Abonneer Log in

Feminisme in tijden van mondialisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 53 tot 54

Mijn grootmoeder had een kast met oude lapjes, knopen en restjes garen. Het kon voor haar allemaal nog dienen. Ik herinner me nog zeer levendig de smalende opmerkingen over deze recyclage ‘avant la lettre’. Haar ‘bendigheid’, een dialectwoord voor de deugd ‘creatief te zijn met weinig middelen’, werd afgedaan als een overblijfsel van ‘den ouwen tijd’, m.a.w. als onzinnig, irrationeel en tijdrovend.

Vandaag zullen weinig vrouwen, en ongetwijfeld nog veel minder mannen, de kunst van het kousen stoppen kennen. Geëmancipeerde vrouwen en mannen gaan immers buitenshuis werken, verdienen een inkomen en kunnen zich daarmee met een zekere regelmaat verwennen met een nieuwe outfit in de H _&__ M. Een gaatje wordt niet meer gestopt, een knoop niet aangenaaid, er worden geen taarten meer gebakken, geen verse groenten schoongemaakt, geen luiers gewassen, geen vloeren geboend, enz. De markt heeft vrouwen van deze vervelende taken verlost. En wees gerust, er gaat niets verloren, want de afdeling meeneemmaaltijden heeft voor nostalgische zielen wel iets dat op ‘grootmoeders wijze’ is bereid. Vele grootmoeders zouden zich ongetwijfeld omdraaien in hun graf bij deze schaamteloze associatie van hun kookkunsten, maar dit even terzijde.
Zo te zien is de consumptiemaatschappij en de neoliberale markteconomie een zegen te noemen voor de vrouwenemancipatie. Feminisme is ook iets ‘van den ouwen tijd’ geworden. Noem jezelf feministe en je wordt al even meewarig bekeken als mijn grootmoeder met haar lapjesverzameling. Want vrouwen hebben toch niet veel meer te klagen: ze kunnen studeren, werken, stemmen, geld verdienen, zelf bepalen of, hoeveel en wanneer ze kinderen krijgen, ... Ze kunnen in principe alles doen wat mannen kunnen doen, en volgens sommigen zelfs meer. Uiteraard moet er hier en daar nog wat worden bijgeschaafd, maar dit is slechts een kwestie van tijd, een kwestie van het omzetten van principes in de praktijk of van het blootleggen en analyseren van verborgen en hardnekkige _genderscripts
in onze cultuur of, volgens anderen, in de evolutionaire restanten van onze breinen.

Naomi Klein gaat in No Logo fel tekeer tegen de bijziendheid van de westerse vrouwenbeweging voor de gevolgen van de mondiale economie: ‘We hadden het te druk met het analyseren van de beelden op de muur om op te merken dat de muur zelf werd verkocht.’ Klein betreurt dat de radicale economische grondslagen van de vrouwenbeweging werden losgelaten ten voordele van de identiteitspolitiek: ‘Wij jonge vrouwen die opgroeiden met de Beauty Myth en die eetstoornissen en een gebrek aan eigenliefde als de schadelijkste bijproducten van de kledingindustrie zagen, hadden de neiging die vrouwen te vergeten als wij op 8 maart demonstreerden, als we er ons al van bewust waren dat ze ooit hadden bestaan.’ Klein heeft het hier over de vrouwen en kinderen die in lageloonlanden onder afschuwelijke arbeidsomstandigheden onder meer de wegwerpkleding van westerse vrouwen en mannen produceren.
In Doing the Dirty Work documenteert Brigdet Anderson hoe westerse vrouwen in toenemende mate een beroep doen op buitenlandse huishoudelijke hulp om aan het masculiene werknemersmodel te kunnen voldoen en het werken buitenhuis te combineren met zorgtaken in het gezin. Rhacel Parrenas legt in Servants of Globalization op treffende wijze de mondiale zorgketen bloot. Hoger opgeleide Filippijnse vrouwen migreren naar andere landen om als huishoudelijke hulp en als first class nanny voor de kinderen van westerse vrouwen en mannen te ‘moederen’. Met het geld dat ze verdienen kunnen ze dan weer een goedkopere hulp inhuren of familieleden onderhouden die op hun beurt voor hun eigen kinderen, die ze daardoor vaak jaren niet kunnen zien, ter plekke zorgen. Westerse middenklasse vrouwen kunnen op die manier een carrière uitbouwen en belangenconflicten omtrent de verdeling van arbeid en zorg in het gezin omzeilen. Voortaan geen gezeur meer over wie de afwas doet. Wat de in de lageloonlanden gefabriceerde vaatwasmachine niet aankan, geven we aan de uit de lageloonlanden geïmporteerde en dus betaalbare huishoudelijke hulp.

Meer dan ooit dringt zich de vraag op over wiens emancipatie het nu eigenlijk gaat, en of er wel sprake is van ‘vrouwen’emancipatie eerder dan een emancipatie van rijke westerlingen waar westerse middenklasse vrouwen in tweede orde gebeurlijk mogen van meegenieten. De enkele ‘nieuwe’ mannen niet negerend, is het aandeel van mannen in zorgtaken en zelfs betaalde zorgarbeid in het algemeen de afgelopen jaren niet schrikwekkend toegenomen, evenmin als de tijd die wordt besteed in functie van de beroepsloopbaan opzienbarend is afgenomen. Integendeel, er lijkt steeds meer te worden geëist in termen van inzet, flexibiliteit en presteren.
In de mondiale economie zijn vrouwen in de rest van de wereld gegeerde arbeidskracht: ze zijn goedkoper en hebben minder reële kansen dan mannen om tegen uitbuiting te protesteren omdat ze afhankelijker zijn van een inkomen om voor hun kinderen en familie te zorgen, minder toegang hebben tot onderwijs, tewerkstelling en andere economische bronnen. Westerse vrouwen kunnen van deze situatie gebruik maken om de strijd met hun mannelijke concurrenten op de werkplaats en in de politiek op gelijke voet te kunnen voeren. Op zich is er uiteraard niets verkeerd mee om een ander te betalen om het vuile werk te doen. En dit is allerminst een conservatief pleidooi voor een terugkeer naar vrouwen aan de haard of voor gratis zorg.
Westerse middenklasse vrouwen en mannen kunnen doen/zijn wat ze doen/zijn doordat andere, hoofdzakelijk niet-westerse, vrouwen doen wat zij niet meer hoeven te doen/te zijn. Het klinkt zo banaal, maar het werd vaak in het emancipatieverhaal vergeten. Of zoals Naomi Klein het uitdrukt: het zijn nog steeds meisjes die in Azië en Latijns Amerika voor een hongerloon T-shirts maken met de leus girl power erop en sportschoenen voor Nike die ervoor zorgen dat de meisjes eindelijk mogen mee doen. Dichter bij huis zijn het de al dan niet legale vrouwen en migranten die de bedden opmaken, kamers schoonmaken, maaltijden bereiden en andere ‘diensten’ verlenen aan de hypermobiele rijken die in de wereldsteden weliswaar het lot van de wereld en haar bewoners bepalen, maar nog onderhevig zijn aan banale menselijke noden zoals eten en slapen. Binnenkort neemt u misschien ook zo’n goedkope Filippijnse nanny of Poolse poetshulp in huis en heeft u eindelijk de tijd en de vrijheid om te doen waar geëmancipeerde vrouwen en mannen van dromen: carrière maken, geld verdienen, deelnemen aan de macht en anderen betalen om het vuile werk te doen.
De vele handen die zich met het ‘vuile werk’ moeten tevreden stellen kunnen op de internationale vrouwendag misschien niet staken, maar hopelijk zijn ze voor één keer niet onzichtbaar.

feminisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 53 tot 54