Abonneer Log in

'Le Style, c'est l'Homme'

Viktor Klemperer en de Lingua Tertii Imperii

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 40 tot 50

Met zijn uitgebreide dagboekaantekeningen en persoonlijke ervaringen uit de nazi-tijd als leidraad, publiceerde de Duitse filoloog Viktor Klemperer in 1947 voor het eerst zijn Lingua Tertii Imperii (LTI). Lang voor William Labov in zijn macrosociolinguïstische model aantoonde dat de vorm van de taal cultuur- en klassengebonden is, stelde Klemperer dat het nationaalsocialistische discours zich niet enkel inhoudelijk, maar ook formeel wezenlijk van andere vertogen onderscheidt. Hij wees op de subtiliteit waarmee dit specifieke nazi-idioom in het dagelijkse taalgebruik binnendrong en waarschuwde voor de onbewuste herhalingen, de zinswendingen en de woordkeuze, waarin de nazi-ideologie het Derde Rijk en zijn stichters scheen te overleven. Naar aanleiding van de eerste Nederlandse vertaling van de LTI bieden we in deze korte bijdrage een beknopte voorstelling en evaluatie van de auteur én zijn werk aan.

Duitse jood, romaans filoloog

Reeds één decennium na de oprichting van het Duitse keizerrijk (1870) was een einde gekomen aan de euforie van de stichtingsdagen. De sterke economische bloei, mogelijk gemaakt door goedgeplaatste investeringen van de vijf miljard goudfrancs die Frankrijk als oorlogsschuld moest betalen én de implementering van een uitgebalanceerde liberale wetgeving, had baan geruimd voor een periode van crisis, depressie en sociale onlusten. Bismarck had zich van de nationaal-liberalen, met wiens hulp hij de machtsbasis van het katholieke Zentrum had gebroken, ontdaan en wendde nu de resterende invloed van datzelfde Zentrum aan om liberalen en socialisten te bestrijden. Tezelfdertijd streefde de oude Reichskanzler naar vrede in West- en Centraal-Europa door conflicten aan de periferie te verscherpen. De speurtocht naar verantwoordelijken voor de economische chaos en politieke instabiliteit leidden in Duitsland al snel tot antiliberale en antisemitische oprispingen.1
Het is in dit klimaat dat Viktor Klemperer op 10 oktober 1881 in de omgeving van de Noord-Duitse Hanzestad Hamburg werd geboren.2 Zijn vader, een rabbijn met uitgesproken burgerlijk-liberale opvattingen, beklemtoonde de integratie van zijn negen kinderen in de Duitse samenleving en hield hen bewust op afstand van het opkomende zionisme. Viktor Klemperer studeerde aan diverse Duitse gymnasia en later ook aan de universiteiten van München en Genève. In 1913 voltooide hij, onder impuls van de filoloog Karl Vossler, een proefschrift over de inspirators van de 19de-eeuwse romanschrijver en taaltheoreticus Friedrich Spielhagen, waarna hij zijn eerste aarzelende en moeizame stappen in de wereld van de literatuurwetenschappen zette. Zijn korte loopbaan als hoogleraar in de Romaanse filologie eindigde met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Hij werd onder de wapens geroepen en achtereenvolgens aan het front in Vlaanderen, Noord-Frankrijk en Kovno ingezet.
Na de oorlog hervatte Klemperer zijn loopbaan als academicus. Hij ruilde het roerige Leipzig en revolutionaire München al snel voor de Technische Hochschule in Dresden, waar hij voor een selecte groep studenten een cursus over de Italiaanse humanist Francesco Petrarca doceerde. Omstreeks deze tijd maakten de literaire en filosofische aantekeningen in het dagboek, dat Klemperer sedert 1897 bijhield, plaats voor politieke en maatschappelijke bemerkingen: hij veroordeelde de Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied, meende in de verpauperende hyperinflatie een aanleiding voor een nieuwe oorlog te herkennen en drukte zijn bezorgdheid uit over de toenemende antisemitische agressie.3 Ondertussen verspreidde het nationaalsocialistische ideeëngoed zich vanuit het landelijke Beieren over de rest van Duitsland. Nadat het extremisme van generaal Kurt von Schleicher de belangrijkste Duitse industriëlen in Hitlers armen had gedreven, werd deze laatste in januari 1933 op voorstel van Franz von Papen tot nieuwe kanselier benoemd.

Ondanks zijn huwelijk met de Duitse christene Eva Schlemmer, een begaafde pianiste uit een verarmde Oost-Pruisische familie, én zijn bekering tot de evangelische kerk, ontsnapte ook Victor Klemperer niet aan de vrijheidsberovende anti-joodse maatregelen van het nationaalsocialistische regime: de wet zur Wiederherstellung des Berufsbeamtentums van 7 april 1933 leidde aanvankelijk enkel tot een verbod op het afnemen van examens, maar resulteerde uiteindelijk in zijn ontslag als hoogleraar. Korte tijd later volgde zijn verbanning uit Duitse sportcentra en was het gebruik van het openbaar vervoer niet langer toegestaan.4 In oktober 1936 werd hem tevens de toegang tot de leeszaal van de bibliotheek ontzegd - het was het noodgedwongen begin van de Lingua Tertii Imperii. ‘Mijn levenswerk [was] me uit handen geslagen,’ herinnerde Klemperer zich. ‘En toen werd ik uit mijn huis gezet, en toen kwam al het andere, iedere dag weer iets meer. Nu (...) werd de taal van de tijd iets dat me het meest ging interesseren.’5 Ook de binnenlandse politiek en de internationale turbulenties kregen steeds meer aandacht in zijn dagboek. In juli ’34 verheugde hij zich over de Röhm-putsch, hopend dat de nazi-leiders elkaar in hun machtsstrijd zouden verscheuren. Twee jaar later maakte hij zich zorgen over een mogelijke uitbreiding van het Spaanse oorlogsgeweld naar de rest van Europa en eind maart 1938 verzonk hij in radeloosheid na de aanhechting van de Ostmark bij het Duitse Rijk. ‘Wij zullen het einde van het derde Rijk niet meemaken,’ noteerde hij wanhopig in zijn dagboek. ‘Der Stürmer heeft zijn gebruikelijke rituele moord opgediept; ik zou me waarlijk niet verbazen als ik binnenkort een kinderlijkje in mijn tuin zou vinden.’6

De Nürnberger Rassengesetze verleenden Klemperer het statuut van geprivilegieerde, ‘het enige bedenksel van de nazi’s waarvan ik niet weet of de geestelijke vaders zich ervan bewust waren hoe duivels het was.’7 Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vrijwaarde dit statuut hem weliswaar van deportatie naar het onbekende oosten, maar niet van een gedwongen verblijf in één van de vele Judenhäuser, die sedert de wet van 30 april 1939 in de grote Duitse steden werden opgericht.8 ‘Ruimtegebrek, promiscuïteit, nauwelijks verminderde chaos,’ schreef Klemperer in juni 1940, en hij voegde er veelbetekenend aan toe: ‘Veredeld concentratiekamp.’9 Sedert eind 1938 moesten joden een bijzonder identiteitsbewijs kunnen voorleggen; vanaf januari 1939 waren ze tevens gedwongen de naam Israël of Sara aan de eigenlijk voornaam toe te voegen. In september 1941 werd ook de gele, zespuntige ster een verplicht attribuut voor alle Duitse joden.10 Regelmatige huiszoekingen door de Gestapo leidden telkens tot paniek en vernieling, en het risico op arrestatie nam almaar toe. Klemperers dagboek groeide stilaan uit tot een omvangrijke en gedetailleerde databank van politieke en taalkundige ontwikkelingen: hij bracht verslag uit van de Duitse aanval op de Sovjetunie, becommentarieerde Rosenbergs Mythe van de Twintigste Eeuw, maakte zich zorgen over de deportaties en het grote aantal zelfmoorden in zijn omgeving, ving berichten op over de joodse getto-opstand in Warschau, sprak over uitroeiing, Auschwitz en Buchenwald en over von Stauffenbergs mislukte aanslag op Hitler.11 Ondanks de harde leefomstandigheden, de aanhoudende depressies van zijn echtgenote en zijn eigen zwakke gezondheid, bleef Klemperer aantekeningen maken tot februari 1945, toen hij noodgedwongen het halfverwoeste Dresden ontvluchtte. Hij zwierf maandenlang rond in Duitsland, overnachtte in stations, vond onderdak bij vrienden en werd in mei 1945 uiteindelijk door het Amerikaanse leger bevrijd.
Na de oorlog hervatte Klemperer zijn werk aan de Technische Hochschule in Dresden. In november 1945 sloot hij zich aan bij de Duitse communistische partij, wat niet enkel tot kritiek van zijn familie en vrienden, maar ook van zijn academische medewerkers leidde. Hij bouwde zijn politieke en universitaire carrière verder uit, gaf tientallen lezingen over de taal van het Derde Rijk in binnen- en buitenland, en stierf in februari 1960 aan een hartaanval, op weg naar een academisch congres in Lissabon.

De taal van het Duizendjarige Rijk

De Lingua Tertii Imperii ontstond als een kanttekening, een onopvallende taalkundige bemerking in Klemperers dagboek. Ze groeide uit tot een aparte rubriek, bijna dagelijks aangevuld en bijgewerkt, woord voor woord, een eerste aanzet om de volledige spreekstijl van het Derde Rijk in kaart te brengen. De meest frappante inhoudelijke en formele kenmerken vatte Klemperer in 1947 samen in een nieuw boek, de LTI, waarbij de klankkleur en de symboliek van de titel, als antipode van de SS-runen, de nationaalsocialistische drang tot afkorten persifleerden.12
Basisaxioma van zijn theorie is het onthullende karakter van de taal. Die taal, beweerde Klemperer, drukt een overtuiging, een ingesteldheid, een houding uit. De diplomaat kan zijn intenties niet achter taalschermen verbergen, zoals de 18de-eeuwse Franse bisschop en revolutionair de Talleyrand meende. Zijn bedoelingen komen precies tot uitdrukking in het spreekritme, de zinswendingen, de woordenschat, het verzwegene en het verbloemde. In diezelfde taal komt ook de mentaliteit, het karakter van een cultuur of een samenleving tot uiting. Sociale gevoeligheden worden er in blootgelegd, maatschappelijke taboes ontmaskerd. Meer nog dan de inhoud van het gesproken woord, is het de vorm van de taal die reveleert: ‘De uitspraken van iemand mogen onoprecht zijn,’ schreef Klemperer in de Lingua Tertii Imperii, ‘maar in de stijl van zijn taal ligt zijn wezen open en bloot.’13
Met de taal hebben gezagsdragers meteen een machtig wapen in handen. Want het woord overtuigt ook, manipuleert de toehoorder, schakelt zijn weerstand uit. Het individu lijkt niet opgewassen tegen deze taal. Hij doorziet ‘de vloek van het superlatief’ niet, trapt argeloos in de val van het bedrog, laat zich overtuigen door de leugen die steeds opnieuw, vanuit alle hoeken op hem wordt afgevuurd. Uiteindelijk zal ook hij de onwaarheid overnemen, aan anderen doorgeven, en zo de bedrieglijke taal van het oude regime in het nieuwe introduceren. Met het in kaart brengen van de nationaalsocialistische taal trok Klemperer dan ook ten strijde tegen de woorden die het Hitlertijdperk overleefd hadden en in het naoorlogse Duitsland ingeburgerd dreigden te raken: ‘We moeten veel woorden uit het nazistische taalgebruik voor lange tijd in een massagraf leggen,’ betoogde hij, ‘en enkele voor altijd.’14
De LTI wijzigt de betekenis van woorden, geeft ze een andere inhoud of plaatst ze in een nieuwe context. ‘De komische Duitse film rukt op’ [cursivering in origineel], noteerde Klemperer ironisch, zonder er een woord uitleg aan toe te voegen. Hier weerklinkt de taal van de politiestaat, die zich enkel nog in militaire termen kan uitdrukken, zelfs als het om cultuur en ontspanning gaat.15 Zo wijst ook Hitlers voorkeur voor de term Weltanschauung op de overheersing van het kijken op het denken, stelt Klemperer, op de voorrang van de oppervlakkige, zichtbare buitenkant op het ongrijpbare, abstracte inwendige. Misschien zijn de typische LTI-woorden ‘blindelings’ en ‘aanzwengelend’ tekenend voor de manier waarop het Duitse volk zich tot het nazi-regime dient te verhouden: volgzaam, zonder nadenken, of - nog zo’n LTI-woord - ‘georganiseerd’.16
Het belangrijkste formele kenmerk van de nazi-taal, haar meest wezenlijke grondeigenschap, is de armoede. Het is niet de taal van de massa, waarin een eindeloze diversiteit tot uitdrukking komt, maar een steriele eenheidstaal, gecensureerd, opgelegd door een machtige, maar kleine politieke minderheid. In die taal manifesteert zich slechts één aspect van de mens: niet het autonoom handelende individu, maar de mens als verwaarloosbaar onderdeel van een vormeloze gemeenschap. De LTI is trouwens een roeptaal, die geen onderscheid kent tussen het geschreven en het gesproken woord: ‘Alles was gesproken taal, toespreking, toeroep, opzweping,’ merkte Klemperer na de oorlog op. ‘Tussen de toespraken en de artikelen van de minister van Propaganda bestond geen enkel stilistisch verschil, en daarom waren zijn artikelen ook zo gemakkelijk te declameren.’17
Een ander wezenskenmerk van de LTI is het gebruik van de retoriek. In tegenstelling tot de toespraken van Italiaanse fascisten, waarin de orator zijn toehoorders met logische en rationele argumenten probeert te overtuigen, zijn de redevoeringen van nationaalsocialistische leiders pure retoriek, uitsluitend gericht op de emoties, steeds overtuigend door de kracht van de stem, zelden door de logica van de redenering. De aandacht van de toehoorder wordt bovendien afgeleid door het veelvuldig gebruik van leenwoorden, zoals Defätismus, Agressoren, diskriminieren, liquidieren. ‘Het vreemde woord maakt indruk,’ schreef Klemperer. ‘Het maakt meer indruk naarmate het minder begrepen wordt; in zijn niet-begrepen-worden verwart en verdooft het, overstemt het het denken.’18 Net zoals de nationaalsocialistische architectuur en beeldhouwkunst drukte de taal van het Derde Rijk megalomanie uit, een raciaal superioriteitsgevoel, de voortdurende drang om steeds te overtroeven; vandaar het overvloedige gebruik van de superlatieven en getalsmaxima: het eeuwige, het talloze, het onvoorstelbare.19
Klemperer typeert de LTI tevens als een religieuze taal, de taal van het katholicisme: ‘Het nazisme is door miljoenen mensen als evangelie opgevat,’ schreef hij, ‘omdat het zich bediende van de taal van het evangelie.’20 Mein Kampf heeft in die nieuwe geloofsgemeenschap de plaats ingenomen van de bijbel, Hitler die van Christus, de massabijeenkomsten die van de misviering. Ook hier is de uitspraak van de opperpriester onfeilbaar, is twijfelen aan zijn woord heiligschennis. De trouwe volgeling wordt een ideale toekomst beloofd, een geseculariseerd, uniform en raszuiver hiernamaals. Met Hitlers vrijwillig gekozen dood en de haast mystieke verdwijning van zijn lichaam heeft zich een aura rond de heiland gevormd. De kudde wacht hoopvol op zijn wederopstanding.

De half voltrokken metafoor

In de Lingua Tertii Imperii heeft Klemperer de lezer een vrij vernieuwende benadering van de discoursanalyse aangeboden. Hoewel het hierbij niet om een sluitend model of een welomlijnde theorie gaat, is de ‘half voltrokken metafoor’, zoals de auteur het geheel van losse bedenkingen en aftastende vragen zelf noemde, een verdienstelijke aanzet tot een meeromvattend taalkundig onderzoeksproject.21 Verscheidene stellingen, zoals de invloed van de mythe en het bijgeloof op de wereldvisie van bepaalde maatschappelijke strata, komen erg overtuigend over, en zijn enigszins ongenuanceerde voorspelling, dat toekomstige generaties het woord ‘concentratiekamp’ uitsluitend nog met het nationaalsocialistische regime zullen associëren, krijgt in retrospect haast een profetisch karakter.22 Maar in andere uitspraken vertroebelt de subjectiviteit van de auteur zijn wetenschappelijke analyse. Nationaalsocialistisch en bolsjewistisch totalitarisme zouden elkaar vinden in het ‘mechaniseren’ van de mens, stelt hij, in het herleiden van het subject tot een dociel en willoos werktuig. Maar terwijl dit in nazi-Duitsland in het teken van de verknechting stond, zo gaat hij verder, had het in de Sovjetunie enkel de bevrijding van de geest tot doel.23 Dat had Solzhenitsyn in zijn ‘Goelag-archipel’ alvast niet zo begrepen. Overweldigd door de impact van het nationaalsocialistische discours of meegesleept door zijn eigen interpretaties, heeft Klemperer ook niet gemerkt hoe hij de wensen van de nazi-leiders voor werkelijkheid heeft genomen. Misschien hadden de bedenkers van het woord Gefolgschaft de intentie alle kritiek te verlammen door de werknemer in een slaafse verhouding tot de werkgever te plaatsen, maar of daardoor effectief een mentaliteit van willoze horigheid is ontstaan?24 Dat Hitlers toespraken qua vorm en inhoud inderdaad in de religiositeit baadden is onbetwijfelbaar. Maar hebben ‘miljoenen mensen’ zich hierdoor daadwerkelijk en onvoorwaardelijk tot het nationaalsocialisme bekeerd?25 Klemperers orwelliaanse nachtmerrie, dat de gedrukte leugen hem zou overweldigen, ‘als ze maar van alle kanten op me afkomt, als ze om me heen maar weinig, steeds minder en ten slotte helemaal geen weerwerk meer krijgt’ was wellicht een primair streefdoel van het totalitarisme, maar de volkomen onderwerping van het subject is tot op heden een utopie gebleken.26 Recent historisch onderzoek heeft de invloed van ideologische indoctrinatie op het gedrag van diverse Duitse subgroepen trouwens al sterk gerelativeerd. Michael Kater toonde aan dat de gemiddelde Duitser eerder uit strikt persoonlijke overwegingen dan uit nazi-sympathie tot de NSDAP toetrad. Robert Gellately en Eric Johnson voegden eraan toe dat de talrijke aangiftes bij de Gestapo doorgaans niet uit ideologische overtuiging gebeurden, maar meestal voortvloeiden uit familievetes, winstbejag of burenruzies. En na een grondige analyse van tijdschriften en pamfletten, die specifiek voor de indoctrinatie van de politiebataljons waren bedoeld, kwam Christopher Browning tot de volgende conclusie: ‘Influenced and conditioned in a general way, imbued in particular with a sense of their own superiority and racial kinship as well as Jewish inferiority and otherness, many of them undoubtedly were; explicitly prepared for the task of killing Jews they most certainly were not.’27
Tot slot dient de vraag gesteld of Klemperer effectief de taal van het Derde Rijk in kaart heeft gebracht. Want een formele analyse van het nazi-idioom moet het unieke van de nationaalsocialistische taal tot onderwerp hebben, zijn specificiteit, met alle kenmerken waardoor dit discours zich van andere taalvormen (de bolsjewistische, de democratische, de joodse) onderscheidt. Niet in wàt het nazisme verkondigt, maar in hoé het dat doet, moet de eigenheid van de LTI tot uiting komen; los van de woord- en zinsbetekenis, maar louter op basis van de verschijningsvorm moet men met Klemperers taaltheorie in staat zijn de Duitse nationaalsocialist van bijvoorbeeld de Italiaanse fascist te onderscheiden. Precies hier is Klemperer wat te voortvarend geweest. Wellicht is de taal van het Derde Rijk armoedig, zoals de filoloog beweert, negeert ze het individu en is ze op de zintuiglijkheid gericht. Misschien is het ook een semi-katholieke taal, die enkel declameert en wezenlijk ironisch is. Maar zijn dit niet de fundamentele kenmerken van élk demagogisch discours? Is het eenzijdige, het ongenuanceerde niet typisch voor ieder extremisme? Zijn de metaforen van kracht en moed, de verwerping van het non-conforme andere, de persoonsverheerlijking van de abstracte leider niet wezenlijk voor élke dictatuur? Klemperer heeft de taal beschreven van de demagogie, de dictatuur en het extremisme, van het volksbedrog en de terreur. Maar hij had de taal van deze specifieke, nationaalsocialistische demagogie en dit karakteristieke extremisme in kaart moeten brengen, hij had moeten aantonen hoe en op welke punten dit (nationaalsocialistische) discours zich van andere dictatoriale vertogen onderscheidde. Misschien is het onmogelijk om dit enkel op basis van formele taalkenmerken te doen. Die kenmerken zijn immers zo algemeen en vaak zo abstract dat ze zonder overdrijven tientallen ideologieën, overtuigingen of politieke filosofieën kunnen omvatten. Wat het nationaalsocialisme uniek maakte, was niet zijn vorm, maar zijn inhoud: de combinatie van een strikt hiërarchisch wereldbeeld met een nieuwe soort antisemitisme en de verheerlijking van een Germaans heldendom; de visie op de staatsstructuur en de specifieke verhouding tussen partij, staat, leger en politie; of de claims op en de motivatie voor gebiedsuitbreiding in Oost-Europa. Als de filoloog dus de essentie van de LTI wil vatten, dan zal hij naast de analyse van de taalstijl ook een diepgaande studie naar de behandelde thematiek moeten uitvoeren - pas dan zal de metafoor helemaal voltrokken zijn.

‘Wij zeggen wat u denkt’

Klemperers analyse noopt dus tot vervollediging en verfijning: wat maakt het nazisme precies tot nazisme, waarin onderscheidt het zich van andere doctrines, en hoe komen de specifieke denkbeelden, de a-priori’s en de onderscheiden filosofische bespiegelingen tot uiting in het nazistische discours? Aangezien het rechts-extremisme een mensbeeld aanhangt dat het met geen enkele andere ideologie deelt, wordt hier de manier waarop de democratisch-liberale ideologie enerzijds en de nationaalsocialistische doctrine anderzijds de relatie tussen het individu en het centrale gezag in hun vertoog uitdrukken als indicator gebruikt. Terwijl politiek links de samenleving als een constructie van intrinsiek goede en op elkaar betrokken individuen beschouwt, ziet de rechtervleugel ze als richtsnoer voor een geheel van in wezen zelfzuchtige, onmachtige en manipuleerbare enkelingen. Maatschappelijke instellingen en hun regulerende voorschriften zijn volgens deze laatste visie organisch gegroeid en bieden als dusdanig veiligheid en zekerheid voor de dwalende mens; een sterke leidersfiguur, geschraagd door een uitgebreid politioneel en militair apparaat, moet de handhaving van de interne orde en het in stand houden van de bestaande instellingen garanderen. Die leider heeft zijn positie veroverd door een natuurlijk selectieproces, een machtsstrijd waaruit hij als sterkste te voorschijn is gekomen. Hij zal de volksgemeenschap, die onderling verbonden heet te zijn door vrijwel onveranderlijke en van oudsher aanwezige karakteristieken, beschermen tegen infiltratie van ordeverstorende of zelfs levensbedreigende ‘vreemde elementen.’ Verrezen uit en dus wezenlijk één met het volk is hij degene die de onmondige massa de weg toont, de individuele mens naar de maatschappelijke structuren vormt en kneedt; hij is degene die voor-gaat, voor-spreekt en voor-denkt, tot hij door een machtiger rivaal zal worden verdreven.
Hoewel sterk leiderschap nooit vreemd is geweest aan het Amerikaanse liberaal-democratische model - naar aanleiding van de jongste terroristische aanslagen zal wellicht ook George Bush jr. aan het rijtje van de imperial presidents toegevoegd worden - zijn de grondslagen van het Amerikaanse regeringssysteem volkomen verschillend. De basis van dit systeem werd in de 18e eeuw gelegd en was duidelijk beïnvloed door de abstracte principes van de Verlichting enerzijds en de concrete noden en verzuchtingen van de opstandige kolonisten anderzijds. Geruime tijd voor ze zich tot vrij en onafhankelijk volk uitriepen, hadden de ‘Amerikanen’ zich al afgekeerd van de willekeur van de Engelse koning George III. Het was dan ook voor iedereen duidelijk dat de nog te ontwikkelen staatsstructuur garanties zou moeten bieden tegen elke vorm van absolutistische tyrannie. Maar nog voor de framers tot een consensus waren gekomen over de definitieve vorm en inhoud van de grondwet, leidde de opstand van Daniel Shays en zijn 1.200 rebellerende boeren tot een algemene afkeer van volksdictatuur of mob rule.28 Daarom streefde men in de grondwet en in de eerste amendementen van de Bill of Rights (ook wel the Second Constitution genoemd) naar een evenwicht tussen de macht van het staatshoofd enerzijds en de vrijheden van het volk anderzijds. Zo houdt het eerste amendement (15 december 1791) het midden tussen het algemeen recht op samenscholing en de plicht tot vreedzaam protest; het zestiende amendement (25 februari 1913) combineert het petitierecht van de burger en de principiële mogelijkheid tot het uiten van ongenoegen met de bevoegdheid van het Congres om belastingen te heffen - een bevoegdheid waartegen in wezen geen aanvaardbaar protest mogelijk is. Anders geformuleerd: terwijl in het democratische regeringsmodel - dat in de loop van de 18e en 19e eeuw ook op het Europese vasteland werd geïntroduceerd - de rechten en vrijheden van de politieke actoren duidelijk omschreven worden, maken democratische regimes ook onmiddellijk de grenzen van die vrijheid duidelijk. Elke burger weet dat zijn vrijheden self-evident, vanzelfsprekend, principieel onaantastbaar zijn; maar terzelfdertijd weet hij ook dat zijn vrijheden gelimiteerd zijn, wanneer bijvoorbeeld de orde in de staat dit noodzakelijk maakt. Democratieën begrenzen, bakenen af, maken limieten duidelijk - en putten precies daaruit ook hun kracht. De taal van de democratie is dus ontsluierend én ontluisterend, belovend en berovend terzelfdertijd.

De dominante positie van de leider in het extreemrechtse denken sluit garanties op vrijheden voor de maatschappelijke basis uit. De stomme massa kàn zichzelf immers niet regeren, ze moet voorgegaan worden door een leider die per definitie over quasi dictatoriale bevoegdheden beschikt. Ongetwijfeld laat die mens zich soms maar wat graag leiden, laat hij het initiatief en het beleid met genoegen aan anderen over (de smeekbede voor toegenomen staatsinterventie door de Franse bevolking, net voor ze het Ancien Régime guillotineerde, is hierbij slechts één van de vele voorbeelden).29 Maar anderzijds mag die mens zichzelf, helemaal in de lijn van de Verlichting, ook graag als een autonoom denkend subject zien, intelligent, met recht op medezeggenschap en beleidsbevoegdheid. De eigenlijke nationaalsocialistische boodschap, zoals filosofen, antropologen en andere wetenschappers ze op het einde van de negentiende en de vroege twintigste eeuw ontwikkelden, strookt helemaal niet met dit collectief zelfbeeld: ze laat immers geen ruimte voor individuele vrijheden, voor brede beleidsparticipatie, voor een strikte scheiding tussen publieke en private sfeer. De ideologische leerstellingen van extreemrechts wijken zo sterk af van het beeld dat de Westerse mens de jongste twee eeuwen over zichzelf gevormd heeft, dat men die ideeën niet onverhuld, niet in hun ware gedaante kan presenteren. Daarom kàn het rechts-extremisme niet anders dan het gebrek aan individuele vrijheden, inherent aan de doctrine, versluieren, aan het oog onttrekken door een rookgordijn van dubbelzinnige en misleidende woorden. Het doet dit bijvoorbeeld door erop te wijzen dat de leider één is met het volk, dat hij de idealen van dat volk deelt en zich ondergeschikt maakt aan diens wil. Het volk spreekt door zijn mond, en zijn acties worden enkel gelegitimeerd door de eisen van datzelfde volk.30 Zo wordt de illusie gecreëerd dat wàt het volk ook beslist, wat ook zijn wensen zijn, de leider steevast zal gehoorzamen. Geen garanties tegen mob rule dus, en evenmin tegen dictatoriale macht. De taal van het Derde Rijk, en van het rechts-extremisme in zijn totaliteit, is primair een versluierende, bedrieglijke taal, waarin onbegrensde volksdictatuur wordt beloofd in een absolutistisch systeem - een feitelijke onmogelijkheid. Ook de fictie van het hechte eenheidsfront, het monolithische volksblok met dezelfde gewoontes, dezelfde achtergrond en traditie, dezelfde mening ook, wordt in stand gehouden achter de coulissen van de misleidende taal. Want de facto waren er in nazi-Duitsland ook wezenlijke verschillen binnen het als eenheid getypeerde ‘Duitse volk’, binnen de NSDAP, binnen het nationaalsocialistische electoraat, binnen de partijleiding - stuk voor stuk interne verschillen die volgens de ideologie niet konden, niet mochten bestaan en dus ook verzwegen moesten zijn. Op dezelfde wijze is ook het ‘Vlaamse volk’, net zoals alle andere volkeren, geen monolithisch blok, maar oneindig verdeeld in elkaar overlappende deelentiteiten of subgroepen, afgetekend langs de lijnen van zowel traditionele als meer recente spanningsvelden: katholicisme-vrijzinnigheid, socialisme-liberalisme, hoog- en laagopgeleiden, armen en rijken, grijsaards en adolescenten, arbeiders en patronaat,... Ontkent men deze diversiteit dan ontkent men tevens de identiteit van de onderscheiden subgroepen. En dit is precies wat het rechts-extremisme in naam van de doctrinaire éénheid voortdurend doet, conform zijn eigen ideologie moet doen, en in de toekomst dan ook zal moeten blijven doen. Het wezenskenmerk van de LTI is dus niet de armoede, maar het bedrieglijke, het dubbelzinnige, het constant misleidende, het permanente vervloeien van het waarachtige en het gelogen woord. ‘Wij zeggen wat u denkt,’ hoort men rechts-extremistische politici voortdurend verkondigen. Maar zeggen ze ook wat ze zélf denken?

Tekening: Virginie Van Der Gucht

Noten
1. Ullrich, V. Die nervöse Grossmacht. Aufstieg und Untergang des deutschen Kaiserreichs. Frankfurt am Main, 1999, 717 p.
2. Biografische gegevens over Klemperer werden ontleend aan: Elwert, W. ‘Klemperer, Viktor.’ Neue Deutsche Biographie, XII (1980) 35 en Jacobs, P. Victor Klemperer. Im Kern ein deutsches Gewächs. Berlijn, 2000, 381 p; voorts Klemperers geschriften: Klemperer, V. Curriculum Vitae. Erinnerungen 1881-1918. W. Nojowski, ed. Berlijn, 1996; Klemperer, V. LTI. De taal van het Derde Rijk. Amsterdam en Antwerpen, 2000, 366 p.; Klemperer, V. Leben sammeln, nicht fragen wozu und warum: Tagebücher 1918-1933. 2 dln. Berlijn, 1996; Klemperer, V. Tot het bittere einde. Dagboek 1933-1945. 2 dln. Amsterdam en Antwerpen, 1997.
3. Voor de bezetting van de Ruhr, zie o.a.: Klemperer, Leben sammeln, I, 654-655 (ingang 18 januari 1923); de toenemende onrust over de inflatie komt in 1923 bijna dagelijks tot uiting in zijn dagboek, maar voor een specifieke verwijzing, zie: Idem, I, 757-758 (ingang 7 november 1923); voor een zeldzame opmerking over het antisemitisme: Idem, II, 643 (ingang 6 augustus 1930).
4. Gesetz zur Wiederherstellung des Berufsbeamtentums. Reichsgesetzblatt, deel 1, 7 april 1933; Broszat, M., Jacobsen, H. en Krausnick, H. Anatomie des S.S.-Staates. Konzentrationslager, Kommissarbefehl, Judenverfolgung, deel 2, 317-321.
5. Klemperer, Lingua Tertii Imperii, 26.
6. Verwijzing naar de Röhm-revolte: Klemperer, Tot het bittere einde, I, 96 (ingang 14 juli 1934); referenties aan de beroering in Spanje, zie o.m.: Idem, I, 232 (ingang 29 augustus 1936) en I, 248 (ingang 24 november 1936); opmerking over de Anschluss en aangehaald citaat, zie: Idem, I, 302 (ingang 20 maart 1938).
7. Klemperer, LTI, 221.
8. Reichsbürgergesetz, Reichsgesetzblatt, I, 15 september 1935, 1146; de definiëring van wie joods, half-joods of geprivilegieerd was, kwam in de volgende maanden tot stand na een juridische strijd tussen NSDAP en nationaal-socialistische administratie, zie: Hilberg, The destruction of the European Jews, deel 1; over de oprichting van de Judenhäuser, zie: Buchholz, M. Die hannoverschen Judenhäuser, 10-16.
9. Klemperer, Tot het bittere einde, deel 1, 404.
10. Broszat, Anatomie des S.S.-Staates, 328-330; Poliakov, L. Das Dritte Reich und seine Diener, 194.
11. Voor de Duitse inval in de Sovjetunie, zie: Klemperer, Tot het bittere einde, I, 446 en 484 (ingang 22 juni en 12 juli 1941); commentaar bij Rosenberg: Idem, II, 78 en 88 (ingang 7 en 12 juni 1942); berichten over deportaties, zie bijvoorbeeld: Idem, I, 503, 504 (ingang 18 en 28 november 1941), over de zelfmoorden, Auschwitz en Buchenwald: Idem, II, 44 en 53 (ingang 12 en 29 april 1942) en II, 204 (ingang 14 januari 1943); Klemperer vermeldt de getto-opstand, vrij accuraat, drie weken na het neerslaan ervan: Idem, II, 254-255 (ingang 1 juni 1943); reeds één dag na de aanslag noteert Klemperer dit in zijn dagboek: Idem, II, 352 (ingang 21 juli 1944).
12. Jacobs, P. Victor Klemperer, 190-191; Klemperer, LTI, 23-24.
13. Klemperer, LTI, 25.
14. Idem, 31.
15. Klemperer, Tot het bittere einde, deel 1, 234 (ingang 14.9.1936).
16. Voor de term ‘Weltanschauung’ zie: Klemperer, LTI, 133-134; voor ‘blindelings’ en ‘aanzwengelen’: Idem, 195-207; voor het werkwoord ‘aufziehen’ [organiseren], zie: Idem, 68-71.
17. Klemperer, LTI, 39.
18. Klemperer, LTI, 327.
19. Klemperer, LTI, 278-289.
20. Klemperer, LTI, 157.
21. Klemperer, LTI, 29.
22. Klemperer, LTI, 88-92.
23. Klemperer, LTI, 195-207.
24. Klemperer, LTI, 307.
25. Klemperer, LTI, 157.
26. Klemperer, LTI, 289. Voor een algemene kritiek op het totalitarisme en zijn utopie het denken te kunnen beheersen, zie: Fukuyama, F. Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Amsterdam, 1999, 428 p.
27. Kater, M. The nazi party. A social profile of members and leaders (1919-1945). Oxford, 1983, 415 p; Gellately, R. ‘Denunciations in twentieth-century Germany; aspects of self-policing in the Third Reich and the German Democratic Republic.’ The Journal of Modern History, LXVIII (1996) 931-967 en: Gellately, R. The Gestapo and German society: enforcing racial policy 1933-1945. Oxford, 1991, 297 p; Johnson, E. Nazi-terreur. Gestapo, joden en gewone Duitsers. Antwerpen, 2000, 525 p; Browning, C. Ordinary Men. Reserve Police Batallion 101 and the Final Solution in Poland. New York, 1992, 231 p.
28. Voor Shays’ rebellion, zie: Tindall, G. en Shi, D. America. A narrative history. New York en Londen, 1996, 298-300.
29. Schama, S. Kroniek van de Franse Revolutie. Amsterdam, 2000, meer specifiek p. 67-111, 196-206 en 297-339.
30. In zijn inleiding op een bundel NS-toespraken schreef Julius Streicher: ‘Adolf Hitler kam aus dem Volk zum Volk.’ Zie: Streicher, 1933, 3; op 5 april 1933 beweerde Hitler voor de Landwirtschaftsrat ‘dass diese Regierung sich ganz bewusst als eine Vertretung der deutschen Volksinteressen ansieht und fühlt, und zwar nur der deutschen Volksinteressen,’ zie: redevoering van 5.4.1933, ‘Unser Wille wird die Not beugen,’ in: Streicher, 1933, 100; ook H. Göring poneerde dat de Führer enkel verantwoording schuldig is ‘vor seinem Gott und seinem Volk,’ zie: redevoering van 15.9.1933, ‘Der Staatsrat: ein lebendiger Bindeglied zwischen Volk und Staatsführung. Bei der Eröffnung der Preussischen Staatsrates,’ in: Streicher, 1933, 236.
31. Fabian Van Samang is historicus en gediplomeerd in de Internationale Betrekkingen. Momenteel werkt hij aan een proefschrift m.b.t. de getto’s in het Gouvernement-Generaal (1939-1945).

Bibliografie
Bronnen
- Das Dritte Reich und seine Diener. L. Poliakov en J. Wulf, eds. München, 1978.
- Gesetz zur Wiederherstellung des Berufsbeamtentums. Reichsgesetzblatt, deel 1, 7 april 1933.
- Klemperer, V. Curriculum Vitae. Erinnerungen 1881-1918. W. Nojowski, ed. Berlijn, 1996.
- Klemperer, V. LTI. De taal van het Derde Rijk. uitg. Atlas Amsterdam , 2000, 366 p.
- Klemperer, V. Leben sammeln, nicht fragen wozu und warum: Tagebücher 1918-1933. 2 dln. Berlijn, 1996.
- Klemperer, V. Tot het bittere einde. Dagboek 1933-1945. 2 dln. Amsterdam en Antwerpen, 1997, 565 en 524 p.
- 1933. Das Jahr der Deutschen. J. Streicher, ed. Berlijn, 1934, 509 p.
- Reichsbürgergesetz, Reichsgesetzblatt, deel I, 15 september 1935.

Werken
- Broszat, M., Jacobsen, H. en Krausnick, H. Anatomie des S.S.-Staates. Deel 2: Konzentrationslager, Kommisarbefehl, Judenverfolgung. Breisgau, 1965, 458 p.
- Browning, C. Ordinary Men. Reserve Police Batallion 101 and the Final Solution in Poland. New York, 1992, 231 p.
- Broszat, M., Jacobsen, H. en Krausnick, H. Anatomie des S.S.-Staates. Konzentrationslager, Kommissarbefehl, Judenverfolgung. Deel 2, Breisgau, 458 p.
- Buchholz, M. Die hannoverschen Judenhäuser. Zur Situation der Juden in der Zeit der Ghettoisierung und Verfolgung 1941 bis 1945. Hildesheim, 1987, 294 p.
- Elwert, W. ‘Klemperer, Viktor.’ Neue Deutsche Biographie, XII (1980) 35.
- Fukuyama, F. Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. Amsterdam, 1999, 428 p.
- Gellately, R. ‘Denunciations in twentieth-century Germany; aspects of self-policing in the Third Reich and the German Democratic Republic.’ The Journal of Modern History, LXVIII (1996) 931-967.
- Gellately, R. The Gestapo and German society: enforcing racial policy 1933-1945. Oxford, 1991, 297 p.
- Hilberg, R. The destruction of the European Jews. 3 dln. New York, 1985, 1273 p.
- Jacobs, P. Victor Klemperer. Im Kern ein deutsches Gewächs. Berlijn, 2000, 381 p.
- Johnson, E. Nazi-terreur. Gestapo, joden en gewone Duitsers. Antwerpen, 2000, 525 p.
- Kater, M. The nazi party. A social profile of members and leaders (1919-1945). Oxford, 1983, 415 p.
- Offermans, C. ‘‘Een aan mezelf gericht SOS-bericht.’ Klemperer over de taal van het Derde Rijk.’ Vrij Nederland, april 2001, 61.
- Schama, S. Kroniek van de Franse Revolutie. Amsterdam, 2000, 920 p.
- Ulrich, V. Die nervöse Grossmacht. Aufstieg und Untergang des deutschen Kaiserreichs. Frankfurt am Main, 1999, 717 p.
- Van Emelen, A. ‘Semiotiek van de bruine terreur.’ Knack, april 2001, 85-86.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 40 tot 50