Log in

'Er is nog leven na de 16'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 61

Er is nog leven na de 16

Jean-Luc Dehaene
Van Haelewyck, Leuven, 2002

De oud-premier heeft geen memoires geschreven, noch een wetenschappelijk traktaat. Hij zegt het zelf en het is waar. Hij noemt het een ‘pretentieloos getuigenis van mijn politiek engagement met vandaaruit een blik op de toekomst’. En dat is het geworden, ook al overdrijft hij toch af en toe. Het hoofdstukje over het Dehaenees is onnozel. Iedereen kent zijn uitdrukkingen, het was niet nodig er een uitleg voor te verzinnen. Het stuk over zijn wereldreizen klinkt eerder nouveau riche. De persoonlijke stukken missen dan weer de diepgang van memoires en vervallen gemakkelijk in anekdotes. Het memoriegenre is nu eenmaal moeilijk. Alleen de groten in de literatuur slagen er echt in. De mindere goden komen niet verder dan het belichten van hun persoonlijke aandeel in de grote gebeurtenissen. Al te makkelijk wordt de grens overschreden van het egocentrisme, het beeld dat die grote gebeurtenissen fundamenteel door de auteur zijn beïnvloed. Men zou het de ‘Ik-literatuur’ moeten noemen. Interessanter zijn de hoofdstukken over Europa en de staatshervorming. Niet dat hij echt nieuwe zaken vertelt, maar men wordt geconfronteerd met een gefundeerde visie. Dehaene is ongetwijfeld een verstandig man. Het is geen toeval dat hij aangesproken werd als ondervoorzitter van de Europese conventie. Hij weet waar hij naar toe wil. Het waarom van het hoofdstuk over verkeer is echter minder duidelijk. Dehaene wil natuurlijk zijn eigen beleid belichten, maar het lukt toch niet om aan te tonen dat dit echt de problemen heeft aangepakt. En dat het Sabena-failliet echt alleen maar aan het verkeerde management van de Zwitsers zou te wijten zijn is absoluut ongeloofwaardig. Als ik eerlijk mag zijn, het enige werkelijk interessante in het boek is de uitgeleide, die eerder al in Knack gestaan heeft. Het heet ‘De politiek na Pim Fortuyn’. Dehaene noemt zichzelf een product van de overlegdemocratie, die hij afzet tegen de zogenaamde burgerdemocratie, die iedere individuele burger op zijn wensen zou willen bedienen. Omdat politiek nu eenmaal het algemeen belang moet dienen kan dat natuurlijk niet. Volgens Dehaene heeft de politicus dat verkeerde verwachtingspatroon - de reden waarom de indruk van een kloof met de burger ontstaan is - zelf in de hand gewekt. Hij heeft te veel gedaan alsof hij alle problemen kon oplossen, terwijl het klassieke dienstbetoon teveel heeft rechtgezet wat krom was. Dehaene voelt zich minder thuis in de politiek van vandaag. Ik zou willen dat zijn pleidooi voor een overlegdemocratie toch niet te vlug in de hoek van de nostalgie terecht komt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 61