Abonneer Log in

Kunst als bezwering, cultuur als feest

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 12 tot 25

Deze tekst werd geschreven voor een lezing die op 29 juni 2001 gehouden werd in het Antwerpse Damstation, op uitnodiging van het kabinet van Cultuur. Het kabinet had gevraagd om een persoonlijke kijk op het culturele luik van het recentelijk goedgekeurde bestuursakkoord en op de mogelijke slagkracht van kunst tegenover maatschappelijke onverdraagzaamheid. Licht gewijzigde versies van de tekst werden gebracht bij de opening van het theaterseizoen in de Tongerse Velinckx, en in cc De Kern, Wilrijk, als inleiding tot een rondetafel van alle Antwerpse podiumactoren over mogelijke initiatieven om aan de verzoeting van de stad te werken.

Strijden tegen negatief individualisme

Het culturele veld in Antwerpen verwent ons, inwoners van de stad. Kunstenmakers en cultuurverspreiders zorgen jaar na jaar voor een welhaast overdadig, gevarieerd, levendig en boeiend aanbod. Als enthousiaste Antwerpenaar wil ik dus geenszins mijn beklag doen over de kwaliteit of de kwantiteit van een en ander. Integendeel. Ik wil net mijn dankbaarheid uitdrukken en erkentelijkheid betuigen voor de belangrijke rol die de culturele sector speelt in de dagelijkse strijd tegen wat in het Antwerpse bestuursakkoord ‘vervlakking en geestelijke verarming’ genoemd wordt. Ik geloof in die strijd, die ook een strijd tegen onverdraagzaamheid is.

In culturele middens wordt de confrontatie met extreemrechts vaak herleid tot een verzet tegen mogelijke censuur, tegen racisme of tegen de reactionaire angst voor het multiculturele. Denk maar aan de affiches die steevast opduiken na elke zwarte zondag, of aan de manifesten ter verdediging van de democratie, waarbij alle pijlen zich richten op wat uiteindelijk slechts symptomen zijn van een veel bredere unheimlichkeit, van een diepere onvrede.
Via statements publiekelijk opkomen tegen maatschappelijke onverdraagzaamheid, tegen vormen van discriminatie of autoritaire houdingen is lovenswaardig. Essentiëler dan een strijdlustige houding tegenover het extreme en totaal andere denken, is echter de waakzame houding van verzet tegen relatief ‘alledaagse’ vormen van hufterigheid waar we allen, vaak ongemerkt en ongeweten, ons steentje toe bijdragen. Vooral op dat terrein wordt de echte strijd tegen onverdraagzaamheid geleverd.
We mogen ons dus niet laten verleiden tot de gedachte dat het kwaad alleen uit kwaadaardigheid komt, net zomin als het goede uit goede bedoelingen voortkomt. Het Vlaams Blok als partij is het onmiddellijke, gemakkelijk te duiden gezicht van kwaadaardigheid, van doorgedreven cynisme en onbeschroomd egoïsme. Het Vlaams Blok als een groep kiezers is al moeilijker te vatten, het portret wordt enigszins troebel. Nog complexer, nog minder zwart-wit, wordt het als we naar het Vlaams Blok in elk van ons kijken, naar vormen van inconsequent, irrationeel, arrogant, zelfzuchtig, laaghartig, rancuneus of slordig denken, naar het kwade dat zich ook buiten extreemrechts wil laten gelden. Dát kwade vooral - om de bijbelse term nog maar even te hanteren - zie ik persoonlijk als het fundament voor de groei van extreemrechts.
Het Blok en zijn kiezers vormen aldus bezien niet meer dan een reactie tegen én een verscherping van velerlei vormen van negatief individualisme. Het is een schijnbare patstelling, die alleen doorbroken kan worden als we ons niet laten verblinden door het extreemrechtse wereldbeeld. Wanneer het onze oprechte bedoeling is om extreemrechts en zijn objectieve bondgenoten in andere partijen een halt toe te roepen, moeten we dus veel breder gaan in onze maatschappelijke verkenningen, moeten we de band tussen oorzaken en gevolgen veel genuanceerder proberen te ontrafelen, moeten we onze collectieve levensstijl voortdurend in vraag durven stellen, en naar alternatieven durven zoeken.
Een cultureel milieu dat veeleer symptomen wil aanpakken en zichzelf als goede tegenover de slechteriken plaatst, helpt de zaak dus niet echt vooruit. Van de kunst, en van cultuur in de bredere zin, mogen we in dat verband meer verwachten.

Wat dan, bijvoorbeeld?

De laatste decennia van de voorbije eeuw nestelde de fetisj van de economische logica zich steeds steviger en triomfantelijker in het parlement, in de gemeentebesturen, in het onderwijs en de media. Stukje bij beetje schonk het gehanteerde politiek-economische discours de gedachte ‘eigenbelang-eerst’ een steeds grotere legitimatie. Uit welbegrepen eigenbelang diende geprivatiseerd, afgeslankt, hervormd en bespaard. Uit politiek eigenbelang diende de televisiemarkt gecontroleerd opengegooid. Om de concurrentie met het buitenland aan te gaan moesten offers gebracht worden, moesten werknemers en hun gezinnen zich flexibel opstellen. In onze grootsteden werd de woonfunctie ondergeschikt aan de economisch-industriële functie. De publieke ruimtes verloederden, buurten verkrotten, het verkeer werd onveiliger en het milieu trok steeds vaker aan het kortste eind.
Zolang we een bepaald sociaaleconomisch systeem in stand houden, blijft het voorspelbaar dat degenen die uit de boot vallen - arm óf rijk - uiteindelijk ook politiek afhaken. Zolang we ons vanuit een democratische bekommernis bikkelhard opstellen ten aanzien van extreemrechts, maar voor het overige bij de oude economische en sociale gewaden blijven zweren en niet de consequente stap zetten naar een structurele ommezwaai en een minder beate benadering van de marktlogica, blijft het bij symptoombestrijding, bij een laagje vernis, bij branden blussen en uiteindelijk simpelweg repressie.
Er is een indirect en algemeen miskend verband en verbond tussen het geloof in een ongebreidelde economische groei en de zucht naar extremisme. Het is mijn overtuiging dat een doorgeschoten vrijemarktconcurrentie, waar grote ondernemingen op legale en illegale wijze meer politieke macht gaan uitoefenen dan politiek verkozenen, in velerlei opzichten leidt tot een defensieve beschermingsreflex van mensen die zich als slachtoffers gaan beschouwen. Van deze verwarring en angstgevoelens profiteren de eng-nationalisten. Op een kapitalistische orde die zichzelf niet langer in de hand heeft, ent zich de extreemrechtse orde, die tot nog meer chaos leidt. Het is alweer een patstelling die dringend doorbroken moet worden.

Een van de velden waar dit kan gebeuren, indien niet het belangrijkste veld, is dat van de cultuur, van het culturele dat meer wil zijn dan franje, dan de beloning na hard werken, dan het avondje vrijblijvende ontspanning.
‘Cultuur is de wijze waarop wij als mensen ons leven zin en betekenis geven,’ staat in het bestuursakkoord te lezen. Vrij vertaald zie ik cultuur als dat moment van stilstand waarin de kwaliteit van het leven tegenover de dagelijkse ratrace geplaatst wordt. Cultuur biedt dan een podium om aan de rationeel-utilitaire, economische logica te ontsnappen, om voorbij het eenduidige nutsdenken of de versteende clichés te gaan, voorbij de onmiddellijke maatschappelijke relevantie zelfs.
‘Kunst is hier vaak de sluitsteen van,’ lezen we verder in het bestuursakkoord. Eerst dacht ik ‘goed gevonden, dat kunst als sluitsteen, als afronder en zingevende samenbrenger van dat grotere begrip “cultuur”.’ Maar een dergelijke definitie draagt het risico in zich dat kunst op een al te eenvoudige manier als elitair goed wordt ingevuld, als een bevrijdende bonus voor de happy few, als een soort na te streven kwalitatief ideaal dat de goeden van de slechten scheidt, de bekwamen van de onbekwamen, de ingewijden van de uitgeslotenen. Er hangt dan al vlug het soort polarisering boven het hoofd waar een partij als het Vlaams Blok met graagte haar profijt uit haalt.

Ik zou een andere opdeling willen suggereren, waarbij kunst gewoon voor een specifieke soort van cultureel aanbod staat, naast en in kruisbestuiving met bijvoorbeeld straatfeesten, museale verzamelingen, maatschappijkritische teksten, openbare bibliotheken, het verenigingsleven, historische archieven, kinderanimatie, monumenten en zoveel meer. Cultuur is dan eerder het algemene kader waarbinnen dit alles gebeurt, de zorg voor aangename openbare ruimtes bijvoorbeeld, de efficiënte dienstverlening, het comfort van het geheel, onze omgang met elkaar ook, en niet in het minst de sfeer van het feesten, van het gezamenlijk celebreren, van het elkaar ontmoeten en samen deelnemen aan het beste dat onze beschaving te bieden heeft, wat dat ook moge zijn.

Kunst tegen onverdraagzaamheid?

Wat vermag dat specifiek culturele aanbod genaamd kunst tegen onverdraagzaamheid? Waarin onderscheidt het zich op dat vlak van andere velden? Of om het met een van de slogans van Antwerpen 93 te zeggen: Kan kunst de wereld redden? Kunstenaars kunnen, net als alle burgers, hun mening ventileren omtrent onverdraagzaamheid, racisme of extreemrechts. Er zal misschien wat aandachtiger naar hen geluisterd worden omdat ze enige bekendheid genieten, maar niet omdat ze kunstenaars zijn. Hun werkelijke, onvervreemdbaar eigen impact komt niet uit analyses of statements, en nog minder uit sloganeske agitpropbenaderingen van ingewikkelde materie, uit herleidingen, uit gerol met al dan niet kunstzinnige spierballen. Mijns inziens schuilt de kracht van de kunst veeleer in de onrechtstreekse, bijna per definitie vluchtige en daardoor veel moeilijker te neutraliseren confrontatie. Kunstenaars zijn geen politici, kunstencentra geen reclamebureaus. In kunst gaat het hem niet om het negotiëren, om keuzes die gemaakt moeten worden, wel om de moeilijkheden die daarmee gepaard gaan. Kunst is als een proces waar de toeschouwer doorheen gaat, niet de conclusie maar wel de weg erheen is van belang, niet de uiteindelijke waarheid maar de waarschijnlijke juistheid is van tel. Niet de hoop op zekerheid, maar net het mysterie is wat de kunstenaar en zijn publiek bij elkaar brengt.

Kunst opereert als een parallelle wereld waar meer kan, zonder dat we meteen gevaar lopen. Ze biedt de relatief risicoloze randervaring die onze blik richt op mogelijke trauma’s en denkbaar geluk. Kunst is in die zin magisch. Ze biedt ons de kans om buiten onszelf te treden, buiten onze beperkingen in tijd en ruimte. In kunst kan je het andere leven ondergaan. Kunst is de plaats en het moment waar de verbeelding letterlijk voorbeeldt, waar situaties, verhalen, woorden, kleuren, vormen of muzieklijnen aangereikt worden die ons inlevingsvermogen oprekken. Precies daarom geeft kunst zo graag een stem aan mensen naar wie anders niet of nauwelijks geluisterd wordt, mensen die buiten de sociale orde vallen. Gÿorgy Konrád had het in dit verband over kunst als revolte tegen de abstractie, als verdediger van de uniciteit van het stervende, zieltogende individu. ‘Het is waarschijnlijk een vorm van sympathie met het slachtoffer,’ schreef hij, ‘want vroeg of laat zijn we allemaal slachtoffer.’
De grote wervingsbasis van extreemrechts is die van de angst. Mensen voelen zich onbehaaglijk, in de hoek gedrumd, onveilig. Ze verliezen de greep op het ordentelijk organiseren van hun eigen leven. Ze gaan niet alleen de instellingen en de medemens wantrouwen, maar zelfs hun eigen toekomst. Angst maakt het lichaam fysiologisch klaar om op de vlucht te slaan. Kunstenaars willen net de omgekeerde beweging ontlokken. Ook zij manipuleren onze angstgevoelens, ook zij doen appèl op het subrationele, maar dan vooral opdat we ermee zouden leren omgaan. Dat is voor mij de specifieke, bijna religieuze waarde van kunst.

Met vooral esthetische middelen exploreren kunstenaars ons gebrek aan durf, aan verbeelding, aan weerstand, aan gevoel voor proportie en realiteitsbesef, aan wil tot reflectie over onze eigen manier van bestaan. Ze helpen grenzen te verleggen, niet door te prediken of de wereld in zwart en wit op te delen, maar wel door net het tegendeel te doen. Ons wordt aangeleerd om op de juiste momenten te lachen, om geduld te oefenen, om bereidheid tot schaamte te tonen, om emotioneel betrokken maar niet afhankelijk te worden, om de dubbelslachtigheid binnen onszelf te erkennen, om onze hang naar het extreme, ons cynisme, onze haat die vaak zelfhaat is ten minste in kaart te brengen. Het werkelijke maatschappelijke engagement van de kunstenaar ligt in zijn wil tot aftasten van horizonten én in zijn verlangen om ons in die verkenning te betrekken. Door meer te doen dan zomaar een rol te vertolken of in de huid van een personage te kruipen, verschaft hij toegang tot zijn eigen wezen, wordt hij meer dan een doorgeefluik, wordt hij een ervaring. Voor mij is kunst daarom zowel poëtisch als, indirect weliswaar, politiek. Ze biedt niet alleen een andere kijk op de wereld, maar leert ons ook anders kijken. Ze betrekt ons niet alleen in het wat, maar ook in het hoe en uiteindelijk het waarom van (dat) alles. ‘Ik wil klaarheid,’ schreef Jeanette Winterson na 11 september 2001, ‘en kunst kan mij die bieden.’ Daarom zocht ze de confrontatie in de schouwburg, de opera, de bibliotheek, want ‘in de oorlog is kunst geen luxe.’ Tegenover de vernauwende blik op de wereld die tot verharding van posities, tot verbittering en isolatie leidt, zoekt kunst de verfrissing. Tegenover de angst voor het onbekende en het onvoorspelbare die al te vaak de fatale overslag naar haat maakt, wil kunst vormen van vertrouwen en zelfcontrole propageren. Ze doet dat bizar genoeg door bewust de vervreemding op te zoeken, want een gemakkelijke identificatie vindt ze oninteressant. Een plotlijn die we zelf kunnen uitstippelen, een melodie die voorspelbaar is, een schilderij zonder haken of ogen, een karakter dat we zelf kunnen invullen: de kunstenaar en de kunstminnaar hebben er lak aan. Volledige identificatie leert ons niets. Dat is voor soaps, pulpromans en muzak. Dat is escapisme.
De Vlaams-Blokker heeft op zijn beurt dan weer lak aan onvoorspelbaarheid, aan het uitbreiden van denkkaders, aan extra zintuigen of geestesverruimende middelen. Voeling met uiteenlopende groepen mensen is niet aan hem besteed. Hij klampt zich vast aan zijn identiteit, hij is eendimensionaal. Hij vreest de verdrinkingsdood, schreef ik elders, en blijft daarom op zijn eiland zitten. Hij is de escapist pur sang, of de macho die liever zijn angsten onderdrukt dan ermee te leren omgaan. Angst voor het andere, voor de andere en de andersdenkende, voor andere culturen en culturele codes blokkeert elke vorm van nieuwsgierigheid. Frustratie over de eigen zwakheid brengt de Blokkiezer ertoe om zij die twijfelen als zwakkelingen te beschouwen. Als autisten bijna verkiezen de Blokkers de gescheiden werelden, waarbij de ander eerder een vijand dan een mogelijke vriend is en het andere eerder een hindernis dan een mogelijkheid. De Blokker is een oppervlakkige kunstliefhebber. Hij wil niet blootgesteld worden aan dilemma’s of vertwijfeling. Hij weigert de eigen angsten uit te spitten, en zeer zeker de angst voor zichzelf, die de bron is van zijn onverdraagzaamheid. Hij miskent volledig het bevrijdende, louterende karakter van de kunst. Hij miskent wat George Steiner het Messiaanse moment noemt, dat moment waarop je thuiskomt op een plaats waar je nog nooit geweest was, die schok van herkenning waar het Griekse ‘anagnorisis’ naar verwijst. Hij miskent ook en vooral zichzelf.

Extreemrechts heeft een ongemakkelijke verhouding met kunst en de kunstenmakers. Dat heeft te maken met de al te ernstige manier waarop het tegen kunst aankijkt. Of liever: de al te eenduidige, weinig avontuurlijke kijk op wat per definitie ambigu en vaak speels is. Extreemrechts legt de eigen simplismen simpelweg over de complexiteit van kunst heen. Kunst en het werkelijke leven gaan volledig overlappen. De essentie van de spanning tussen de twee gaat verloren.
Bovendien, en onvermijdelijk daarmee gepaard gaand, ondergraaft extreemrechts een ander wezenskenmerk van de kunst door wat op de toeschouwer afkomt niet als individu te benaderen, maar als groep. Natuurlijk is er zoiets als de gedeelde ervaring die aan kunstgebeurens een meerwaarde geeft en is er bijvoorbeeld de gezamenlijk ondergane betovering van een optreden. Maar in eerste en laatste instantie is kunst, mijns inziens, vooral een zaak voor eenlingen. Je kan meningen uitwisselen over wat je ervaart, je kan indicaties geven en hierbij een beroep doen op een gemeenschappelijk referentiekader of zelfs een diepe verwantschap met de ander, je kan enthousiast polsen naar andermans beleving. Maar een adequate vertaling van de eigen vindingen die het proces opleveren blijft onmogelijk. De kunstenaar richt zich tot de individuele mens. Hij verlangt een persoonlijke inspanning van de toeschouwer, de lezer, de luisteraar, zoals ook hij die leverde. De bijdrage van de kunstliefhebber tijdens dat proces is essentieel voor de diepgang van zijn ervaring. Wanneer hij die ervaring wil doorgeven, is hij niet langer de ontvanger die een persoonlijk moment van inzicht, van plotse ordening, van epifanie of Aha-Erlebnisse, van punctum, pivoterend punt of wat dan ook beleeft, maar wordt hij veeleer een kunstcriticus die een mening wil ventileren over wat nazindert.
Dat is wat extreemrechts wil zijn: kunstcriticus. Een slechte kunstcriticus dan nog wel, want zonder oog voor het achteloze maar veelbetekenende gebaar waarrond het kunstwerk zich ontvouwt, zonder respect voor het frêle, onbestemde je-ne-sais-quoi. Extreemrechts wil kunst veeleer herleiden tot een soort expliciete en stagnerende gemene deler die de boodschap wordt voor een hele groep, tot een hoop statements die al dan niet schadelijk zijn voor de werkelijke wereld. Niks te persoonlijke epifanie, want daar heb je als groep geen greep op. Niks te individuele reflexieve houding die veeleer gewantrouwd dan enthousiast bejubeld moet worden. En zeker niks te magie.

Culturele maatschappelijke strategie

Met kunst ga je niet rechtstreeks extreemrechts of onverdraagzaamheid te lijf. Kunst dient hooguit als bezwering van individuele angsten. Anders ligt dat wat betreft de cultuur. Daar is wel een gerichte, maatschappelijke strategie mogelijk. Zoals kunst een zaak is voor eenlingen, zo verhoudt het bredere begrip cultuur zich tot een hele samenleving. Het is volgens mij vooral op dat niveau dat een stadsbestuur het verschil kan maken ten aanzien van onverdraagzaamheid, niet op het niveau van de kunst an sich.
Een algeheel, breed invulbaar onveiligheidsgevoel, een deprimerend imago van falen is de gesel nummer één van het Antwerpse stadsbestuur. Het is in grote mate een verhaal, een geheel van verhalen, een beeld dat zich nestelt, vaak fictief. Het is dan kwestie om daar andere verhalen, andere beelden tegenover te plaatsen: positieve berichten over economische successen, een efficiënt politiekorps, een adequate infrastructuur, degelijk onderwijs, een gezond leefmilieu enzovoort. Maar bovenal is er de kracht van het culturele verhaal. Tegenover de wereld als jungle, waarin velen vereenzaamd en wrokkend ronddolen, is er de cultuur als feest, als bezinning, als moment van stilstand, als plaats waar mensen elkaar ontmoeten en iets vieren, herdenken, proberen te begrijpen. Kunst spreekt het individu in ons aan, cultuur brengt ons op velerlei manieren weer samen.

Een stadsbestuur moet daarom fors investeren in archieven, musea en bibliotheken, als aangename ontmoetingsruimtes waar we kunnen temporiseren om een immense vooruitgang te boeken. Plekken als de hoofdzetel van de stedelijke openbare bibliotheek, volgestouwd met kwalitatief gerichte aankopen, zijn godsgeschenken voor een stadsbewoner. De wereld komt er naar hem toe. Het geheugen wordt aangescherpt, de verbeelding gestimuleerd. Een museum als het geplande MAS, waar de ‘collectie Antwerpen’ samengebracht en ontsloten zal worden, biedt de stadsbewoner dan weer de gelegenheid om zich fier te voelen, om deel uit te maken van een verhaal in de tijd, om de complexiteit van het stedelijke gebeuren te ervaren. Grootse evenementen als Magisch Antwerpen, het Van Dyckjaar, Landed/Geland of de Zomers van Antwerpen brengen ons aan het dromen, voeren ons binnen in werelden die vooral andere verhalen brengen.
Het stadsbestuur kan ook een sleutelrol spelen in de wijze waarop de stedeling de fysiek van zijn stad ervaart, want ook dat is cultuur, ook daar mag het leven een feest zijn. De stedeling heeft wat dit betreft recht op niveau. Hij mag niet verplicht worden om te blijven steken in wanstaltigheid. Troosteloze slordigheid, gevoelens van kaalheid, onaangename wandelassen, dat is niet wat hij van een stadsbestuur verlangt. Het is dan ook fijn om in het bestuursakkoord te lezen dat een voorbeeldfunctie op grootstadsniveau wordt nagestreefd. Middels open of gesloten architectuurwedstrijden wil men aan kwaliteitsbewaking doen bij nieuwbouw of renovatie van patrimonium en openbare ruimte, bij de heraanleg van straten en pleinen. Gebrek aan durf, aan visie, aan generositeit jegens de stedeling hebben al te lang een stempel gedrukt op de Belgische steden. Het wordt hoog tijd dat we op dit gebied de rest van de beschaafde wereld bijbenen. Dat het schepencollege het aandurft om de hoofdzetel van de stedelijke bibliotheek te verhuizen naar de niet-simpele maar wel zeer centraal gelegen en boeiende buurt van het De Coninckplein is alvast goed nieuws want veelbetekenend. Het is een signaal dat dit college niet gelooft in het afschrijven van welke buurt dan ook.

Een vraag die mij, in de marge van dit alles, al jaren bezig houdt is waarom bijvoorbeeld Brasschaat meer recht heeft op een aangenaam en mooi ogend publiek domein dan pakweg Borgerhout. Of op kleinere schaal: waarom krijgt de Markgravelei wat de Helmstraat niet krijgt? Waarom zijn lantaarnpalen in de ene straat mooi en in de andere foeilelijk? Moeten buurten met minder financiële of verbale slagkracht niet net in ruimtelijke ordeningswatten gelegd worden? Verdienen zij het niet dat wijken en stadsdelen met een voorsprong hen bijspringen, opdat we er allen samen op vooruitgaan? Zelf ben ik van Knokke afkomstig, waar de mooiste fietspaden liggen, de breedste voetpaden, de groenste boulevards, waar niemand aanvullende personele belastingen betaalt, waar rijke Vlamingen om de gekende redenen hun tweede verblijf inplanten, met eerste adres. Nu woon ik, geheel uit vrije wil, in Borgerhout, waar een op drie baby’s aan de aërosol moet wegens een overdaad aan uitlaatgassen, waar de verre randgemeenten hun asielzoekers dumpen, waar de sociale huisvesting haar uitverkoren jachtterrein heeft, waar fietspaden een ongekende luxe zijn, en waar de belastingdruk een van de hoogste van het Vlaamse gewest is. Vlaanderen is niet veel groter dan steden als Sydney, Beijing of Los Angeles. En toch slagen we erin om de Vlaamse stadsstaat als een feodaal koninkrijk te besturen waar lokale heersers hete aardappelen naar elkaar doorschuiven en de beste brokken voor zich houden. Het kan anders: in Frankrijk betaal je de helft van je belasting in de gemeente waar je woont en de andere helft in de gemeente waar je werkt. Wie het financiële draagvlak van de stad versterkt, versterkt het sociale draagvlak. Het geld hebben we, maar de prioriteiten liggen helaas elders. De Vlaamse regering heeft vele miljarden op overschot, maar die plaatsen waar Vlamingen in groten getale samenwonen en waar de democratie onder druk staat, moeten besparen. Volgens Dirk Geldof evolueren we van een arbeidsmaatschappij naar een vrijetijdsmaatschappij, naar een culturele maatschappij waar het culturele en het maatschappelijke domineren tegenover de economische sfeer. Budgettair valt daar in Vlaanderen nog niet veel van te merken. Het culturele lijkt nog al te vaak als een soort franje bij het echte leven te worden beschouwd.

Wat het culturele verhaal net zo bijzonder maakt, is zijn sociale functie, zijn versterkend netwerkend effect. Armoede, zo wordt meer en meer aangenomen, is een ‘netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en het collectieve bestaan en armen scheidt van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving’ (Jan Vranken). Het is een kloof die ze niet op eigen kracht kunnen overbruggen. Wie kansarmoede en sociale uitsluiting wil bestrijden, moet daarom ook bijzondere aandacht schenken aan de culturele ontplooiing. Het gaat daarbij in de letterlijke zin om sociale insluiting: het erbij horen, het aansluiting vinden bij wat leeft in de samenleving, het vinden van waardering, het beter begrijpen van hoe de wereld in elkaar steekt. Het gaat, meer concreet, om bijvoorbeeld het tegengaan van de isolerende en verengende zuigkracht van een bepaalde soort televisie, weekblad of krant, om het doorbreken van de spiraal van toenemende sociale segregatie en fragmentatie, om het opnieuw onder één dak, in één school, in eenzelfde wijk, in een gedeelde openbare bibliotheek of theaterruimte of zelfs televisiekamer krijgen van uiteenlopende soorten van mensen. Het gaat uiteindelijk om de langzame vorming van een werkelijke gemeenschap. Samenlevingsopbouw is een wezenlijk deel van de dynamiek die we cultuur noemen. Het zo vaak verguisde begrip ‘socio-cultureel’ wordt, aldus bekeken, niet meer dan een pleonasme.
Terecht staat in het bestuursakkoord dat sociaal-culturele verenigingen het basisweefsel vormen van een stads- of districtssamenleving. Even terecht vraagt het bestuur meer aandacht aan de grote culturele instellingen voor publieksverbredende initiatieven zoals open repetities of extra-murosactiviteiten voor specifieke doelgroepen uit de maatschappelijke marge. Wie, op zoek naar publieksgroepen die je anders moeilijk bereikt, de eigen vaste stek verlaat of de drempel zo laag mogelijk maakt, wie fysiek en financieel tegemoet komt, verdient uiteraard ook zelf aangemoedigd te worden, fysiek, financieel én politiek. Is kunst een van de vele invullingen, dan is cultuur het kader waarin de velden hun invulling zoeken. In dat kader ligt het socio-culturele element vervat, niet in het aanbod op zich, dat geen socio-culturele ambities hoeft te hebben. Om de cultuurparticipatie van zoveel mogelijk Antwerpenaars zo optimaal mogelijk te laten verlopen, moet dat kader publieksvriendelijk zijn, een opwindend karakter hebben, uitstraling bezitten, intrigeren, sexy gemaakt worden. Wat zich aandient, moet op de best mogelijke wijze kenbaar gemaakt worden aan alle stadsbewoners. De overheid speelt hierin een belangrijke rol, als instantie die informatie bundelt, naar complementariteit zoekt, noden en verlangens op elkaar afstemt, programmatorisch overleg stimuleert, gedreven organisatoren en kunstenmakers op weg helpt, enzovoort. Uit wat mijns inziens de sleutelparagraaf van het hele culturele luik uit het bestuursakkoord is, kunnen we afleiden dat het stadsbestuur dit alles goed begrepen heeft, hetgeen een redelijke geruststelling is.

‘De stedelijke overheid moet niet alles zelf willen doen,’ lezen we. ‘De overheid creëert een kader en begunstigt een klimaat… De stedelijke overheid schept mogelijkheden, zodat kunst en cultuur in de stad er wel bij varen. Zij stimuleert de kunstcreatie en ondersteunt zo veel mogelijk initiatieven die de cultuurparticipatie bevorderen. Daarnaast heeft ze, op verschillende vlakken, een coördinerende rol, opdat de culturele en artistieke rijkdom en het potentieel van de stad en van de verschillende instellingen en actoren optimaal ingezet en gewaardeerd kunnen worden.’
Zo is het maar net. Dat de schepen van cultuur en zijn medewerkers dit alles menen, blijkt voor mij uit bijvoorbeeld de lancering in 1994 van de toen broodnodige Cultuurkrant, of uit het recentelijker ophalen van de schotten tussen historische en kunsthistorische musea. Een eigen gezamenlijke huisstijl voor de tien stedelijke musea, een grotere inhoudelijke samenwerking en een gezamenlijk promotiebeleid zullen niet alleen de kwaliteit van het aanbod verhogen, maar hopelijk en wellicht ook de kwantiteit van het aantal bezoekers in gunstige zin beïnvloeden. De verhoogde herkenbaarheid zal een gevoel van eenheid creëren, tussen de onderlinge musea, maar ook tussen de Antwerpenaren onderling. We zullen er allemaal van profiteren. Dat dit soort operaties wat geld mag kosten, is evident. Het is goed besteed geld, want door de eenvoud van de eenheid te zoeken, zal uiteindelijk een interessantere complexiteit gevonden worden. Die eenheid hoeft overigens niet tot eenheidsworst te leiden. Ook dat staat in het bestuursakkoord te lezen.

Cultuur en warme wijken

In mijn essay over het Vlaams Blok in elk van ons schreef ik dat lokale politici werkingen en te voorziene bijwerkingen moeten subsidiëren. Ze moeten investeren in het kleinschalige dat doet leven en het grootse dat doet dromen. Dat geldt niet in het minst voor het buurtniveau, het wijkniveau, het districtsniveau, waar cultuur een heus mentaal knooppunt vormt. Zeker op deze niveaus kan cultuurparticipatie het sociale netwerk of het groepsgevoel verstevigen, de betrokkenheid en verbondenheid stimuleren.
Ik zie het in zekere mate gebeuren in Borgerhout intra muros, waar zich een fijnmazig net van ontmoetingsruimtes ontwikkelt, waar oude en nieuwe bewoners het met elkaar leren vinden, waar zich een authentieke vorm van stadsleven nestelt, waar stilaan een formeel netwerk van culturele initiatieven ontstaat waarachter een informeel netwerk van mensen schuilgaat. Borgerhout is een wanordelijk, vrij versteend aangelegd district, met vele ins and outs, met interessante huizen in alle formaten, met pareltjes van binnenplaatsen en ruimte te over in oude fabrieken. In het district wonen uiteenlopende culturen dicht op elkaar, wat gemakkelijk tot spanningen en ongemak leidt.

Cultuur is ook het op een positieve, wederzijds bevruchtende wijze samenbrengen van die verschillende culturen, van autochtonen en allochtonen, van rijken en armen, van jongeren en ouderen, van oorspronkelijke bewoners - natives, zeg maar - en inwijkelingen. Het is het creëren van plekken en gelegenheden waar ze zich aan elkaar kunnen voorstellen. En dan heb ik het niet over het plichtsbewuste bijwonen van multiculturele barbecues, het tolereren ofte louter gedogen van wie vreemd is aan de eigen leefwereld of het paternalistisch aanhoren en lenigen van andermans miserie, maar wel over oprechte nieuwsgierigheid omtrent het lot van anderen en wat dat lot zo anders, zo complex maakt, ook complex voor henzelf. Alleen wie het risico neemt om zich buiten de eigen cultuur te begeven, verlegt werkelijk grenzen, doorprikt effectief clichés - in het ander geval blijft het bij een verdraagzaam kluizenaarsschap. Het spreekt vanzelf dat de stap van beide kanten moet komen, wil dat verleggen en doorprikken duurzaam zijn.
In het meest recente Cultureel Jaarboek van de stad Antwerpen heeft Carlos Theus het over hoe in de periferie de contacten en interacties tussen bewoners niet alleen talrijker, frequenter en diverser zijn dan in de kernstad, maar ook spontaner, bruusker en provocatiever. Vaak verlopen ze ongeordend, onaangekondigd en ongeprogrammeerd. Dat is de sociologische realiteit van een district als Borgerhout, daarin onderscheidt het zich van de binnenstad en de verder gelegen voorsteden. Het is een realiteit die zich symptomatisch genoeg ook toont in de afwezigheid van een eigen cultureel centrum.

Houden zo, zou ik zeggen. Alternatieve formats en formules vullen deze lacune in. Kunst en cultuur verspreiden zich tot in de diepste hoeken van het district. Woestijn ’93 komt naar de huiskamers, Villanella zoekt het districtshuis op, hip-hopsessies vinden plaats in de Branderij, gespreksavonden in het wijkcentrum de Shelter, voor toneelstukken trekken we naar de vervallen Roma of het tot voor kort leegstaande Electrabelgebouw, of zelfs naar een appartement in de Helmstraat, en sommigen wenden nu al de steven richting het door de stad aangekochte Werkhuys in de Zegelstraat of kijken vol verwachting naar het Ecohuis dat volgend jaar opgeleverd wordt. Tijdens BorgerhArt stappen we van de ene kunstgalerie naar het andere kunstatelier, voor Muziek in de Wijk trekken we naar het Krugerplein, bij Buurt-in-zicht komen groepjes wandelende mensen zelfs gewoon naar onze huizen kijken. Door dit soort initiatieven, door de vele wijkgroepen, de socio-culturele werkingen en het grote aanbod aan verenigingen, door samenwerkingsverbanden als Borgerhout Beter Bekeken of Borgerhoudt van Mensen wordt het district stilaan weer wat professor De Rynck een ‘warme’ wijk noemt: in dat soort wijken, waar volop genetwerkt wordt, waar voorbij de tweedeling tussen mensen gegaan wordt en aan een gemeenschapsgevoel gewerkt, daar wordt volgens hem het Blok tegengehouden en de onverdraagzaamheid gecounterd. Daar wordt op bedachtzame wijze de publieke ruimte én de media heroverd, met verhalen die onwetendheid over en angst voor elkaar doorprikken, in de hoop wat dichter bij de werkelijkheid te komen.
Let wel: het kan en moet allemaal nog veel beter. In Antwerpen lopen 136 nationaliteiten, maar de stad is eigenlijk verre van werkelijk multicultureel in vergelijking met heel wat buitenlandse steden. Terecht vraagt het stadsbestuur - dat overigens zelf niet uitblinkt in het aanwerven van minderheden - aan de Antwerpse culturele instellingen om allochtone medeburgers te betrekken in de programmatie, maar ook in hun bestuursorganen, het personeelsbeleid, de communicatie, enzovoort, ‘als onderdeel van een integrale aanpak die de sociale achterstelling ongedaan moet maken.’ Werkelijk multicultureel is deze stad pas wanneer op alle niveaus van het maatschappelijk bestel vreemd klinkende namen op loonlijsten, in abonnementenbestanden, in raden van bestuur en inrichtende machten opduiken. Wie in Borgerhout woont, weet hoe moeizaam interculturele contacten kunnen verlopen. Er zijn gescheiden theehuizen, gescheiden jeugdhuizen, velerlei gescheiden circuits. Een aantal organisaties is sterk op zichzelf gericht en vertoont slechts een geringe bereidheid tot samenwerking met buitenstaanders. Zelfhulpgroepen hebben defensieve reflexen, toneelgezelschappen wantrouwen elkaars codes en stoten ook binnen de eigen gemeenschap vaak op weerstand. Op bepaalde terreinen is de vermenging zo zeldzaam, dat Rudi Rotthier terecht opmerkte dat hij naar Berchem moet pendelen om een lekkere tajine te eten. En dan is er nog het verhaal van die verloren generatie, de heisa met de minderheid der minderheden, die relatief kleine groep jongeren die met hun intimiderende stoerdoenerij steevast allerhande initiatieven onderuit halen en telkens weer de goodwill van beide kanten ondermijnen.
Er is nog veel werk aan de winkel, vele taboes en vicieuze cirkels dienen nog doorbroken, vele grote gelijks onderuit gehaald. In een district waar extreemrechts 34% van de stemmen haalt, is een goednieuwsshow niet op zijn plaats. Zelfbedrog, peptalk of naïviteit zijn dus uit den boze, maar ook het tegendeel is waar. De nieuwe dynamiek in Borgerhout is objectief vast te stellen. Niemand durft het woord ‘kentering’ in de mond te nemen, maar de hoop hierop is groter dan pakweg vijftien jaar geleden.
De overheid heeft veel geïnvesteerd in het district, al kwam de vernieuwende culturele impuls er veelal op privé-initiatief, dat in een latere fase ondersteund werd door SIF-gelden en andere gemeenschapsdotaties. Beide partners mogen nu niet versagen, daarvoor is de heropleving te breekbaar. De verschillende overheden mogen niet gaan denken dat ze Borgerhout kunnen loslaten, dat de meubelen er gered zijn; ze mogen zelfs geen enkele kans laten liggen. Ze moeten maatschappelijk waardevolle ondernemingen bestendigen en helpen verbreden. Ze moeten hun steentje blijven bijdragen aan een volgehouden communicatie tussen alle betrokkenen, want cultuur is geen statisch begrip.

De grote verscheidenheid aan lokale initiatieven in Borgerhout vindt sinds een drietal jaar een culturele verankering door de komst van Theaterwerkplaats Rataplan in de Wijnegemstraat. Voor een cultureel centrum is het te klein. Er is hooguit plaats voor een solovoorstelling van Pascale Platel, voor een bescheiden kinderbal, een alternatieve filmvertoning of een kleinschalig muziekoptreden. Rataplan is veeleer een gedreven team dat de bewoners uitnodigt om naar het kleine zaaltje te komen, maar ook naar de sporthal, het jeugdcentrum, de kunstbus, de Reuzenpoort, de spiegeldanstent en natuurlijk de vele pleintjes. Cultuur in Borgerhout is niet die ene plek waar we elkaar treffen. Het is een netwerk van plekken, het is een wandeling. Borgerhout is voortdurend op stap. Rataplan maakt deel uit van en is het symbool voor een hernieuwde fierheid in Borgerhout. Vergelijk de werkplaats met een boom door de stad aangeplant. Geleidelijk aan krijgt de boom steviger wortels en grotere takken. Hij biedt schaduw aan de bewoners, zuivert de lucht, ruikt lekker, is mooi om naar te kijken, vormt een rustpunt, een geluidsdemper ook. Elk district zou een Rataplan moeten hebben. Dat vindt gelukkig ook het stadsbestuur, dat, aldus het akkoord, ‘het unieke netwerk van culturele centra’s en ontmoetingscentra wil uitbreiden met specifieke aandacht voor steunpunten in Borgerhout, Ekeren, Hoboken en op Linkeroever.’ Steunpunt is het juiste woord voor de lichtbaken die Rataplan is. De werkplaats steunt niet alleen het district, maar ook de jonge, relatief onbekende gezelschappen die er een podium vinden. Naast dit soort kwalitatief én financieel risicovolle voorstellingen staan heel wat acts, opvoeringen, animatie en workshops aangeboden door grotere kunstencentra buiten het district geprogrammeerd. Voor velen is het Centrum voor Beeldcultuur, de Monty of HET PALEIS te ver. Rataplan vervult hier dan een welkome brugfunctie door de kwaliteit van avantgarde-tempels naar de wijk te brengen, of door er toch tenminste naar te verwijzen middels een aanbod van brochures, de Pandoerakrant of een blad als Zone/03. Dat aanbod mag overigens gerust uitgebreid worden tot gratis kranten als de Witte Raaf, musiczines als RifRaf en het Aeolus-rek met culturele flyers en folders. Het openhouden van dit soort van culturele communicatie buiten de kernstad verdient zeker aanmoediging.

In zijn eerder aangehaalde essay had Carlos Theus het over de ‘culturele schemerzone’ die de dicht bevolkte negentiende-eeuwse gordel vaak is. In de historische kernstad binnen de Leien en in de verderaf gelegen culturele centra van Luchtbal, Deurne of Wilrijk wordt ‘hoge’, bovenlokale cultuur aangeboden. In buurten als Antwerpen-Noord, Borgerhout, Merksem of Hoboken wordt de bewoner wat dit betreft niet rechtstreeks bediend. Voor actieve kunstbeoefening, voor wat ‘lage’ cultuur genoemd wordt, zoals amateurcursussen, workshops of ateliers, wordt hij dan weer wel op zijn wenken bediend, meer zelfs dan de bewoner van de kernstad. Een werkplaats als Rataplan doorbreekt dit patroon van door het beleid als aparte categorieën herkende en in aparte geografische territoria ondergebrachte culturen. In de tweede week van september laatsleden ging Rataplan zelfs nog een stap verder. In samenwerking met lokale actiecomités en talrijke andere partners organiseerde het een grootse aaneenschakeling van culturele evenementen op en rond het Krugerplein. Het initiatief werd zonder meer aangekondigd als een feest. Feest! (uitroepteken) was de titel van het hele gebeuren. Cultuur als feest, ik had het er al over. Cultuur als dat andere verhaal, als dat geluk brengende evenement waar mensen zich gezamenlijk aan optrekken, niet door ongeluk te ontvluchten in wat voorspelbare troost brengt, niet als applausmachine voor gestroomlijnde vehikels uit de amusementsindustrie, maar door de ontdekking van het onverwachte. Cultuur als ontdekkingstocht naar wat zich onverwacht aandient. In die definitie van cultuur geloof ik. Je kan op het vlak van cultuur eigenlijk niet zoeken, je kan alleen maar vinden.

Anti-elitair

Het Vlaams Blok is niet opgezet met de ontstane vernieuwende dynamiek in oud-Borgerhout. De partij verliest stilaan greep op de buurten. In de hoop een wig te drijven tussen de oude bewoners en de vele inwijkelingen noemt ze de allochtone nieuwkomers vreemdelingen en de autochtone, vaak hooggeschoolde en bemiddelde nieuwkomers, bobo’s ofwel bourgeois-bohemiens. Ze hanteert de utopie van de zuivere cultuur die los staat van de omgeving en zich volgens natuurlijke wetten ontwikkelt. Inwijkculturen worden dan gevaarlijk, besmettelijk zelfs. Zelforganisatie, culturele cross-over, diversiteit: het is allemaal niet aan het Blok besteed. De partij wil gewoon volks vermaak, ze heeft de mond vol van de cultuur van de gewone man. Daartegenover plaatst ze de barbaarse cultuur van de vreemdeling en de elitaire cultuur van de hoger geschoolde inwijkeling. Het is een tweedeling waar ook een partij als de SP mee worstelt. In Knack zei Patrick Janssens het volgende: ‘De partijtop heeft in het verleden altijd wat neergekeken op de culturele sector, vooral op het elitaire karakter ervan. Elitair niet zozeer in de culturele betekenis, maar wel de gemakkelijke progressiviteit van de culturele sector. Cultuur is bij ons in de jaren 90 gesneuveld zoals veiligheid nu dreigt te sneuvelen: geofferd op het altaar van de nieuwe breuklijn. De partij slaagt er niet in haar achterban, deels progressief en deels behoudend, over cultuur op één lijn te brengen. De oplossing is ook die onderwerpen te benaderen vanuit de sociale gelijkheids- en emancipatiegedachte.’ Patrick Janssens verwart ‘gemakkelijke progressiviteit’ met ‘kunst’. Kunst is per definitie weinig behoudsgezind, kunst exploreert, verrast, zoekt aparte invalshoeken om herkenbare verhalen te brengen. Kunst heeft iets elitairs, in die zin dat niet alleen vaak een inspanning gevraagd wordt van de individuele toeschouwer, luisteraar, lezer (kunsttraining bestaat; kunstopvoeding heeft nut), maar ook een zekere durf om bepaalde stappen te zetten. Kunst zoals ik die hier benaderde, heeft onder andere met het bezweren van angsten te maken. Daarvoor moet je vaker wel dan niet over grenzen heen stappen. Cultuur als breder begrip, als omkaderend geheel, als context voor onder andere kunst, als ruimte waar mensen elkaar in een feestelijke sfeer ontmoeten, heeft dan weer helemaal niets elitairs.
Wat zich in Borgerhout voordoet, gaat onvermijdelijk gepaard met een zekere sociale verdringing, met verhoogde huurprijzen, met een verschuiving in het karakter van de wijken. Dat soort dingen stop je niet en mag je ook niet stoppen. De stad heeft net nood aan hogere inkomens en een instroom van jonge, geschoolde gezinnen. Bovendien is er altijd die tegendraadse bevolkingsgroep die zich geroepen voelt om buurten van de sloophamer te redden door als eerste opnieuw de potentie ervan in te zien. Die groep vormt geen gevaar, ze vormt een kans. Ze erkent de grote waarde en de vele voordelen van het stedelijk gebeuren, en wil daarom de stad niet overgeleverd zien aan kwaadwilligen of onverschilligen. Een keuze voor de stad kan ook een bewuste politieke daad van verzet zijn, die bovenop de sociale, culturele, ecologische of financiële motieven komt om dicht bij elkaar te wonen. Er is niets tegen een hippe buurt, wel tegen een gemeden en te mijden buurt. De overheid moet wat dit betreft niet zozeer de bovenkant aftoppen of afremmen, maar wel de onderkant stutten en aanmoedigen. Ze moet het aantrekkelijk maken om in de stad te komen of te blijven wonen, én waken over de kwaliteit van het leefmilieu in de allerbreedste zin. Ze moet er ook alles aan doen opdat de authenticiteit van een buurt niet gedood wordt door een te grote toestroom van trendy rijken die in het kielzog van de tegendraadsen volgen. Een positief, opwaarts gericht wijkgevoel moet gestimuleerd worden zonder dat het op termijn zichzelf de das omdoet. Op het Zuid zijn er stilaan meer bars, winkels, parkeercomplexen en places to be dan woonhuizen of bewonersnetwerken. De buurt rond de Dageraadplaats is er dan wel weer in geslaagd om een soort beschermde enclave te blijven, waar de authenticiteit bewaard werd, de lokale werking zich verankerde en het woonwijkgevoel overeind bleef zonder dat men er stilstond of zich al te afwerend opstelde. De sociaal-culturele influx moet omzichtig begeleid worden. De verschillende kabinetten kunnen hierin elk hun eigen bijdrage leveren.

Op cultureel vlak betekent dit vooral een context scheppen waarin boeiende en kwaliteitsvolle initiatieven genereus bejegend en optimaal gesteund worden, én een politiek in de hand werken die de laagst mogelijke drempels nastreeft, financieel zowel als sociaal. Dat is anti-elitair. Dat is wat de decentraliserende Zomers van Antwerpen betrachten door goedkope tot gratis evenementen te organiseren op zoveel mogelijk plekken in de hele stad. Dit voortdurend zoeken naar de ideale mix van toegankelijkheid en uitdaging is ook vele kunstenaars niet vreemd. In de Rataplanfolder heeft men het expliciet over ‘een programmatie op maat van de buurt, in een zaal waar mensen zich thuis voelen’. De activiteiten zijn vooral voor de inwoners van het district bedoeld. Zij krijgen als eersten de kans om relatief goedkope tickets te bemachtigen. De overheid heeft de subsidiëring van de theaterwerkplaats daarom flink opgetrokken. Dat is anti-elitair. Dat is fierheid, trouw en betrokkenheid creëren.
Iedereen heeft de mond vol van de stad als culturele draaischijf. ‘Cultuur betreft de stedelijke identiteit zelf’ staat in het bestuursakkoord. Laat de bewoners daar dan ook rechtstreeks en zichtbaar voordeel van genieten, als het kan tot op het niveau van het district, opdat men bijna dagelijks herinnerd wordt aan het feit dat men welkom is in de eigen stad, dat de stad blij is dat je er bent, dat ze dat wil tonen, niet alleen door je hoffelijk en empathisch te bejegenen, maar ook via geldelijke tegemoetkomingen. Ook dat is anti-elitair. Ook dat is feesten.
Ik ben voorstander van een doorgedreven getrapte culturele prijsvoering, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buitenstedelingen, stadsbewoners en indien haalbaar soms zelfs districtsbewoners. Een bibliotheekkaart is al relatief goedkoop, maar voor de Antwerpenaar nog wat goedkoper dan voor de niet-Antwerpenaar. Op vrijdag zijn de stedelijke musea gratis. Op andere dagen mag alleen de Antwerpenaar gratis naar binnen. Dat systeem mag gerust uitgebreid worden. Waarom bijvoorbeeld ook geen filmkorting voor de stadsbewoner? Waarom geen tegemoetkoming voor de stedeling bij evenementen als de boekenbeurs, waarom zelfs geen bescheiden boekenbon? Het creëert allemaal een positief groepsgevoel en het verlaagt de drempel. Het is zoiets als de bewonerskaart om te parkeren: je weet dat je een voetje voor hebt op de bezoeker van de stad, want het is jouw stad, jouw buurt, jouw straat.

Buitengewoon belangrijk wordt de prijzenpolitiek wanneer we het over de cultuurparticipatie door kinderen hebben. Alweer niet toevallig betalen kinderen een symbolisch entreegeld voor de Rataplanvoorstellingen. De pannenkoeken achteraf kosten twintig frank. Er is overigens een stevig uitgewerkte kinder- en jeugdprogrammatie in de theaterwerkplaats, met eersterangsvoorstellingen. ‘Kleuters verdienen volwassen producties en grote mensen mogen weer klein zijn’ stelt figurentheatergroep Ultima Thule in haar brochure over de zin!tuigen. In het Borgerhoutse Rataplan overschrijden ouders en hun kinderen gezamenlijk grenzen. Kinderen maken de wereld van morgen. Het onderwijs mag dan ook gerust een van de fundamenten van onze maatschappij genoemd worden. Omdat cultuur daar een sluitsteen van is, verdient het aanbeveling om scholen maximaal te betrekken bij velerlei vormen van cultuurparticipatie. Vergelijk het met een huis. Het onderwijs levert de fundamenten, de cultuur vormt een dak, opdat het niet binnen zou regenen. Een al te zuinige omgang met onderwijs en cultuur is als het bouwen van een oogverblindende maar dakloze villa op drijfzand.

Kunst en cultuur

Ze vallen te onderscheiden en het onderscheid is nuttig, maar het zoeken van de allerscherpst mogelijke scheidslijn is zinloos. Kunst en cultuur uit elkaar halen is geen simpele en vaak zelfs een hopeloze onderneming. Om de maatschappelijke impact van de twee begrippen beter te doorgronden, om al dan niet vermeende hybriden als ‘socio-cultureel’ of ‘socio-artistiek’ een duidelijker plaats te geven en bij wijze van aanzet tot een zo efficiënt mogelijke, op werkelijke behoeften afgestemde beleidsafbakening van de velden (wat mag verlangd worden en wat zijn de beperkingen?), kan een dergelijke denkoefening echter wel zinvol zijn, leek me. Daarom heb ik, zij het met enige schroom, de begrippen herleid tot twee complementaire invalshoeken: enerzijds was er de kunst als bezweringsrite voor het individu, anderzijds en vervolgens was er het bredere en kunst omvattende begrip cultuur als een feest voor de groep.
Kunst onderga je in eerste instantie als eenling, alleen, als individu. Kunst richt zich niet rechtstreeks tegen onverdraagzaamheid. Kunst bewandelt andere wegen. Het heeft hoogstens neveneffecten. Op het niveau van de cultuurparticipatie, waarvan kunst deel uitmaakt, kan je echter wel van een rechtstreekse strategie tegen onverdraagzaamheid spreken. Niet omdat je een bepaalde ideologie of programma in mensen ramt, wel omdat de loutere deelname aan cultuur kan bijdragen tot een positiever groepssfeer, tot gevoelens van trots, tot een grotere eigenwaarde en betrokkenheid, tot een genuanceerder, complexere houding ten aanzien van de wereld. Ik vrees dat de ambitie niet hoger mag liggen dan dat. Het is een bescheiden, maar noodzakelijke betrachting binnen het stedelijke gebeuren. Het is de taak van de overheid om vooral op dat niveau all the way te gaan, opdat de bewoners individueel én gezamenlijk hun grenzen zouden verleggen. Het antwoord op de vraag of kunst de wereld kan redden moeten we, volgens mij, in deze richting zoeken.

Wat mij bevalt aan het culturele luik van het bestuursakkoord is dat het de juiste toon aanslaat. Het programma is realistisch, bescheiden én ambitieus. Het kabinet van Cultuur wil niet met zijn volle gewicht op de kunstenmakers gaan zitten. Het dicht zich vooral een coördinerende, adviserende, stimulerende rol toe. Het wil tegelijk voorbij het ad hoc gaan door overkoepelend en op lange termijn te werken. Eén zin in het akkoord deed me welhaast smelten. ‘In tegenstelling tot een kleinere gemeente is het grootstedelijke culturele veld een bijzonder complex en verreikend netwerk,’ staat te lezen, en nu komt het. ‘Coördinatie is dan ook niet de exclusieve taak van één persoon of dienst, maar een houding en een ingesteldheid die het bestuur bij de verschillende verantwoordelijken aanmoedigt.’ Een houding, een ingesteldheid: dat is zoveel belangrijker dan een taak.
Ik heb vertrouwen in een kabinet dat zichzelf niet zozeer taken oplegt dan wel aan een houding wil werken. In de strijd tegen onverdraagzaamheid en tegen extreemrechts, en in de wereld van kunst en cultuur specifiek, is het vooral dat wat telt. Het is misschien toch geen toeval dat het kabinet van cultuur uit de voorbije legislatuur zowat het enige departement is waar zowel het eigen veld als de buitenwacht, en zelfs politieke tegenstrevers, relatief tevreden over waren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 12 tot 25