Abonneer Log in

Een gemeenschappelijke identiteit voor de Europese Unie: een schets van een impasse

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 16 tot 23

Indien de Europese Unie (EU) er niet voor kan zorgen dat de burgers zich met het Europese project identificeren, dan is ze tot mislukken gedoemd. Deze krasse stelling klinkt niet alleen bij Eurosceptici. Met de mislukte Top van Nice in het achterhoofd, vragen we ons af hoe de Europese politieke leiders de Europese bevolking nog tot een verdere integratie kunnen motiveren. De Europese staatshoofden en regeringsleiders zijn immers niet allen onvoorwaardelijke pleitbezorgers van een versterkte Europese integratie.

De versnelde integratie gedurende de voorbije decennia heeft de vraag doen rijzen of deze evolutie zich zomaar kan verder zetten. Onder meer de discussies over de oprichting van de Europese Centrale Bank, de introductie van de Europese eenheidsmunt en het debat over de uitbreiding hebben cruciale vragen naar voren gebracht. Vragen als: hoe zal het ‘democratische deficit’ van de EU opgelost worden? Hoe kan de Europese constructie aan legitimiteit winnen? Hoe zal het Europees burgerschap verder ingevuld worden? Hoe dient ‘Europa’ begrepen en omschreven te worden? En wat betekent het om ‘Europees bewust’ te zijn? Kan (verdere) politieke en economische integratie op een gemeenschappelijke Europese identiteit steunen?1

Weinig Europees bewuste Europeanen…

Vele waarnemers van de Europese zaak zijn het er over eens dat er een kloof bestaat tussen de politieke leiders en de burgers, tussen de politieke opinie en de publieke opinie. Wie herinnert zich niet de problematische bekrachtiging van het Verdrag van Maastricht (1993)? Referenda in Frankrijk en Denemarken weerspiegelden ineens de terughoudendheid van de kiezers ten opzichte van de Europese eenmaking.
Het meten van het Europees bewustzijn bij de bevolking is geen sinecure. We zullen ons beperken tot de kern van onze bevindingen hieromtrent.2 Europees bewustzijn definiëren we als ‘de subjectieve component van de Europese identiteit’. Geen enkele enquête stelt de vraag: ‘Bent u zich bewust van een Europese identiteit?’. Europees bewustzijn is m.a.w. de inhoudelijke voorstelling van een Europese identiteit. Een eerste impressie ter zake kan men opdoen aan de hand van Eurobarometer, het rapport van de tweejaarlijkse opiniepeilingen door de Europese Commissie. Algemeen - en ondanks soms behoorlijke verschillen tussen de lidstaten - kunnen we uit het Eurobarometer-rapport afleiden dat het Europees bewustzijn van de Europese bevolking op een laag pitje brandt. Met name de kennis van de EU, het vertrouwen dat men in de organisatie stelt en de mate waarin de ondervraagden zich met de EU identificeren, zijn grofweg laag. Net niet de helft van de ondervraagde EU-burgers steunt het EU-lidmaatschap van zijn land. En 43% heeft een positief beeld van de EU. Het Europees Parlement geniet met 52% het meeste vertrouwen van alle EU-instellingen. De steun voor de Europese integratie, op zijn hoogtepunt in het begin van de jaren tachtig, daalt sinds 1991 en schommelt de laatste jaren rond de 49%.3
Uit ons onderzoek kunnen we opmaken dat de Europeanen grotendeels onverschillig staan ten opzichte van de Europese integratie: men is er niet uitdrukkelijk tegen gekant, maar is evenmin expliciet positief. Eerder dan van een ‘Europees bewustzijn’ kunnen we dus spreken van een ‘permissieve consensus’.4 De oorzaak van de onverschillige publieke opinie zou volgens sommigen liggen in een gebrek aan informatie en kennis over de Europese constructie. Een belangrijke taak hierin is weggelegd voor de Europese massamedia. Deze blijven echter nationaal georganiseerd en zijn (vooralsnog) niet in staat om een Europese identiteit of een bewustzijn ervan tot stand te brengen. Een andere hindernis voor de ontwikkeling van een Europees bewustzijn is het gebrek aan een Europees middenveld. Een civiele maatschappij op Europees niveau veronderstelt de aanwezigheid van goed geïnformeerde burgers en van een wijd publiek debat. Onderzoek heeft uitgewezen dat het de EU hieraan ontbreekt.

Europees bewustzijn in de EU: een noodzaak of een gevaar?

Voor de vorming van een federatie zijn een collectief bewustzijn, een gemeenschappelijke culturele traditie en een gedeelde taal onontbeerlijk, zo stellen enige auteurs.5 Dit leidt ons naar een cruciale vraag: heeft de EU nood aan (de ontwikkeling van) een Europees bewustzijn bij haar bevolking, om zich verder te integreren? We schuiven een aantal factoren naar voor die de nood aan een Europees bewustzijn legitimeren. Een Europees bewustzijn, via de erkenning van de rechtmatigheid van de autoriteit van de EU door de bevolking, zou de legitimiteit van de EU vergroten. Het kan enigszins axiomatisch lijken dat het beleid van de EU, een systeem gefundeerd op democratische principes, een zekere mate van democratische legitimiteit behoeft. Aangezien vele aspecten van het EU-beleid niet tot de exclusieve bevoegdheid van de EU behoren, zou men kunnen argumenteren dat een indirecte vorm van legitimiteit uit de politieke systemen van de EU-lidstaten kan afgeleid worden. We brengen hier tegen in dat de EU, om als een ‘globale actor’ te kunnen optreden, in staat moet zijn om zich te differentiëren van haar samenstellende delen. Dit laatste vereist een vorm van legitimiteit voor de EU zelf.
Vele auteurs zijn het erover eens dat het bestaan van een zekere mate van Europees bewustzijn functioneel zou kunnen zijn met het oog op de vorming van een gevoel van solidariteit met de Europese medeburger.6 We vragen ons hierbij af waarom een transnationale solidariteit zich louter op de Europese medeburger moet richten. Hierop komen we verder nog terug. In de twintigste eeuw speelde het democratische principe een belangrijke rol in de plannen voor een Europese eenmaking. Het staat buiten kijf dat een zekere mate van betrokkenheid van de burgers bij het Europese project, het democratische gehalte van de EU ten goede zou komen.
De EU heeft nooit expliciet gesteld dat de ontwikkeling van een Europees bewustzijn een conditio sine qua non voor de verdere Europese integratie is. Toch heeft zij van bij haar ontstaan gewenst een ‘belangengemeenschap’ tussen de volkeren te doen ontstaan. Met dit doel voor ogen verwacht de Unie dat een ‘goede Europese burger’ inzicht heeft in de EU, de voordelen en uitdagingen ervan herkent, besef heeft van een Europese identiteit, waardering heeft voor de inwoners van de andere lidstaten en deelneemt aan de verkiezingen van het Europees Parlement.7 Hoeveel dergelijke ‘goede burgers’ zou de EU vandaag rijk zijn? Vooraleer we deze vraag beantwoorden, leggen we ons toe op de ‘objectieve grondslagen’ van het Europees bewustzijn. Immers, als men in beleidstermen over de Europese identiteit spreekt, kunnen we veronderstellen dat men hierbij van het bestaan van Europese kenmerken uitgaat, die de basis van de Europese identiteit zullen vormen.

Wat is Europa? Het verhaal van een ultieme impasse

Terwijl de interesse voor het (multidimensionele) begrip ‘identiteit’ vrij recent is en aan een aantal maatschappelijke veranderingen gebonden, is het debat omtrent de Europese identiteit niet nieuw. Europa begon zich over zijn identiteit te bezinnen omstreeks de jaren vijftig van de twintigste eeuw, bij de bewustwording van het relatieve karakter van zijn dominantie over de wereld. Maar men kan de indruk hebben dat het thema van de ‘Europese identiteit’ vooral tijdens de meest recente decennia de belangstelling gewekt heeft. De toenemende integratie van de EU heeft, volgens sommigen, een definitie van Europa dringender en tegelijk problematisch gemaakt. Het identiteitsconcept kan gezien worden als een parallelle ontwikkeling in de constructie van de EU. Deze ontwikkeling, zoals we verder zullen aantonen, is er op gericht het Europese project een interne en externe legitimatie te geven. Het zoeken naar de identiteit van Europa biedt vanuit dit oogpunt enerzijds een antwoord op nieuwe technologische trends en geopolitieke veranderingen, anderzijds op de noodzaak om Europa’s identiteit duidelijk te maken voor de rest van de wereld, in de huidige context van een mondiale economische transformatie.8
Hieronder schetsen we de historische en geografische invulling van ‘Europa’ en de ‘Europese identiteit’. Vervolgens gaan we na hoe deze begrippen in de literatuur omschreven worden. Het zal snel blijken dat het definiëren van ‘Europa’ en van zijn identiteit geen voor de hand liggende opgave is. Europa is immers zowel een historisch, geografisch, cultureel, politiek als institutioneel begrip.

De geschiedenis van de Europese gedachte in vogelvlucht

De term ‘Europa’ duikt voor het eerst op in de Griekse Oudheid, zowel in een mythologische als in een geografische context. De eerste, ons bekende, vermelding van ‘Europa’ is meer dan tweeduizend vijfhonderd jaar oud. Over de etymologische oorsprong van de term bestaat vooralsnog geen duidelijkheid. Doorheen de geschiedenis heeft de invulling van ‘Europa’ meerdere evoluties ondergaan, die we hieronder zeer summier schetsen.9
Gedurende lange perioden in de geschiedenis had ‘Europa’ een louter geografische betekenis. Met de Perzische Oorlogen kwam er voor het eerst een politieke connotatie: het Europese deel van de wereld werd door de Grieken verbonden met ‘vrijheid’, en Griekenland werd in scherpe tegenstelling met Azië geplaatst. In de middeleeuwen kwam de identificatie met het christendom tot stand. Geleidelijk zou de visie van een christelijk Europa, superieur aan de andere continenten, aan kracht winnen. Vanaf de achttiende eeuw werd ‘Europa’ geïdentificeerd met ‘beschaving’. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd het begrip Europa van een historisch perspectief voorzien. Hierbij ontstond een besef van de geschiedenis van Europa, met christendom en vrijheid als leitmotieven. Sinds de Renaissance is het gevoel van een Europese superioriteit, op latente of manifeste wijze, permanent aan de orde geweest in het Europese zelfbewustzijn. Vanaf het moment dat de politieke democratisering zich doorzette, werd het begin van de geschiedenis van Europa verder in het verleden gelegd: de Atheense democratie werd verheven tot het gedenkwaardige beginpunt van Europa.
Een rode draad doorheen de geschiedenis van de Europese gedachte vormt het herhaaldelijke streven naar politieke en culturele eenheid op het Europese continent. Het rijk van Alexander de Grote was het eerste dat een relatief groot deel van Europa omvatte. Het Romeinse Rijk slaagde erin om grote delen van Midden- en Zuid-Europa te verenigen. Later zijn verscheidene pogingen ondernomen om dit ideaal te herstellen. Het Frankische Rijk van Karel de Grote werd lange tijd gezien als het ‘eerste politieke Europa’, maar luidde naar hedendaagse bevindingen eerder het einde van een historische periode in. Christelijke pausen hebben er lange tijd naar gestreefd Europa te verenigen in een christelijke wereld. Napoleon zou de laatste geweest zijn die het Romeinse Keizerrijk wou herstellen. In de nieuwste tijd was het streven naar vrede de grote inspiratiebron voor talrijke ontwerpen voor de eenmaking van Europa. Tot na de Tweede Wereldoorlog bleven deze plannen een voornamelijk utopisch karakter behouden. De geschiedenis van West-Europa sinds 1945 kenmerkt zich door op- en neergaande golven van enthousiasme voor de Europese constructie. De tegenstelling tussen de federalistische of supranationale strekking en de groep die Europa op intergouvernementele basis wil organiseren, is sindsdien permanent - en nu meer dan ooit - aan de orde. Heeft Europa een gemeenschappelijke geschiedenis? Ons antwoord op deze vraag is tweeledig. Zonder in detail te willen treden, kunnen we in de algemene politieke, religieuze, intellectuele en cultureel-historische ontwikkeling van de West-Europese staten beslist enige convergentie vaststellen. Daartegenover staat dat Europa’s geschiedenis er niet in geslaagd is een gemeenschappelijke identiteit bij de Europese bevolking te creëren. Een gevoel van verbondenheid in Europa dook slechts op bij de dreiging van een gemeenschappelijke vijand. Dit gevoel van eenheid was voornamelijk bij de politieke en religieuze leiders op te merken, en niet zozeer bij de bevolking. De idee van een volk als een monolithische identiteit, is een mythe. De Europese bevolking heeft zich, in tegenstelling tot wat wel eens wordt beweerd, nooit als een ‘Europees volk’ geïdentificeerd.

Europa en de Europese Unie zonder grenzen?

Wat met de geografische invulling van het begrip ‘Europa’? Op het eerste zicht kan Europa een goed gedefinieerde geografische entiteit lijken. Het gebied is aan drie zijden door kusten omgeven, en in het oosten vormt de Oeral de zogenaamde ‘natuurlijke grens’. Toch bestaat er nog geen enkele unaniem aanvaarde definitie van Europa’s geografie. Geografische omschrijvingen zijn sociale constructies. In de loop van de geschiedenis is de geografische omschrijving van ‘Europa’ regelmatig gewijzigd en dit op grond van politieke en religieuze machtsstructuren. Europa’s geografische achillespees bij uitstek is de oostelijke grens. De grens tussen Azië en Europa ligt tot op vandaag bij de Oeral, maar deze lijn is louter arbitrair. Het ideaal van de Gaulle, een Europa dat reikt van de Atlantische Oceaan tot de Oeral, is schatplichtig aan de visie die het Russische grondgebied ten westen van de Oeral tot Europa rekent. Het was ook de uitdrukkelijke wens van tsaar Peter de Grote dat een gedeelte van Rusland tot Europa zou behoren. Eeuwenlang echter is de ‘Europeesheid’ van westelijk Rusland betwist. Het vraagstuk of Rusland al dan niet tot Europa behoort, blijkt niet in de eerste plaats van geografische, dan wel van politiek-culturele aard.
Europa is immers geen continent, d.i. ‘een omvangrijke landmassa die min of meer gescheiden is van andere landmassa’s.’10 In geografisch opzicht is Europa een subcontinent, met name het westelijke schiereiland van het Euraziatische continent. De opwaardering van Europa tot een continent kan niet los van de Europese superioriteitsgedachte gezien worden, ontstaan met de geboorte van het kapitalisme en de verovering van andere werelddelen door Europa. Europa kan zich dus niet op een onweerlegbare geografische identiteit beroepen. Het ontbreken van Europese grenzen heeft onvermijdelijk implicaties voor het actuele politieke debat over de uitbreiding van de EU, in de eerste plaats naar Oost-Europa toe. Volgens het Verdrag van Rome kan elk Europees land lid worden van de Europese Gemeenschap. Indien geen zekerheid bestaat over de oostelijke grenzen van Europa, tot waar zal de uitbreiding van de EU in de toekomst reiken?
Europa is geen continent en wordt aldus per definitie niet door natuurlijke barrières begrensd. Indien men daarbij rekening houdt met de vage en ruim interpreteerbare omschrijving van het Europees zijn als steunend op ‘gedeelde waarden en ideeën, nabijheid en historische interactie’ en op ‘een combinatie van geografische, historische en culturele elementen’11, dan staat de deur open voor een aantal landen die vandaag niet meteen als ‘Europees’ aanzien worden. De historische, intellectuele en culturele banden van Europa met sommige Noord-Afrikaanse en Aziatische landen staan niet ter discussie, ook al worden deze invloeden in de literatuur vaak genegeerd. Niettemin is de kandidatuur van Marokko in 1986 voor toetreding tot de EG op geografische gronden afgewezen. Wat niet vastligt, is steeds voor verandering vatbaar. De grenzen van Europa - en zeker van de EU - zijn voorbestemd om in de toekomst verder te wijzigen. Bij afwezigheid van geografische criteria zal dit op politieke gronden gebeuren. Men dient echter op zijn hoede te zijn voor het hanteren van culturele maatstaven. Europa’s geschiedenis heeft geen Europese identiteit gecreëerd noch een Europees bewustzijn doen ontstaan. Op geografisch vlak is er evenmin een ‘Europese identiteit’: Europa heeft geen absolute grenzen en is geen continent. Hierna plaatsen we het debat over de Europese identiteit in een ruimere context.

De Europese (culturele) identiteit in de literatuur: een kritische zoektocht

Over een definitie van de Europese identiteit, is er onenigheid troef. Het debat wordt doorkruist door talrijke tegenstellingen: van Eurocentrisme tot Euroscepticisme; van stellingen die de eenheid van Europa claimen, tot deze die haar ultieme diversiteit bepleiten; etc. In dit luik proberen we een selectie van de geschriften over Europa en zijn identiteit aan een kritische analyse te onderwerpen. Tal van auteurs hebben zich, in het bijzonder tijdens het laatste kwart van de twintigste eeuw, op de beschrijving van de karakteristieken van Europa en van de Europese cultuur toegelegd. We merken op dat het betoog van een reeks auteurs duidelijk bevooroordeeld is en erop gericht het Europese project te legitimeren. Een strategie daartoe is het leggen van de wortels van Europa in een ver en vaak mythisch verleden. Vele auteurs zoeken de oorsprong van de Europese eenheid in de Griekse Oudheid, in het Romeinse tijdperk en in het Christendom.12 We kunnen niet ontkennen dat de huidige Europese cultuur gedeeltelijk de erfgenaam van deze perioden is, maar Europa is zeker niet alleen aan deze invloeden onderhevig. Europa werd ook door niet-Europese culturen getekend. Het omgekeerde is overigens ook waar: elementen van de Klassieke Oudheid en het christendom hebben tot ver buiten Europa een impact gehad. Toch wordt deze wisselwerking van invloeden soms miskend - vaak met de bedoeling het Europees karakter van Europa te onderstrepen. Vele historische en eerder conservatieve definities steunen in grote mate op de humanistische en christelijke traditie. Sommige beschrijvingen betekenen vaak niets meer dan een lege retoriek over een Europa, verscheurd door nationalistische conflicten en godsdienstoorlogen. Aanspraken op het Westen als hebbende een hogere graad van beschaving en op de missie van het christendom als een deel van deze beschaving, komen na de twee wereldoorlogen en de Holocaust vrij absurd over. Niettemin blijven pleidooien ten voordele van de uniciteit van Europa verder leven. In de apologie van de Europese cultuur wordt vaak, latent of manifest, de superioriteit van Europa geclaimd.13 Bepaalde beschrijvingen van de Europese cultuur, gekenmerkt door grove onnauwkeurigheden en een gebrek aan nuancering, zijn vaak louter hierop gericht.14 Het aanvoeren van een lijst eigenschappen van Europa, en het beschrijven van de originaliteit en de meesterlijkheid van de Europese cultuur door de voorstanders van het Europese project, moesten aan de Europese gedachte en het enthousiasme voor een Europese eenmaking een positieve impuls geven. Intellectuelen vonden het nodig om de Europese waarden terug te vinden, maar hebben deze vaak geïdealiseerd. ‘Dé’ kenmerken van de Europese identiteit kan men onder precies zoveel factoren onderbrengen als men wenst. Hoewel Europa op basis van objectieve criteria onmiskenbaar door een zekere mate van culturele diversiteit gekarakteriseerd is, wordt nog dikwijls op de inherente eenheid van Europa gewezen. Deze tweeslachtigheid wordt dan gesublimeerd in de slogan ‘eenheid in verscheidenheid’. Tal van persoonlijkheden - en in het bijzonder politici - erkennen de diversiteit van Europa, die als een rijkdom voorgesteld wordt. Sommigen gebruiken deze diversiteit als een argument tegen de eenmaking van Europa, en dit uit angst voor een groeiende Europese ‘uniformiteit’ na de eenmaking. Op dezelfde manier kan de Europese ‘eenheid’ als een dwingende factor tot de politieke eenmaking van Europa beschouwd worden. De eenheid van Europa is nochtans een ideële constructie. Men hoeft er maar de geschiedenis bij te nemen om vast te stellen hoe vaak het geografische Europa van het politieke verschilde. Net zo min als Europa ooit één entiteit geweest is, is het gebied nooit door een gedeelde mentale wereld gekenmerkt. De geschiedenis is er niet in geslaagd een Europese identiteit te creëren.
Elke poging tot het definiëren van een gemeenschappelijke identiteit van Europa is geneigd naar een impasse te leiden. Het zoeken naar datgene wat typisch voor Europa is, zonder rekening te houden met de nationale verschillen, houdt het gevaar in zich dat een Europese identiteit geproclameerd wordt die alle andere (nationale, regionale) identiteiten daaraan ondergeschikt maakt. Het definiëren van een Europese identiteit, uitgaande van tegenstellingen met andere identiteiten, riskeert naar een toenemende dualisering tussen het ‘eigene’ en het ‘vreemde’ te leiden. De ‘Europese identiteit’ is door de EG / EU nooit officieel gedefinieerd, wat de complexiteit van het debat nogmaals onderstreept. Niettemin is de visie van de EG op het begrip ontsluierd als teruggrijpend naar de ‘Europese erfenis’ en verwijzend naar de ‘Europese cultuur’: twee andere betwistbare begrippen. Het gevaar dat de EU zich voor haar legitimatie op de traditionele strategieën van de natiestaat beroept, is hierbij niet geheel onbestaande. Wat vaststaat, is dat in de Europese integratie de culturele aspecten systematisch verwaarloosd werden. De wens tot het ontstaan van een gevoel van Europese identiteit bij de bevolking, kunnen we als een poging tot ondersteuning van de politieke en economische integratie beschouwen. Aan de democratische onderbouw van de EU kan echter nog steeds worden geschaafd.

De uitdaging blijft

Kan de integratie van de EU zich op een gemeenschappelijke Europese identiteit beroepen? De term ‘Europa’ heeft vanaf zijn geboorte in de Griekse Oudheid, tal van verschillende ladingen gedekt. Op geografisch vlak is Europa bijna letterlijk een rekbaar begrip. Uit de geschiedenis een ware ‘identiteit’ voor Europa distilleren, is een gevaarlijke opgave. Het toekennen van een reeks unieke eigenschappen aan ‘Europa’, impliceert een tegenstelling met ‘de ander’. De Europeanen hebben zich nooit eerder in de geschiedenis als ‘een volk’ gemanifesteerd en zijn vandaag niet Europees bewust. De ‘Europese identiteit’ blijft een kneedbaar, dus met de nodige omzichtigheid te hanteren begrip.
Is de ontwikkeling van een Europees bewustzijn een conditio sine qua non voor de toekomst van de EU? Dit houdt een aantal gevaren in zich. Terwijl de loyaliteit ten opzichte van de in-group (waartoe de Europese burgers behoren) zou vergroten, zou de neiging tot exclusie van de out-group eveneens kunnen toenemen. Een dergelijke ontwikkeling is in het moderne Europa niet wenselijk. Ten slotte, enkele bedenkingen in verband met het Belgische voorzitterschap van de EU. Het is nog niet te laat om aan de uitbouw van een Europese civiele samenleving te beginnen (denken). Wenst Europa meer te zijn dan de som van zijn lidstaten - en niet alleen op juridisch, maar ook op politiek en sociaal vlak -, dan moet dat dringend duidelijk gemaakt worden aan de Europeanen.
De Verklaring van Laken biedt bovendien een gelegenheid om duidelijkheid te scheppen omtrent de uitbreiding. Tot waar zal de EU van de toekomst reiken en op welke gronden zal een kandidaat-lidstaat als ‘Europees’ aanvaard worden? België mag het Europese schouwspel regisseren. Moge deze marathonvoorstelling vruchten dragen voor de EU.

Noten
1. Deze problematiek hebben we uitgebreid uiteengezet in onze licentiaatsverhandeling Europees bewustzijn en verdere integratie van de Europese Unie: een analyse van het debat en het beleid. Onuitgegeven scriptie. Gent, 2000, 181p.
2. Gezien de beperkte omvang van dit artikel, zullen we hier niet verder ingaan op theoretische overwegingen omtrent ‘Europees bewustzijn’. Evenmin zullen we uitgebreid ons cijfer- en onderzoeksmateriaal bespreken, noch verklaringen aanbrengen. Voor meer hierover verwijzen we naar hoofdstuk 6 van onze licentiaatsverhandeling (pp.105-132), dat handelt over de determinanten van het lage Europees bewustzijn.
3. Eurobarometer 53 (herfst 2000). Zie:http://europa.eu.int/comm/epo.
4. Bursens, Peter, ‘Hoe Europees zijn de Belgen? Standpunten en gedrag van politieke elites en publieke opinie naar aanleiding van de Europese verkiezingen’. In: Internationale Spectator, 1999, 6, p.339. De gelatenheid van een grotendeels ongeïnformeerd publiek werd reeds in 1970 door Lindberg en Scheingold met de term permissieve consensus aangeduid. Bretherton, Charlotte, Vogler, John, The European Union as a global actor. London, Routledge, 1999, p.231.
5. Zie o.m. Tingsten in Mikkelli, Heikki, Europe as an idea and an identity. Ballingstoke, Macmillan, 1997, pp.217-218; Harle, Vilho, ‘On the concepts of the ‘other’ and the ‘enemy’’. In: History of European ideas, 1994, 19, 1-3, p.27; Bekemans, Léonce, ‘Economy and culture in European society - methodological considerations’. In: History of European ideas, 1994, 19, 1-3, pp.266-267.
6. Saey, Pieter, ‘De grenzen, de ouderdom en de aard van Europa’. In: Morelli, Anne, De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië. Berchem, EPO, 1996, p.277; Etienne Balibar in een gesprek met Piet Piryns. In: Lichtpunt, Canvas, 24/01/2000; Vlachos, Georges, ‘Solidarités par similtudes.’ In: Symposium international, Paris, Janvier 1988, Europe sans rivage: de l’identité culturelle européenne. Paris, Albin Michel, 1988, pp.49-54; Graca Moura, ‘Vasco, Le défi européen’. In: Symposium international, Paris, Janvier 1988, Europe sans rivage: de l’identité culturelle européenne. Paris, Albin Michel, 1988, p.71; Ludo Dierickx in Vandaele, Kurt, ‘Het Rijnlandmodel voorbij of grenzen aan het neo-Amerikaanse model’. In: Vandamme, Fernand, Capita selecta uit de toegepaste epistemologie. Deel VII. Gent, Communication and cognition, 1999, p.106; De Schoutheete (1999), o.c., pp.139-143; Ahrweiler, Hélène, ‘Roots and trends in European culture’. In: Garcia, Soledad, European identity and the search for legitimacy. London, Pinter, 1993, p.32; Pierre Hassner in Welsh, Jennifer M., ‘The role of the inner enemy in European self-definition: identity, culture and international relations theory’. In: History of European ideas, 1994, 19, 1-3, p.53; Dekker (1996), o.c., pp.132-138.
7. Dekker, Henk, ‘Europees politiek-psychologisch burgerschap’. In: Internationale Spectator, 1996, 3, p.137.
8. Garcia, Soledad, ‘Europe’s fragmented identities and the frontiers of citizenship’. In: Garcia, Soledad, European identity and the search for legitimacy. London, Pinter, 1993, p.2; Dumont, Gérard-François, ‘Les racines de l’avenir européen’. In: Dumont, Gérard-François, Les racines de l’identité européenne. Paris, Economica, 1999, p.27.
9. Voor een uitgebreide historiek, zie o.m. Den Boer, Pim, Europa. De geschiedenis van een idee. Amsterdam, Prometheus, 1997, 168p; Mikkeli, Heikki, Europe as an idea and an identity. Ballingstoke, Macmillan, 1997, 263p.
10. Saey, Pieter, ‘De grenzen, de ouderdom en de aard van Europa’. In: Morelli, Anne, De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië. Berchem, EPO, 1996, p.272. In Groot-Brittannië wordt Europa nogal makkelijk als een ‘continent’ omschreven; ‘[i]ts boundaries are defined as being the Atlantic, the Mediterranean, the Black Sea, the Caucasus Mountains and the Urals, and then by way of the North Cape to Iceland.’ Bell, Morris, Peter, ‘Les “Europe” des Européens ou la notion d’Europe’. In: Girault, René, Bossuat, G., Les Europe des Européens. Paris, Publications de la Sorbonne, 1993, p.67.
11. We refereren hierbij aan het Verdrag van Rome.
12. Exponenten bij uitstek van deze stroming zijn onder meer Denis de Rougemont, H.A.L. Fisher, Paul Valéry.
13. Een overduidelijke illustratie uit een educatieve uitgave: ‘Wat is in feite de ware rijkdom van de Europese identiteit? Het antwoord is heel eenvoudig. De Europeaan is de erfgenaam van een cultuur die zich elke dag vernieuwt, de vrucht van een dynamische mengeling van elementen uit verschillende bronnen en met tegenstrijdige strekkingen. De idee van universaliteit, de idee van het mensdom, zijn voortgebracht door het Grieks-Romeinse Europa, vervolgens door het christelijke Europa en tot slot door het technologische Europa. In dit opzicht heeft Europa de wereld gemaakt.’ In: Couloubaritsis, Lambros, De Leeuw, Marc, Noël, Emile, e.a., De wording van de Europese identiteit. Brussel, European Interuniversity Press, 1993, p.169.
14. Een voorbeeld met een deterministisch geurtje: ‘Du temps de Zeus, puis du temps de Jésus, nous nous sommes embarqués tous sur le même navire qui porte le nom Europe! Nous y sommes et nous y resterons. C’est un besoin et une nécessité pour nous tous.’ In: Vlachos, Georges, ‘Solidarités par similtudes’. In: Symposium international, Paris, Janvier 1988, Europe sans rivage: de l’identité culturelle européenne. Paris, Albin Michel, 1988, p.54.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 7 (september), pagina 16 tot 23