziening, de gezondheidszorg, de scholing, de huisvesting en de effectieve participatie aan de besluitvorming van alle inwoners. Wie deze idee nu de evidentie zelf vindt, moet er toch even aan herinnerd worden dat er dertig jaar terug een andere mening overheerste. Ontwikkeling werd gezien als groei, groei als het gevolg van kapitaalaccumulatie en kapitaalaccumulatie als het gevolg van inkomensongelijkheid. Het zijn immers slechts de rijken die een deel van hun inkomen kunnen opzij zetten waarmee dan investeringen kunnen gefinancierd worden. Het werd als een soort schadelijke zwakte gezien om zich om verdeling te bekommeren vooraleer de groei voldoende sterk was. ‘Mettertijd’ zouden de voordelen van de groei ook wel naar de armen doorsijpelen. Het lijkt waarschijnlijk dat Sen zich in eerste instantie liet inspireren door de basisbehoeftenbenadering en later aan de ontwikkeling en de uitbreiding van deze ontwikkelingsstrategie bijdroeg. De invloed van Sen is duidelijker op de Human Development Index (HDI) die elk jaar voor nagenoeg alle landen van de wereld door het United Nations Development Program (UNDP) berekend wordt. Deze index combineert onder andere informatie over het inkomen per capita, over de levensverwachting en de scholingsgraad. In het Human Development Report, dat de PNUD sinds 1990 elk jaar publiceert, staat de rangschikking van nagenoeg alle landen ter wereld volgens deze index. Deze rangschikking verschilt elk jaar beduidend van de rangschikking naar productie of inkomen per hoofd van de bevolking. Uit de laatste editie van het Human Development Report blijkt bijvoorbeeld dat landen als Zweden en Sri Lanka een niveau van menselijke ontwikkeling hebben dat beduidend hoger ligt dan hun niveau van economische ontwikkeling. Voor landen als Luxemburg en Gabon geldt het omgekeerde. Wat natuurlijk bewijst dat Sens kritiek van het goederenfetisjisme ook relevant is in de praktijk. Belangrijker is evenwel dat landen die veel slechter scoren op de Human Development Index dan in termen van productie per capita, in zekere zin aan de internationale schandpaal worden gezet. Vooral in ontwikkelingslanden haalt de jaarlijkse HDI-score de krantenkoppen. Dit draagt bij tot het debat over het gevolgde ontwikkelingsbeleid en, hopelijk, tot bijsturing van het beleid.

Bij wijze van besluit

Het is niet gemakkelijk een auteur van Sens kaliber in een kort artikel voor te stellen. Met een aantal slotbemerkingen over Sens aanpak van de economische wetenschap hoop ik mijn frustratie over deze onvrijheid wat te kunnen temperen.

Sens benadering is gewild multidisciplinair. Hij kreeg weliswaar de Nobelprijs Economie maar zijn werk wekt ook de belangstelling van moraalfilosofen, sociologen en politologen. Daarmee sluit Sen in feite aan bij de klassieke economen zoals Smith en Marx wier oeuvre het domein dat de moderne economen als het hunne beschouwen, vaak overschreed. Over het specialisme van vele moderne economen laat Sen overigens opmerken dat ze zich laten inspireren door de overtuiging van de korsettenmaker die denkt dat als mevrouw zich goed voelt in haar korset, ze dan best een maatje kleiner neemt (Sen 1984, blz.1). Maar breedte wordt niet nagestreefd ten koste van diepgang. Multidisciplinair betekent voor Sen niet ‘ongedisciplineerd’. In tegenstelling met wat we hier lieten vermoeden is een groot deel van Sens werk voer voor wiskundige economen. In een interview waarin hij pleit voor een integratie van de lessen uit economie, sociologie, antropologie, filosofie, politologie en litteratuurstudie, verklaart Sen zich tevens een ‘woeste’ voorstander van doorgedreven technische vorming binnen elke discipline (Sen 2000).

Hopelijk werd duidelijk dat Sen de markt niet als uniek organisatieprincipe van het economisch leven beschouwt. Hij specialiseerde zich veeleer in de studie van wat de markt niet of slecht doet. Maar dit maakt hem geenszins blind voor wat de marktwerking kan bijdragen aan het welzijn. Niet alleen in termen van een efficiënt gebruik van de productiemiddelen maar ook in termen van persoonlijke vrijheid. De vrijheid om over zijn eigen arbeidskracht te beschikken en tegen een loon te arbeiden is voor veel mensen nog steeds geen realiteit. Hun toegang tot de arbeidsmarkt zou een bevrijding betekenen. ‘Het marktmechanisme’, schrijft Sen, ’laat menselijke interactie toe met wederzijds voordeel als gevolg. Het is bijgevolg moeilijk in te denken hoe een redelijk iemand tegen het marktmechanisme op zich zou kunnen zijn’ (Sen 1999, p.142). Het lijkt me persoonlijk zeer belangrijk dat ‘progressiviteit’ en ‘tegen het marktmechanisme op zich zijn’ ontkoppeld worden. Sen geeft hierin het goede voorbeeld.

Wij hebben het hier vooral over Sen als wetenschapper. Maar in de laatste tiental jaren heeft hij zich ook ontpopt als een geducht polemicus en propagandist van de goede zaak. Zo zorgde hij ervoor dat zijn werk over de verklaring en de bestrijding van hongersnoden veelvuldig de media haalde. De twee basisideeën, namelijk dat hongersnood niet het gevolg is van een tekortschietende productie maar van een slechte verdeling, en dat hongersnoden niet voorkomen in democratieën herhaalde Sen bij elke gelegenheid. Zijn nadruk op de slechte verdeling van capabilities binnen de gezinnen, met name op de inferieure positie van de vrouw, vormt ook een constante. Niet iedereen aanvaardt dat de technische economist de laatste tijd overschaduwd wordt door de ‘pamflettist’. Vanuit sociaal standpunt kan Sens engagement echter moeilijk worden betreurd. Te veel economische theorie is zoals intellectueel gewichtheffen. Men toont zijn kracht in plaats van hem nuttig aan te wenden. Sen ontsnapt aan dit verwijt door zijn uitzonderlijke wetenschappelijke en litteraire kwaliteiten. En zijn daarop gestoeld intellectueel krediet zet hij in voor een verbetering van het beleid.

Noten
1. Februari M. en Drenth M., Een pruik van paardenhaar & over het lezen van een boek, Querido, Amsterdam, 2000

Beknopte bibliografie
- Sen, A.K., Collective Choice and Social Welfare, Holden Day, San Francisco, 1970 - Wellicht zijn belangrijkst theoretisch boek.
- Sen, A.K., Choice, Welfare and Measurement, Basil Blackwell, Oxford, 1982 - Verzameling van belangrijke artikels met betrekking tot sociale keuze.
- Sen, A.K., Welzijn, vrijheid en maatschappelijke keuze. Opstellen over de politieke economie van het pluralisme, gekozen en ingeleid door Jos de Beus,, Van Gennep Amsterdam, 1995
- Sen, A.K., Resources, Values and Development, Basil Blackwell, Oxford, 1984 - Verzameling van belangrijke artikels met betrekking tot ontwikkelingseconomie.
- Drèze J. en Sen, A.K., Hunger and Public Action, Clarendon Press, Oxford, 1989
- Sen, A.K., Development as Freedom, Alfred A. Knopf, New York, 1999 - Een boek waarin Sen zich met zijn theoretische inzichten richt tot een breder publiek. Het boek werd naar het Nederlands vertaald door T. Rozenboom en R. Boissevain onder de titel; Sen, A., Vrijheid is vooruitgang, Contact Amsterdam, Amsterdam,2000.
- Sen, A.K., in ‘Three Nobel Laureates on the State of Economics’, in Challenge, Jan/Feb2000, Vol. 43 Issue 1, p6, 26p

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 33 tot 41