Abonneer Log in

Een kernvrij België?

Graag en het mag ook iets kosten

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 16 tot 24

‘L’Europe est confrontée à de nouveaux choix sur le nucléaire’, titelde Le Monde op 3 december 2001. Aanleiding waren een reeks gebeurtenissen waarmee het nucleaire weer op de (Europese) politieke agenda werd geplaatst. Eén daarvan was het feit dat de Duitse minister van economie, Werner Müller, zich openlijk vragen stelde bij het voornemen van zijn regering om tegen 2020 de productie van elektriciteit uit kernenergie stop te zetten. Dit zou niet kaderen in een goed energiebeleid dat tegelijkertijd in de vraag voorziet, milieuvriendelijk én economisch rendabel is. Bovendien haalt Duitsland op die manier nooit de Kyoto-normen inzake de CO2-reductie, aldus de minister.

De weerstand van de publieke opinie, wegens de potentiële gevaren voor milieu en volksgezondheid, heeft ondertussen in vijf van de acht Europese lidstaten die kerncentrales bezitten, geleid tot het instellen of aankondigen van een moratorium op kernenergie.1 Italië had haar nucleaire programma reeds in de jaren 80 afgezworen en van de overige drie ‘nucleaire lidstaten’2 overweegt enkel Finland nog de bouw van een nieuwe reactor. Het einde van het nucleaire tijdperk leek daarmee even in zicht. De met het Protocol van Kyoto aangegane verplichtingen om het hoofd te bieden aan de wereldwijde klimaatveranderingen, lijken echter een gedroomde kans om de discussie omtrent de toekomst van kernenergie terug aan te zwengelen. De Duitse economieminister staat dan ook niet alleen met zijn standpunt. Dezelfde lijn vinden we terug in het Groenboek van het Directoraat-generaal Energie en Vervoer van de Europese Commissie. Ook daarin wordt gewezen op het ‘opnieuw ter sprake brengen van kernenergie’ in het kader van de strijd tegen de broeikasgassen (Europese Commissie, 2001). In het Groenboek wordt onomwonden gesteld dat de EU ‘haar leidende positie betreffende civiele nucleaire technologie’ moet behouden, opdat zij ‘over de nodige expertise terzake blijft beschikken om meer efficiënte splijtingsreactoren te ontwikkelen en om kernfusie in de toekomst mogelijk te maken’ (Europese Commissie, 2001). Naar aanleiding van de definitieve beslissing in maart 2002 tot het afstappen van kernenergie in België (zie verder), duikt naast de vraag omtrent de bevoorrading en de haalbaarheid van alternatieven ook steeds het schrikbeeld van Kyoto op als argument om deze beleidsoptie in vraag te stellen. Of hoe milieuoverwegingen ertoe hebben geleid het gebruik van kernenergie in vraag te stellen en opnieuw milieuoverwegingen ertoe leiden het afbouwen van kernenergie weer ter discussie te stellen. En dit alles onder het motto van de duurzame ontwikkeling.

De belangrijkste aanleiding voor dit artikel is een enquête die het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) liet uitvoeren door de faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de UIA. De enquête had niet meteen de bedoeling te peilen naar houdingen en percepties inzake duurzame ontwikkeling. Toch kwamen enkele elementen naar boven die in dit kader relevant zijn. Meer bepaald werden een aantal indicatoren gevonden van de mate waarin de bevolking bereid is mee te stappen in een aantal cruciale maatregelen, zoals het Belgische uitstapbeleid kernenergie.Vooraleer hierop in te gaan, worden de relevante passages inzake dit uitstapbeleid uit het Federale Plan voor Duurzame Ontwikkeling (FPDO) besproken en gekaderd in het Belgisch beleid ter zake. Vervolgens wordt de link gelegd met enkele cijfers uit de voornoemde enquête die betrekking hebben op verwachtingen op het vlak van communicatie. Deze cijfers slaan enkel op communiceren over het nucleaire, maar zijn ook in een ruimere context relevant. Internationale verdragen leggen immers de nadruk op inspraak van de bevolking als één van de belangrijke peilers van duurzame ontwikkeling. En een belangrijke basis voor duurzaam participeren is duurzaam communiceren.

België en duurzame ontwikkeling

Reeds van bij haar aantreden wilde de regering Verhofstadt I tonen dat het haar menens is met duurzame ontwikkeling en het halen van de in Kyoto vastgestelde emissienormen. In het regeerakkoord van 7 juli 1999, kon men lezen dat de regering ‘een actief beleid zal voeren om een duurzame ontwikkeling te schragen’ (Regeerakkoord, 7 juli 1999). Dit werd opnieuw onderstreept in de prioriteitennota van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, waarin de bevordering van de duurzame ontwikkeling en de levenskwaliteit als één van zes krachtlijnen werd aangeduid. Bovendien wenste België zich als voorzitter te engageren om het Kyotoproces opnieuw vlot te krijgen. In de ban van Bonn3, ratificeerde het parlement, op verzoek van de regering, op 12 juli 2001 het Protocol van Kyoto. Daar het Protocol ook heel wat ‘gewestmaterie’ omvat, volstaat echter de goedkeuring van het federale parlement niet om een Belgische ratificatie rond te krijgen. Het Brusselse gewest ratificeerde reeds op 19 juli 2001, maar het blijft voorlopig nog even wachten op een ratificatie door het Vlaamse en Waalse Gewest. Bedoeling is dit begin 2002 te realiseren, om de gezamenlijke EU-ratificatiedatum van 1 juni te halen.4 In het regeerakkoord stelde de regering zich bovendien tot doel economie, ecologie en sociale bescherming op mekaar af te stemmen ‘teneinde te komen tot een samenleving waarin de kwaliteit van het leefmilieu een integraal onderdeel uitmaakt van elke handeling’ (Regeerakkoord, 7 juli 1999). Om de goede bedoelingen te onderstrepen, wordt verwezen naar een aantal concrete acties, zoals het aanpassen van de productnormen, het ecologiseren van de fiscaliteit en het invoeren van ecolabeling. Overleg met de gewesten inzake milieubeleid zal worden opgevoerd en … er wordt werk gemaakt van een Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling.
In de federale beleidsverklaring, van 17 oktober 2000, stelde premier Verhofstadt opnieuw dat zijn regering intensiever werk wil maken van duurzame ontwikkeling en de integratie ervan in alle beleidsdomeinen. Bovendien werd als belangrijkste verwezenlijking van de afgelopen regeerperiode verwezen naar het goedkeuren van het eerste federale plan inzake duurzame ontwikkeling. Dat noch het plan, noch het KB dat het plan vastlegt een jaar later in het Staatsblad zijn verschenen, mag geen domper op de feestvreugde heten.

Het Federale Plan inzake Duurzame Ontwikkeling en het uitstapbeleid kernenergie

Het eerste Federale Plan inzake Duurzame Ontwikkeling, dat de periode 2000-2004 beslaat, werd op 20 juli 2000 goedgekeurd door de Ministerraad en vastgelegd bij koninklijk besluit.5 Het plan heeft evenwel geen verordende kracht en geeft dus enkel de beleidslijnen weer die de regering voornemens is uit te voeren. Het plan bevat vijf grote delen: (1) beginselen, thema’s en doelstellingen; (2) federaal beleid gericht op de economische, sociale en ecologische componenten van een duurzame ontwikkeling; (3) middelen ter implementatie; (4) versterking van de rol van de grote maatschappelijke groepen; (5) tien richtsnoeren voor het beleid. Het is bij het tweede deel en meer bepaald bij het onderdeel ‘Beleid ter bevordering van een duurzame ontwikkeling van de energie’ (FPDO, p.61-69) dat we hier stilstaan.
Het federaal plan voorziet op het vlak van de energie drie strategische doelstellingen. Ten eerste rationeel energieverbruik (REG) aanmoedigen om zo een globale daling van het energieverbruik te bekomen (met 7,5% t.o.v. 1990 tegen 2010). Daarbij rekening houdend met de specifieke situatie en aanpassingsmogelijkheden per sector. Ten tweede bijdragen tot de ontwikkeling van schonere en hernieuwbare energie (niet-fossiele hernieuwbare energiebronnen en biomassa), aan de hand van een prijzen- en normeringsbeleid. Ten derde het afstappen van kernenergie, door middel van een moratorium op de opwerking tot Mox en het deactiveren van de kerncentrales van zodra deze 40 jaar oud zijn. In functie van deze afschaffing van kernenergie, moeten de mogelijkheden voor het gebruik van andere en meer doeltreffende energiebronnen beter ontwikkeld worden. In het FPDO wordt aangegeven dat het deactiveringsscenario voor kernenergie vaak in vraag werd gesteld in het debat over het verband tussen het nucleaire beleid en het energiebeleid. Daarom wordt gesteld dat de regering zich ertoe verbindt ‘een nota te schrijven die deze keuze rechtvaardigt’ aan de hand van ‘de planetaire impact van de veralgemening van het gebruik van nucleaire energie, de langetermijnvisie op het gebruik ervan, integratie van de ontmanteling van centrales in een beleid ter vermindering van de CO2-uitstoot, de verandering van de consumptiegewoonten en de wetenschappelijke onzekerheden verbonden aan nucleaire energie’ (FPDO, p.64).
Deze nota nam uiteindelijk de vorm aan van het ‘Plan-Deleuze’, dat op 1 maart 2002 door de federale ministerraad werd goedgekeurd als voorontwerp van wet. De wet bepaalt de effectieve verwezenlijking van het uitstapbeleid kernenergie. Alle kerncentrales voor industriële elektriciteitsproductie (dus niet de onderzoeksreactor van het Studiecentrum voor Kernenergie te Mol) moeten na 40 jaar dienst gedeactiveerd worden. Dit betekent concreet dat de oudste reactor van Doel als eerste aan de beurt is in 2015 en de jongste reactor in Tihange als laatste in 2025. Voor de volledige ontmanteling wordt gerekend met een periode van 35 jaar. Tevens zullen er geen nieuwe kerncentrales voor elektriciteitsproductie meer gebouwd of in gebruik genomen worden. Om de elektriciteitsbevoorrading onder geen enkele voorwaarde in het gedrang te laten komen, wordt wel voorzien dat in geval van uitzonderlijke overmacht nog van het uitstapscenario kan worden afgeweken. Deze overmacht kan evenwel niet ingeroepen worden door de producenten, transporteurs of distributeurs van elektriciteit, noch door de Gewesten. Jaarlijks zal een indicatief plan worden opgesteld dat rekening zal houden met het afbouwscenario enerzijds en het respecteren van de Kyoto-normen anderzijds en op basis daarvan zal worden aangeven waar er geïnvesteerd moet worden.

De toets van de praktijk

Het FPDO legt een sterke nadruk op inspraak en participatie bij de totstandkoming van de plannen voor het beleid Duurzame Ontwikkeling. Hierbij werd door het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling aan de Universiteit Gent een studie uitgevoerd naar de reacties van de Belgische bevolking op het Voorontwerp van het FPDO. Deze studie verwerkte alle opmerkingen die vanuit verschillende geledingen van de maatschappij op het federaal plan kwamen. De opmerkingen kwamen er na een grootscheepse campagne van de overheid binnen de politieke wereld, het middenveld en de algemene bevolking. We willen hier geen uitspraak doen over de mate waarin de opmerkingen die in de studie naar voor kwamen al dan niet in het federale plan verwerkt werden. Wel willen we de doelstellingen uit het federale plan, voor wat betreft het energiebeleid, toetsen aan gegevens die verzameld werden in het kader van een grootscheepse enquête in opdracht van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC). Deze gegevens geven een indicatie van de mate waarin de bevolking bereid is om mee te stappen in het beleid, zoals dat in het FPDO uitgetekend werd.

Het onderzoek waarvan we hier enkele resultaten weergeven, werd in 2000 uitgevoerd door de faculteit PSW van de UIA. De opdracht bestond uit het evalueren van de Jodiumcampagne die de federale ministers van volksgezondheid en binnenlandse zaken een jaar daarvoor in de Belgische nucleaire gemeenten lanceerden. Deze campagne vestigde de aandacht op het probleem van een met radioactiviteit verzadigde schildklier na een eventuele kernramp en riep op om als voorzorgsmaatregel jodiumtabletten in huis te halen. De campagne was gericht op twee specifieke doelgroepen. In de eerste plaats werden alle bewoners die in een straal van 10 kilometer rond een nucleaire centrale woonden opgeroepen om gratis jodiumtabletten bij hun apotheker te gaan ophalen. In de tweede plaats werden de bewoners in een straal van 10 tot 20 kilometer op de hoogte gebracht van de gevaren van nucleaire straling, evenwel zonder hen gratis jodiumtabletten aan te bieden. De resultaten van het evaluatieonderzoek wezen uit dat er over het algemeen heel positief gereageerd werd op de campagne en dat de informatieoverdracht voor de meeste nucleaire centrales een succes te noemen was. Het hoge aantal dosissen jodiumtabletten dat na de terroristische aanslagen van 11 september in apotheken opgehaald wordt, wijst op een duurzaam effect van de campagne. Wanneer mensen met het gevaar van een nucleaire catastrofe geconfronteerd worden, blijkt het beeld van jodiumtabletten als voorzorgsmaatregel goed doorgedrongen te zijn. De steekproef van het onderzoek bevat 1.407 respondenten, afkomstig uit de 10- en 20-kilometer-zones rond de nucleaire installaties waarin de federale jodiumcampagne verspreid werd. Het betreft hier dus geen steekproef op de hele Belgische bevolking maar enkel een representatief staal van de vijf nucleaire zones van ons land (Doel, Mol-Dessel, Fleurus-Farciennes, Tihange, Chooz).6 De vragenlijst behandelde uiteraard de verschillende aspecten van de Jodiumcampagne, maar ging daarnaast ook in op aspecten die met het nucleaire in het algemeen en het nucleair beleid in het bijzonder samenhingen. Het is hierbij dat we willen stilstaan.

De cijfers

Zoals uit Tabel 1 blijkt, is een grote meerderheid van de respondenten voorstander van de plannen om kernenergie geleidelijk af te bouwen. Drie vierde van de ondervraagden steunt de beleidsmaatregel. Bovendien is men ook bereid daar de consequenties van te ondergaan, in de zin dat men meer wil betalen voor meer milieuvriendelijke energie. Zowel in Vlaanderen als in Wallonië is een meerderheid van de bevolking bereid om de gevolgen van een milieuvriendelijk beleid, hoe dat er ook moge uitzien, te dragen. Deze cijfers gaan redelijk ver, in de zin dat er in de uitspraak niet concreet ingegaan wordt op mogelijke alternatieven en hoe groot de meerkost zou kunnen zijn. Zestig percent van de respondenten toont met andere woorden een onvoorwaardelijke bereidheid om meer te betalen voor kernvrije alternatieven. Ondanks deze gelijklopende intentie om meer te betalen voor hun milieuvriendelijke energie, zien we in Wallonië toch een grotere bezorgdheid voor kernenergie dan in Vlaanderen. Deze bezorgdheid vertaalt zich bijvoorbeeld in een groter wantrouwen over het al dan niet veilig produceren van kernenergie met de huidige wetenschappelijke kennis maar ook in een grotere angst voor nucleaire accidenten (zie Tabel 2). We komen hier later nog op terug. Algemeen genomen vinden we in Tabel 1 dat de aandacht voor milieu en duurzame ontwikkeling groter is in Wallonië dan in Vlaanderen. De Waalse staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling Olivier Deleuze zal hier niet volledig vreemd aan zijn. Toch kunnen we de algemene steun voor het groene beleid inzake duurzame ontwikkeling niet helemaal daar toe herleiden.

Tabel 1: Antwoorden ‘eens’ op uitspraken over kernenergie naar regio (N=1360)

Een belangrijke indicator om het verschil in houding tussen Vlaanderen en Wallonië te toetsen, is de indruk die men heeft van kernenergie. Een negatieve houding ten aanzien van kernenergie, zal de roep om alternatieven sterker maken. In het onderzoek werden geen rechtstreekse vragen betreffende de gewenstheid van kernenergie gesteld. Wel werd aan de respondenten gevraagd hoe groot zij de kans achtten dat in bepaalde delen van Europa zich een kernramp zou voordoen. Daarbij werd eerst gevraagd naar de kans binnen België en daarnaast ook naar de kansen in West- en Oost-Europa. De inschatting van een kernramp is zeker niet hetzelfde als een mening over het al dan niet afschaffen van kernenergie, maar het geeft een goede indicator voor de angst die men eventueel heeft met betrekking tot het nucleaire. Zeker voor mensen die wonen in een 10- of 20-kilometer-zone rond een nucleaire installatie, wijst de inschatting van een nucleaire ramp op een vertrouwen of wantrouwen in de nabije nucleaire installatie. Uit Tabel 2 blijkt dat het algemene vertrouwen in de Belgische nucleaire installaties meevalt. Slechts een kleine 17 percent van de bevolking schat de kans op een nucleaire ramp in België groot tot zeer groot in. Toch is dit algemene cijfer bedrieglijk. In Vlaanderen blijkt dit wantrouwen immers maar half zo groot als in Wallonië. Daar schat ongeveer een op vier respondenten de kans op een ramp hoog in. Uiteraard betekent dit dat nog een grote meerderheid in het zuidelijke landsgedeelte vertrouwen stelt in de naburige centrale, maar toch valt de somber gestemde groep niet te verwaarlozen. Binnen het Franstalige landsgedeelte is dit wantrouwen bovendien ook niet gelijkmatig verspreid. Voornamelijk rond de installatie van Fleurus heerst er een betrekkelijk grote angst voor problemen met kernenergie. Het feit dat deze installatie redelijk onbekend is bij het grote publiek zou hier mogelijk een verklaring voor kunnen vormen. Naast Fleurus scoren anderzijds de centrales van Chooz en Tihange ook hoger dan het algemene gemiddelde.

Tabel 2: Antwoorden ‘groot’ en ‘zeer groot’ op uitspraken over de kans op een nucleaire ramp, naar regio en nucleaire site (N=1360)

Los van de Belgische situatie en het Belgische energiebeleid, vinden we in de uitbreiding van de vraag betreffende nucleaire ongevallen naar West- en Oost-Europa nog opvallende resultaten. Zo is men in Wallonië opnieuw dubbel zo bezorgd over kernrampen dan in Vlaanderen. Een mogelijke verklaring zou de perceptie van de Franse nucleaire installaties kunnen zijn. In dat geval is men in Vlaanderen geruster over de Nederlandse centrale (of is men minder op de hoogte van het bestaan ervan?) dan Wallonië is over de Franse situatie. Over Oost-Europa is iedereen het nagenoeg eens dat de kans op een nucleair accident daar groot tot zeer groot is. De impact van het ongeval in Tsjernobyl en de mediaberichten over verdwenen plutonium en de algemene verloedering van Oost-Europese centrales vertaalt zich duidelijk in een bezorgdheid voor de situatie aldaar. In het FPDO wordt hiervan indirect melding gemaakt, met name onder de hoofding ‘ontwikkeling van de technologie’. Daar wordt gestipuleerd dat bijkomende inspanningen moeten worden geleverd om ‘de knowhow inzake de ontmanteling van kerninstallaties en het beheer en de opslag van radioactieve afvalstoffen van zowel onze bevoegde overheidsinstellingen … als Belgische privébedrijven maximaal te valoriseren in Oost- en Centraal-Europa’ (FPDO, p.67). Men kan zich daarbij de vraag stellen of deze passage bij de bevolking niet de indruk kan wekken dat men op zoek is naar interessante en liefst verafgelegen ‘testterreinen’, eerder dan dat ze geïnterpreteerd zal worden als een welgemeende initiatief tot hulpverlening bij de afbouw van kernenergie in deze landen.

Communiceren over duurzame ontwikkeling

Er is een duidelijk draagvlak voor het huidige beleid inzake kernenergie. De uitstapregeling voor kernenergie wordt door een meerderheid van de bevolking gesteund. Om te peilen wie in het hele debat rond het nucleaire als bevoorrechte partner aanzien wordt door de bevolking, werd ook gevraagd naar wie de communicatie rond het nucleaire het best zou verzorgen. De respondenten werd de mogelijkheid gegeven om meerdere antwoorden te geven. Tabel 3 geeft een overzicht van de antwoorden op deze vraag waarbij de meest voorkomende combinaties apart vermeld worden en de andere combinaties samengevat werden in ‘Andere’.

Tabel 3: ‘Van wie verwacht u informatie’ opgesplitst naar gewest, in % (N= 1391)

Op het eerste zicht lijkt het gemeentelijk niveau sterk naar voor te komen als belangrijke informatieverstrekker. Toch is de federale overheid de instantie waar het vaakst informatie van verwacht wordt met betrekking tot het nucleaire. Alleen ziet men de rol van de federale overheid meer als een gecombineerde rol, waarbij ook informatie dient te komen van andere instanties. Opvallend is dat de milieubeweging niet als een belangrijke communicator naar voor komt. Wanneer het over nucleaire thema’s gaat, wendt de burger zich duidelijk meer tot de overheid voor zijn informatie dan naar een of andere drukkingsgroep. Dat geldt dan weer niet voor de nucleaire sector die voornamelijk in combinatie met de federale overheid als een belangrijke leverancier van informatie gezien wordt.

Het feit dat men informatie verwacht, betekent echter nog niet per definitie dat men deze informatie ook betrouwbaar acht. In de vragenlijst werden dan ook enkele items opgenomen die peilden naar het vertrouwen van de respondenten in verschillende informatiebronnen. Daaruit kunnen we concluderen dat men academici (64 %) het meest geloofwaardig acht. In dalende volgorde van geloofwaardigheid volgen dan het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) te Mol (54%), Greenpeace (51%), de gemeentelijke overheid (50%), het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (48,5%), de federale overheid (46%), de Bond Beter Leefmilieu (43%), de VN (38%), de Vlaamse overheid (36%), de nucleaire sector (35%), de Europese Commissie (33,5%) en de media (33%). Helemaal achteraan komen familieleden (19%), vrienden (17%), buren (12,5%) en politieke partijen (12%). Zowel de experten als de overheid scoren redelijk op het gebied van vertrouwen. Opvallend is hier dat ook de milieubeweging Greenpeace door meer dan de helft van de respondenten als een betrouwbare bron aanzien wordt. Hiermee scoren zij zelfs (iets) hoger dan de federale of de gemeentelijke overheid. De milieubeweging wordt dus in mindere mate als een essentiële communicator gezien in het bekomen van informatie, maar wordt aan de andere kant des te meer vertrouwd wanneer zij informatie verspreiden.
De Jodiumcampagne was een federaal initiatief. In het evaluatieonderzoek werd echter gekeken in welke mate ook de gemeentelijke overheid een rol zou kunnen spelen in het verspreiden van informatie over het nucleaire. Uit Tabel 3 bleek reeds dat de gemeentelijke overheid als een belangrijke partner gezien wordt om informatie te verspreiden over het nucleaire. De verschillende antwoordmogelijkheden op deze vraag werden herleid tot drie mogelijkheden: een actief, een passief en een gemengd beleid. Een actief beleid omvat het organiseren van informatieavonden, het opstellen en verdelen van eigen brochures en het verzamelen en verspreiden van meetgegevens rond radioactiviteit. Een passief gemeentebeleid omvat daartegenover het verdelen van brochures van andere organisaties of instanties en het verspreiden van algemene informatie via het gemeenteblad. Een combinatie van beide wordt omschreven met de term gemengd beleid.

Tabel 4: ‘Welk gemeentebeleid verwacht u’ opgesplitst naar gewest, in % (N= 750)

Algemeen genomen is bijna zestig percent van de respondenten voorstander van een actief gemeentelijk beleid inzake communicatie rond nucleaire veiligheid. Vlaanderen kiest daarbij veel duidelijker voor een actief beleid dan Wallonië. Toch is er ook in het zuidelijke landsgedeelte een duidelijke meerderheid te vinden voor een actievere rol van de gemeente op het nucleaire terrein.
De resultaten van de enquête inzake verwachtingen met betrekking tot communicatie, sluiten nauw aan bij de conclusies die werden getrokken op een symposium van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling (FRDO) op 14 juni 2001.7 Doel van het symposium was de uitvoering van de Rio-verbintenissen in België te evalueren en naar voren brengen wat volgens de leden van de FRDO de belangrijkste hinderpalen zijn om duurzame ontwikkeling in België in de praktijk te brengen. Bovendien wilde de FRDO via het symposium ook voorstellen ter verbetering formuleren. Het opzet van het symposium was om rond de gedefinieerde hinderpalen (politieke, economische, culturele en maatschappelijke) werkgroepen te organiseren, die op deze vlakken beleidsvoorstellen zouden ontwikkelen. Uit de werkgroep ‘maatschappelijke hinderpalen’, kwam als eerste voorstel naar voren de participatie op lokaal vlak te versterken. De werkgroep wees daarbij op de ‘noodzaak om de gemeenten en de lokale overheden nauwer bij duurzame ontwikkeling te betrekken’ en op de unieke plaats van de gemeenten om een ‘voorbeeldfunctie van de overheid ten aanzien van de burgers te vervullen’ en om ‘op een actieve manier de deelneming aan het besluitvormingsproces, vaak over zeer concrete keuzes, aan te moedigen’ (Depoortere, 2001). Tegelijkertijd waarschuwde de werkgroep evenwel dat er zich op dat vlak echter een groot probleem stelt van informatie en motivering van de lokale actoren. We kunnen ons bij deze conclusie enkel maar aansluiten en op basis van bovenvermeld verwachtingspatroon van de bevolking, pleiten voor een betere samenwerking tussen de verschillende overheidsniveaus met betrekking tot duurzame ontwikkeling in het algemeen en het kernenergiebeleid in het bijzonder.

Besluit

Ondanks het redelijk grote vertrouwen in de Belgische kerncentrales, vindt maar liefst 75% van de ondervraagden dat kernenergie moet worden afgebouwd. Dat het hen daarbij menens is, leiden we af uit het feit dat 61% van de ondervraagden bereid is daarvoor een meerprijs te betalen.
Dat de enquête werd uitgevoerd in tempore non suspecto, maakt de vraag tot het afbouwen van kernenergie en het zoeken naar alternatieven alleen maar krachtiger. We mogen er immers vanuit gaan dat de gebeurtenissen van 11 september en de kort daarop verschenen berichten dat onze kerncentrales misschien toch niet zo bestand zijn tegen vliegtuigcrashes als aanvankelijk vermoed, het vertrouwen zeker niet versterkt zullen hebben. De resultaten van de enquête kunnen we dan ook beschouwen als een signaal aan de regering dat de beleidskeuze voor de deactivering van de kerncentrales, ouder dan 40 jaar, alvast op de nodige sympathie van de bevolking kan rekenen. Ondanks een aanzienlijk vertrouwen in de veilige productie ervan, is kernenergie in de ogen van de publieke opinie geen oplossing voor het energievraagstuk op lange termijn. De duidelijke bereidheid van de bevolking om meer te betalen voor alternatieve energie mag dan meteen ook een signaal zijn aan de energieproducenten om meer te investeren in onderzoek naar die alternatieven, zoals bepleit wordt in het Groenboek van de Europese Commissie.
Het federaal en gemeentelijk niveau komen als twee belangrijke spelers in het nucleaire debat naar voren. Burgers vragen van beide niveaus informatie en willen dat beslissingen door beide niveaus genomen worden. Toch blijkt uit de praktijk dat over nucleaire thema’s de federale overheid en de gemeentelijke overheid vaak diametraal tegenover elkaar staan. Denk maar aan de rel die in 2000 ontstond tussen minister van Binnenlandse Zaken Duquesne en de burgemeesters van Mol en Dessel naar aanleiding van het transport van verglaasd nucleair afval uit La Hague naar Dessel. De gemeentelijke overheid deed toen alle mogelijke moeite om dit transport tegen te houden en was vooral zeer boos over het gebrek aan communicatie tussen de federale overheid en de plaatselijke burgemeesters. De dialoog tussen deze twee niveaus moet duidelijk nog een aanvang nemen.

Noten
1. Zweden, Spanje, Nederland, Duitsland en België
2. Finland, Frankrijk en Groot-Brittannië.
3. In juli 2001 werden in Bonn de eerder in Den Haag (november 2000) mislukte onderhandelingen over een internationaal klimaatverdrag hervat; dit keer met meer succes.
4. Aldus overeengekomen op de Europese Ministerraad voor Leefmilieu van 4 maart 2002.
5. Koninklijk besluit van 20 juli 2000 houdende de vaststelling van het Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling 2000-2004 (op 18/09/2001 nog niet gepubliceerd in het Staatsblad, wel te raadplegen via http://www.indicators.be/sites/default/files/p1\_n.pdf) .
6. Het betreft hier volgende nucleaire activiteit: kerncentrale (Doel, Tihange en de Belgische gemeenten in de omgeving van het Franse Chooz), StudieCentrum voor Kernenergie en enkele andere nucleaire bedrijven (Mol-Dessel) en productie van radio-isotopen (Fleurus-Farciennes).
7. FRDO-symposium, ‘Rio+10 in België: de kloof tussen verbintenissen en beleid’, donderdag 14 juni 2001.

Bibliografie
- Beleidstoespraak van premier Verhofstadt - 9 oktober 2001: http://premier.fgov.be/policy/n\beleidsverkln011009.html
- ‘De Brug naar de Eenentwintigste Eeuw’ - _Regeerakkoord
- 7 juli 1999: http://www.fgov.be/nl\index.htm (18/09/2001)
- De Federale Beleidsverklaring - ‘Het vertrouwen verder versterken’ - 17 oktober 2000: http://www.fgov.be/nl\_index.htm (18/09/2001)
- Depoortere, M. (2001), ‘Werkgroepverslag: Beleidsvoorstellen over het sociale aspect’. Brussel, Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling - Verslag FRDO-symposium, 14 juni 2001: http://www.frdo.be/nl/pubnl/sympnl/s2001rnl/srn\_soc.pdf
- Europese Commissie (2001), Groenboek - ‘Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening.’ Luxemburg, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen: http://europa.eu.int/comm/energy\_transport/doc-principal/pubfinal\_nl.pdf
- Federaal Plan inzake Duurzame Ontwikkeling 2000-2004: http://www.indicators.be/sites/default/files/p1\_n.pdf (18/09/2001)
- ‘Het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, 1 juli - 31 december 2001’, _Prioriteitennota
: http://www.eu2001.be/Images/pdf/Priorit\_Nl.PDF
- Verslag van de vergadering van de Ministerraad van 1 maart 2002, Persbericht (01.03.2002 - 0)

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 16 tot 24