Abonneer Log in

Het gedachtegoed van Fortuyn

Liberaal patriot of nationaal populist

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 6 (juni), pagina 53 tot 62

Deze bijdrage werd gepubliceerd in april 2002 in Socialisme en Democratie, het maandblad van de Nederlandse Wiardi Beckman Stichting, wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid. De tekst werd hier in zijn oorspronkelijke versie overgenomen en niet aangepast naar aanleiding van de moord op Fortuyn op 6 mei 2002. Een analyse van Fortuyns gedachtegoed blijft inderdaad actueel. Voor zijn denken putte hij uit drie bronnen: het liberalisme, het populisme en het nationalisme. Paul Lucardie en Gerrit Voerman schetsten zijn programma, mede aan de hand van een analyse van zijn mensbeeld, maatschappijvisie en staatsopvatting.

Als de peiling van het NIPO begin april voorspellende waarde zou hebben, zou de Lijst Pim Fortuyn op 15 mei 15% van de stemmen winnen en met 23 aanhangers de Tweede Kamer binnenkomen. Dat is ongekend in Nederland.1 Wanneer nieuwe partijen in het verleden 7 of 8 zetels haalden (zoals D66 in 1967 en DS’70 in 1971) werd al van een aardverschuiving gesproken. Andere landen hebben echter een dergelijke dramatische opkomst van nieuwelingen al eerder meegemaakt. In Denemarken richtte de advocaat Mogens Glistrup in 1972 de Vooruitgangspartij (Fremskridtspartiet) op en won een jaar later 16% van de stemmen, genoeg voor 28 zetels (van de 179) in het parlement. In Canada kwam de in 1987 door Preston Manning opgerichte Hervormingspartij (Reform Party) in 1993 met 52 zetels (van de 295) in het House of Commons, nadat zij 17% van de stemmen had gewonnen.2
Deze partijen hebben wellicht meer gemeen met de Lijst Pim Fortuyn dan alleen hun flitsende entree in het parlement. Ze dragen alledrie duidelijk het stempel van hun oprichter; ze articuleren een veelal diffuse onvrede met het politieke bestel en met de bureaucratische verzorgingsstaat, maar ook met de multiculturele samenleving; en ze winnen kiezers uit alle lagen van de bevolking. Vanwege hun aanval op de politieke elite en hun appèl op ‘de mensen in het land’ worden ze vaak ‘populistisch’ genoemd; en vanwege hun neiging om de grenzen te sluiten ook wel ‘nationalistisch’ of ‘nationaal-populistisch’.3 Voor zover deze partijen de volkswil en volksaard van hun land zoveel mogelijk trachten te weerspiegelen, verschillen ze onderling natuurlijk ook. Canadezen en Denen zijn geen Nederlanders, al hebben ze wel een aantal belangrijke sociale en culturele eigenschappen gemeen.4
Fortuyns gedachtegoed draagt typisch Nederlandse kenmerken - ook al gedraagt hij zich soms erg on-Nederlands, met zijn Italiaanse pakken en Amerikaanse directheid. Zelf beschouwt hij zich echter niet als populist maar als liberaal patriot, naar zijn 18e-eeuwse voorbeeld Joan Derk van der Capellen. In dit artikel wordt nagegaan welke betiteling hem het beste past wanneer men zijn gedachtegoed analyseert aan de hand van zijn talrijke publicaties. Daarbij wordt de ontwikkeling in zijn gedachtegoed gevolgd vanaf het moment waarop hij afscheid neemt van de sociaaldemocratie en een eigen weg inslaat. Na een korte biografische inleiding trachten we zijn mensbeeld, maatschappijvisie en staatsopvatting te reconstrueren, om vervolgens de hoofdlijnen van zijn program te schetsen.

Afscheid van de PvdA

Wilhelmus Simon Petrus Fortuyn werd in 1948 in het Noord-Hollandse Velsen geboren, in een katholiek middenstandsmilieu. Na een vlotte studie sociologie aan de Vrije Universiteit, waarbij genoeg tijd overbleef voor deelname aan de studentenbeweging, trad Fortuyn begin jaren zeventig toe tot de PvdA, vrij kort na zijn aanstelling als wetenschappelijk medewerker ‘kritische sociologie’ aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij koesterde bewondering voor de stijl van politiek bedrijven van PvdA-leider Den Uyl, die met zijn kabinet ‘de politiek letterlijk op straat weet te brengen.’5 In de loop van de jaren tachtig raakte Fortuyn vervreemd van de partij. Hij werd nog wel benaderd om mee te werken aan de eind 1986 ingestelde commissie Programmatische vernieuwing, die een jaar later het rapport Schuivende panelen zou opstellen, maar zou door toedoen van de partijtop uiteindelijk buiten spel zijn gezet. Den Uyl had zojuist als partijleider plaats gemaakt voor Kok - in de ogen van Fortuyn ‘een briljant machtspoliticus’ zonder visie.6 Tijdens de verkiezingscampagne van 1989 zou Kok hem in het stadhuis in Rotterdam publiekelijk hebben uitgemaakt voor een ’zakkenvullende ondernemer.’ Deze schrobbering, gevoegd bij een conflict met burgemeester Peper, leidde er toe dat Fortuyn het lidmaatschap opzei van de partij waarin hij zich toch al steeds minder thuis voelde.7
Nadat Fortuyn voor de PvdA bedankte, blijft hij partijloos en werpt zich op als onafhankelijk observator van de Nederlandse politiek. In 1988 had hij ontslag genomen bij de Groninger universiteit om zich aan de productie van de ov-jaarkaart te wijden. Twee jaar later werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar Arbeidsvoorwaardenbeleid aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam. In 1995 werd zijn contract niet meer verlengd. Voortaan voorzag hij in zijn onderhoud als publicist - sinds 1992 was hij al columnist bij het weekblad Elsevier - en als spreker bij congressen en bijeenkomsten van diverse organisaties en bedrijven.

Zijn afkeer van zijn voormalige politieke onderkomen neemt sinds 1989 alleen maar toe. Hij noemt de PvdA ‘een conservatieve partij’ die afkerig zou staan tegenover elke vernieuwing van de verzorgingsstaat.8 Tegen het einde van de jaren negentig heeft hij het over ‘subsidiesocialisten’ als hij de PvdA bedoelt.9 Tegelijkertijd verwijt hij de partij dat ze haar achterban geen perspectief meer biedt en de utopie van de ‘maakbaarheid’ vervangen heeft door ‘beleid’ en ‘haalbaarheid’. Als alternatief stelt hij voor ‘het oude liberale gedachtegoed op moderne leest te schoeien’.10 Hoe dat dient te geschieden, zal hij in de loop der jaren in verschillende boeken en korte artikelen aangeven.

Mensbeeld

Vanaf zijn geschriften aan het begin van de jaren negentig neemt Fortuyn als uitgangspunt de vrije, geëmancipeerde, calculerende burger. Deze mondige burger heeft in de jaren zestig het patriarchale gezag van zich af geworpen en zich verlost van de knellende banden van de verzuiling.11 Tegelijkertijd is deze individualist echter een sociaal wezen, die weet dat hij van anderen afhankelijk is en zich slechts kan ontplooien in en door de gemeenschap waaruit hij voortspruit. Een ‘beschaafde, sociaal voelende, calculerende burger’ is dus voor Fortuyn geen contradictio in terminis.12 Toch klinkt er zo nu en dan in zijn werk een zekere bezorgdheid door over de egoïstische en materialistische neigingen van de moderne burger, en over zijn ‘ongebreidelde winststreven en dito consumentisme.’13 In 1995 benadrukt de socioloog Fortuyn in zijn boek De verweesde samenleving het belang van een collectief beleefd normen- en waardenstelsel waarzonder samenleven op den duur niet mogelijk is.14 Doordat het patriarchaal gezag in gezin en maatschappij verzwakt, nemen jongeren niet meer vanzelfsprekend de waarden en normen van hun ouders en onderwijzers over. Kinderen ‘zien zichzelf daardoor op jeugdige leeftijd al als individu en te weinig als onderdeel van een groter geheel, met als gevolg dat de belevingswereld al vroeg sterk egocentrisch wordt, hetgeen het samenleven er niet gemakkelijker op maakt.’15 Jongeren moeten dan ook via vorming leren wat samenleven inhoudt. Deze vorming vereist kleinschalig onderwijs.16 Naast een betere socialisatie in gezin en school stelt Fortuyn sinds kort voor om een maatschappelijke dienstplicht voor jongeren in te voeren. Eén van de doelstellingen hiervan is het ‘leren omgaan met mensen van verschillende sekse, geaardheid, sociale afkomst en ethnische achtergrond’, en zodoende ‘het Nederlanderschap inhoud te geven en de natievorming te verstevigen.’17 Ook op andere gebieden, zoals ‘sociale menging’ van allochtonen en autochthonen in woonwijken, sluit Fortuyn dwang niet meer uit.18 Dit duidt erop dat zijn mensbeeld - waarschijnlijk onder invloed van de problemen die hij ziet in de multiculturele samenleving - pessimististischer is geworden. In zijn meest recente programmaboek schrijft hij voor het eerst nadrukkelijk over ‘het menselijk tekort, met het kwade dat de mens nu eenmaal aankleeft, niemand van ons uitgezonderd.’19 Dit pessimisme deelt Fortuyn met conservatieve denkers als Burke.20

Maatschappijvisie

Fortuyn is sinds de jaren zeventig maatschappijcriticus gebleven, al is de basis van zijn kritiek veranderd, van (neo)marxisme in radicaal liberalisme. Kernpunt van zijn kritiek op het huidige maatschappelijke bestel is dat het niet meer past bij de geëmancipeerde burger. De institutionele structuur van de samenleving dateert nog uit het tijdperk van de verzuiling. In dit corporatieve, bureaucratische bouwwerk werken zuilen en klassen met elkaar samen, waarbij de staat als regisseur fungeert. In gremia als de Sociaal-Economische Raad, de Stichting van de Arbeid of de Kamers van Koophandel bepalen de verzuilde elites van door de overheid erkende belangengroepen het economisch en sociaal beleid. De invloed van deze instellingen en actoren is zeer groot, maar hun maatschappelijke representativiteit vaak twijfelachtig - terwijl de burger-consument niet mag meespreken.

Fortuyn oordeelt niet negatief over de prestaties in het verleden van deze ‘overlegeconomie’. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd de groei van de welvaart gelijkmatiger dan voorheen verdeeld over de bevolking. Het probleem is echter dat terwijl de maatschappij en haar burgers wezenlijk veranderd zijn, de institutionele vormen van de overlegeconomie nog steeds bestaan en zelfs opnieuw een vaste vorm hebben gevonden in het poldermodel.21 De huidige samenleving is als relict van het verzuilingstijdperk ‘dichtgetimmerd en tot verstikkens toe georganiseerd’, aldus Fortuyn, en bestaat uit logge, ‘collectivistische’ organisaties die de eigen verantwoordelijkheid ontmoedigen.22 Aan deze verstarring moet een einde komen door ruim baan te geven aan de veel flexibelere ‘contractmaatschappij’. Deze samenlevingsvorm sluit ook goed aan bij de horizontale, platte ‘netwerkorganisaties’, die met de ontwikkeling van de nieuwe informatie- en communicatietechnologie hun intrede hebben gedaan en die geleidelijk de hiërarchische, bureaucratische complexen van de overlegeconomie zullen aflossen. In de contractmaatschappij zijn de rechten en plichten van de burgers helder geregeld en worden zij geprikkeld tot het nemen van initiatief en risico. Dit betekent dat vertrouwde zekerheden op de schop moeten. In de optiek van Fortuyn dient het marktmechanisme op de arbeidsmarkt beter zijn werk te doen. In plaats van de beschermde positie van vaste aanstellingen voor onbepaalde duur komen arbeidscontracten van hooguit vijf jaar - ook voor ambtenaren. Het algemeen verbindend verklaren van cao’s voor een bedrijfstak moet eveneens afgeschaft worden. Werknemers worden ‘ondernemers van eigen arbeid.’

Islam

Zo verdwijnen de tegenstellingen tussen Arbeid en Kapitaal. In de contractmaatschappij bestaan geen klassen meer - een kleinburgerlijke utopie, meent de socioloog Erik van Ree in een scherpe analyse van Fortuyns gedachtegoed.23 Zover is het echter nog niet, dat beseft de socioloog Fortuyn ook wel. Hij onderscheidt drie klassen in de huidige maatschappij: een internationaal geörienteerde bovenklasse (de managers van de multinationals), een brede middenklasse (min of meer zelfstandige ondernemers/werknemers) en een onderklasse van veelal laaggeschoolde werklozen die amper deelneemt aan het maatschappelijk leven.24 Deze onderklasse baart hem grote zorgen, vooral omdat zij uit gebrek aan individueel perspectief gemakkelijk naar collectivistische en fundamentalistische (schijn)oplossingen voor haar problemen zou kunnen zoeken. Een groot deel van deze onderklasse is daardoor haar islamitische achtergrond van huis uit al toe geneigd. De Islam erkent immers niet de scheiding tussen kerk en staat en evenmin het beginsel van individuele verantwoordelijkheid. Afgezien van een volgens Fortuyn te verwaarlozen intellectuele minderheid streven de meeste moslims naar een islamitische staat waarin weinig plaats is voor afwijkende opvattingen, individuele autonomie en emancipatie van vrouwen en homo’s.25 Zijn kritiek op de multiculturele samenleving vloeit voort uit zijn vrees voor de ‘islamisering van onze cultuur.’
Dit soort kritiek werd in Nederland te vaak afgedaan als ‘racistisch’ en ‘rechts-extreem’, vooral door de ‘Linkse Kerk’ (PvdA, GroenLinks, D66). Echter ook CDA en VVD hebben het probleem onderschat, meent Fortuyn. Hij wijt dat in de eerste plaats aan een wijd verbreid cultuurrelativisme, dat verdediging van de eigen Nederlandse (westerse, liberale) waarden eigenlijk onmogelijk maakt: ‘wij’ zouden niet beter zijn dan ‘zij’, ook als ‘zij’ vrouwen hoofddoekjes voorschrijven, homosexualiteit als een ziekte bestrijden en wellicht zelfs de democratie willen afschaffen. In de tweede plaats kunnen de gevestigde partijen van links en rechts de ogen sluiten voor de multi-culturele spanningen omdat zij allemaal verworden zijn tot ‘smalle middenklassepartijen’ die het contact met de onderklasse (en grote delen van de brede middenklasse?) verloren hebben.26 Dit gebrek aan contact tussen politieke elite en achterban ziet Fortuyn als structurele tekortkoming van ons politiek bestel. Dat bestel faalt ook op een ander belangrijk punt, de eerder genoemde aanpassing van de verstarde overlegeconomie en van de bureaucratische verzorgingsstaat.

Staat en politiek

De omvorming van de stroperige overlegeconomie tot de contractmaatschappij, dringend noodzakelijk om de economie en de samenleving te revitaliseren, vereist de regie van de staat.27 De staat is immers verantwoordelijk voor de inrichting van het publieke domein. Deze enorme moderniseringsslag, die het openbreken van het circuit van de gevestigde belangen inhoudt, gaat volgens Fortuyn echter de kracht van het Nederlandse politieke bestel te boven. Dat komt mede doordat de huidige generatie politici is gepokt en gemazeld in de traditie van de overlegeconomie en dus hardnekkig hieraan vasthoudt.
Fortuyn richt zijn pijlen in hoofdzaak op drie aspecten van het politiek bestel. In de eerste plaats het incrowdkarakter van de gevestigde politieke elite. Deze ‘kaste’, ‘een volstrekt incestueus circuit’, zou Den Haag al decennia lang in een ‘wurggreep’ houden.28 De ’mandarijnen’ of ‘regenten’ - in de regel afkomstig uit PvdA, CDA en VVD - spelen elkaar de functies in het openbaar bestuur en de collectieve sector toe, net zoals hun voorgangers in de achttiende eeuw dat deden. Gehecht aan het pluche, zijn ze niet geneigd verantwoordelijkheid te nemen voor gemaakte fouten. Zoals elke kaste vormt de politieke elite tegenover de buitenwereld een gesloten kring. ‘Men is als de dood zo bang voor buitenstaanders in de politiek, helemaal als die zichzelf aandienen en op eigen gelegenheid in de Kamer willen komen’, zo schreef Fortuyn al met voorspellende blik in 1994.29 Erger nog, ze manipuleren zelfs de wet: ‘Iedereen is gelijk voor de wet, alleen politici en hoge ambtenaren en andere (politieke) bestuurders een beetje meer dan wij, gewone burgers.’30
De politieke elite zou volgens hem bovendien weinig behoefte tonen de kiezers om hun mening te vragen - zijn tweede punt van kritiek.31 Formeel wordt er op democratische wijze geregeerd, doordat de regering in het openbaar verantwoording aflegt aan het parlement. Het ‘echte bestuur’ speelt zich echter in achterkamertjes en in het Torentje van de minister-president af. ‘De Nederlandse politieke en bestuurlijke elite heeft lak aan de democratie, lak aan de burger.’32 Van dualisme komt weinig terecht, tengevolge van fractiediscipline, Torentjesoverleg en regeerakkoord. Daarbij komt ook nog eens dat belangrijke functies zoals die van premier, burgemeester, commissaris van de Koningin of vice-voorzitter van de Raad van State niet verkiesbaar zijn. Het is dan in de ogen van Fortuyn ook niet verwonderlijk dat het gezag van de politiek door deze regentencultuur is geërodeerd en de afstand tussen bestuur en burger groter is geworden dan ooit tevoren. Politieke partijen slagen er zijns inziens niet meer in deze kloof te overbruggen. Zij zijn geheel vergroeid geraakt met de elite en onderhouden nauwelijks nog banden met hun achterban - mede omdat zij de interne democratie hebben afgeschaft.33 De ‘fossiele’ partijen hebben volgens Fortuyn hun langste tijd gehad. Het is dan ook niet vreemd dat hij uiteindelijk niet met een partij als Leefbaar Nederland, maar met een eigen lijst aan de verkiezingen deelneemt - waarbij overigens nog niet helemaal duidelijk is hoe die organisatorisch vorm zal krijgen.

De derde steen des aanstoots van Fortuyn is het ontbreken van een grote, samenhangende visie in de politiek, een blauwdruk voor de toekomst.’Dat noemde men in vervlogen dagen een maatschappijbeschouwing of een ideologie. De hedendaagse kaste van politici denkt het niet alleen zonder te kunnen, maar gaat ervan uit dat dit veel beter is zo.’34 In de Tweede Kamer zitten nu politici met veel detailkennis, maar zonder visie. Zij hebben een voorkeur voor consensus, ‘plooien en gladstrijken’; ze draaien om de hete brei heen en nemen geen leiding: ‘u vraagt en wij draaien, zoals menig hedendaags politicus zijn taak opvat.’35
Volgens Fortuyn ‘hebben de mensen in het land schoon genoeg van Paars, van de gesloten cultuur van het Poldermodel, van het regentenpartijgedoe, van de achterkamertjes, van het buitensluiten van de burger in het algemeen (..) maar bovenal hebben de mensen in het land genoeg van al dat verantwoordelijkheidsmijdende gedrag.’36 Met de Lijst Pim Fortuyn hoopt hij niet alleen het ongenoegen van de mensen in het land te kanaliseren, maar hen ook een alternatief te bieden. Dat alternatief zou (enigszins geforceerd) samengevat kunnen worden in drie hoofdpunten: democratisering en decentralisatie van het politiek systeem, liberalisering van de verzorgingsstaat en versterking van de nationale identiteit.

Democratisering en decentralisatie

Vernieuwing van het politiek systeem en het openbaar bestuur loopt als een rode draad door Fortuyn’s publicaties. De hervormingen die hij voorstelt komen neer op vergroting van de democratische controle, versterking van de uitvoerende macht en decentralisatie van bevoegdheden. Erg radicaal zijn Fortuyns voorstellen voor democratisering niet. De belangrijkste politieke bestuurders - minister-president en burgemeester, maar ook voorzitters van Kamers van Koophandel - moeten niet meer door partijbonzen aangewezen maar door burgers verkozen worden. Kiezers moeten meer direct contact met hun volksvertegenwoordiger hebben - al wordt niet helemaal duidelijk hoe dit vorm moet krijgen.37 Om de efficiency van de uitvoerende macht te versterken wil Fortuyn het parlementaire, op coalities gebaseerde kabinet inruilen voor een zakenkabinet.38 Dit zakenkabinet heeft geen binding met fracties in de Tweede Kamer, maar regeert op basis van wisselende meerderheden. Het aantal ministers moet worden teruggebracht tot vijf à zes. De ministerraad fungeert als afstemmingscollege en stuurt als collectief de gehele rijksoverheid aan, ongeveer zoals bij een groot bedrijf de Raad van Bestuur dat doet.39 Er moeten meer staatssecretarissen bijkomen, die als een soort ‘politieke divisiedirecteur’ gaan werken. Met het verdwijnen van de knellende coalitiebanden tussen regering en fracties en van het gedetailleerd regeerakkoord, zal de monistische cultuur plaatsmaken voor dualistische verhoudingen. Het parlement is niet langer monddood maar kan werk maken van zijn controlefunctie en vrijelijk debatteren.

Het zakenkabinet zal regeren op hoofdlijnen en een aanzienlijk deel van de uitvoerende taken delegeren aan een zestal regio’s, die in de plaats van provincies komen. Tegelijkertijd kunnen gemeenten juist kleiner worden.40 Op elk niveau zal het ambtenarenapparaat moeten inkrimpen. Reeds lang pleit Fortuyn voor een veel kleinere overheid, die royaal taken afstoot naar de particuliere sector en waarin de uitvoerende diensten zoveel mogelijk worden verzelfstandigd.41

Liberalisering van de verzorgingsstaat

Daarnaast streeft de Rotterdamse socioloog naar een complete herinrichting van de verzorgingsstaat. Deze is nu teveel op collectieve verzorgingsarrangementen gebaseerd en kent burgers praktisch het ‘recht’ toe zich te onttrekken aan het arbeidsproces.42 Publiekrechtelijke organisaties waarin de regenten van overheid, vakbeweging en werkgevers samen het beleid bepalen, zoals de Sociaal-Economische Raad, moeten plaats maken voor privaatrechtelijke vormen van vrijwillige samenwerking.
De sociale zekerheid dient te worden geïndividualiseerd en geminimaliseerd tot een stelsel van basisvoorzieningen. De overheid garandeert een bepaald basisniveau dat op een ‘cultureel bepaald minimum’ ligt; voor alles wat dit vangnet te boven gaat, moet de burger zich particulier bijverzekeren. Verder dient de bijstand te worden vervangen door een minimaal basisinkomen (ofwel een negatieve inkomstenbelasting).43 Iedereen kan bovenop dit lage minimuminkomen premievrij en onbelast een maximum bedrag bijverdienen. Deze regeling zou tegelijk een groot deel van de vele uitkerings- en controle-instanties in de sociale zekerheid overbodig maken. De WAO zou beperkt moeten worden tot ziekten of ongevallen die in en door de arbeidssituatie ontstaan zijn.44 Voor de gezondheidszorg, onderwijs, politie en justitie, kortom, voor de hele collectieve sector, heeft Fortuyn een krachtig en simpel recept: schaalverkleining, afslanking vooral van de administratieve en adviserende staf, meer particulier initiatief en meer keuzevrijheid voor de consument-burger. In beeldende taal schildert hij de schadelijke invloed van professionele bestuurders en ‘deskundigen’ op de kwaliteit van gezondheidszorg en onderwijs. In kleinschaliger ziekenhuizen en scholen zouden bestuur en uitvoering weer gecombineerd kunnen worden - artsen en leerkrachten zouden het bestuur overnemen van de bureaucraten - waardoor de kosten zouden dalen en de kwaliteit zou stijgen.45

Nationale identiteit

Het begrip ‘nationale identiteit’ komt in de vroegere publicaties van Fortuyn nog niet voor. Voor zover wij konden nagaan gebruikt hij het pas in 1993, en dan eerst in de context van de Europese eenwording en mondialisering. ‘Nationale identiteit is eerst en vooral weten wie je bent, niet alleen als persoon maar ook als volk dat samenleeft in een bepaald maatschappelijk verband op een afgebakend grondgebied.’46 Kort daarna pleit hij zelfs voor een ‘naar buiten gekeerd nationalisme dat een scherp oog heeft voor de eigen kracht en verworvenheden, maar ook voor nationale tekortkomingen en het achteroplopen in internationaal verband.’47
Dat besef is noodzakelijk om een verenigd Europa zelfbewust tegemoet te treden. Europese eenwording achtte Fortuyn in de jaren tachtig nog onontbeerlijk;48 maar wekt bij hem in de jaren negentig toenemende weerstand op. In plaats van een bureaucratische Europese ‘superstaat’ wenst hij een confederatie van soevereine staten.49 Het Europees Parlement kan beter verdwijnen en de parlementaire controle overlaten aan de nationale parlementen. In zijn meest recente boek stelt Fortuyn voor het te vervangen door een senaat van afgevaardigden uit nationale parlementen.50
Vanaf het midden van de jaren negentig ziet de socioloog uit Rotterdam de nationale identiteit ondermijnd worden door een toename van migranten uit niet-westerse, en in het bijzonder islamitische landen, die onvoldoende geïntegreerd raken in onze cultuur. Om dit probleem op te lossen zijn twee wegen te bewandelen: beperking van nieuwe immigratie en krachtiger integratie van de aanwezige migranten. Aanvankelijk accepteerde Fortuyn nog de voortgaande immigratiestroom als onvermijdelijk: ‘De West-Europese grenzen zijn zo lek als een mandje. En hoe willen we die grenzen, dikwijls gevormd door zeeën, ook dichthouden? Alle elektronica van de wereld zal niet kunnen verhinderen dat wie er in wil komen, daarin ook zal slagen.’51 Hij ziet dan ook nog wel voordelen voor de maatschappij: de vergrijzing zal misschien uitblijven en het productieve vermogen wordt verbreed. Eind 1994 was van deze gematigde opstelling weinig meer over. ‘Nederland is vol!’, zo verklaarde hij in een column in Elsevier, ‘en moet dus stante pede op slot.’52 Alleen in uitzonderlijke gevallen wil hij nog vreemdelingen permanent toelaten. In 1995 hekelt hij het feit dat een rigide uitleg van artikel 1 van de grondwet een discussie over de komst ‘van nog meer vreemdelingen in dit overvolle land’ onmogelijk maakt. Hoopte hij aanvankelijk nog op een restrictief toelatingsbeleid in Europees verband, de laatste paar jaar dringt hij sterk aan op een Nederlandse Alleingang: ons land moet het Verdrag van Schengen en het VN-vluchtelingenverdrag opzeggen, de wet op gezinshereniging drastisch herzien, en grenscontroles herstellen, ‘met andere woorden grenzen dicht!’53 Vluchtelingen moeten opgevangen worden in hun eigen regio; Nederland hoeft dus alleen Belgische, Duitse, Deense, Britse of Franse vluchtelingen (die er - gelukkig - niet zijn) toe te laten.54 Terwijl Fortuyn zijn immigratiebeleid aanscherpt, blijft hij hameren op een stevig integratiebeleid van de aanwezige migranten. Ze moeten uiteraard verplicht Nederlands leren, maar ook onderricht krijgen in ‘onze basisnormen en -waarden, zoals de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, zowel in het private als in het publieke domein, alsmede de positie van kinderen èn de cultuurbronnen van onze beschaving, te weten: het jodendom, het christendom en het humanisme.’55 Mede om dit assimilatieproces te bevorderen stelt hij tegenwoordig een algemene (militaire of sociale) dienstplicht voor jongens en meisjes rond de 18 jaar voor, waarbij beide seksen in een soort woongroepen samen moeten leven, uiteraard op voet van gelijkheid.56 Voor het slagen van dit integratiebeleid acht hij een restrictief toelatingsbeleid ook noodzakelijk, om namelijk een draagvlak te scheppen voor dat deel van de bevolking dat alle kosten en problemen moet dragen.57

De schuivende panelen van Fortuyn

Terugblikkend op zijn programma, laat de vraag zich stellen of Fortuyn nu voldoet aan de eisen die hij zelf aan politici stelt: beschikt hij over een visie of ideologie? Meer dan één, zou het antwoord kunnen luiden, hij heeft er drie: liberalisme, populisme en nationalisme (wellicht ten overvloede: deze termen worden hier descriptief gebruikt en zijn niet als scheldwoorden bedoeld). Evenals bij de PvdA, waar hij in 1989 afscheid van nam, zou men bij hem het beeld van schuivende panelen kunnen gebruiken om zijn gedachtegoed te verduidelijken.
Het eerste paneel is de liberale kritiek op overlegeconomie en verzorgingsstaat. Deze kritiek begint hij al te uiten in zijn socialistische periode, maar krijgt rond 1990 een liberale wending. De klassenstrijd laat hij achter zich, in een contractmaatschappij moet de mondige burger voor zichzelf zorgen. In plaats van afhankelijk te zijn van een bureaucratische overheid en belangenorganisaties moet hij zichzelf zoveel mogelijk verzekeren tegen de risico’s van de moderne samenleving en ‘ondernemer van eigen arbeid’ worden. Over dit liberale paneel schuift in de loop der jaren negentig een populistische afkeer van de politieke elite in Nederland, die de liberalisering van de verzorgingsstaat en de overgang naar de contractmaatschappij blokkeert. Om de macht van de regenten te breken stelt Fortuyn democratisering en decentralisatie van het bestel voor. Zijn populisme blijft inhoudelijk eigenlijk nogal gematigd - van directe democratie moet hij weinig hebben - maar uit zich vooral in de stijl waarin hij het politiek bestel aanvalt. Ongeveer in dezelfde periode verschijnt het derde paneel, de nationalistische afkeer van Europese eenwording en van culturele minderheden (Moslims met name) die de Nederlandse identiteit ondermijnen. Dit nationalisme wordt weliswaar geleidelijk sterker, maar blijft vooralsnog vrij gematigd van inhoud bij Fortuyn - zo stelt hij anders dan bijvoorbeeld Janmaat en Le Pen geen voorkeursbeleid voor autochtonen voor en evenmin remigratie van aanwezige migranten. Niettemin staat zijn nationalisme soms op gespannen voet met zijn liberalisme, vooral wanneer het communitaristische en licht autoritaire trekjes krijgt (jongeren verplicht in woongroepen, gedwongen spreiding van allochtonen). Elke ideologie kent echter wel enige spanning. Het is dan ook niet bedoeld als aantijging wanneer we Fortuyn ten slotte betitelen als een liberaal en populistisch nationalist.

Paul Lucardie en Gerrit Voerman
Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen aan de Rijksuniversiteit Groningen

Noten
1/ Peilingen van Interview/nss geven een beduidend lager resultaat: 10% en 16 zetels op 6 april jl.; toch ook ongekend.
2/ Lars Svasand, ‘Scandinavian Right-Wing Radicalism’, in: Hans-Georg Betz en Stefan Immerfall (red), The New Politics of the Right: Neo-Populist Parties and Movements in Established Democracies, New York: St. Martin’s Press, 1998, 77-94; Neil Nevitte e.a., ‘The Populist Right in Canada: The Rise of the Reform Party of Canada’, ibidem, pp.173-202.
3/ Paul Taggart, Populism, Buckingham: Open University Press, in het bijzonder pp. 73-88; Frank Decker, Parteien unter Druck: der neue Rechtspopulismus in den westlichen Demokratien, Opladen: Leske + Budrich, 2000, in het bijzonder pp.127-136, 190-196.
4/ Zo scoren alle drie hoog op ‘postmoderne waarden’ en houden er rationeel-legale opvattingen over gezag op na (zij het Canadezen minder dan Denen en Nederlanders) volgens het World Values Survey; zie Ronald F. Inglehart, Neil Nevitte en Miguel Basanez, The North American Trajectory, New York: Aldine de Gruyter, 1996, p. 19.
5/ Pim Fortuyn, Babyboomers: autobiografie van een generatie, Utrecht: Bruna, 1998, p. 183.
6/ Ibidem, p. 284.
7/ Ibidem, pp. 234-237.
8/ Pim Fortuyn, Zonder ambtenaren. De overheid als ondernemer, Amsterdam/ Antwerpen: Contact, 1991, p. 20.
9/ Pim Fortuyn, De puinhopen van paars. Een genadeloze analyse van de collectieve sector en aanbevelingen voor een krachtig herstelprogramma, Rotterdam: Speakers Academy, 2002, pp. 103, 106, 119.
10/ W.S.P. Fortuyn, ‘Op weg naar een geatomiseerde samenleving?’, Namens, 6: 5 (1991), pp. 7-11.
11/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 191-192.
12/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 11, 68, 72; zie ook Fortuyn, Zonder ambtenaren, p. 15, 19.
13/ Pim Fortuyn, Beklemmend Nederland, Utrecht: Bruna, p. 143, 172; ook: Pim Fortuyn, Uw baan staat op de tocht! De overlegeconomie voorbij, Utrecht: Bruna, 1995, p. 75.
14/ W.S.P. Fortuyn, De verweesde samenleving. Een religieus-sociologisch traktaat, Utrecht: Bruna, 1995.
15/ Pim Fortuyn, De islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament, Rotterdam: Karakter Uitgevers/ Speakers Academy, 2001 (tweede herziene editie), p. 82.
16/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 159, 162; De puinhopen van paars, p. 61.
17/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 176.
18/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, p. 90; De puinhopen van paars, p. 167.
19/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 104.
20/ Zie onder meer: P.B. Cliteur, Conservatisme en cultuurrecht. Over de fundering van recht in rechtsbeginselen, Amsterdam: Cliteur, 1989, p. 272-280; Robert Nisbet, Conservatism: Dream and Reality; Milton Keynes: Open University Press, 1986, p. 30-37; Gerd-Klaus Kaltenbrunner, ‘Der schwierige Konservatismus’, in: Gerd-Klaus Kaltenbrunner (red), Rekonstruktion des Konservatismus, Freiburg: Rombach, 1972, pp. 19-54.
21/ Fortuyn, Uw baan staat op de tocht, pp. 43-52
22/ Pim Fortuyn, Het zakenkabinet Fortuyn, Utrecht: Bruna, 1994, pp. 146-147, 191.
23/ Erik van Ree, ‘Voor volk en vaderland’, De Groene Amsterdammer, 126: 9 (2 maart 2002), pp. 26-29.
24/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, p. 27-31; De puinhopen van paars, p. 72.
25/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, pp. 35-43, 49-59.
26/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, pp. 44-45, 91.
27/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 211; Het zakenkabinet Fortuyn, p. 69.
28/ Pim Fortuyn, Beklemmend Nederland, Utrecht: Bruna, 1995, p. 46.
29/ Fortuyn, Het zakenkabinet Fortuyn, p. 59.
30/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 75.
31/ Fortuyn, Het zakenkabinet Fortuyn, pp. 54-55.
32/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 11.
33/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 210; De puinhopen van paars, pp. 11, 135-138.
34/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, p. 34.
35/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 131.
36/ Fortuyn, De puinhopen van paars, pp. 184-185.
37/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 143.
38/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, pp. 206-208; Het zakenkabinet Fortuyn, pp. 58-59, 69.
39/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 142.
40/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 145.
41/ Fortuyn, Beklemmend Nederland, p. 70.
42/ Fortuyn, ‘Op weg naar een geatomiseerde samenleving?, p. 9; De puinhopen van paars, pp. 103-105.
43/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, pp. 128-129; Het zakenkabinet Fortuyn, p. 94.
44/ Fortuyn, De puinhopen van paars, pp. 109-110.
45/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, pp. 193-196; De puinhopen van paars, pp. 9-14, 17-49, 51-70.
46/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 174.
47/ Fortuyn, Beklemmend Nederland, p. 187.
48/ Bijvoorbeeld in zijn slotwoord in de bundel Sociaal-democratie en technologie, onder zijn redactie gepubliceerd door de Rijksuniversiteit Groningen en de Stichting 100 jaar sociaal-democratische arbeidersbeweging in Groningen in 1986, pp. 131-132.
49/ Pim Fortuyn, Zielloos Europa. Tegen een Europa van technocraten, bureaucratie, subsidies en onvermijdelijke fraude, Utrecht: Bruna, 1997; zie ook Beklemmend Nederland, pp. 179-200.
50/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 181.
51/ Fortuyn, Aan het volk van Nederland, p. 53.
52/ Fortuyn, Beklemmend Nederland, p. 203.
53/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, p. 90.
54/ Fortuyn, De puinhopen van paars, p. 166. Blijkbaar twijfelend aan het realisme van dit plan stelt Fortuyn echter ook voor het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers te beperken tot 10.000 (ibidem, p. 167).
55/ Fortuyn, De islamisering van onze cultuur, p. 101.
56/ Fortuyn, De puinhopen van paars, pp. 176-177.
57/ Fortuyn, Zielloos Europa, p. 49.

ideologie - sociaaldemocratie - Nederland - Pim Fortuyn

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 6 (juni), pagina 53 tot 62