Abonneer Log in

Gelijke kansen en cultuur

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 36 tot 43

Een zeker ondeugd der beschaving dwingt mensen, die b.v. bij voorkeur een partijtje biljart of zevenzot zouden spelen - en die trouwens uitstekend biljart of zevenzot spelen - zich een avond bij Russische muziek te vervelen.

Paul Van Ostaijen1

Op zoek naar een progressief cultuurbeleid

Ik had nooit de indruk dat cultuur een prioritair beleidsdomein was voor de SP. Toegegeven: er waren en zijn een aantal mandatarissen en kaderleden binnen de partij die oprecht met kunst en cultuur begaan zijn, die de meerwaarde ervan juist inschatten en die het debat daaromtrent op een intelligente manier voeren. Maar nooit is de SP als partij erin geslaagd zich een sterk cultureel profiel aan te meten. In de voorbije twintig jaar heeft ze, voor zover ik me kan herinneren, geen enkele mandataris geleverd die zwaar op dit beleidsdomein heeft gewogen - tenzij Bob Cools misschien, maar dan wel op zijn eigen, typische wijze.

Wat niet is kan natuurlijk nog komen. Mensen als Dany Vandenbossche en Chokri Mahassine leveren zeer verdienstelijk werk in het Vlaams Parlement. Op het federale niveau zijn alle blikken gevestigd op Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke, die er hopelijk in zal slagen eindelijk de juiste omkaderende maatregelen te nemen en de kunstenaars het statuut te geven waar zij al tientallen jaren recht op hebben. En met de komst van Patrick Janssens kreeg de partij plotseling een voorzitter met een uitgesproken cultureel profiel - of moeten we eerder zeggen: met een uitgesproken culturele look? Feit is dat het boekje Over de grenzen, waarmee de voorzitter zich voor het eerst aan de partij en aan de Vlamingen presenteerde, voor de culturo’s behoorlijk teleurstellend was. Er stond namelijk niets in over cultuur. Dat de voorzitter zich daarvoor excuseerde en snel beterschap beloofde, was niet meer dan een schrale troost. Willen we voor deze editie van Samenleving en politiek een zinvolle bijdrage leveren over gelijke kansen en cultuur, dan moeten we in elk geval op zoek naar andere bronnen.

Sinds kort beschikt de sp.a over een website2 waarop het debat over de inhoudelijke vernieuwing van de partij thematisch wordt geordend. Ik lees daar toch al een paar voorzetten voor een progressief cultuurbeleid die verder gaan dan de traditionele en vaak gênante worsteling met het onderscheid tussen hoge en lage cultuur, een onderscheid dat zich in de praktijk vaak vertaalde in een uitgesproken voorkeur voor (volks)cultuur en een grote scepsis ten aanzien van (elitaire) kunst, in een openlijke liefdesverklaring aan de amateur-kunstenaar en een haat-liefdeverhouding ten aanzien van de professionele beoefenaars. Eigenlijk is het een bevreemdende vaststelling dat een partij die er tussen de beide wereldoorlogen niet voor terugschrok een waarachtig cultuurpaleis te bouwen in Gent, en die bijvoorbeeld in de vormgeving van zijn affiches vaak baanbrekend werk leverde, later is teruggeplooid op een algeheel en diepgeworteld wantrouwen tegen de artistieke sector. Toegegeven: de partij heeft uit haar fouten geleerd. Toen Jan Hoet pas gestart was met zijn Museum voor Hedendaagse Kunst in Gent en hij voor elke aankoop naar de Gentse gemeenteraad moest, werd daar nog heel schamper gedaan over zijn soepteljoren en zijn mosselpotten. Intussen beschikt Gent, mede onder impuls van Frank Beke, over een museum voor hedendaagse kunst, het SMAK, waar ze terecht fier over zijn. Maar het SMAK is verdomd moeizaam verworven en het wantrouwen heeft zich intussen verplaatst naar andere domeinen. Ik weet - mede uit eigen ervaring met Het Toneelhuis in Antwerpen, waar ik zakelijk leider ben - dat dat wantrouwen zeker niet het monopolie is van de sp.a. De vraag die wij ons vandaag moeten stellen is waarom de sp.a zichzelf zo moeizaam van dat wantrouwen bevrijdt.

Wie slaapt vangt geen vis

Ik heb die vraag rechtstreeks gesteld aan voorzitter Janssens. Niet op een receptie na afloop van een voorstelling, maar tijdens een heus interview dat we van hem afnamen in het kader van het boek Wie slaapt vangt geen vis.3 Zelfzeker als we zijn dachten we bij onszelf: als de voorzitter een boek kan schrijven kunnen wij dat ook, en dus togen Luk Perceval en ikzelf, met de steun van de auteur Joost Houtman, aan het werk. In deel twee van dat boek hebben we zeven mensen geïnterviewd (Karel De Gucht, Marc Eyskens, Eric Antonis, Chantal Pauwels, Yves Desmet, Luc Van den Dries en dus ook Patrick Janssens) en hebben we die verschillende interviews gemonteerd tot een zogeheten virtueel rondetafelgesprek. Het centrale thema tijdens deze gesprekken was de vraag welke maatschappelijke opdracht de kunst in het algemeen en het theater in het bijzonder, op zich moet nemen. Het is interessant om een aantal uitspraken van Janssens van dichterbij te bekijken.

Volgens Janssens moet het theater (en de kunst in het algemeen, maar ik beperk me nu even gemakshalve tot onze eigen discipline) beantwoorden aan drie criteria: kwalitatief moet het theater een voldoende hoog niveau halen, kwantitatief moet het een voldoende groot publiek aantrekken en sociologisch moet het een voldoende divers publiek bereiken om aanspraak te kunnen maken op ondersteuning door de overheid. Over het kwalitatieve niveau - de artistieke waarde van het geleverde werk - kan de overheid volgens Patrick Janssens geen zinvolle uitspraken doen: dat onderdeel moet worden overgelaten aan experts. Zij buigen zich over deze kwesties in advies- en beoordelingscommissies die overigens altijd wel om een of andere reden onder vuur liggen. De kans dat deze commissies eensluidende adviezen formuleren die ook nog gedragen worden door het hele veld is quasi onbestaand. Over het kwantitatieve aspect lezen we op de website dat het publieksbereik op een wetenschappelijke wijze moet worden gemeten. Objectief onderzoek dus, dat ver van elke politieke inmenging moet gebeuren. Nu is de theatersector al heel lang vragende partij om een aantal cijfers te objectiveren en regelmatig sectoraal onderzoek te laten uitvoeren. Dat soort cijfermateriaal heb je als overheid en als sector zonder meer nodig om een gericht beleid te kunnen voeren. Het is evenwel zeer de vraag of de overheid op basis van dit cijfermateriaal ook een geobjectiveerd beleid kan voeren. Een beleid waarbij de verdeling van de subsidies wordt bepaald door de wet van de grote getallen zou wel eens heel erg contraproductief kunnen zijn.

Zeer centraal in de redenering van Patrick Janssens staat de eis om een breed, gediversifieerd publiek te bereiken. Het basisidee van sp.a, dat iedereen gelijke kansen moet krijgen, komt hier zeer expliciet tot uiting. Het is de zogeheten sociologische component van zijn evaluatiesysteem. Eerder als randbemerking dan als fundamentele kritiek wil ik de vraag stellen hoe we dit precies gaan meten. Door steekproeven en publieksonderzoek lijkt een voor de hand liggend antwoord maar is het niet. Neem bijvoorbeeld het (brede) aanbod van Het Toneelhuis als testcase. Als ik publieksonderzoek laat uitvoeren tijdens de voorstelling Duiveltjeskermis (een muziekprogramma met vooral muziek uit de jaren veertig en vijftig), dan zal blijken dat we een eerder oud publiek aantrekken. Laat ik datzelfde onderzoek uitvoeren tijdens de voorstelling Mamma Medea (die druk werd bijgewoond door scholieren), dan zal men concluderen dat ons publiek eerder jong is. Het is een wat geforceerd voorbeeld, maar ik heb het meer dan eens meegemaakt dat uit tendentieus publieksonderzoek verregaande conclusies werden getrokken. Voorzichtigheid is hier gewenst. De enige betrouwbare aanpak is systematisch onderzoek via data base marketing, waarbij men naast naam en adres van de bezoekers ook informatie opvraagt over leeftijd, opleidingsgraad, beroep etc., en het parcours van elk van de bezoekers in groep of individueel in kaart brengt. Het is maar de vraag of de privacy van de bezoekers dan nog voldoende wordt gerespecteerd - en of deze aanpak precies bij de minder hoog opgeleide theaterliefhebber geen afschrikkend effect zal hebben. Wat gaat er om in een mens die voor een keer zijn drempelvrees overwint en al meteen aan de juffrouw achter de kassa moet vertellen dat hij niet heeft doorgeleerd? Nogmaals, ik gebruik deze argumentatie niet om de vraag van Patrick Janssens te omzeilen, maar het is wel een aspect waarvoor aandacht moet bestaan.

Tijdens politieke debatten en in sommige krantenartikels wordt soms de indruk gewekt dat theatergezelschappen niet de minste interesse hebben voor de problematiek van de sociologische spreiding. Zij zouden enkel mikken op een intellectueel sterk gevormd publiek, op een kleine incrowd die stijf van bewondering loopt voor elk nieuw, ondoorgrondelijk experiment, sterker nog, zij zouden de afwezigheid van publiek interpreteren als een bewijs dat zij hun tijd zo ver vooruit zijn dat slechts enkelingen hun parcours kunnen volgen. Er zullen wel een paar theatermakers met dit soort ideeën rondlopen, maar als beeld van de sector is dit verhaal volkomen onjuist. Ik stel dagelijks vast dat in de theatersector zeer zwaar geïnvesteerd wordt in het aantrekken en begeleiden van bestaand én nieuw publiek, in het creëren van een breed aanbod waarin iedereen wel ergens zijn gading kan vinden, in het verstrekken van informatie via publicaties, websites, lezingen, voor- en nabesprekingen bij voorstellingen, in bezoek aan scholen en verenigingen, in nevenactiviteiten om drempels te verlagen, in een gerichte prijzenpolitiek, kortom: er wordt in de sector zeer hard aan dit probleem gewerkt. Dat is objectief vaststelbaar, dat blijkt en zal blijken uit elk mogelijk onderzoek. De vraag die we ons moeten stellen luidt: lukt het, en zo ja, waarom niet?
Ik leg mijn voorzichtige scepsis over publieksonderzoek even opzij en stel vast dat alles erop wijst dat de zogeheten Schone Kunsten in het algemeen vooral het hoger opgeleid publiek bereiken. Met hoger opgeleid publiek bedoelen we dan: mensen die minstens hoger middelbaar hebben gevolgd en die meestal een job hebben als bediende, ambtenaar of kaderlid. Ook vrije beroepen en zelfstandigen komen in het plaatje voor, het aandeel van arbeiders is relatief klein. We hebben het al eerder in interviews gezegd en we blijven het herhalen: hoewel we de grootst mogelijke inspanningen blijven leveren om het grootst mogelijk publiek aan te trekken, is het illusie te denken dat we ooit iedereen zullen bereiken.
Komt dit door een gebrekkig beleid of zijn er andere oorzaken in het spel? Uiteraard zullen we luisteren naar elke interessante suggestie om een beter wervingsbeleid te voeren. Maar we hoeden ons voor de simplistische en vaak sloganeske analyses die te snel de wereld worden ingestuurd. Er is meer aan de hand. We moeten het terrein veel, veel breder opentrekken.

Brave new world

De wereld waarin we leven evolueert razendsnel. Hoewel het proces al enige tijd bezig was, is vooral sinds de val van de Muur versneld duidelijk geworden dat de grote verhalen onderuit gehaald zijn. Ik sluit me volledig aan bij de analyse van Eric Corijn, die over dit onderwerp een lezing gaf tijdens het voorbije Theaterfestival in Gent. Terecht stelt hij ‘dat er niet langer één groot maatschappelijk verhaal kan dienen om alle mensen in de samenleving te binden.’4 Het christendom - met zijn katholieke praxis - was zo’n verhaal. Ik was onlangs aanwezig op een kerkelijke begrafenis ergens in een uithoek van de provincie Antwerpen. Ik keek naar de oude pastoor, naar de oude mensen op de kerkbanken, naar de enkele jonge mensen die aanwezig waren omdat ze bevriend zijn met de zoon van de aflijvige, ik zag hun onverschilligheid en bij momenten ook hun inspanningen om hun slappe lach onder controle te houden, en plotseling realiseerde ik me dat het katholieke begrafenisritueel over pakweg twintig, dertig jaar niet meer beschikbaar zal zijn. De bedienaars zullen uitgestorven zijn, de gelovigen zullen uitgestorven zijn, de nieuwe generaties zullen geen enkele interesse meer hebben.

Geen sprekender beeld dan de lijkbleke Russische generaal die, na het zinken van de Koersk, op televisie de nabestaanden toespreekt en zijn mutsje afneemt om zich, diep geëmotioneerd, te verontschuldigen voor het falen bij de reddingsoperaties. Een dramaturg die zo’n scène bedenkt om het ineenstorten van een heel Rijk te evoceren moet van héél goede komaf zijn. Om maar te zeggen: we leven in een wereld waarin de grote verhalen, en daarmee samenhangend, de grote systemen hun impact en hun autoriteit verloren hebben. Het enige systeem dat tot nader order overeind blijft is de vrije markt, een systeem dat in wezen genadeloos is en zich slechts zeer moeizaam laat corrigeren. Het is voor iedereen - ik vergis me, niet voor iedereen, maar voor velen - duidelijk dat we een referentiekader nodig hebben om die correcties te kunnen afdwingen, een soort morele code, een verhaal dat mensen met elkaar verbindt en hen voldoende verenigt om te kunnen wegen op de maatschappelijke besluitvorming. Met het gelijkekansenthema probeert de sp.a zo’n verhaal te introduceren. Maar is dit opzet nog realistisch in deze versplinterde tijden? Bestaat er nog voldoende consensus om zo’n verhaal intellectueel en emotioneel te onderbouwen? Staat het publiek nog voldoende open en laat het zich nog overtuigen? Parallel met het verdwijnen van de grote verhalen - en wellicht precies daarom - zien we immers ook het individualisme van de mensen toenemen. De solidariteit-oude-stijl is verdwenen, de mensen willen hun lot zelf in handen nemen en bij wijze van spreken zelf beslissen wanneer ze geboren worden en wanneer ze gaan sterven. Absolute zelfoverschatting is het, dat spreekt voor zich, maar ook een realiteit die niet om te keren valt. Dat heeft ook zijn impact op de manier waarop we met elkaar omgaan. Ik stel meer een meer vast dat elke vorm van autoriteit gecontesteerd wordt. Elke vorm van leiderschap is per definitie verdacht. Wellicht is dat een van de redenen waarom de politiek zo zwaar onder vuur ligt: wie zich als leider profileert, mag zich aan forse tegenwind verwachten. Maar dat is slechts één aspect van het verhaal. Aan de andere kant van het spectrum broeit de angst voor de eenzaamheid, voor de eigen verantwoordelijkheid, voor - precies - de afwezigheid van leiding. In mijn analyse is er op eigen kracht geen uitweg uit deze situatie. Dat wil met andere woorden zeggen dat wij als individu en als gemeenschap niet in staat zijn een nieuw, gemeenschappelijk elan te ontwikkelen. Dat we met andere woorden veroordeeld zijn om vrij of ontheemd (beiden kunnen van toepassing zijn, het hangt van uw eigen interpretatie af, kies zelf maar) door het leven te gaan.
Bij afwezigheid van een gemeenschappelijk verhaal kunnen we enkel proberen onze individuele verhalen aan elkaar te linken om op die manier een nieuwe vorm van eensgezindheid te vinden en de solidariteit onder de mensen te herstellen. Dat is een buitengewoon moeilijk proces. Natuurlijk vertonen onze individuele verhalen onderlinge raakpunten omdat ze zijn samengesteld uit hetzelfde basismateriaal: inzichten uit religie en filosofie, politieke standpunten, wetenschappelijke en pseudo-wetenschappelijke kennis, stadssagen en legendes, literatuur en gazettenpraat: alles komt in aanmerking. Maar het valt op dat steeds meer mensen daar een hoogst individuele mix van maken en dat het steeds moeilijker wordt daarin nog grote lijnen te ontdekken. De versplintering van het politieke landschap in Vlaanderen, met zijn wirwar van partijen en partijtjes die inhoudelijk nauwelijks van elkaar verschillen maar elkaar op leven en dood bekampen, is een voorbeeld van deze evolutie op het macrovlak.

Binnen dit spanningsveld tussen collectiviteit en individualisme kan het belang van een open en volgehouden communicatie niet voldoende benadrukt worden. Of we het nu leuk vinden of niet, we hebben geen andere keuze. Duidelijk daarbij is dat binnen die communicatie de klemtoon zeer duidelijk verschoven is: niet het rationele argument maar het emotionele appél maakt het verschil. Daar is de impact van de televisie zeker niet vreemd aan. Niets is sterker dan één pakkend beeld dat een hele situatie in één oogopslag duidelijk maakt. Denk maar aan de beelden van de hongerende kinderen in Ethiopië, waar niemand ooit naar omkeek tot Bob Geldolf ze wereldwijd liet verspreiden als start van zijn Live aid-campagne. Het werkte perfect. Hetzelfde fenomeen doet zich voor op het niveau van de taal. Politieke debatten bijvoorbeeld zijn niet langer een genuanceerde, intelligente, enigszins droogklotige analyse van de realiteit. Politieke debatten zijn een ruwe vorm van sport waarbij de tegenstanders elkaar met één welgemikt bon mot in de touwen proberen te meppen. Precies omdat de politiek - en in een bredere context de communicatie tout court - op die manier is geëvolueerd, is het zo moeilijk het Vlaams Blok met rationele argumenten te bestrijden. De argumenten kloppen wel maar worden verstikt door het emotionele appél dat uitgaat van een rechts-nationalistische en xenofobe boodschap.
Ik denk dat mijn scepsis over de menselijke verstandhouding duidelijk is. In Wie slaapt vangt geen vis heb ik op verzoek van auteur Joost Houtman geprobeerd mijn gevoel daaromtrent bondig samen te vatten. Ik heb het als volgt geformuleerd:

Duidelijk is dat de communicatie tussen mensen allesbehalve evident is. Als het waar is wat de filosoof Sören Kierkegaard ooit noteerde in zijn dagboek, namelijk dat de allergrootste tragiek erin bestaat te worden misverstaan, dan zijn wij mensen allemaal uiterst tragische wezens. Hoewel ook dat gerelativeerd moet worden. De samenleving van vrije burgers doet me eerder denken aan een groep mannen en vrouwen die zo dronken zijn dat ze op eigen kracht niet meer overeind kunnen blijven. Enkel als ze steun zoeken bij elkaar lukt het nog net, maar omdat de grens tussen iemand overeind houden en iemand omverduwen zeer vaag is, breken er om de haverklap discussies en gevechten uit. De groep is onderweg maar niemand kent de juiste bestemming of de juiste weg. Daarover wordt onophoudelijk gekibbeld en ruzie gemaakt. Soms ontdekken ze dat ze op een verkeerde weg zitten en moeten ze met zijn allen terug. Verstandhouding is onbestaand, maar omdat ze op elkaar aangewezen zijn, blijven ze als een vormloze massa aan elkaar vastklitten. Soms heeft iemand een diepzinnig moment, soms barst iemand in tranen uit, soms probeert iemand de leiding te nemen, maar voor nuchtere buitenstaanders - de goden van de Olympus, bijvoorbeeld - ziet het er allemaal even grotesk uit.

Erg hoopgevend is het allemaal niet. Maar toch. Ik denk dat Camus gelijk heeft. Il faut imaginer Sisyphe heureux._5 _

Back to basics

Of, om het in het Nederlands te zeggen, terug naar ons initiële onderwerp. Hoe zit het nu met de opdracht van de Schone Kunsten, en meer specifiek van het theater, in deze globale context? Voor mij is een zaak alvast volkomen duidelijk: theater is géén buiten-maatschappelijk fenomeen, theater maakt deel uit van de menselijke communicatie en heeft daarbinnen een specifieke rol te spelen. Het lag voor de hand om aan onze gesprekspartners, en dus ook aan Patrick Janssens, te vragen hoe zij die rol zagen.

Als één zaak ons verrast heeft was het wel de opvallende eensgezindheid van alle panelleden op dit vlak. Als ik hen mag geloven is het niét de opdracht van het theater om te entertainen, om zich gedwee en volgzaam op te stellen, om de bestaande maatschappelijke orde te bejubelen en te legitimeren (zoals grote standbeelden van de koning insinueren dat de koning een groot man was), om te beantwoorden aan de grootste gemeenschappelijke deler. Om het met de woorden van Janssens zelf te zeggen:

Theater moet onaangepast gedrag zijn. Wat bedoel ik daarmee? De hele sociale dynamiek valt stil en de samenleving stolt als die samenleving zou verlangen dat iedereen zich aanpast aan één geldende norm. Je hebt dus onaangepast gedrag nodig om als samenleving niet ter plaatse te blijven trappelen. De mensen die de onaangepastheid verkondigen functioneren als virus, als ontsteker. Denk maar aan het avant-garde theater. Dus op de vraag of theater maatschappijkritisch mag zijn, antwoord ik dat theater maatschappijkritisch móét zijn. Ieder kan dat dan naar eigen vermogen en goesting invullen. Wat dan weer niet wil zeggen dat iedereen een Vuile Mong-doorslagje moet brengen.
Ik ga naar het theater om iemands eigen kijk op de realiteit, iemands onaangepaste, andere manier van kijken mee te maken. Net als een kind verwonderd kijken, dat is het gevoel dat ik wil meemaken. Ik wil buitenkomen met allerlei vragen in mijn hoofd die ik mezelf nooit eer _der gesteld heb.__ 6 _

Het is een soort nieuwsgierigheid en openheid die de voorzitter sieren. Hij staat daar overigens niet alleen in. Karel De Gucht en Marc Eyskens formuleerden tijdens hun interview zeer vergelijkbare standpunten. Volgens mij denkt de meerderheid van de bevolking daar echter helemaal anders over. Dat jonge theatermakers in kleine, alternatieve huizen al eens wild tekeer gaan wordt nog redelijk geaccepteerd. Maar in een bolwerk van de burgerlijke cultuur - de Bourla of de Munt, bijvoorbeeld - wordt dit soort gedrag ongepast bevonden. De theatermaker daar mag al lang blij zijn dat hij door de gemeenschap ondersteund wordt en moet in ruil daarvoor opzitten en pootjes geven. Zijn kunst is een excentrieke aardigheid binnen de ernstige wereld van de industrie en de haute finance, een bron van verwondering en vermaak op voorwaarde dat de kunstenaar het spelletje goed meespeelt en zich regelmatig als curiositeit laat bewonderen. Het juiste merk champagne schenken na de première wordt sterk geapprecieerd.
Ik zie dat dus helemaal anders. Ik denk inderdaad dat het de taak is van de kunstenaar om extremen op te zoeken en dat een centrale plek als de Bourla uitstekend geschikt is om die extremen te laten zien: de kunstenaar wordt er niet weggemoffeld in het achterafzaaltje van de alternatieve cultuur, maar doet zijn statement in het centrum van de maatschappij, in het oog van de storm. Men verwijt de kunstenaar dat hij enkel kommer en kwel laat zien, dat hij te somber is, dat hij het geloof in de mens verloren heeft, maar kijk om u heen: de werkelijkheid overtreft de artistieke verbeelding. Precies omdat hij zich beweegt in een fictieve wereld waarin bloedstollende drama’s ophouden op het moment dat het doek valt, kan hij zijn fantasie de vrije loop laten. Ongetwijfeld kent u de prachtige ode aan de kunstenaars die Louis Paul Boon in het eerste hoofdstuk van De Kapellekensbaan schreef:

zult gij de menselijke diepten en hoogten dieper en hoger doorpeilen dat in de demonen van de gebroeders karamazof, zult gij de tijd buiten tijd en ruimte razender achternajagen dan proust, of zult gij het leven binnen tijd en ruimte hardnekkiger geselen dan in de voyage au bout de la nuit? weet gij de ontspoorde mens-in-een-scheve-maatschappij beter in zijn juiste verhouding van levend en denkend dier te plaatsen dan de minnaar van lady chatterley? weet gij nuchterder dan lenin, naturalistischer dan zola, breedsprakeriger dan de bijbel met woorden om te springen?_7 _

Binnen de veelheid aan verhalen, die spiegels zijn waarin de maatschappij en het individu hun eigen contouren ontdekken, valt het verhaal van de kunstenaar op omdat het extreem is. Binnen die veelheid is het fascinerend omdat het helder is en emotioneel aanlokkelijk. Binnen die veelheid is het afstotelijk omdat het ruw is en confronterend. Ik denk dat alle grote kunst die beide elementen in zich verenigt.

Hoe moeten we deze visie situeren binnen het gelijkekansenbeleid van de sp.a? Een progressief kunst- en cultuurbeleid moet zich niet richten op het product zelf - het kunstwerk - maar op de omgevingsfactoren die de creatie en participatie bevorderen. Men mag daarbij niet langer uitgaan van een eenduidig maatschappijbeeld waarbij iedereen verenigd is rond dezelfde culturele canon. In mijn visie bestaat er geen gemeenschappelijk verhaal meer en shopt iedereen naar hartelust zijn eigen verhaal bij elkaar. Om nog eens Eric Corijn te citeren:

En in die context van crisis, van vervaging van precieze en gemeenschappelijke einddoelen, wordt het proces steeds belangrijker. Het eindproduct is niet van tevoren bepaald, het wordt samen gemaakt. In de context van multipele wereldbeelden, zingevingsystemen, kortom in die multiculturele context wordt hybridisatie (versmelting/SDR), ‘métissage’ (vermenging/SDR) uiterst belangrijk in het zoeken naar gemeenschappelijkheid. Die gemeenschappelijkheid steunt minder op traditie, samenleven steunt steeds minder op integratie in het model van de ander. Het maatschappelijk project moet dus worden geconstrueerd in de interactie, in het proces._8 _

De beleidsmaker moet er met andere woorden vooral op toezien dat het cultureel aanbod maximaal gedifferentieerd en complementair is, waardoor het grootst mogelijk aantal mensen zich door onderdelen van dit aanbod kunnen aangesproken voelen en er gebruik van willen maken. Het sociologisch model van Patrick Janssens, met zijn grote nadruk op zo breed mogelijke participatie aan het proces van cultuurbeleving, klopt zonder enige twijfel voor het geheel van het cultureel aanbod, maar moet daarbij voldoende rekening houden met de specifieke eigenheid van de individuele culturele actoren. Niemand is nog in staat om een aanbod te genereren dat voor iedereen aantrekkelijk is, maar allen samen zijn we wel in staat een explosieve culturele rijkdom te ontwikkelen waarin iedereen zijn gading vindt. Het lijkt me een absolute opdracht van de overheid om erop toe te zien dat precies die veelkantigheid verder ontwikkeld wordt en maximaal beschikbaar blijft. Het is geen gemakkelijke opdracht om dit uitgangspunt te vertalen in concrete, efficiënte beleidslijnen maar het is wel de enige manier om iedereen de kans te geven te participeren aan het cultuuraanbod.

Mijn visie is in wezen een individualistische visie die ogenschijnlijk vloekt met de hang naar collectiviteit en solidariteit die zo kenschetsend is voor het sociaaldemocratische verhaal. Maar we leven in een andere wereld dan pakweg honderd jaar geleden. Het individualisme van deze voortrazende tijd verzoenen met de volgehouden oproep tot maatschappelijke solidariteit die de beweging groot heeft gemaakt, is zonder enige twijfel de meest prangende intellectuele uitdaging van het hedendaags sociaaldemocratisch gedachtegoed.

Noten
1. ‘Gebruiksaanwijzing der lyriek’ in Music Hall, Paul Van Ostaijen, Bert Bakker/Amsterdam 1976, pag. 164.
2. www.sp.be/actueel/vernieuwing
3. Wie slaapt vangt geen vis. Luk Perceval over theater en leven, Joost Houtman, Van Halewyck 2001.
4. ‘Sociaal-artistieke projecten zijn artistieke projecten en vice versa’, Eric Corijn, Thersites-lezing op het Theaterfestival 2001, computerprint, pag. 3.
5. Wie slaapt vangt geen vis, pag. 76-77.
6. Wie slaapt vangt geen vis, pag. 87-88.
7. De Kapellekensbaan, Louis Paul Boon, De Arbeiderspers Amsterdam 1990, pag. 15.
8. Sociaal-artistieke projecten zijn artistieke projecten en vice versa’, pag. 5.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 36 tot 43