Abonneer Log in

Cultuur: de smaak van de taart

Themanummer: HET GROOT ONDERHOUD

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 36 tot 44

Inleiding

De cultuursector heeft zich in de voorbije dertig jaar in Vlaanderen op een nooit voorheen geziene wijze ontwikkeld en gestructureerd. Deze ontwikkeling is ongetwijfeld het bewijs van de culturele emancipatie van Vlaanderen. De Vlaamse cultuursector heeft zich voornamelijk in de kunstensector ook internationaal gepositioneerd. Mede daardoor is de sector ook een bijzonder ingewikkeld geheel geworden van eigen Vlaamse, decretale regelingen en nog nationale wetgeving. We denken hier aan het decreet sociaal-cultureel werk, het archiefdecreet en het podiumkunstendecreet, maar ook aan de nationale wetgeving inzake auteursrecht, statuut van de kunstenaar, vzw’s en de nationale culturele instellingen. Door deze juridisering van een zeer creatieve culturele sector is het discours over cultuur en kunst vaak verengd tot discussies over subsidies, erkenningen en beoordelingen. In deze discussies gaat men voorbij aan de fundamentele vragen, nl. wat is de plaats van cultuur in onze samenleving?, heeft cultuur een opdracht?, enz. Heel veel van de problemen die in de cultuursector worden besproken, zijn eerder technisch dan inhoudelijk.

sp.a is voor een brede ondersteuning van de culturele sector in alle verscheidenheid. We kiezen m.a.w. voor een beleid waarbij iedereen gelijke kansen krijgt om zich te ontplooien, waarbij mensen zich cultureel en kunstzinnig kunnen uiten en zich een genuanceerde, doordachte mening kunnen vormen. Een doortastend cultuurbeleid kiest voor kwaliteit, niet voor middelmatigheid. Over wat op een bepaald gebied, op zijn manier, kwaliteit is, beslissen niet politici, maar deskundigen. We gaan er daarbij vanuit dat er voor iedereen en in alle velden kwaliteitsvolle dingen bestaan. Kwaliteit heeft vele gezichten. Bij de evaluatie ervan moeten we rekening houden met doelgroepen, de precieze functie en intentie van een project, de vergelijking met andere actoren in het veld, in sommige gevallen met de manier waarop iets efficiënt tot stand komt, de professionele uitvoering,…
Kiezen voor kwaliteit kan elitair lijken, maar is het niet. Kwaliteit mag niet het domein van enkele uitverkorenen zijn, maar is er voor iedereen. Goede kunst moet een plaats hebben in het dagelijks leven. Openluchtconcerten, schilderijen in musea met wijd openstaande deuren, eigentijdse en vlotte cultuurprogramma’s. Permanente en goed zichtbare promotie voor kunstmanifestaties allerhande. Woningbouw met kwaliteitsvolle architectuur. Om dat te realiseren, kunnen we dwingende eisen formuleren. De overheid moet van alle grote projectontwikkelaars bijvoorbeeld kunnen eisen een bepaald percentage te spenderen aan openbare ruimte en kunst. Iedereen moet volop kunnen genieten van kwaliteit. Daarvoor willen we gunstige omstandigheden creëren. We gaan er vanuit dat het brengen en stimuleren van topkwaliteit richting geeft, maar ook aantrekkingskracht heeft. Niet het kiezen voor kwaliteit is elitair, wel kwaliteit (soms ongewild) reserveren voor de happy few.

Cultuur als kwaliteitszorg: de smaak van de taart

In de meest brede betekenis van het woord slaat cultuur op de manier waarop we omgaan met onze omgeving, onze medemensen en onszelf. Zo spreken we bijvoorbeeld over een wooncultuur, een eetcultuur, een overlegcultuur, een bedrijfscultuur, een overheidscultuur. Voor sp.a is aandacht voor cultuur in deze brede betekenis een belangrijk wapen in een strijd die niet langer tégen de verzuring mag gaan, maar die in de eerste plaats opnieuw vóór een maatschappij moet gaan. sp.a gaat voor een wereld waar mensen elkaar ontmoeten, zich verenigen, praten en luisteren, van mening kunnen verschillen, activiteiten plannen, zich samen ontspannen. Cultuur heeft hier te maken met een alomvattende levenshouding. Cultuur is geen geïsoleerd maatschappelijk gegeven. De aandacht ervoor kunnen we op alle beleidsdomeinen toepassen. De beleidsvoerders moeten erover waken dat de overheid alert blijft voor dit aspect van haar werking. Dit zgn. inclusief beleid betekent dat cultuur niet de kers op de taart is, maar wel de smaak van de taart. Een voorbeeld: de overheid moet niet alleen zorgen voor een uitkering als iemand werkloos wordt, maar moet die persoon ook op een concrete manier begeleiden in zijn zoektocht naar een nieuwe job. Als iemand op een juiste manier wordt aangesproken, een opleiding kan volgen in een aangename omgeving en zich gerespecteerd voelt, zal die operatie vlotter verlopen en zal die persoon veel gemotiveerder zijn. Deze permanente zorgvuldigheid is een belangrijk aspect van de overheidscultuur.
Een overheid die zichzelf serieus neemt en vertrekt van dit inclusieve denken moet ervan uitgaan dat investeringen in cultuur essentieel zijn. We willen en kunnen ‘cultuur’ niet isoleren van allerlei andere aspecten van de samenleving. sp.a vraagt een totaalvisie in samenhang met tal van andere domeinen. Het mediabeleid is bv. zelfs zodanig verweven met het cultuurbeleid dat ze beter allebei ondergebracht worden in één departement. Ook de ‘cultuursector’ is geen afgesloten wereldje. Iedereen heeft natuurlijk recht op een warm welkom in onze cultuurhuizen, die aangename ontmoetingsplekken moeten zijn. Maar sp.a pleit ook voor voorstellingen buiten de traditionele ‘tempels’: in rusthuizen, sociale restaurants, enzovoort. Tentoonstellingen kunnen ook buiten musea.

Aandacht voor de wijken: cultuur begint op straat

Een brede cultuurvisie pleit ook voor investeringen in initiatieven die vanuit de bevolking zelf komen. Daarvoor moeten er aangename plaatsen zijn om elkaar te ontmoeten, om ruzie te maken en vrede te sluiten, om mensen van iets te laten/leren genieten en/of aan te zetten om zelf iets creatiefs te doen. Een investering in wijken creëert een breed draagvlak voor het gemeenschapsleven. Een overheid die aangename pleinen als ontmoetingsplaatsen aanlegt en in volks- en villawijken het buurtleven bevordert, helpt een maatschappij vormen waar mensen verantwoordelijkheid zullen opnemen voor hun publieke ruimten. Een permanente opwaardering van wijken is een investering in een goede, gezonde voedingsbodem van cultuur voor en door die wijken. Dit is basiscultuur - dit verdient veel aandacht en mag best wat kosten. Een goede samenwerking met Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken is op dit vlak essentieel.

Bakens in Vlaanderen

Als we al aandacht voor de wijken prioritair stellen, dan zijn we natuurlijk ook niet blind voor wat ons huidig en toekomstig cultuurpatrimonium betekent voor de uitstraling van de steden en voor het identificatiegevoel van de bewoners. Zonder zijn kathedraal, Rubens, de Zoo en het Centraal Station, zou Antwerpen een provinciestad zijn. En wat zou Gent zijn zonder zijn Gravensteen, Lam Gods en SMAK en Brugge zonder zijn Belfort, Groeningemuseum en Concertgebouw? Het culturele imago van een stad of regio verleent internationale uitstraling. Dat is voor de noodzakelijke eigenwaarde belangrijk. We willen steden en dorpen waar mensen trots op kunnen zijn. Als er in Alden Biezen een kasteel staat dat zo goed is als het beste kasteel in Frankrijk, dan moet daar geld voor zijn, niet enkel om het te bewaren, maar ook om het in te vullen, om het nieuwe betekenissen te geven voor vandaag en morgen. Ons erfgoed zullen we met ons eigen heden verbinden. Het mag er niet enkel voor toeristen zijn, het moet tegelijk voor de omwonenden worden ingezet. Daarvoor zijn in deze geglobaliseerde wereld soms grootschalige - en ook dure - initiatieven nodig, waar het neusje van de zalm wordt getoond van een hedendaagse omgang met het erfgoed en met nieuwe culturele uitdagingen. Natuurlijk willen we dat er hiervoor een draagvlak is, dat er een noodzaak wordt aangevoeld, een meerwaarde voor de stad of de gemeente. Zowel bij grote bakens als bij kleine, meer bescheiden dingen is dit echter veelal het geval. Het samenzijn op plekken met een intense culturele activiteit verhoogt de sociale band, het samenhorigheids- en het veiligheidsgevoel. Door een levendige cultuur is men fier op zijn wijk, zijn dorp, zijn stad, zijn gemeenschap. Bovendien hebben culturele evenementen vaak positieve economische effecten. Nee, dit zijn niet de ‘redenen’ waarom we kunst en cultuur belangrijk vinden, maar het zijn aspecten die nu eenmaal óók van tel zijn.

Universele dienstverlening

Om het cultuuraanbod optimaal open te stellen, moeten allerlei randvoorwaarden vervuld zijn. Mensen mogen zich niet al te veel zorgen maken over hun laatste trein naar huis, of er kinderopvang mogelijk zal zijn en of ze na afloop van de voorstelling nog veilig naar huis kunnen. Een goed mobiliteits-, sociaal en veiligheidsbeleid heeft zo rechtstreeks repercussies op de slaagkansen van een cultuurbeleid. Alles hangt met alles samen. De universele dienstverlening waarvoor de overheid garant dient te staan, heeft ook betrekking op domeinen die meer tot het cultuurbeleid in de strikte zin van het woord behoren. Als mensen buurtfeesten, straatbarbecues of meetings organiseren, zal de overheid ervoor zorgen dat de straat afgesloten kan worden. Als jongeren een fuif willen organiseren, kunnen ze beschikken over een goede en veilige zaal. Sociaal-culturele verenigingen vinden makkelijk onderdak voor hun activiteiten. De cultuurinfrastructuur is voor iedereen vlot fysiek toegankelijk.
De overheid zal op die manier voor de instrumenten zorgen om mensen iets met hun creativiteit te laten doen. Het is haar taak om de infrastructuur en basisfaciliteiten aan te bieden die cultuurbeleving, in brede en enge zin, mogelijk maakt. Ook dit behoort tot het pakket universele dienstverlening.
Als een overheid investeert in infrastructuur die cultuur mogelijk maakt, dan moet die overheid altijd en duidelijk medezeggenschap hebben over die infrastructuur. Uiteraard kunnen private vzw’s, die geld van de overheid ontvangen, infrastructuur kopen. Overheidssteun impliceert volgens sp.a echter dat de overheid over die aangekochte infrastructuur iets te zeggen heeft. Indien het niet goed gaat met een door de overheid gesteunde culturele vzw, blijven haar eigendommen nu buiten het bereik van andere culturele organisatoren. Dat is ook voor de cultuurconsumenten geen goede zaak. Het beheer komt dan ook beter bij een infrastructuurfonds. Vzw’s kunnen gebruik maken van de infrastructuur zolang ze positief geëvalueerd worden. Stopt de positieve evaluatie, dan komen er andere gebruikers in. Voor sommige instellingen is het nodig dat ze een vaste infrastructuur ter beschikking krijgen van de overheid, maar dit hoeft daarom niet te betekenen dat alleen dié instellingen van die infrastructuur gebruik kunnen maken. Er bestaan steden die bijvoorbeeld zogenaamde ‘stadsdagen’ ter beschikking hebben in allerlei ‘cultuurgebouwen’ die ze helpen bekostigen. Een goede invulling van dit principe kan andere mensen dan de gewoonlijke gasten lokken en voor een specifieke binding met de lokale gemeenschap zorgen. Dit verdient navolging.

Investeren in cultuur is de boodschap

In de culturele sector wordt nogal wat tijd besteed aan de permanente strijd voor het verkrijgen van subsidies. Laten we dat woord subsidie, met alle negatieve connotaties die er vaak aan verbonden worden, schrappen en vervangen door ‘investeren’. Geen euro overheidsgeld is een verworven recht. Elke euro zal in de toekomst deel uitmaken van een onderhandeling binnen een decretaal kader. En daarbij is de vraag van sp.a: wat krijgt de maatschappij voor gedane investeringen terug? De onderhandelingen zullen gebaseerd zijn op expertise: politici zullen niet zelf de kwaliteitsoordelen vellen.

Nee, we gaan daarbij niet populistisch koppen tellen. Bezoekerscijfers en sociale mix zijn daarbij enkel indicatoren. Ook de luchthaven wordt percentueel meer door hoger opgeleiden benut. We schaffen haar niet af. De fragiele etsen van Pieter Breughel, die amper kunnen worden getoond, moeten worden bewaard. Ze zijn ons geheugen. Iets wat een klein publiek aanspreekt, kan toch belang hebben. Een klein groepje insiders kan de toekomst zijn. sp.a wil wel dat - als de overheid tussenkomt - de investering naar de maatschappij wordt teruggekoppeld. De overheid zal zich bij dit alles gedragen als een goede huisvader, die zowel aandacht heeft voor nieuwe mogelijkheden als voor zekerheden, die zowel de alledaagse sfeer als het avontuur stimuleert. Dat moet met redelijke middelen, want het is in het belang van iedereen.

Weg met het cultuurpact

sp.a pleit voor de afschaffing van het cultuurpact. Het cultuurpact bepaalt onder andere dat alle overheidsinstanties ‘de ideologische en filosofische strekkingen’ moeten betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van het cultuurbeleid. Het pact zegt ook dat de verschillende strekkingen volgens hun numerieke sterkte de openbare culturele instellingen moeten (mee)beheren. In de praktijk betekent dit echter de politisering van cultuur. De ‘ideologische en filosofische strekkingen’ waar het pact het zo vaak over heeft, worden immers geïnterpreteerd als politieke stromingen. Het zijn met andere woorden de politieke partijen die vertegenwoordigers aanduiden in de ‘ideologisch representatieve’ beheersorganen. Voor sp.a is de verzuiling en het onderscheid tussen confessioneel en niet-confessioneel niet meer van deze tijd. Het diversiteitsvraagstuk in de beheersorganen moet een andere dan een partijpolitieke invulling krijgen. Kwaliteit is belangrijker dan partijkaart. Het bijna dertig jaar oude cultuurpact mag in zijn huidige vorm naar de geschiedenisboekjes verwezen worden.
Het cultuurpact is federale materie, en daarmee een anachronisme in het gefederaliseerde België - waar de bevoegdheid over cultuur een exclusieve gemeenschapsaangelegenheid is. Een wettelijk kader dat zich vooral zorgen maakt over de oude verzuiling en politisering moet daarnaast plaats maken voor een kader dat rekening houdt met meer eigentijdse discriminerende dynamieken. Het doel blijft iedereen de kans geven deel te nemen aan het cultuurbeleid en het hoofd bieden aan culturele verschraling. Niemand mag zich door het culturele aanbod gediscrimineerd voelen.

Voor een gericht kunstenbeleid

In de meer specifieke betekenis van het woord omvat cultuur - en dus ook het cultuurbeleid - drie essentiële domeinen. We hadden het al over ons cultureel erfgoed. Daarnaast is er de kunstproductie, waarbij het beleid oog moet hebben voor de noden van de creatieve geesten in ons midden. En ten slotte is er de cultuurparticipatie, waarbij de communicatie met het publiek een essentieel onderdeel is.

Koester de kunstenaar

De socialistische volksvertegenwoordiger Destrée stelde al op 4 juli 1895: ‘Nous voulons, nous socialistes, encourager l’art et soutenir les artistes, mais avec le plus large éclectisme. Nous ne voulons pas les domestiquer, mais leur laisser toute liberté. Et nous n’admirons pas un artiste parce qu’il est socialiste, mais parce qu’il est artiste et produit des chefs-d’œuvre.’ De creatie van de vrije kunstbeleving is essentieel. We pleiten voor de autonomie van de kunstenaar, die communiceert met een autonome toeschouwer, lezer of luisteraar. De kunstenaar is de arbeider van de verbeelding. Het publiek beantwoordt de voorzet van de kunstenaar met zijn eigen verbeelding. Deze relatie is opwindend, kwetsbaar en broos. Elk beleid moet met grote omzichtigheid met deze relatie omgaan. Een bloeiend cultuurleven kan, zoals al ter sprake kwam, tal van belangrijke neveneffecten hebben: goed samenleven, goede sociale banden, trotse burgers, de reputatie van steden, positieve economische effecten, … We mogen niet vergeten dat aan de basis van dit alles de vrije verbeelding van de kunstenaar ligt.
Het talent in Vlaanderen is een kapitaal, de overheid moet er met enthousiasme in investeren. Niet alleen de prestatie, maar ook de groei en de ontwikkeling van de kunstenaar zullen daarbij centraal staan. Het rendement van deze investering wordt niet geëvalueerd op basis van financiële of economische parameters. Veel belangrijker zijn de ontwikkeling van het artistiek talent, de aangroei van het artistiek patrimonium, de bevordering van het intellectueel en emotioneel discours, de toename van nationale en internationale uitstraling, de groeiende impact van dit alles op de samenleving. Artistieke activiteiten kunnen economisch vaak niet of moeilijk overleven. Omdat sp.a van het nut en de noodzaak van deze activiteiten overtuigd is, zien de sociaaldemocraten de taak van de overheid als voorwaardenscheppend. De overheid moet investeren zodat aan een erg brede waaier van disciplines een helpende hand wordt toegestoken. Hierbij kan het beleid zich niet langer beperken tot de erkende ‘zeven schone kunsten’. In een wereld in verandering wijzigen de culturele uitingen zich voortdurend. Het beleid heeft oog voor traditie en vernieuwing. Forfaitaire bedragen aan gevestigde instellingen en namen die financieel geen hulp meer nodig hebben om te overleven, mogen in vraag worden gesteld. Het beleid zal liever investeren in concrete goede voorstellen en in talent voor wie overheidsgeld wél noodzakelijk is.
In de kunstensector gaan we echter ook voor een stuk publiek domein, waar we niet willen uitgaan van de vrije markt. De overheid kiest principieel voor de garantie van een aanbod dat ze belangrijk vindt. Alleen zo kan ze zéker de waarborg geven dat dingen toegankelijk zijn en blijven voor de hele gemeenschap. sp.a zal erop toezien dat kunstuitingen gesteund worden omdat ze artistiek valabel zijn en er bij voorkeur in investeren als ze economisch zwak staan. sp.a kant zich heftig tegen een doorgedreven liberale visie, waarbij cultuur zelfbedruipend moet zijn en daardoor enkel beschikbaar is voor de kapitaalkrachtigen. Het is volkomen onaanvaardbaar dat die kapitaalkrachtigen vanuit hun economische machtspositie de contouren van het cultuurlandschap zouden mogen bepalen. De door de overheid ondersteunde sector moet naast de commerciële sector bestaan. Een voorwaardenscheppend beleid helpt met goede infrastructuur, met experimenteer-, repetitie- en werkruimtes. Ook goede investeringsfaciliteiten zijn in deze context belangrijk. Onzekere en onregelmatige inkomsten mogen voor talentvolle kunstenaars geen belemmering zijn om een atelier uit te rusten, een instrument te kopen of een opleiding te volgen. Het beleid moet opdrachten, mecenaat en het aankopen van en investeringen in kunst stimuleren. Het romantische beeld van de in armoede levende kunstenaar moeten we definitief naar het rijk der fabelen verwijzen. De overheid zal erop toezien dat kwalitatief hoogstaande artistieke arbeid in optimale omstandigheden mogelijk is. Dit moet zich uiten in de zorg om een menswaardig bestaan aan de kunstenaar te garanderen. Beroepskunstenaars moeten goede informatie krijgen over de zakelijke, administratieve, sociale en fiscale aspecten van hun job en statuut.
sp.a verstaat als Vlaamse cultuur de cultuur van mensen die in Vlaanderen wonen. Het culturele landschap heeft in de voorbije jaren een multicultureel cachet gekregen. Daardoor is er verruiming en verrijking aanwezig. sp.a zal de nodige maatregelen voorstellen om de culturele en artistieke bedrijvigheid van de Nieuwe Belgen met evenveel zorg te begeleiden als dat tot nu toe gebeurd is bij de ‘traditionele’ cultuurvormen.

Kunst veredelt

Het bestaande cultuuraanbod - van straatrap tot opera - is bijzonder rijk geschakeerd en dit is onverdeeld positief. We aanvaarden vanzelfsprekend dat niet álles voor iederéén geschikt is. Er bestaat veel, maar er is ook nood aan een breed en complementair aanbod, waarin iedereen op een of andere manier iets naar zijn zin en gading kan vinden. Het is voor sp.a een topprioriteit dat iedereen die dat wil, reëel toegang heeft tot het hele gamma van cultuurproductie. Niemand mag botsen op financiële of sociale remmen. sp.a wil daarom een strategie ontwikkelen om drempels weg te werken, zonder dat hierdoor de artistieke of intellectuele kwaliteit van het aanbod in het gedrang komt. Als de gemeenschap iets bekostigd heeft, moeten eventuele toegangsprijzen altijd zo laag mogelijk blijven. Een bepaald aantal entrees kan altijd gratis aangeboden worden. Het eerste recht daarop kan gaan naar mensen die iets voor het eerst doen of bezoeken.
Betalingen kunnen gebeuren met een strikt persoonlijke ‘cultuurkaart’, vergelijkbaar met een bankkaart, maar dan met een kapitaal om uit te geven voor cultuur. Het bedrag dat je effectief betaalt is afhankelijk van de persoonlijke gegevens op de kaart. Parameters in de kaartgegevens kunnen bv. rekening houden met economische draagkracht en de mate waarin iemand actief deelneemt aan bepaalde culturele activiteiten. Het systeem laat vergaande differentiatie in entreegelden toe, zonder stigmatisering.
Als gedepolitiseerde professionele adviesraden van mening zijn dat een (risicovol) initiatief kwaliteitsvol is, dan moet de overheid op zijn minst altijd indirect kunnen tussenkomen om dit voor alle geïnteresseerden mogelijk en betaalbaar te maken. Het doet er niet toe wie de initiatiefnemer is. sp.a wil immers vóór alles investeren in toegankelijke kwaliteit voor iedereen. Geld uit eventuele winst bij projecten waar overheidsgeld naartoe gegaan is, moet echter ook kunnen terugkeren naar een cultuurfonds van de overheid. Dit maakt nieuwe (risicovolle) investeringen mogelijk.
sp.a gelooft in een rijke, diverse, open maatschappij, waar alles voor iedereen toegankelijk is. De realisering van de sociale mix is daarbij het doel. Het is geen probleem dat iemand geen experimenteel theater lust, maar de kans om niet geïnteresseerd te zijn in avant-gardetoneel mag niet sociaal gedetermineerd zijn. sp.a verliest daarbij niet uit het oog dat de bestaande ongelijkheid in culturele consumptie samenhangt met een structurele sociale ongelijkheid op het vlak van kansen in onderwijs en economie. Om iedereen gelijke kansen te bieden om effectief toegang te hebben tot de héle cultuurproductie, staan we dan ook voor erg grote, te combineren opdrachten. Het democratische instrument bij uitstek om aan de bestaande ongelijkheid in culturele consumptie iets te doen, is het onderwijs. De culturele wereld moet daar een bondgenoot vinden. Zeer recent nog heeft publieksonderzoek het belang van toneelschoolvoorstellingen aangetoond. Cultuurcheques voor scholen moeten financieel tussenkomen. Er is nood aan opwaardering van culturele vorming in de eindtermen van het onderwijs. Ook wie in het technisch of beroepsonderwijs les volgt, mag niet in een culturele woestijn terechtkomen. Het onderwijs zal een evenwicht zoeken tussen economie en cultuur, tussen techniek en leefbaarheid. De departementen onderwijs en cultuur moeten in elk geval nauwer samenwerken.

Andere belangrijke spelers die in deze context een rol te spelen hebben, zijn de sociaal-culturele sector en de openbare omroep. Polyvalente sociaal-culturele verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen blijven belangrijk. Ze kunnen en moeten, op lokaal vlak, door collectieve vorming en excursies, een zo breed mogelijk publiek van een breed aanbod laten en leren smaken. Binnen het sociaal-cultureel werk blijkt er aan de andere kant steeds meer een vraag naar een opdeling voor doelgroepen te bestaan. ‘Monothematische’ verenigingen worden talrijker; zij verdienen in onze ontzuilde samenleving de grootste aandacht. Middenveldorganisaties kunnen mensen bereiken met wie de ‘culturele sector’ zelf soms moeilijker succesvol in contact komt. Buurtwerkers of medewerkers van culturele instellingen moeten groepen die traditioneel moeilijk te bereiken zijn dáár aanspreken waar die mensen samenkomen (bv. centra voor basiseducatie, volkscafés,…). Dáár kunnen ze mensen collectief bij de arm nemen om ze met andere werelden in contact te brengen. De wisselwerking moet uiteraard wederzijds zijn.
Amateurkunstenaars vormen de link tussen het sociaal-cultureel werk en beroepskunstenaars. Iedereen moet gelijke kansen krijgen om zich, naar gelang zijn vaardigheden, creatief te uiten. Amateurkunstenaars zijn van essentieel belang in de democratisering van cultuur. Ze spreken bovendien een aanzienlijk deel van de bevolking aan en zijn daardoor, als neveneffect, erg belangrijk voor het sociale weefsel van een gemeenschap. De VRT moet niet alleen aangesproken worden op kijkcijfersuccessen, maar ook op een maatschappelijk project. De VRT kan er mee voor zorgen om een groot en gedifferentieerd publiek bij het cultuuraanbod te betrekken. Uitgebreide promotie in goede massamedia maken ook ‘moeilijkere’ dingen populair.
Voorlichting van en brede communicatie met het publiek blijft nodig. Iedereen moet zoveel mogelijk weten wat het aanbod inhoudt. De overheid zal een goede publiekswerking en communicatiestrategie eisen. Altijd iedereen bereiken kan niet, speciale aandacht moet uitgaan naar een uitgekiend doelgroepenbeleid. Een steeds grotere en belangrijker wordende doelgroep zijn ouderen. Reclame voor het bestaande aanbod op onverwachte plaatsen, evenementen, opendeurdagen,… zullen het publiek uitbreiden. De overheid zal in die context ook het flexibel gebruik van niet-traditionele ruimtes stimuleren. Drempels worden niet verlaagd, men moet er leren overstappen. Dit impliceert onder andere dat er educatieve initiatieven bestaan, voor alle lagen van de bevolking en voor alle leeftijden, voor iedereen die dat wil. De culturele instellingen nemen hierbij individueel en collectief hun verantwoordelijkheid op. Ze moeten hun verhaal altijd afstemmen op de hele bevolking, zowel in hun externe als interne communicatie. Wat ze doen, dat maken ze zelf uit en daar zullen ze ruimte voor krijgen. Hoe ze bruggen bouwen, dat is hun maatschappelijke taak en daar wil sp.a hen op aanspreken. Om een en ander te peilen wil sp.a het effectieve publiek van (door de overheid ondersteunde) kunsteninstellingen expliciet en systematisch aan het woord laten. Dit mag echter niet gebeuren om de politiek inhoudelijk te laten tussenkomen om het aanbod altijd maar meer voor de grootst gemene deler te maken. Het is aan de culturele instellingen zelf om met die reacties van de ‘consumenten’ dingen bij te sturen.

werkgroep cultuur
voorzitter: Dany Vandenbossche (Vlaams parlementslid)
secretaris: Tom Sierens (stafmedewerker studiedienst sp.a)

cartoon: © Arnout Fierens

sp.a - ideologie - ideologisch congres sp.a - sociaaldemocratie - cultuur

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 36 tot 44