Log in

'De antwoorden van het antiglobalisme - Van Seattle tot Porto Alegre'

Uitgelezen

De antwoorden van het antiglobalisme - Van Seattle tot Porto Alegre

Dirk Barrez
Uitgeverij Globe, Roeselare, 2001

Het boek van Dirk Barrez probeert het portret te schetsen van de ‘antiglobalisatiebeweging’, de protestbeweging die bekendheid kreeg dankzij de straatprotesten die vanaf de Top van de Wereldorganisatie (WTO) in Seattle in ’99 bij elke Europese en wereldtopbijeenkomst georganiseerd worden. Hij doet dat vooral aan de hand van de interviews die hij had met de deelnemers van het World Social Forum (WSF), de eerste autonome manifestatie van de beweging, die in Porto Alegre doorging in januari 2001. Zo wordt een boeiend, zij het gefragmenteerd, beeld van de sterke én zwakke kanten van deze ‘beweging voor een andere mondialisering’ (een betere benaming vindt Barrez) geschetst.
Bovenal blijkt de heterogeniteit van de beweging frappant, zelfs al bleven de vakbonden, de vredesbeweging, de milieubeweging, maar ook de politici, grotendeels afwezig op het WSF. Ook geografisch gezien waren er bepaalde afwezigen. Het WSF werd gedomineerd door Latijns-Amerikanen en Europeanen. Het WSF trok sterk de kaart van de geweldloosheid, als reactie op enkele gewelddadige uitspattingen tijdens de protestmanifestaties, zelfs al kwam later nog het dodelijke slachtoffer in Genua. Toch beschouwen veel deelnemers zich als deel van een revolutionaire beweging, die een gistingsproces op gang houdt. Er is nood aan ‘grote schokken’, vinden velen, maar ze verklaren zich niet nader over de aard en de oorsprong ervan. Het blokkeren van de WTO-conferentie in Seattle en het afblazen van het Multilateraal Investeringsakkoord worden als belangrijke stappen in de strategie gezien. Blokkering van de gewraakte instellingen als IMF, Wereldbank en WTO leidt volgens hen tot verzwakking ervan. Anderen zien de protesten slechts als tussenfase en het WSF als eerste stap in een nieuwe - constructievere - fase in de strijd tegen de neoliberale globalisering.
Inhoudelijk valt vooral op dat noch Barrez, noch binnen de beweging men zich nog de vraag stelt naar het reële gehalte van het globalisatiefenomeen. Dit was nochtans sterk het geval bij het vorige debat over globalisering, naar aanleiding van ‘Grenzen aan de concurrentie’ van de club van Lissabon. Nu wordt niet meer getwijfeld aan het feit dat er een reëel wereldwijd globalisatiefenomeen gaande is, gedreven vanuit het economische, maar uitdeinend naar cultuur, media, publieke dienstverlening, enz… De ideologische dimensie ervan (onder andere verspreid via geglobaliseerde mediaconsortia) wordt onderkend. De vroegere conclusie, nl. dat globalisering veel meer een uitvlucht is voor het nemen van onpopulaire maatregelen door politici en bedrijfsleiders dan een reëel fenomeen, wordt er niet meer aan vastgehaakt.
Veel WSF-deelnemers vertonen de neiging de globalisering als bron van zeer veel, zoniet alle kwaad te zien. De deelnemers zijn het vooral eens over de gevolgen van de globalisering: afhankelijkheid, eenvormigheid, verlies aan democratische legitimiteit. Daar verzetten ze zich tegen. Barrez zelf verruimt het probleem tot ‘het neoliberale kapitalisme en de globalisering’.
Het antwoord op de problemen verwachten ze enerzijds van een ‘wereldbeheerssysteem’, zoals een wereldregering of een uitgebouwd en gedemocratiseerd VN-systeem, met mondiale regels over sociale, milieu- en vredeskwestie, soms aangevuld met een mondiaal basisinkomen. Ook Barrez neigt in zijn conclusie (zijn ‘proeve van programma voor de beweging’) naar deze aanpak.
De andere optie - die een eenduidig antwoord op de pensée unique van de neoliberale globalisering afwijst - is deze van ‘glokalisering’, een verscheidenheid aan lokaal-regionaal georganiseerde economieën, die vooral op de eigen thuismarkt gericht zijn. Eerder lokaligheid dan kleinschaligheid, dus. Dit vergt een zeker terugschroeven van de liberalisering van de handel, om meer de nadruk te kunnen leggen op thema’s als voedselveiligheid, volksgezondheid, (bio)diversiteit, enz… Beide benaderingen sluiten elkaar niet uit, en worden door een aantal antiglobalisten lustig gecombineerd.
Probleem is dat beide benaderingen grotendeels ‘vanuit de buik’ opgebouwd worden, eerder dan op basis van gedegen analyse. Barrez wil op wereldvlak ecologische basisregels invoeren, met het Kyoto-protocol ter bestrijding van de klimaatverandering als voorbeeld. Anderzijds wil hij de wereldhandelsorganisatie intomen en de vrijhandel (zeker inzake landbouw) conditioneren in functie van bijv. voedselveiligheid en -zekerheid. Maar de onderhandelingen in de WTO en over Kyoto verlopen precies volgens dezelfde mechanismen, even (on)-democratisch, even technocratisch. Het verschil is dat de WSF-deelnemers vóór milieubescherming en tegen (absolute) vrijhandel zijn. Standpunten waarin ik me kan terugvinden, maar die wat mager zijn om ‘het programma van de antiglobaliseringsbeweging’ op te baseren. Een ander voorbeeld van het ontbreken van een gedegen analyse is dat het probleem van de overbevolking verrassend genoeg volledig onbelicht blijft door de deelnemers aan het WSF. Het is echter een onderwerp waar vanuit ontwikkelingsoogpunt moeilijk aan voorbijgegaan kan worden. Ook de financiële globalisering wordt enkel vermeld en staat zeker niet centraal. Toch is het een van de duidelijkste en radicaalste voorbeelden van reële globalisering.
Het ‘model’ waaraan veel antiglobalisten refereren, de sociaal en ecologisch (bijgestuurde markteconomie, bestond echter slechts (en enkel op nationale schaal) in de periode ’45-’85 (daarna werd het immers ondergraven door de opkomende globalisering), en dan nog beperkt tot een reeks industrielanden. Voor de realisatie van hun utopie kijken de antiglobalisten tegelijk hoopvol en argwanend naar de politici. De civiele maatschappij, zowel de ngo’s als de sociale bewegingen, hebben de politiek nodig voor het verwezenlijken van hun doelstellingen, maar kunnen ze wel rekenen op regeringen die door hun abdicatie (de liberaliserings- en privatiseringstrend) mee schuldig zijn aan de globalisering? Er wordt betreurd dat zo weinig politici de weg naar het WSF vonden, maar tegelijk wordt gesteld dat de aanwezige politici ‘moeten luisteren, en niet teveel zelf spreken’.
Barrez is, samen met veel andere WSF-deelnemers, er ook van overtuigd dat de nieuwe (antiglobalisatie-)beweging de oude sociale bewegingen (vakbonden, boerenbewegingen, vredesbeweging, enz.) nodig heeft als bondgenoten. Een aantal antiglobalisten pleit zelfs voor het toevertrouwen van de leiding van de beweging aan de sociale bewegingen, die meer legitimiteit en mobilisatiekracht hebben dan de ngo’s zelf. Dat vergt wel wederzijds respect, en het erkennen van de gemeenschappelijke vijand, in de vorm van de economische globalisering. Anderen vinden organisaties als ATTAC voorbeelden van het overstijgen van het oude vijandbeeld-activisme van de oude sociale bewegingen. Door de doelstelling van volksopvoeding (in het geval van ATTAC rond de Tobintaks) biedt deze actievorm volgens hen een beter antwoord op de complexiteit van de huidige wereldproblemen. Er valt heel wat te zeggen voor dit principe van ‘collectieve intelligentie’ via democratische organisatievormen.
Een aantal van de aangedragen ‘oplossingen’ overstijgen voorlopig het voorstellingsvermogen. Denk maar aan een wereldregering, een wereldparlement, een mondiaal basisinkomen of een mondiaal maximuminkomen. Dit is echter het kenmerk van een utopie, net zoals universeel stemrecht utopisch leek eind 19e eeuw. Toch is het gebrek aan belangstelling van het WSF voor b.v. de manier waarop welvaart geproduceerd wordt, verontrustend, vindt ook Barrez. De deelnemers concentreren zich vooral op de verdeling van de welvaart en vertonen een grote scepsis t.o.v. de bedrijfswereld, zoals blijkt uit de non-dialoog via videolink tussen het WSF en het simultane World Economic Forum in Davos. Dit is een handicap als het erop aan zal komen constructieve voorstellen te doen over de bijsturing van de wereldeconomie.
Wie sympathie voelt voor de antiglobalisatiebeweging zal deze niet kwijtspelen bij het lezen van dit boek, wel integendeel. Voor een deel openbaart het een vaak nog onvermoede rijkdom en potentieel van de beweging. Maar het boek heeft ook de verdienste de zwakheden en de hiaten in het denken van de antiglobalisten (inclusief Barrez zelf) te duiden. Er is nog veel werk aan de winkel, zowel voor de beweging, als binnen de beweging zelf.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 10 (december), pagina 53 tot 54