Abonneer Log in

Samenleven in diversiteit: naar een evenwaardig burgerschap door meer participatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 4 tot 15

We hoeven ons niet meer af te vragen of we een multiculturele samenleving willen of niet. Want onze samenlevingen zijn al lang multicultureel en de diversiteit zal nog toenemen. Wat we wel moeten weten is voor welke multiculturele samenleving we kiezen. Is dat de samenleving van de sociale en culturele apartheid, waarin de verschillende bevolkingsgroepen, met ongelijke kansen, langs elkaar heen leven? Of is dat een samenleving waarin alle culturen, groepen en individuen op voet van gelijkwaardigheid ten volle kunnen participeren? Als sociaaldemocraten kiezen we natuurlijk voor het tweede. Voor ons is de actieve welvaartstaat een model dat het recht op participatie in de samenleving wenst te waarborgen. Die samenleving investeert bijgevolg actief in zijn menselijk kapitaal en sluit dus niemand uit op basis van sociale, nationale of etnische afkomst, van geslacht, leeftijd, of overtuiging. De overheid moet actief optreden in de uitbouw van zo’n samenleving. De keuze lijkt evident, maar is zeker niet de gemakkelijkste.

Integratie

Ondanks de mooie intenties van het tot nu gevoerde integratiebeleid stellen we vast dat er nog geen sprake is van een volwaardige participatie in onze samenleving. De statistieken over participatie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt kunnen dit voldoende staven. Er rijzen dan ook terecht meer en meer vragen over het klassieke ‘integratiedenken’. Integratie werd gezien als de derde weg tussen segregatie (apartheid) en assimilatie (aanpassing): een inpassing met oog voor de culturele eigenheid van de verschillende bevolkingsgroepen. Maar door de vaagheid van het begrip integratie (wanneer is men geïntegreerd?, geïntegreerd in wat?) krijgt het, al naargelang het thema of het discours, een andere invulling. En dat kan gaan van passieve tolerantie tot verplichte aanpassing. Integratie verwordt dan tot een voorwaarde om te kunnen participeren, in plaats van andersom. Zelfs iets concreets als taalverwerving kan niet worden opgelegd. Zo blijkt uit de evaluatierapporten van het inburgeringsbeleid in Nederland: een taal leer je niet in quarantaine uit een boekje, maar door te participeren in de samenleving. Integratie kan je niet opleggen, je kan wel integratiebevorderende maatregelen nemen, door mensen meer te doen participeren. In het debat wordt bovendien nog te veel in termen van homogene groepen gedacht: ‘wij’ en ‘zij’. Dat uniforme integratiedenken vertaalde zich ook in het overheidsoptreden: de nadruk werd teveel gelegd op een categoriale ‘aanpak’ van de anderen als een aparte groep. Een aparte integratiesector kwam binnen het welzijnswerk tot stand, die, hoe goed bedoeld ook, enkel in de softe marge van de samenleving kon werken. Terecht wordt dan ook meer en meer geopperd dat deze sector een bijna caritatieve functie vervult en als alibi gebruikt wordt om op andere terreinen geen inclusief beleid te voeren, waarbij de reguliere instanties hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. De allochtonen worden al te makkelijk herleid tot lijdend voorwerp. Ze krijgen te weinig aansporingen om eigen verantwoordelijkheid op te nemen en te weinig perspectief op volwaardige participatie. Een categoriale aanpak kan nuttig en soms zelfs nodig zijn, maar enkel als surplus op een inclusief beleid (gestoeld op het streven naar gelijke kansen en dus een hogere participatie van allochtonen in de samenleving). Want een inclusief beleid wil niet zeggen dat er geen specifieke positieve acties ten aanzien van bepaalde doelgroepen moeten zijn. Het wil wel zeggen dat die positieve acties een bekommernis en dus een onderdeel moeten zijn van het totale beleid. En niet alleen van een welzijnsminister of integratieambtenaar.

Emancipatie door participatie

Het uitgangspunt van dat beleid moet het streven naar een gelijkwaardig burgerschap zijn. Een burgerschap met gelijke rechten en plichten, gebaseerd op het feit dat men ergens legaal woont, werkt en belastingen betaalt en dat dus los staat van nationaliteit, huidskleur of culturele en religieuze achtergrond. Gelijke rechten en plichten impliceren een verantwoordelijkheid van de burger naar de samenleving toe. Hij moet respect hebben voor de regels van die samenleving én respect voor de anderen in die samenleving. Maar het betekent ook een verantwoordelijkheid van de overheid naar de burgers toe: zij moet ervoor zorgen dat haar burgers voldoende toegerust zijn om hun rechten en plichten evenwaardig uit te kunnen oefenen en ze moet het wederzijds respect tussen de burgers bevorderen. Het impliceert dus een actief gelijkekansenbeleid dat verder gaat dan een passieve multiculturele tolerantie en een vrijblijvend welzijnsbeleid. Ten aanzien van de allochtonen betekent dit onder meer het aanzetten tot taalverwerving en volwaardige en dus ook politieke participatie, het streven naar evenredige participatie in onderwijs en op de arbeidsmarkt met een non-discriminatiebeleid, het bestrijden van sociale achterstelling en ondersteuning en responsabilisering van het allochtone middenveldverenigingsleven. Ten aanzien van de autochtonen impliceert het ook dat zij met minderheden en andere culturen moeten leren leven, omgaan en communiceren.

Inburgeringsbeleid

Het inburgeringsbeleid dat momenteel in de steigers staat in Vlaanderen, zou daartoe een belangrijk instrument kunnen zijn. De fouten ten aanzien van vorige generaties migranten, waarbij vanuit de illusie van tijdelijke gastarbeid werd nagelaten om een degelijk onthaal- en emancipatiebeleid op te zetten, moeten in de toekomst vermeden worden. De prijs van die sociale achterstelling voor de betrokkenen en voor de samenleving is immers onaanvaardbaar. De aangeboden inburgeringstrajecten zouden een instrument moeten worden om de zelfredzaamheid van de migrant op sociaal, educatief en professioneel vlak te verhogen. Kennismaking met de samenleving, maar vooral taallessen en integratie op de arbeidsmarkt, al dan niet via onderwijs of beroepsopleiding en bijscholing, zijn hierbij essentieel. De categoriale aanpak van het onthaalbureau moet dan ook beperkt blijven: via soepel maatwerk en trajectbegeleiding moet de migrant zo snel mogelijk over de grens van de reguliere voorzieningen gebracht worden. De reguliere instanties in onderwijs en op de arbeidsmarkt op dat vlak moeten hun verantwoordelijkheid opnemen, in plaats van aparte en onvolledige kanalen uit te bouwen binnen het welzijnshuisje. Een educatief krediet dat recht geeft op een volwaardig traject moet decretaal verankerd zijn. De vrees bestaat immers dat de huidige voorgestelde indeling in primaire en secundaire trajecten ervoor zal zorgen dat enkel de primaire trajecten, die ook inzake taallessen totaal onvoldoende zijn, gewaarborgd zullen worden. Voor de secundaire vervolgtrajecten is men dan afhankelijk van de goedwil van de reguliere instanties. Inzake toeleiding naar de arbeidsmarkt heeft sp.a Minister Renaat Landuyt hiervoor de nodige middelen voorzien, en terecht gesteld dat een combinatie van taallessen met beroep(sop-leiding) essentieel is. Maar inzake onderwijs is het de vraag of er, gezien de reeds bestaande wachtlijsten voor taallessen bij de centra voor basiseducatie en volwassenenonderwijs, voldoende extra middelen zullen worden vrijgemaakt voor de vervolgtrajecten. Ook het beperken van het inburgeringsbeleid tot de nieuwkomers (volgmigratie in het kader van gezinsvorming en gezinshereniging, erkende asielzoekers, geregulariseerden) zou een gemiste kans zijn ten aanzien van de hier reeds enige tijd verblijvende allochtonen. Zeker inzake taallessen zijn de behoeftes van deze vergeten generaties nog steeds reëel. Ook in Nederland vond door inburgeringssubsidies een verdringing van oudkomers door nieuwkomers in de taallessen plaats, wat de Nederlandse Algemene Rekenkamer deed adviseren om dat onderscheid in subsidies op te heffen.

Het Nederlandse inburgeringsbeleid loopt al enkele jaren. Er kunnen dus al lessen getrokken worden uit de daar gemaakte evaluaties. Een kwart tot een derde van de nieuwkomers maakten de lessen niet af, ondanks de verplichting en mogelijke sancties (geldboete of verminderde uitkering). De redenen: de (taal)cursussen zijn niet voldoende op maat en niet voldoende toegespitst op (toekomstig) functioneringsdomeinen zoals werk, hoger onderwijs, ouderschap en vrijwilligerswerk, ze zijn niet voldoende combineerbaar met (tijdelijke) jobs. Kortom de inburgeringsprogramma’s bieden te weinig perspectief op participatie. De inburgeringsprogramma’s, zo stelt verder de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, moeten een eerste stap zijn in het participatieproces zelf, en niet slechts een voorbereiding op participatie, laat staan een voorwaarde tot participatie. Dit bevestigt onze visie om de inburgeringstrajecten zoveel mogelijk regulier te verankeren. Het bevestigt ook onze idee dat inburgering en emancipatie inspanningen van twee zijden vereisen. Tegenover het volgen van een inburgeringstraject moet een engagement van de overheid staan voor een volgehouden gelijkekansen- en antidiscriminatiebeleid. Wat baat het om inburgeringsinspanningen te doen als je daarna vanwege je naam of huidskleur geen job vindt, als je kinderen minder kans maken op volwaardig onderwijs, als je niet mee mag beslissen over wat er in je wijk of gemeente gebeurt? Verplichte inburgering is voor ons helemaal geen taboe. Maar dan moet er wel iets tegenover staan: stemrecht (opkomstplicht) bij lokale verkiezingen, een consequent antidiscriminatiebeleid en gelijkekansenbeleid, en dus een volgehouden streven naar evenredige participatie in onderwijs en op de arbeidsmarkt. Zoniet riskeren we weer een lege doos te maken waarvan we achteraf moeten vaststellen dat ze niet functioneert.

Politieke participatie

In het streven naar een volwaardig burgerschap is het verlenen van stemrecht (wat voor ons opkomstplicht betekent) bij lokale verkiezingen de logica zelve. De onzin van artificiële constructies in de trant van ‘je moet eerst Nederlands leren, Belg worden, integreren… alvorens je politiek mag participeren’ is duidelijk. Het feit dat in bepaalde stedelijke wijken sommige bevolkingsgroepen geen stem in het beleid hebben, vermindert niet alleen de betrokkenheid van die groepen, het vermindert ook de electorale druk tegenover overheden om in die wijken te investeren. En daar zijn ook de ‘achtergebleven’ autochtonen het slachtoffer van. Een kwestie van elementaire democratie dus. En gezien EU-burgers wel reeds kunnen stemmen, is het ook een kwestie van elementaire gelijke rechten. We slagen er vooralsnog niet in om ook ten aanzien van de EU-vreemdelingen de opkomstplicht op te leggen. Maar dat is voer voor juristen en geen argument. De opkomstplicht is voor ons evenzeer een kwestie van elementaire democratie. De snel-Belg-wet bespreken is voor ons evenmin een taboe en een evaluatie dringt zich op. In de eerste plaats om mogelijke misbruiken tegen te gaan. Maar dat men dan ook met duidelijke voorstellen en criteria afkomt, en niet terug met subjectieve dooddoeners zoals een vage ‘wil tot integratie’. Ondanks de makkelijkere naturalisatieprocedure, verkiezen naar schatting minstens 120.000 mensen om hun nationaliteit te behouden. Voor sommigen speelt hier een psychologische barrière. Belg wordt men misschien, maar een inwoner en burger van de leefgemeenschap is men al. Patrick Janssens heeft van bij zijn aantreden al duidelijk gemaakt dat voor sociaaldemocraten deze stemplicht niet meer dan logisch is en de sp.a-senatoren Fatma Pehlivan en Louis Tobback hebben in navolging van de PS en Agalev-Ecolo dan ook een wetsvoorstel ingediend. De kans om dat tijdens deze legislatuur te verwezenlijken is door de angstige VLD-houding verspeeld, waardoor het opnieuw op de agenda zal komen bij de volgende regeringsonderhandelingen.

Antidiscriminatiebeleid

Discriminatie is tegenstrijdig met de elementaire mensenrechten. Bovendien vermindert of verhindert discriminatie niet alleen de mogelijkheden tot participatie. Ze zorgt voor een tegengesteld effect bij de slachtoffers ervan. In een samenleving waar discriminatie van allochtonen schering en inslag is, zal die groep segregeren (zich afzonderen) in plaats van te integreren. Discriminatie geeft die groep bovendien een alibi om haar verantwoordelijkheid niet op te nemen. In 2000 keurde Europa twee belangrijke antidiscriminatierichtlijnen goed (richtlijn 2000/43/EG en 2000/78/EG): een algemene en een specifieke regeling inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep. Deze richtlijnen zijn belangrijk. Ze geven een duidelijke en ruime omschrijving van het begrip discriminatie (directe en indirecte), onder meer op basis van ras of etnische afstamming en van alle maatschappelijke terreinen waar dit strafbaar wordt. Bovendien introduceren ze het principe van de gedeelde bewijslast via makkelijker afdwingbare burgerrechtelijke procedures. De lidstaten moeten deze richtlijnen binnen de drie jaar in hun nationale wetgeving omzetten. De Federale regering volgt hierbij twee kanalen. Enerzijds wordt de wet Moureaux van 1981 aangevuld en verstevigd: verwerpelijke redenen (bv. racistische belediging) worden in een aantal misdrijven als verzwarende omstandigheid beschouwd; ook discriminatie van een groep i.p.v. enkel een persoon wordt gesanctioneerd; de arbeidsinspectie kan ook inbreuken vaststellen; en er wordt voorzien in de ontneming van politieke rechten en het recht om openbare ambten uit te oefenen bij een inbreuk op de wet. Anderzijds steunt en amendeert de regering het wetsvoorstel Mahoux, Van Riet, Mahassine, Nagy en Lozie. Dit moet een algemene antidiscriminatiewet worden. Hier worden dus ook meer toegankelijke burgerlijke procedures tegen discriminatie mogelijk, met gedeelde bewijslast: als het slachtoffer feiten kan aanvoeren die op discriminatie wijzen (en hiervoor kunnen ook statistische gegevens of een situatietest voor gebruikt worden!) moet de verweerder bewijzen dat hij niet gediscrimineerd heeft. Dit wetsvoorstel is goedgekeurd in de Senaat, en gaat nu voor behandeling naar de Kamer. De antidiscriminatiewetgeving is belangrijk voor het sanctioneren van discriminatie. Maar achteraf sanctioneren is niet voldoende. Er moet ook preventief gewerkt worden. Te veel vaardigheden worden in onze samenleving onderbenut of helemaal niet benut. Het erkennen, gebruiken en verhogen van die vaardigheden zijn noodzakelijk om tot een grotere participatie te komen. Arbeidsmarkt en onderwijs zijn hierbij essentiële sectoren.

Evenredige participatie op de arbeidsmarkt

Eén van de kernpunten die de mate van participatie bepaalt is arbeid. De ongelijke kansen en ongelijke participatie op de arbeidsmarkt zijn onaanvaardbaar. Van de allochtonen die zich aanbieden op de arbeidsmarkt vindt meer dan één op drie geen werk tegenover minder dan één op tien bij de Belgen. Deze achterstelling wordt deels verklaard door mindere kwalificaties en scholingsgraad, taalachterstand en de achteruitgang van de sectoren waarin zij traditioneel tewerkgesteld zijn of waren. Maar onderzoek heeft uitgewezen dat ook bij dezelfde kwalificaties er nog vaak vooroordelen en dus discriminatie meespelen. Ook bij gelijke scholing ligt de werkloosheid bij allochtonen na één jaar werkloosheid nog dubbel zo hoog dan bij autochtonen. Een actief beleid ter bevordering van een evenredige(re) participatie op de arbeidsmarkt is dus essentieel. De werkvloer zou een afspiegeling moeten zijn van de samenstelling van de bevolking. Overheid en wekgevers moeten daartoe een diversiteitsbeleid voeren: diversiteit moet dan als een economische en maatschappelijke verrijking worden gezien. Het is dus ook een zaak van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Minister Landuyt (sp.a) maakte van het ‘verhogen van de participatie van die bevolkingsgroepen die ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt’, één van de vier strategische doelstellingen van zijn Vlaams werkgelegenheidsbeleid. Onder meer via de VESOC-actieplannen en de TRIVISI-pioniersgroep ‘Diversiteit’ werden een conceptueel kader en acties ontwikkeld voor het verhogen van de inzetbaarheid van verschillende kansengroepen in de ondernemingen. Veel van deze acties zijn voorlopig vrijblijvend. Maar zij zorgen voor een ondersteuning naar de werkgevers toe waarop dan meer sturende maatregelen kunnen volgen. Verklaringen van goede intenties en het ondertekenen van charters volstaan immers niet, zo leert de Adecco-affaire. Een verder doorgedreven beleid ter bevordering van de evenredige arbeidsparticipatie dringt zich dus op. Op Vlaams niveau heeft Chokri Mahassine (sp.a) een voorstel van decreet ingediend voor evenredige participatie op de arbeidsmarkt. Dat is nu in bespreking in de commissie werkgelegenheid van het Vlaams Parlement. Het voorstel beoogt de omzetting in Vlaamse regelgeving van de Europese anti-discriminatierichtlijnen inzake arbeidsmarkt: beroepskeuzevoorlichting, beroepsopleiding, loopbaanbegeleiding en arbeidsbemiddeling. Niet alleen worden discriminatiemechanismen verboden, er wordt aan de betrokken intermediaire organisaties ook gevraagd om actieplannen en vooruitgangsrapporten op te stellen om tot een evenredige instroom en doorstroming te komen. Voor wat het Vlaams overheidspersoneel en onderwijspersoneel betreft, wordt het toepassingsgebied uitgebreid tot de arbeidsvoorwaarden. De Vlaamse overheid moet hierbij een voorbeeldfunctie op zich nemen en dus dezelfde actieplannen en vooruitgangsrapporten kunnen voorleggen. Zij moet ook een stimuleringsbeleid ten aanzien van de ondernemingen verder zetten.

Op Federaal niveau heeft Hans Bonte (sp.a) in de Kamer een wetsvoorstel ter bevordering van de evenredige arbeidsparticipatie ingediend, waarin het streven naar evenredige participatie wordt doorgetrokken tot op het niveau van de ondernemingen. Bedrijven worden zo op een systematische manier aangezet om hun wervings- en personeelsbeleid te evalueren en bij te sturen, door per bedrijf of sector jaarlijks actieplannen op te maken waarin de huidige samenstelling van personeel en de potentiële beroepsbevolking worden vergeleken, de oorzaken worden onderzocht waar de evenredige doorstroming naar en binnen het bedrijf knelt, en plannen worden uitgewerkt om hier iets aan te doen. Door een publicatieplicht binnen de reeds bestaande sociale balans komt er een meetinstrument en een zicht op het sociaal (on)verantwoorde beleid van de onderneming. Beide wetsvoorstellen leggen dus geen quota op, maar zetten aan tot het voeren van specifieke positieve acties ten aanzien van de kansengroepen, dus die doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt.
De voorbeeldfunctie van de overheid zou evident moeten zijn, in de praktijk is ze dat niet. De grondwet bepaalt dat enkel Belgen toegelaten zijn tot de (statutaire) openbare betrekkingen (voor de contractuelen bestaat die verplichting niet), behalve bij uitzonderingen die bepaald zijn in een wetgevende tekst. Staatssecretaris Robert Delathouwer (sp.a) heeft via een Brusselse ordonnantie alvast het Brussels openbaar ambt toegankelijk gemaakt voor alle nationaliteiten, waarmee alvast een formeel obstakel uit de weg is geruimd opdat de Brusselse administratie een afspiegeling zou kunnen worden van de bevolking. Maar belangrijker nog dan het wegnemen van die formele obstakels is een actief toeleidings- en doorstromingsbeleid naar de overheidsdiensten met duidelijke streefcijfers.

Gelijke kansen in het onderwijs

Hét maatschappelijke terrein bij uitstek ter verhoging van de maatschappelijke participatie is natuurlijk het onderwijs. De bijna voorbestemde achterstelling van allochtonen in het onderwijs is niet alleen onaanvaardbaar, maar een maatschappelijke tijdbom. De moeilijke doorstroming, of beter waterval, vertaalt zich ook in de studierichting waarin men terecht komt: bijna 60% van de niet-Europese leerlingen zit in het beroepsonderwijs (tegenover 22% van de Belgische leerlingen), en maar 19% in het algemeen secundair onderwijs (tegenover 45% van de Belgen). Logisch dus dat minder dan één procent van de Marokkaanse en Turkse leerlingen doorstroomt naar het hoger onderwijs. Dat is in verhouding tienmaal minder dan de Vlaamse jongeren. Van gelijke kansen kunnen we hier dus niet spreken, wel van een verkwisting van menselijk talent. Veel heeft natuurlijk te maken met taalachterstand en sociaaleconomische achterstand. En dus met een onvoldoende inzetten van middelen om deze verkwisting van menselijk kapitaal tegen te gaan.
Het ontwerp van decreet betreffende een gelijkekansenbeleid in het onderwijs, dat nu voorligt ter discussie, is een stapje in de goede richting maar laat vooralsnog te veel scheefgetrokken situaties onaangeroerd. De integratie van de zorgverbreding (t.a.v. leerbedreigde en kansarme leerlingen) en de onderwijsvoorrangsprojecten (ten aanzien van allochtone kinderen) in één ondersteuningsaanbod en de toekenning van extra omkadering op basis van gelijkekansenindicatoren zorgt misschien voor meer duidelijkheid. De concrete budgettaire invulling ervan (een gesloten enveloppe van ca. 3 miljard) is nog te veel een druppel op een hete plaat. Een andere vraag is of de voorziene uitzonderingsgronden voor doorverwijzing en de voorgestelde procedures daarbij zullen volstaan om een halt toe te roepen aan het doorsturen van leerlingen door witte elitaire en vrije scholen. Het enigszins nog begrijpbare beschermen van multiculturele scholen, opdat zij geen concentratiescholen worden, blijft de migrantengemeenschap opzadelen met een negatief beeld van ‘te veel is niet goed voor de school’, temeer daar hier tegenover geen afdwingend actief toeleidingsbeleid naar de witte scholen staat. De vraag blijft hoe de Europese richtlijnen inzake non-discriminatie en de te implementeren Belgische en Vlaamse regelgeving hieromtrent zich zullen verhouden tot de vrijheid van onderwijs. Die vrijheid van onderwijs maakt dat scholen zich kunnen onttrekken aan het voeren van een beleid voor allochtone kinderen door bijvoorbeeld enkel katholieke godsdienstlessen te voorzien, of door de ouders hoge schoolkosten voor te spiegelen. Als wij, zoals we pretenderen, niet meer vanuit de belangen van de onderwijsnetten uitgaan, maar vanuit het belang van de leerlingen, dan moet ook de schoolbevolking een afspiegeling zijn van de leefgemeenschappen waarin zij zich bevinden. En dus is het bestaan van witte elitaire scholen onaanvaardbaar. Als er krampachtig vastgehouden wordt aan de netten en het ‘eigen pedagogisch project’ of de vrijheid van onderwijs blijvend als alibi gebruikt wordt om witte elitaire scholen te handhaven, dan is het wel logisch dat we binnen afzienbare tijd met een islamitisch scholennet te maken krijgen. Een gelijkekansenbeleid in het onderwijs betekent voor ons in de eerste plaats dat alle financieringsmiddelen (en niet enkel de extra 3 miljard) herverdeeld worden op basis van meetbare sociale achterstandsindicatoren. Verschillende studies tonen aan dat het opleidingsniveau van de ouders doorslaggevend is als indicator. De herverdeling zou dus gebeuren in functie van de sociaal-culturele noden van de leerlingen: minder geld naar de elitaire scholen en meer geld en dus betere ondersteuning naar die scholen met meer leerlingen uit sociaal kansarmere middens. Voor de ouders moet onderwijs kosteloos zijn of aan een maximumfactuur onderworpen worden. Dat moet de verdere dualisering van het onderwijslandschap verhinderen (en elitescholen geen kans meer geven om van hun elitair en duur karakter een handelsmerk te maken). Dit is de enige mogelijke hefboom om tot een evenredige participatie in het onderwijs te komen. Studies tonen aan dat het bestaan van een sociale mix in de school een pedagogisch surplus voor alle leerlingen inhoudt. Laat dat een tegenargument zijn voor de reeds te verwachten kritiek dat deze voorstellen een nivellering naar beneden zouden teweegbrengen.

Grotere betrokkenheid

Als we de participatie van migranten willen verhogen, zullen we hen zelf meer moeten betrekken als individu maar ook als groep. Dat is niet in tegenspraak met ons pleidooi voor een inclusief beleid en het doorbreken van het homogene groepsdenken. Elke emancipatiebeweging kende haar eigen organisaties en structuren. Ook de allochtonen. Alleen worden zij vooralsnog te zijdelings bij het beleid betrokken. De rol van het middenveld in onze samenleving, als een belangrijke factor van sociale cohesie, wordt terecht opnieuw meer en meer erkend. Het is dan ook hoog tijd om ervoor te zorgen dat de zelforganisaties van allochtonen niet alleen ondersteund worden, maar ook meer betrokken worden. Lokale integratieraden en integratiecentra, hoe goedbedoeld en nodig ze ook mogen zijn, werden al te vaak als een paternalistisch alibi gebruikt om deze gemeenschappen en organisaties niet verder te betrekken binnen het bestaande beleidsvoorbereidend overleg. Het is juist door ze aan de kant te laten staan dat het wij-en-zij-gevoel versterkt wordt. Door ze meer te betrekken en te responsabiliseren zullen ze hun weg vinden binnen het bestaande middenveld. Voor Vlaanderen bestonden er in 2000 14 landelijke verenigingen met 541 aangesloten afdelingen of kernen, en een kleine 500 lokale migranteninitiatieven. Zij worden betoelaagd vanuit Cultuur, binnen één domein, dat van het socio-cultureel volwassenenwerk. Binnen het nieuwe decreet terzake worden nog enkel de landelijke verenigingen betoelaagd, om de samenwerkingsverbanden te stimuleren. Toch vervullen een aantal van deze verenigingen veel meer opdrachten op andere terreinen zoals jeugdwerking, sport, onderwijs (huistaakklassen), helpen bij het zoeken naar werk, juridische adviezen, huisvesting, welzijn enz. Ze worden hiervoor enkel via projectsubsidies betoelaagd, niet structureel. Bij het beleidsvoorbereidend werk worden zij eerder uitzonderlijk betrokken, en toch zijn de weinige kaders van deze organisaties nu al overbevraagd in allerlei (vaak vrijblijvende) advies-en werkgroepen. Zij vragen dan ook om erkend en betoelaagd te worden voor hun gehele werking en niet meer binnen één enkel beleidsdomein. Vlaams parlementslid Chokri Mahassine heeft een voorstel van decreet ingediend over de participatie van zelforganisaties van allochtonen. Op basis van strikte erkenningsvoorwaarden wordt aan landelijke organisaties een solide en structurele subsidiëringsbasis geboden. Nog belangrijker is dat dit voorstel de plicht oplegt om de zelforganisaties te betrekken bij de beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering. Binnen de bestaande advies- en beheerraden, maar ook via een zelfstandige overlegraad, die voor drie vierde uit vertegenwoordigers van de allochtone zelforganisatie moet bestaan en adviezen geeft op de verschillende beleidsterreinen. Dat zou voor een meer structurele betrokkenheid van de organisaties kunnen zorgen dan het nu nogal vrijblijvende Forum. Vanuit emancipatorisch standpunt is het belangrijk dat het voorstel van decreet ook een minimumvertegenwoordiging van één derde van de vertegenwoordigers van de zelforganisaties voorziet binnen de beheersorganen van de integratiesector en het Vlaams Minderhedencentrum.
Het essentieel belang van het lokale gebeuren, behoeft geen betoog. Het door minister Vogels (Agalev) aangekondigde initiatief om n.a.v. het zgn. Kerntakendebat een voorstel uit te werken voor de verankering van het minderhedenbeleid op de diverse beleidsniveaus lijkt positief, op voorwaarde dat ook de allochtone zelforganisaties hierin structureel verankerd zitten.

Jongerencriminaliteit en samenlevingsproblemen

Het ‘rapport Van San’, dat de criminaliteit onder allochtone jongeren onderzocht, heeft voor de nodige opschudding gezorgd. Dat bewijst nogmaals dat elk taboe op reële samenlevingsproblemen contraproductief werkt. Voor wie vertrouwd is met de stedelijke realiteit, staat er in dit rapport weinig ophefmakends: de samenlevingsproblemen in de steden zijn reëel en de hogere criminaliteit bij sommige subgroepen van allochtonen ook. Want dat is een eerste conclusie uit dit rapport: het bevestigt dat dé allochtoon niet bestaat, net zomin als dé Belg, dé Marokkaan, of dé Turk. Het gaat in dit rapport om allochtone deelgroepen, waarvan sommige meer en andere minder in de statistieken van politie en gerecht terecht komen dan autochtonen en waarbij ook onderlinge verschillen in de aard van de delicten vallen waar te nemen. Het gaat dus niet alleen om verschillen tussen bevolkingsgroepen, maar ook om verschillen binnen die bevolkingsgroepen. Ondanks alle terechte kritieken die je kan hebben op de methodologische beperkingen van het onderzoek, lijkt het toch duidelijk dat geen enkel van de klassieke verklaringen (demografische verklaring, sociaal economische achterstand, discriminatie door politie, culturele verschillen) op zichzelf voldoet om die verschillen inzake jongerencriminaliteit te verklaren. De reden is dan ook eerder te zoeken in een zichzelf versterkende wisselwerking tussen verschillende oorzaken die kunnen meespelen.

Overheid en samenleving moeten erop toezien dat democratisch tot stand gekomen regels worden nageleefd en gepast reageren als dat niet gebeurt. Gepast reageren wil onder meer zeggen dat het snel en duidelijk gebeurt: gedrag en misdrijven die het normaal samenleven verpesten kunnen niet aanvaard worden. Velen in de allochtone gemeenschap zijn zelf vragende partij voor een efficiënt én gepast optreden, en zijn zelf ook het slachtoffer, niet alleen van criminaliteit en onveiligheid, maar ook van de daaruit verder groeiende vooroordelen ten aanzien van hun bevolkingsgroep. Een relatief kleine groep losgeslagen jongeren verpest het samenleven van verschillende bevolkingsgroepen, vergroot zo de vooroordelen ten aanzien van de allochtonen, en zoekt bovendien in die vooroordelen een rechtvaardiging voor hun eigen delinquent gedrag. Meer inzicht in de criminaliteitsmotieven en hun achtergrond kan misschien helpen bij dat ‘gepast’ reageren. Een differentiering van verschillende bevolkingsgroepen in het justitieel beleid, kan enkel met de bedoeling hierbij tot een efficiëntere maatzorg te komen, niet om verschillende maten en gewichten te hanteren. Het onderzoek in het rapport Van San over de twee ‘probleembuurten’ in Antwerpen en Brussel bevestigt de gekende samenlevingsproblemen. Het meeste ongenoegen werd geregistreerd in verband met de fysieke verloedering van de buurt, spelende kinderen en het rondhangen van jongeren op straten en pleinen. De meeste buurtbewoners hebben persoonlijk geen ervaring met criminaliteit met allochtone jongeren, maar ervaren die toch als bedreigend. Autochtone bewoners hebben het gevoel verdrongen te zijn door de allochtone buurtbewoners, die zich op hun beurt distantiëren van nieuwe immigranten. Autochtonen voelen zich in de steek gelaten, allochtonen niet aanvaard. Initiatieven rond samenlevingsproblemen moeten meer lokaal ingevuld of (bij)gestuurd worden: het bovenlokale niveau moet een duurzaam kader proberen te scheppen waarin verschuivingen van de problematiek van de ene buurt naar de andere worden vermeden. Samenwerking van de verschillende buurtbewoners, ook rond specifieke problemen zoals vervuiling, vandalisme en criminaliteit bevordert de samenhorigheid en betrokkenheid en moet, hoe moeilijk ook, nagestreefd worden. Ook voor initiatieven zoals buurtvaders of stadswachten. Het ontbreken van een representatief aandeel allochtonen in de politiediensten wordt al jaren aangeklaagd en zou een prioritaire bekommernis moeten zijn van de bevoegde minister.

Over waarden en normen zoals die vervat zijn in de fundamentele mensenrechten mag er weinig discussie bestaan. Maar als mensen niet participeren in de samenleving (om welke redenen dan ook), zullen hun normen en waarden niet mee evolueren, en bij een gevoel van uitsluiting zullen ze zich nog verder opsluiten in hun normen en waarden. Communicatie en participatie zijn dus sleutelbegrippen. En niet enkel om wensen te formuleren naar de overheid toe, maar ook om met elkaar om te gaan en samen te leven. Veiligheid, zowel in de privésfeer maar net zozeer in de openbare ruimte is een belangrijk element van de kwaliteit van het leven. Het is een sociaal recht, nodig voor een vrije menselijke ontplooiing. Maar dit recht is ongelijk verdeeld. Maatschappelijk kwetsbaardere groepen, of verarmde buurten, kunnen er minder aanspraak op maken dan sterkeren. Dit geldt zowel voor autochtonen als allochtonen. Er is de laatste jaren, onder impuls van sp.a-ministers in het kader van samenlevingscontracten en sociaal impulsfonds veel energie en middelen in gestoken. Maar de harde discussie om via fiscale hervormingen de financiële draagkracht van de steden te verhogen in functie van de werkelijke lasten die de steden moeten dragen is nog lang niet beslecht.

Migratie: de internationale context

Zoals andere rijke landen is België een immigratieland. Immigratie is mogelijk in het kader van gezinsvorming en gezinshereniging door erkende asielzoekers en door de wettelijke afwijkingen op de migratiestop (tijdelijke arbeidskaarten, studenten). Migratie heeft ons rijkdom opgeleverd. Maar we slagen er vooralsnog niet in om die eerlijk te verdelen, niet binnen onze samenleving en nog minder op internationaal vlak. De vraag om, naast de bestaande uitzonderingen op de arbeidsmigratiestop, bijkomende arbeidsmigratie toe te laten, werd vooral in werkgeverskringen de jongste jaren weer sterker. Zowel voor wat de hooggeschoolden betreft, waar de bestaande regeling reeds soepel is, als voor de laaggeschoolden. Ondanks de nog aanwezige arbeidsreserves op onze arbeidsmarkt.

De vraag voor extra (goedkope) arbeidskrachten is een logische liberaal-economische invulling van de globalisering. Zolang we er niet in slagen om meer gelijke kansen te bieden aan de burgers van onze samenleving, en de achterstelling van onder meer allochtonen in onze samenleving weg te werken, zou het onverantwoord zijn om enkel vanuit kortzichtige economische behoeftes, naast de huidige reeds toegelaten nieuwkomers, extra migratie toe te laten. Dit zou de weg openen voor verdere dualisering en sociale dumping, ten aanzien van de reeds aanwezige allochtonen én ten aanzien van de nieuwkomers. Het zou ook de druk wegnemen op het bedrijfsleven om te streven naar een ander personeelsbeleid waarbij diversiteit centraal staat, en waarbij groepen die nu niet (genoeg) aan de bak komen meer kansen krijgen. Het toekennen van arbeidsvergunningen voor buitenlandse werknemers moet voor laaggeschoolden blijvend gemotiveerd worden vanuit aanwijsbare tekorten op de arbeidsmarkt. Er moet ook nagegaan worden hoe dit voor alle categorieën kan verbonden worden aan de inspanningen van de aanvragende werkgever op het vlak van een evenredige arbeidsmarktparticipatie van de reeds aanwezige allochtonen. Toekomstige (arbeids)migratie moet beter gekaderd worden in bilaterale of multilaterale akkoorden, waarbij ook de ontwikkeling van de herkomstlanden (en het tegengaan van brain-drain) of vluchtelingenregio’s in acht worden genomen.
Het vrijwaren van de solidariteit en het versterken van de sociale cohesie binnen onze samenleving zijn voor ons van fundamenteel belang. Dus in plaats van extra tweederangsburgers in te voeren of toe te laten, zouden we beter van de reeds aanwezige allochtonen en de huidige nieuwkomers volwaardige burgers maken. Iedereen die hier legaal verblijft zou dezelfde sociale rechten moeten hebben, dus ook de niet EU-burgers. Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke heeft hierbij, in het kader van het Belgisch EU-voorzitterschap een belangrijke doorbraak geforceerd op het vlak van de sociale zekerheid. Hij heeft namelijk op de Europese ministerraad Sociaal Beleid een politiek moeilijk akkoord bereikt waardoor de verordening die de coördinatie van de socialezekerheidstelsels van de EU-burgers regelt (met de overdraagbaarheid van sociale rechten tussen de lidstaten) wordt uitgebreid naar de ‘derdelanders’, de hier legaal verblijvende niet EU-burgers dus. Hierdoor zouden in de toekomst, wanneer dit akkoord wordt uitgevoerd, ook de allochtonen net als de EU-burgers, de socialezekerheidsrechten die ze in één van de lidstaten opbouwen, kunnen meenemen wanneer ze zich verplaatsen binnen de EU. Ook op het vlak van het vrij verkeer van personen en dus voor de mogelijkheid om, zoals de EU-burgers, in een andere EU-lidstaat te gaan werken is er een gelijkschakeling nodig. Het is vreemd om te zien hoe bepaalde lidstaten er enerzijds over nadenken om bijkomende arbeidsmigranten aan te trekken en het anderzijds zo moeilijk maken om de bestaande rechten van een Europees burgerschap uit te breiden naar de al hier legaal verblijvende en werkende allochtonen.

Naast de bestaande legale immigratie van nieuwkomers is er ook de illegale immigratie. Mensen die illegaal het land binnenkomen, vaak via mensensmokkel, of die legaal het land binnen kwamen maar niet terugkeren (asielzoekers wiens aanvraag is afgewezen, verlopen toeristenvisa). Het bestaan van deze illegale circuits van mensenhandel, illegale tewerkstelling en huisjesmelkers vormen een hypotheek voor de sociale cohesie en solidariteit binnen de samenleving. Het werkt ook remmend voor de integratie van de hier vaak al lange tijd wettelijk verblijvende allochtonen. Dat de asielprocedures in grote mate gebruikt worden door migranten die hun sociaaleconomische levenssituatie willen verbeteren, iets waarvoor het asielrecht dus niet bedoeld is, zal niemand nog ontkennen. Dat het asielrecht, de bescherming bij vervolging en dus ook de moeilijke procedures om uit te maken wie er recht op heeft en wie niet, ten alle prijzen moeten worden gehandhaafd staat voor ons eveneens buiten twijfel. Zoals het ook op Europees niveau geharmoniseerd en zelfs verstevigd moet worden met statuten voor bijkomende bescherming voor mensen die niet onder de Conventie van Genève vallen.
Maar het is een illusie om te hopen dat het toelaten van extra contingenten of quota economische migranten, de illegale immigratie of de druk op de asielprocedures zouden doen verminderen. De vooropgestelde quota of contingenten zullen in functie van het economisch en maatschappelijk draagvlak zeer klein zijn in vergelijking met het gigantisch potentieel (tengevolge van de grote mondiale ongelijkheid) aan immigranten die hun levenssituatie willen verbeteren. En de kans dat men langs legale weg wordt toegelaten zal dus minimaal zijn. Die quota zullen in een mum van tijd opgevuld zijn. Net zoals nu zullen vele andere gegadigden via illegale weg of via de asielprocedure trachten te immigreren. De aanpak van de illegale immigratie en een ondersteund terugkeer en uitwijzingsbeleid ten aanzien van afgewezen asielzoekers en illegalen zullen steeds nodig blijven. Een grotere beheersing van deze problematiek moet enerzijds gezocht worden in een vermindering van de pullfactoren (aantrekkingsfactoren): het aanpakken van de illegale tewerkstelling, snellere procedures (en dus minder lange wachttijden en opvang) om uit te maken wie wel en wie geen recht heeft op een asielstatuut (en dus snellere duidelijkheid voor de betrokkenen) én een efficiëntere Europese aanpak inzake éénvormige definities en statuten, burden-sharing, en visa-beleid. En anderzijds door een vermindering van de push-factoren door een volgehouden ontwikkelingsbeleid, eerlijke handelsrelaties, terugkeer en herintegratieprojecten en het uitwerken van mechanismen (en meer ondersteunen) van opvang van vluchtelingen in de regio’s zelf.

Slot

Er bestaan geen mirakeloplossingen voor de samenlevingsproblemen. De voorgestelde weg is niet gemakkelijk, maar er bestaat weinig keuze. Het is de keuze voor een samenleving waarin we met elkaar samenleven, in plaats van die waarin men in hokjes naast mekaar leeft. De diversiteit in onze samenleving zal hoe dan ook toenemen en het streven naar gelijkwaardig burgerschap door meer participatie in de samenleving is hierbij onontbeerlijk. Taalverwerving, onderwijs en arbeidsmarkt zijn essentiële hefbomen. Het is vooral een weg van lange adem, waarvan de resultaten vaak niet onmiddellijk zichtbaar zijn. Een aantal van de voorgestelde maatregelen zijn bijvoorbeeld al werkzaam in Nederland, en ook daar zijn de samenlevingsproblemen verre van opgelost. Een volgehouden gelijkekansenbeleid met participatiebevorderende maatregelen blijft nodig, met de tijd als belangrijkste bondgenoot.

Geraadpleegde literatuur
- ‘Multicultureel burgerschap: voorbij integratie, assimilatie, segregatie en marginalisatie’. Paper; Patrick Loobuyck, 2001.
- ‘Nederland als immigratiesamenleving’, Rapporten aan de regering, 60. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag, 2001
- Werk maken van werk voor allochtonen, o.l.v. A. Martens. Hiva, Leuven, 2001.
- ‘Gelijkwaardig: balans 1993-1999 en perspectieven van het integratiebeleid en van de racismebestrijding’, Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, 2000, Brussel
- ‘Het Vlaams beleid naar etnisch-culturele minderheden,’ jaarrapport 2000. Interdepartementale Commissie Etnisch-culturele Minderheden. Brussel, 2001.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 4 (april), pagina 4 tot 15